Venetië 2012

Cees Nooteboom

Cees Nooteboom

Cees Nooteboom (Den Haag, 1933) is een van de grootste levende Nederlandse schrijvers. Zijn oeuvre, waaraan hij sinds 1955 bouwt, bevat romans, verhalen, poëzie en essays. Het meest vermaard is hij waarschijnlijk om zijn reisverhalen, door uitgeverij De Bezige Bij de afgelopen jaren gebundeld in vijf kloeke delen. In 1992 brak hij internationaal door met Het volgende verhaal, oorspronkelijk geschreven als Boekenweekgeschenk. Zijn boeken zijn in meer dan vijftig talen vertaald. In 2004 won hij de P.C. Hooft-prijs voor zijn oeuvre en in 2009 de Prijs der Nederlandse Letteren. In 2012 is hij voorgedragen voor de Nobelprijs voor literatuur.

Close

Venetië Alle citybooks

Download de ePub-versie Print

Venetië 2012

Ons ErfdeelHet citybook Venetië 2012 van Cees Nooteboom verscheen begin 2013 in voorpublicatie in Ons Erfdeel nr 1, 2013.

 

 


I


Ik heb een bijna onmetelijke kaart van de lagune van Venetië gekocht om te proberen de stad tot haar juiste proporties terug te brengen. Een merkwaardige oefening. Ik weet dat ik er morgen aan zal komen uit de lucht, maar dat ik de stad die ik al zo vaak bezocht heb, deze keer zal benaderen over het water. Op de kaart is de verhouding water en stad misschien wel duizend tot één, in het eindeloze blauw is de stad een stadje geworden, een kleine gebalde vuist op een uitgespreid laken, zodat het lijkt alsof al die leegte in een ogenblik van woede de stad heeft voortgebracht die haar later zou beheersen. De Mexicaanse schrijfster Valeria Luiselli ziet in mijn vuist een gebroken knieschijf, en als ik goed kijk, heeft ze gelijk. Vanuit de hoogte van Google Earth wordt dat nog duidelijker, het Canal Grande is de breuk door de knie; het korrelige, vergruisde labyrint er omheen is het bot van de stad waarin ik morgen weer zal verdwalen zoals iedereen die van buiten komt er moet verdwalen; de enige manier om haar te leren kennen.

Ik heb hier meerdere adressen gehad, soms in oude hotels, meestal in smalle, donkere stegen, delen van een paleis dat er nooit als een paleis uitzag, uitgewoonde trappenhuizen, kleine kamers met nog net een raam dat op een achterhuis uitkeek waar niemand leek te wonen, terwijl toch buiten aan een wankel lijntje twee bevroren slipjes bleven hangen in de stille vrieskou. Een enkele keer ook een gezicht op het water van een onbekend zijkanaal waar elke dag op dezelfde tijd een boot vol fruit en groente voorbijkwam. Deze keer is het geen winter, maar september, en elke droom van een lege stad vervliegt al bij de aankomst: Venetië is van de hele wereld, en de hele wereld is op de afspraak gekomen, als er een Proust of een Thomas Mann, een Brodsky of een Hippolyte Taine bij is, zijn ze niet te zien, het zijn optrekkende legers die dit jaargetijde onderweg zijn, het Chinese leger, het Japanse leger, het Russische leger, wie zijn eigen Venetië wil vinden, zal koppig moeten zijn en vastbesloten, gekleed in een onzichtbaar pantser, en nederig bedenken dat hij voor al die anderen ook gewoon een ander is die hen voor de voeten loopt en hinderlijk tegen hen aangedrukt staat op het open middenstuk van de vaporetto zonder iets om zich aan vast te houden.

Maar het is nog niet zo ver. Ik ben alleen nog maar aangekomen en heb meteen drie van de vier elementen in mijn reis gemengd: ik kwam door de lucht en liep over de aarde naar het van licht schitterende water waar ik nu voor sta, op een steiger wachtend op een taxi. Aan het vierde element, vuur, durf ik me niet te wagen, ook al vlamt het zonlicht in het wiegelende water. Er zijn tenslotte grenzen aan de hedendaagse beschrijvingskunst, grenzen die met het geduld van de nieuwe lezer te maken hebben. Voor mijn vertrek heb ik een boek van Hippolyte Taine gekocht uit 1858, de passages die ik had aangekruist gingen over de schittering in de beweging van het water, en ook dat is een les in nederigheid, want in zijn beschrijving schittert het water ook werkelijk. Nu ik hier sta, zie ik hoe moeilijk het is om te doen wat de negentiende eeuw nog zonder gêne deed: minutieus tot in elk detail impressionistisch beschrijven wat er te zien is.

De taxi maakt een einde aan al mijn bespiegelingen, hij snijdt het water van de wijde lagune open, vliegt langs de geometrische lijn van de meerpalen over wat het Canale di Tessera moet zijn en springt op de stad af. Ik zie de silhouetten van de bekende torens, heb even het gevoel dat ik thuiskom, we schieten langs Murano en onder het dodeneiland van San Michele door en varen bij het Arsenale naar binnen, plotseling langzaam langs de bakstenen muren van de hoge kade en dan schuin over het Canale di San Marco naar het kleine eiland van San Giorgio waar ik deze keer zal wonen. Dat de klokken van de mastodontische San Giorgio meteen beginnen te luiden, is niet mijn schuld: het is zes uur in de avond, tijd voor het angelus. Over het water hoor ik nu ook de klokken van de San Marco en de Redentore. In een kruisvuur van geluid sta ik op het grote open plein voor de kerk en zie een man die op zijn knieën met een veel te kleine staalborstel het wier dat vlak onder het wateroppervlak op de trappen is gegroeid centimeter voor centimeter probeert weg te schuren, een sisyphuswerk dat meer met de eeuwigheid te maken lijkt te hebben dan met de wereld waaruit ik vandaag ben gekomen.

Een uur later, nadat ik mijn koffer naar mijn kloosterkamer heb weggebracht, loop ik de enorme kerk binnen, die nog open is. Het is zo’n ruimte waar je onwillekeurig de zijkant opzoekt: de leegte in het midden is gevaarlijk. Of mensen hier kunnen bidden, weet ik niet. Er is geen spoor van de intimiteit van romaanse kerken: dit is een ruimtestation om naar Mars te vertrekken, hier heerst een andere, klassieke en martiale God in het huis dat Palladio voor hem bedacht heeft. Zelfs de grote vlaktes van de Tintoretto’s die in het halfdonker maar ternauwernood zichtbaar zijn, worden opgenomen in het wiskundige netwerk van onverbiddelijke lijnen. Ik weet dat er achter het machtige hoofdaltaar prachtige Vlaamse koorstoelen moeten zijn, maar als ik er naartoe wil lopen word ik tegengehouden door het geluid van stemmen, een zacht maar dreinerig gemurmel van oudemannenstemmen. Ooit was dit een Benedictijner klooster.

Later, nadat de monniken verdreven waren, raakte alles in verval. Nu is er op het eiland een stichting gehuisvest waar ik deze dagen mag wonen, maar de monniken zijn weer teruggekomen in hun gekrompen klooster. Van de vele koorstoelen bezetten ze er nog vier, ik heb me in het aangroeiende duister zo opgesteld dat ik ze kan zien tijdens hun vespers. Hun stemmen, met het gregoriaans geneurie, verdrinken in de maat van het gebouw, de tegenstelling tussen classicistische pracht en hulpeloos biddend gefluister is niet zonder pathos; er hangt een atmosfeer van onherroepelijk afscheid, en als ik op mijn tenen het ruimtestation uitloop, hoor ik achter mij de steeds zwakkere echo van een voorgoed voorbije tijd. Buiten zie ik de lichten van het grote plein aan de overkant en de boten op het water die van de Schiavoni naar Giudecca varen. Ik ben aangekomen.

 


II


Wiegel. Wiegeldewiegel. Wiegeldewiegeldewiegeldewiegel. Ik heb het eindelijk gedurfd. Tien keer Venetië en voor het eerst in een gondel. Als ik ’s ochtends vroeg mijn koffie drink op de hoek van de Procuratie nuove, staan ze naast me: de gondolieri. Grote gesprekken over de wedstrijd van gisteren in het niet te volgen Venetiaanse dialect. Het is koud op het water, een warme cappuccio helpt. Buiten liggen hun slanke, zwarte vogelboten in het gelid, de vogelkoppen (het zijn vogelkoppen, kijk maar goed) gericht naar het eiland waar ik woon. Waarom wilde ik nooit? Omdat het het absolute cliché van Venetië is?

Dat zou kinderachtig zijn. Vanwege de gezichten van de mensen in die gondels? Wat is er dan met die gezichten? De onuitstaanbare zaligheid van het eindelijk bereikte, de absolute Venetiaanse doop, zodat je er voor altijd bijhoort? In de gondel met Thomas Mann, Marcel Proust, Paul Morand, Henry James, Ezra Pound. Louis Couperus? Ich bin auch ein Berliner, zoiets? Of als onze buren in Kansas, Bielefeld, Wakayama, Novosibirsk, Barneveld ons eens zouden kunnen zien, die uitdrukking? Alsof ze, daar beneden op het water, de hele stad als een mantel om zich heen hebben gedrapeerd, een stil en wiegelend ogenblik van vervulling, deining, watergefluister om je heen in de stillere kanalen, de onzichtbare man achter je, de veerman met zijn ritmische, sterke bewegingen. En toch, de meeste mensen hebben niet de juiste gezichtsuitdrukking gevonden, al doen ze hun best. Dat kan alleen maar komen omdat ze weten dat ze nergens heen gaan en straks weer op het punt van vertrek zullen aankomen. Wat voor gezicht trek je daarbij als de mensen in de vaporetto, die wel ergens heengaan, naar je kijken?

Nooit had ik meer gedaan dan de traghetto, ook een gondel, maar alleen maar van de ene kant naar de andere kant van het Canal Grande. Wankel opstappen, stevige hand van de veerman die je bij je arm pakt, proberen zo te staan dat je je evenwicht niet verliest of even op het smalle plankje zitten om je gezicht niet te verliezen. Gezicht of evenwicht, daar gaat het om. Nee, ik had het nog nooit gedaan. Vorig jaar, toen het sneeuwde in Venetië en wij een klein appartement hadden bij de Campo San Samuele, in de aan een steeg gelegen achterkant van wat ooit een palazzo moest zijn geweest (een donkere, verborgen ruimte achter tralies met een hond die altijd blafte als we binnenkwamen, en nauwelijks een blik op het water) had ik ’s ochtends vroeg al Japanners voorbij zien komen, op elkaar gedrongen onder paraplu’s, sneeuw op hoeden en mutsen, stralend van geluk. De gondoliere zong over de zon terwijl hij de sneeuw uit zijn ogen moest vegen. O sole mio. Ik bewonderde hem. Traag kwam de boot voorbij en ik wist dat zij die vaart nooit zouden vergeten, ik wou dat ik het Japanse woord voor ‘nooit’ wist. Als je niet in een gondel gezeten hebt, ben je nooit in Venetië geweest. Iedereen maakte een foto van iedereen: bewijs. Je koopt in Japan de reis ook inclusief gondelvaart. Maar was dat een reden voor mij om het niet te doen? Doorweekte Chinezen in de regen, Amerikanen met een fles prosecco? Ik had geprobeerd mijn onzin een rationeel excuus te geven, een gondel is een vervoermiddel, die neem je als je ergens naartoe gaat, zoals vroeger, toen er nog geen vaporetto’s waren. Alleen maar een beetje ronddobberen, dat kon de bedoeling niet zijn, terwijl ik toch anders altijd zomaar door de stad dwaal. Een nog zwartere grondel dan anders, met een doodskist onder een goudgeborduurde doek erop, op weg naar het dodeneiland van San Michele, dat was echt, de essentie van vervoer. Al het andere was toerisme, aanstellerij, theater, iets voor andere mensen.

En nu? Nu waren we zelf andere mensen en zaten in een gondel, wankel ingestapt, toch te zwaar, bootje helt over, maar de geoefende hand kent de onbeholpen lichamen, zet ze op een kussen, de vaart kan beginnen en op slag is de wereld veranderd, speelt zich boven je af, je ziet op de kades naast je geen gezichten maar schoenen, de huizen worden uitgerekt en ineens ontdek je van alles waar je nooit op gelet hebt; een zachte deining heeft zich van de stad meester gemaakt, je ziet de muren als levende huid, kwetsuren, wonden, littekens, genezing, ouderdom, geschiedenis, zwart wier, groen wier, de geheimzinnige onderkant van bruggen, marmer en metselwerk, de andere boten, het leven op het water in een stad van steen en water. Zachtjes noemt de gondoliere de namen van kerken en grote huizen alsof een oude priester een litanie bidt waar je niet naar hoeft te luisteren. Ik probeer soms op de kaart te volgen waar we zijn maar ben al gauw het spoor bijster. Soms, als we een scherpe hoek omgaan, roept hij heel luid ‘Oi!’ alsof we in levensgevaar zijn, maar ik heb me allang overgegeven, als een kind in de baarmoeder luister ik naar het gemurmel van het vruchtwater en wil nooit meer geboren worden.

 


III


Een herinnering. Een winterdag. Het heeft gesneeuwd op het San Marcoplein, maar de sneeuw is snel gesmolten. Ik sta in een van de galerieën naar het natte plein te kijken, denk dat ik zie hoe het smeltwater langzaam wegloopt, maar net als in het gedicht van Nijhoff blijkt de werkelijkheid anders: ik zie niet wat ik zie, want alsof er midden tussen de stenen van het plein een bron is, zie ik hoe het water op een paar plaatsen langzaam omhoog komt, alsof de stad poreus is. Ik heb de sirenes niet gehoord die voor ernstig hoog water waarschuwen, dus het kan niet erg zijn, en toch kan ik mijn ogen er niet van afhouden. Daaronder hoort aarde te zijn, geen water, een stad is geen schip. Of toch? Ik sta op steen, ik ben Jezus niet. Maar sta ik wel op steen? In de verte zie ik mensen sjouwen met die eigenaardige plankieren, ik heb er geen ander woord voor, langwerpige houten voorwerpen op vier metalen poten, waarover je vlak boven het wateroppervlak je weg kunt vervolgen en niet door het water hoeft te waden. Tot een halve meter kan het stijgen en als dat gebeurt, worden er smalle wegen gebouwd met die plankieren, waarover de voetgangers elkaar met moeite passeren. Zwart is het slijk dat onder uit de lagune komt, dodenwater uit de Lethe, de rivier van vergetelheid. Ik heb erbij gestaan als ze ergens aan het baggeren waren, zo’n grijper die in de diepte graaft en een pekzwart slijk uitbraakt samen met allerlei voorwerpen uit het dodenrijk die dezelfde kleur hebben aangenomen van water in de rouw, een tegenstad die daar beneden haar tijd afwacht.

Als het water weer gezakt is, blijven de plankieren achter als een memento dat het kan verkeren, dat de volle maan van de romantische schilderijen soms met een slecht humeur het bevel over het water overneemt. En omdat er zich sinds de laatste ijstijd tien maal meer water dan land in de lagune bevindt, hebben mensen zich in dit strijdgebied tussen rivieren en zee moeten redden zo goed als ze konden. De gedachte aan Nederland en de zee is dan natuurlijk niet ver. De vertakkingen van de Po-delta voeren zand aan uit de bergen van het achterland, de zeestroming ging daar tegenin, er werden zandbanken gevormd die de lagune in wilden sluiten, de zijrivieren van de delta moesten worden omgelegd om de boel niet door het aangeslibde zand te verstoppen en het zoete water door drie openingen in zee te laten stromen. Op een luchtfoto van grote hoogte ziet de lagune eruit als een levend organisme, de waterwegen als bloedbanen, de verlegde rivieren in het noorden en zuiden als slagaders, de industrieterreinen van Mestre en Porto Marghera als grote gezwellen en Venetië zelf als een achteloos weggeworpen en verloren juweel. De moerassen er omheen krijgen dan de allure van een koningsmantel voor een koning op een wankele troon van zandsteen uit Istrië, de reddende steensoort die de vraatzucht van het zeewater kan weerstaan, net als de pijnbomen die ook al uit Istrië komen en die, net als in Amsterdam, diep in zand en klei geheid, huizen en paleizen dragen. Wie dat allemaal voor elkaar heeft gekregen kan erop uittrekken om de wereld te veroveren.

 


IV Drie miniaturen


Tiepolo in het Dogenpaleis
Drie figuren tegen het blauw van de hemel. Door de drietand weet je welke god er bedoeld wordt. Maar hij houdt hem niet vast, het merkwaardig wapen dat zijn embleem is, het ligt half over zijn rug en over die van de donkere jonge vrouw in een diepgroen kleed die haar hoofd zo dicht bij het zijne heeft. Wie zijn wapen wel vastheeft, is niet te zien. Het is het menselijkste portret dat ik van hem ken. Hij is groot en sterk, halfnaakt, het lange haar zwart, de baard wild en grijs, zijn rechteroog staat verliefd, het andere is niet te zien maar dat ene is genoeg, zijn jonge huid is bruin en glanst, een paar borstharen, de werkhanden donkerder van kleur, zoals bij boeren en vissers. Hij houdt ze rond de hoorn des overvloeds die hij nu voor de blonde gekroonde vrouw tegenover hem uitstort. Munten, een felrood stuk koraal, parelsnoeren, het is zo fantastisch geschilderd dat je denkt de beeltenissen op de munten te zien, figuren in goud- en zilverschijn, een schat, die daar op haar goudbrokaten kleed naar buiten stroomt langs zijn machtige knie. Er is geen twijfel aan, hij brengt geen verplicht tribuut: hij geeft uit liefde en Venetië is de vrouw aan wie hij dit alles geeft. Met een lange lichte hand die van onder het hermelijn tevoorschijn komt, wijst ze naar hem en kijkt hem aan met een blik die het midden houdt tussen bevreemding en misschien wel angst. De seksuele connotatie is onmiskenbaar, zij is mooi, de linkerhand waarmee ze haar scepter losjes vasthoudt, rust op de kop van een gigantische hond met een monsterbek, zij ligt naar achteren geleund in al haar gewaden en beslaat zo bijna tweederde van de schildering, zodat het lijkt dat hij als een zware golf op haar toestoomt, god weet wat er nog kan gebeuren tussen de zeegod en zijn lievelingsstad. Gezien in het Dogenpaleis, in de Zaal van de vier Poorten, waar de ambassadeurs moesten wachten op hun audiëntie.

 


Carpaccio in het Corrermuseum
Het zegt wel iets over Ruskin dat hij de twee vrouwen van Carpaccio de Courtisanen noemde. Vrouwen van lichte zeden (uit de betere kringen) zegt mijn Franse woordenboek, voor het geval ik nog twijfelde. Waarom dacht Ruskin dat het hier om een hoger soort hoeren ging? De kleding van de twee vrouwen is Venetiaans, luxueus, hun kapsel geraffineerd, hun sieraden niet overdadig, maar wel aanwezig. Een van de vrouwen heeft een weelderig decolleté, maar dat was niet ongebruikelijk. Wat bezielde Ruskin? Zijn eigen Victoriaanse pruderie? De legende wil dat hij zo veel naar gepolijste marmeren naakten gekeken had dat hij zich doodschrok toen hij op zijn huwelijksnacht het schaamhaar van zijn vrouw zag. Toch denk ik eerder dat het door twee andere dingen kwam die op dit fabelachtige schilderij te zien zijn. Beide vrouwen kijken recht vooruit, van de beschouwer afgewend, beiden kijken met een lege blik, eigenlijk nergens heen. En al gebeurt er het een en ander, het lijkt of er niets beweegt, het lijkt alsof ze wachten, een vaak langdurige bezigheid die courtisanes niet vreemd is.

Wat zien we nu eigenlijk? Twee duiven, twee honden, misschien de poten van een van die honden of van een derde, onzichtbare hond. De vrouw met het decolleté houdt met haar rechterhand een lange dunne stok vast, die de grootste hond tussen zijn scherpe tanden heeft. De wetten van het perspectief verraden mij niet of de twee voorpoten die ik in de linkeronderhoek van het schilderij zie, en waarvan er een op een opengevouwen briefje ligt dat ik niet kan lezen, horen ook bij diezelfde hond: door de kleur van het hondenhaar denk ik van wel. In haar linkerhand houdt de vrouw het dunne rechterpootje van een klein, rechtopzittend mormelachtig hondje vast, dat onbeschaamd naar mij kijkt. De andere vrouw lijkt haar voeten in twee enorme, groene, met borduursel afgezette sloffen aan te hebben, maar misschien is het ook de opbollende onderkant van haar jurk. Dit zijn dingen die de kunstgeschiedenis weet, en misschien ook wat de kraaiachtige vogel betekent die recht voor haar op de grond zit en een drietenig pootje naar haar optilt. Ook deze vrouw heeft die starende lege blik naar nergens die ik voor het gemak maar modern noem. In haar rechterhand heeft ze een linnen of zijden doek, haar elleboog ligt op de hoge marmeren balustrade vlak bij een granaatappel, symbool van liefde en vruchtbaarheid, zoveel weet ik nog. Of het jongetje, dat met zijn hoofd nog niet tot bovenaan die balustrade komt dat ook weet is niet zeker. In ieder geval heeft hij al zijn aandacht voor de pauw die hij eigenlijk zou willen aaien. Naast de pauw staan twee van die vrouwenschoenen die destijds in de mode waren, en waarop, zo te zien, nauwelijks te lopen viel.

Het schilderij hangt in het museo Correr en als je de kans krijgt er langdurig voor stil te staan, wordt het bij die vrouwen alsmaar stiller. Volgens latere theorieën wachten ze op de terugkeer van hun mannen van de jacht, maar dat lost het raadsel van die stilte niet op. Kleding en objecten plaatsen het schilderij in de tijd, maar de leegte van de blik en de arrogante afwijzing van het kleine hondje ruiken naar mijn eigen tijd. Dat hondje weet te veel, en wij kennen elkaar.

 


Guardi
De stad, die ik een paar weken geleden heb verlaten, is van papier geworden. Nu ik weg ben, kwam eindelijk de grote Guardi-tentoonstelling in het Corrermusuem. Francesco Guardi, die tijdens zijn leven altijd Canaletto moest laten voorgaan terwijl hij natuurlijk wist dat hij beter was omdat hij de stad kon laten leven, omdat hij de palazzi uit hun stasis verloste waarin de andere schilder ze voor eeuwig had vastgeschilderd, omdat hij het water liet ademen, het geschreeuw van al die mannen op hun schepen hoorbaar maakte en omdat zijn wolken personen waren die zo over water en stad bewogen dat je ze namen zou willen geven. Een vriend die mijn obsessies kent, heeft me een nummer van El País gestuurd en een pagina uit de New York Times die alle twee over de tentoonstelling gaan. Zo ben ik toch nog een beetje in Venetië.

Door het zwart-wit van het korrelige krantenpapier zie ik de schilderijen zoals je ze niet hoort te zien, ze zijn door een ongeneselijke grijsheid bevangen, maar toch, ik vul de kleuren in met herinnering en heimwee. Dun en een beetje doorzichtig staat de schilder op het enige portret dat er van hem bekend is, penseel in de hand alsof hij iets moet bewijzen, de kleuren op zijn palet: witte en donkere streepjes, vrouwelijke handen, heldere ogen die alles wat ze zagen zouden bewaren. De stad, de stad en nog eens de stad, een vloeibare stad van water en boten, een stenen stad van paleizen, en daarnaast wat er achter al die gesloten muren gebeurde, de stad in de stad, de kermis van ijdelheid in het Ridotto, een wervel van raffinement en geilheid rond de speeltafels, een zachte geur van bederf dat het langzame einde aankondigt. Zijn schilderijen zijn naar huis gekomen, godweet hadden ze heimwee naar de stad waar Guardi, altijd in de schaduw van Canaletto, ooit probeerde ze op het San Marcoplein aan de man te brengen. Uit de hele wereld zijn ze naar het Correr gevlogen, veertig musea en instellingen hebben ze voor een paar maanden laten gaan, ik kan niet wachten tot ik ze in het echt zal zien. In het grijs van de krant voor me kijk ik naar de oever van het Giudecca waar ik zo kort geleden nog heb gelopen, ik zie het kleine eiland waarop ik heb gewoond, gevangen tussen licht en schaduw, een ver schemergebied waarin ik een van die schimmen zou kunnen zijn die zijn schilderijen bevolken. Deze stad is sinds zijn dagen nauwelijks veranderd, daardoor lijkt het dat op deze schilderijen de tijd die vergaan is, wordt opgeheven. Ik ben niet meer waar ik ben en toch ben ik er, ik ben van verf geworden en loop daar in het nu van 1760 waar hij me geschilderd heeft, een man in vreemde kleren die op de trappen voor de kerk zit waar ik twee eeuwen later voorbij zal lopen, een Nederlander in de allersereenste republiek.

 

Download de ePub-versie Print

Venezia 2012

gondola days 2013A fragment from the English and Italian translation of Cees Nooteboom's citybook on Venice was published in Gondola Days 2013.


I


Ho comprato una carta quasi sterminata della laguna di Venezia per provare a riportare la città nelle sue giuste proporzioni. Un esercizio curioso. So che domani arriverò dall'aria, ma che la città che ho già visitato così spesso, questa volta la raggiungerò dall'acqua. Sulla carta il rapporto tra acqua e città è forse di mille a uno, nell'infinito azzurro la città è diventata una cittadina, un piccolo pugno chiuso su un lenzuolo dispiegato, come se tutto quel vuoto in un momento di collera avesse prodotto la città che in seguito l'avrebbe dominato. La scrittrice messicana Valeria Luiselli nel mio pugno vede una rotula fratturata, e se guardo bene, ha ragione. Dall'alto su Google Earth ciò risulta ancora più evidente, il Canal Grande è la spaccatura nel ginocchio; il labirinto granuloso e sbriciolato intorno è l'osso della città nella quale domani mi perderò di nuovo così come tutti quelli che vengono da fuori vi si devono perdere; l'unico modo per imparare a conoscerla.

Io qui ho avuto svariati indirizzi, a volte in vecchi hotel, quasi sempre in calli strette e buie, parti di un palazzo che non aveva mai l'aspetto di un palazzo, scale rovinate, stanze piccole con tutt'al più una finestrella striminzita che dava sul retro di una casa in cui non sembrava abitare nessuno, mentre fuori a un'esile cordicella c'erano sempre appesi due slip intirizziti nel silenzio gelido. Un'unica volta c'era anche la vista su un canale secondario sconosciuto su cui ogni giorno alla stessa ora passava una barca piena di frutta e verdura. Questa volta non è inverno, ma settembre, e ogni sogno di una città vuota si dilegua già all'arrivo: Venezia è di tutto il mondo, e tutto il mondo è venuto all'appuntamento, e se c'è un Proust o un Thomas Mann, un Brodsky o un Hippolyte Taine, non si vedono, sono eserciti in marcia, quelli che sono in giro in questa stagione, l'esercito cinese, l'esercito giapponese, l'esercito russo, e chi vuole trovare la sua Venezia, dovrà essere testardo e deciso, protetto da una corazza invisibile, e pensare con umiltà che anche lui per tutti quegli altri è soltanto un altro, che sta loro tra i piedi e li spinge sul ponte centrale aperto del vaporetto senza un appiglio a cui tenersi.

Ma non siamo ancora a questo punto. Sono appena arrivato e ho subito coinvolto nel mio viaggio tre dei quattro elementi: sono venuto dall'aria e ho camminato sulla terra verso l'acqua scintillante di luce davanti alla quale mi trovo ora, su un pontile, in attesa di un taxi. Il quarto elemento, il fuoco, non mi azzardo a coinvolgerlo, anche se la luce del sole arde sull'acqua increspata. In fondo l'arte descrittiva moderna ha dei limiti che dipendono dalla pazienza del nuovo lettore. Prima di partire ho comprato un libro di Hippolyte Taine del 1858, i brani che ho segnato parlano dello sbrilluccichio nel movimento dell'acqua, e anche questa è una lezione di umiltà, perché nella sua descrizione l'acqua luccica davvero. Ora che sono qui vedo quanto è difficile fare ciò che nel diciannovesimo secolo si faceva ancora senza imbarazzo: descrivere impressionisticamente, nei minimi dettagli, ciò che si vede.

Il taxi pone fine a tutte le mie riflessioni, fende l'acqua dell'ampia laguna, vola lungo la linea geometrica delle bricole in quello che dev'essere il Canale di Tessera, e si lancia verso la città. Vedo i profili dei noti campanili, e per un momento ho la sensazione di tornare a casa, sfrecciamo davanti a Murano e sotto l'isola dei morti di San Michele, per poi entrare dall'Arsenale, all'improvviso lenti lungo gli alti muri di mattoni delle fondamenta, e poi attraversiamo in diagonale il Canale di San Marco diretti verso l'isoletta di San Giorgio dove abiterò questa volta. Che le campane della mastodontica chiesa di San Giorgio si mettano a suonare proprio in quel momento, non è colpa mia: sono le sei di sera, l'ora dell'angelus. Sull'acqua ora sento anche il suono delle campane di San Marco e del Redentore. In un fuoco incrociato di rumore mi trovo nella grande piazza aperta davanti alla chiesa e vedo un uomo che in ginocchio, con una spazzolina d'acciaio davvero troppo piccola, cerca di grattare via centimetro per centimetro le alghe cresciute sui gradini subito sotto la superficie dell'acqua, una fatica di Sisifo che sembra avere più a che fare con l'eternità, che con il mondo dal quale sono venuto oggi.

Un'ora dopo, una volta portata la valigia nella mia stanza nel convento, entro nell'enorme chiesa che è ancora aperta. È uno di quegli spazi nei quali ti viene istintivo metterti di lato: il vuoto al centro è pericoloso. Se le persone qui riescano a pregare, non lo so. Non c'è traccia dell'intimità delle chiese romaniche: questa è una base spaziale da cui partire per Marte, qui regna un altro Dio classico e marziale, nella casa che Palladio concepì per lui. Perfino le grandi superfici dei Tintoretto che sono a malapena visibili nell'oscurità sono incluse in una rete matematica di linee precise. So che dietro il possente altare principale dev'esserci uno splendido coro ligneo fiammingo, ma quando vado a cercarlo vengo fermato da un rumore di voci, un mormorio lieve ma lamentoso di voci maschili anziane. Un tempo questo era un monastero benedettino.

Più tardi, dopo che i monaci furono scacciati, tutto andò in rovina. Ora sull'isola ha sede una fondazione presso la quale sono alloggiato in questi giorni, ma i monaci sono tornati nel loro convento ristretto. Dei molti stalli, ora ne occupano quattro, nell'oscurità sempre più fitta mi sono sistemato in modo da poterli vedere durante i vespri. Le loro voci, canti gregoriani appena accennati, annegano nell'immensità dell'edificio, ma il contrasto tra lo splendore classicistico e le flebili preghiere sussurrate non è privo di pathos; c'è un'atmosfera di irrevocabile commiato, e quando abbandono in punta di piedi la base spaziale, alle mie spalle sento sfumare l'eco di un tempo finito per sempre. Fuori vedo le luci del grande campo di fronte e le barche sull'acqua dirette dagli Schiavoni verso la Giudecca. Sono arrivato.

 


II


Dondola. Dondoladondola. Dondoladondoladondola. Finalmente ho osato. Dopo dieci volte a Venezia, prendo la mia prima gondola. Di mattina presto quando bevo un caffè all'angolo delle Procuratie Nuove, sono accanto a me: i gondolieri. Gran discorsi sulla partita di ieri nel dialetto veneziano impossibile da seguire. Fa freddo sull'acqua, un cappuccio caldo aiuta. Fuori sono allineate le loro snelle barche nere che sembrano uccelli, le teste di uccelli a prua (perché sono teste di uccelli, guardate bene) rivolte verso l'isola dove abito io. Perché non ho mai voluto? Perché è il cliché assoluto di Venezia?

Se così fosse, sarebbe infantile. Per via delle facce delle persone in gondola? Perché, che cos'hanno quelle facce? L'insopportabile beatitudine dell'obiettivo finalmente raggiunto, il battesimo veneziano assoluto, per farne parte una volta per tutte? In gondola con Thomas Mann, Marcel Proust, Paul Morand, Henry James, Ezra Pound. Louis Couperus? Ich bin auch ein Berliner, qualcosa del genere? O: se ci vedessero i nostri vicini in Kansas, a Bielefeld, Wakayama, Novosibirsk o Barneveld, quel genere di espressione? Come se, laggiù sull'acqua, si stringessero sulle spalle l'intera città come un mantello, un quieto e dondolante istante di soddisfazione, fluttuazione, acquatici sussurri intorno a te nei canali più tranquilli, l'uomo invisibile dietro di te, il traghettatore con i suoi forti movimenti ritmici. E tuttavia gran parte delle persone non hanno trovato l'espressione giusta, anche se fanno del loro meglio. Può essere solo perché sanno di non andare da nessuna parte e che tra poco torneranno di nuovo nello stesso punto dal quale sono partite. Che faccia fai quando le persone sul vaporetto, che stanno andando da qualche parte, ti guardano?

Avevo usato solo il traghetto, anche una gondola, ma solo da una sponda all'altra del Canal Grande. Sali vacillando, la mano ferma del gondoliere ti prende per un braccio, cerchi di stare in modo da non perdere l'equilibrio, o ti siedi un momento sul sedile stretto per non perdere la faccia. La faccia o l'equilibrio, tutto qui. No, non l'avevo ancora mai fatto. L'anno scorso, quando a Venezia nevicava e noi avevamo un appartamentino vicino a Campo San Samuele, sul retro che dava su una calle stretta di quello che un tempo doveva essere stato un palazzo (uno spazio scuro e nascosto dietro un'inferriata con un cane che abbaiava tutte le volte che entravamo, e quasi senza vista sull'acqua) già di mattina presto vedevo passare dei giapponesi, stretti sotto gli ombrelli, la neve sui cappelli e i berretti, raggianti di felicità. Il gondoliere cantava O sole mio mentre si puliva la neve dagli occhi. Lo ammiravo. La gondola passava lentamente, e io sapevo che non avrebbero mai dimenticato quel tragitto, mi piacerebbe sapere come si dice “mai” in giapponese. Se non sei stato in gondola, non sei mai stato a Venezia. Tutti fotografavano tutti: la prova. In Giappone compri il pacchetto viaggio con gita in gondola inclusa. Ma era questo il motivo per cui non l'avevo fatto? Cinesi inzuppati sotto la pioggia, americani con una bottiglia di prosecco? Avevo cercato di trovare una scusa razionale per la mia assurdità, una gondola è un mezzo di trasporto, la prendi per andare da qualche parte, come una volta, quando non c'erano ancora i vaporetti. Andare un po' a zonzo in barca, non poteva essere solo quello, mentre in genere io giro sempre per la città così, senza meta. Una gondola ancora più nera delle altre, con una cassa da morto coperta da un drappo ricamato d'oro, diretta all'isola dei morti di San Michele, quella era veramente l'essenza del trasporto. Tutto il resto era turismo, ostentazione, teatro, roba per gli altri.

E ora? Ora eravamo noi, gli altri, ed eravamo in gondola, saliti a bordo vacillando, troppo pesanti, in fondo, la barchetta si inclina, ma la mano esperta conosce i corpi impacciati, li fa sedere su un cuscino, la gita può cominciare e di colpo il mondo è cambiato, è più alto di te, sulle fondamenta accanto a te non vedi volti ma scarpe, le case si allungano, e di colpo scopri dettagli cui non hai mai prestato attenzione; un dolce dondolio si è impadronito della città, vedi i muri come pelle viva, ferite, piaghe, cicatrici, guarigione, vecchiezza, storia, alghe nere, alghe verdi, l'oscuro disotto dei ponti, marmo e muratura, le altre barche, la vita sull'acqua in una città di pietra e d'acqua. Il gondoliere recita i nomi di chiese e palazzi a voce bassa, come una litania di un vecchio sacerdote che non hai bisogno di ascoltare. A volte provo a seguire sulla carta dove siamo, ma perdo subito il segno. Quando giriamo un angolo stretto, a volte grida forte “Oi!” come se fossimo in pericolo di vita, ma io mi sono abbandonato da tempo, come un bambino nel ventre della madre ascolto il gorgoglio del liquido amniotico e non voglio nascere mai più.

 


III


Un ricordo. Un giorno d'inverno. In Piazza San Marco è nevicato, ma la neve si è sciolta in fretta. Sono sotto uno dei portici e guardo la piazza bagnata, mi sembra di vedere l'acqua della neve sciolta che scorre via lentamente, ma proprio come nella poesia di Nijhoff la realtà è un'altra: non vedo ciò che vedo, perché come se lì in mezzo tra le pietre ci fosse una fonte, in un paio di punti vedo salire lentamente l'acqua, come se la città fosse porosa. Non ho sentito le sirene che mettono in guardia davanti ad acque alte eccezionali, quindi non può essere grave, e tuttavia non riesco a distogliere lo sguardo. Lì sotto dovrebbe esserci terra, non acqua, una città non è una nave. O sì? Io cammino sulle pietre, non sono Gesù Cristo. Ma sto veramente camminando sulle pietre? In lontananza vedo gente che trascina degli strani ponteggi, non so come altro chiamarli, sono strutture di legno allungate con quattro gambe di metallo, su cui puoi proseguire il cammino appena sopra la superficie dell'acqua senza dover camminare nell'acqua. Può salire fino a mezzo metro da terra, e quando accade, con quelle passerelle vengono costruiti stretti camminamenti su cui i pedoni si incrociano a fatica. La melma che viene dal fondo della laguna è nera, acqua di morti del Lete, il fiume dell'oblio. Ho visto una volta mentre stavano dragando, una di quelle benne che scavano in profondità e vomitano una melma nera come la pece insieme a ogni genere di suppellettili dal regno dei morti che hanno preso lo stesso colore dell'acqua in lutto, una controcittà che aspetta laggiù la sua ora.

Quando l'acqua torna a scendere le passerelle restano come un memento, che può succedere, che la luna piena dei quadri romantici a volte è di cattivo umore e prende il dominio sull'acqua. E poiché dall'ultima glaciazione nella laguna c'è dieci volte più acqua che terra, gli uomini in questa zona contesa dai fiumi e dal mare hanno dovuto arrangiarsi come hanno potuto. Il pensiero dei Paesi Bassi e del mare allora naturalmente non è lontano. Le ramificazioni del delta del Po portano sabbia dalle montagne dell'entroterra, le correnti marine vanno in senso contrario, così si sono formati banchi di sabbia che volevano chiudere la laguna, i bracci laterali del delta hanno dovuto essere spostati perché non si ingolfasse tutto con la sabbia e per lasciar defluire l'acqua dolce in mare attraverso tre aperture. Su una foto aerea da grande altezza la laguna ha l'aspetto di un organismo vivente, le vie d'acqua come vasi sanguigni, i fiumi deviati a nord e a sud come arterie, i terreni industriali di Mestre e Porto Marghera come grosse tumefazioni, e Venezia stessa come un gioiello abbandonato con indifferenza e perduto. Le paludi circostanti allora assumono le leggiadre sembianze di un manto regale per un re su un trono traballante in pietra d'Istria, la salvifica arenaria in grado di resistere alla voracità dell'acqua di mare come i pali di legno confitti in profondità nella sabbia e nel fango che qui come ad Amsterdam sorreggono le case e i palazzi. Chi ha capito tutto questo può partire per conquistare il mondo.

 


IV Tre miniature


Tiepolo a Palazzo Ducale
Tre figure contro l'azzurro del cielo. Il tridente ti dice di che dio si tratta. Ma non lo tiene stretto, l'arma bizzarra che è il suo emblema è appoggiata sulle sue spalle e su quelle della giovane donna scura dal vestito verde intenso che ha la testa così vicina alla sua. Chi tiene la sua arma, non si vede. È il suo ritratto più umano che io conosca. È grande e forte, mezzo nudo, i lunghi capelli neri, la barba selvaggia e grigia, il suo occhio destro è innamorato, l'altro non si vede ma quello che c'è, è sufficiente, la sua pelle giovane è abbronzata e lucida, qualche pelo sul petto, le mani da lavoratore più scure, come i contadini e i pescatori. Le stringe intorno alla cornucopia che ora rovescia ai piedi della bionda signora incoronata di fronte a sé. Monete, un pezzo di corallo rosso intenso, fili di perle, tutto è dipinto in modo così fantastico che ti sembra di vedere le effigi sulle monete, figure di luce d'oro e d'argento, un tesoro che si riversa lungo il suo ginocchio possente sul vestito di broccato d'oro della dama. Non c'è dubbio, il dio non porta un tributo dovuto: lui dona per amore, e Venezia è la dama alla quale dona tutto ciò. Con una lunga mano chiara che sbuca da sotto l'ermellino lei lo indica e gli rivolge uno sguardo che è un misto di stupore e, forse, paura. La connotazione erotica è inequivocabile, lei è bella, la mano sinistra in cui regge con leggerezza lo scettro riposa sulla testa di un cane gigantesco con fauci mostruose, e lei giace riversa in mezzo alle sue vesti occupando così quasi i due terzi del quadro, tanto che lui sembra frangersi su di lei come un'onda pesante, Dio solo sa che cosa può ancora accadere tra il dio del mare e la sua città favorita. Visto nel Palazzo Ducale, nella Sala delle Quattro Porte, dove gli ambasciatori dovevano aspettare prima di un'udienza.

 


Carpaccio al Museo Correr
La dice lunga su Ruskin, il fatto che definisca Cortigiane le due donne del Carpaccio. Donne di facili costumi (dell'alta società) dice il mio dizionario francese, caso mai avessi ancora qualche dubbio. Perché Ruskin pensava che si trattasse di prostitute di un livello più alto? I vestiti delle due dame sono veneziani, lussuosi, le acconciature raffinate, i gioielli non eccessivi, comunque presenti. Una delle dame ha un decolleté abbondante, ma questo non era insolito. Che cosa animava Ruskin? Il suo pudore vittoriano? Leggenda vuole che avesse ammirato così tanti nudi di marmo lucidato che si spaventò a morte la notte dopo il suo matrimonio di fronte al pelo pubico di sua moglie. Ma io penso piuttosto che sia per altre due cose che si vedono in questo dipinto fiabesco. Le due donne guardano dritto avanti, non verso l'osservatore, entrambe con uno sguardo vuoto, in realtà non guardano da nessuna parte. E anche se succedono delle cose, sembra che nulla si muova, sembra che aspettino, un'attività spesso prolungata che alle cortigiane non è estranea.

Che cosa vediamo ora in realtà? Due tortore, due cani, forse le zampe di uno di quei cani, o di un terzo cane invisibile. La donna con il decolleté tiene stretto nella mano destra un lungo bastone sottile che il cane più grande stringe tra i denti taglienti. Le leggi della prospettiva non mi rivelano se le due zampe anteriori che vedo nell'angolo a sinistra in basso del quadro, una delle quali è posata su un biglietto aperto che non riesco a leggere, appartengano a quello stesso cane: penso di sì dal colore del pelo. Nella mano sinistra la donna tiene stretta la sottile zampa destra di un brutto cagnetto seduto in posizione eretta che mi guarda con aria spavalda. L'altra donna sembra avere ai piedi due enormi pantofole verdi bordate di pizzo ricamato, così come potrebbe anche essere il fondo rovesciato del suo abito. La storia dell'arte queste cose le sa, e forse conosce anche il significato dell'uccello posato a terra ai suoi piedi e simile a un corvo che solleva verso di lei una zampetta a tre dita. Anche questa dama ha quello sguardo fisso nel vuoto sul nulla, che per comodità voglio chiamare moderno. Nella mano destra ha un telo di lino o di seta, il suo gomito è appoggiato sull'alta balaustra di marmo vicino a una melagrana, simbolo di amore e fertilità, questo lo so anch'io. Se lo sappia il bambino che con la testa non arriva alla balaustra, non è sicuro. In ogni caso tutte le sue attenzioni sono rivolte al pavone che in realtà vorrebbe carezzare. Vicino al pavone ci sono due di quelle scarpe femminili che all'epoca andavano di moda e con le quali, a quanto pare, era difficile camminare.

Il dipinto è al Museo Correr, e se hai l'opportunità di guardarlo a lungo quelle due donne sono sempre più immobili. Secondo teorie successive sono in attesa del ritorno dei loro mariti dalla caccia, ma questo non risolve il mistero di quella quiete. Abiti e oggetti situano il dipinto nel tempo, ma il vuoto dello sguardo e il rifiuto arrogante del cagnolino odorano dei miei tempi. Quel cagnolino sa troppe cose, e noi ci conosciamo.

 


Guardi
La città, che un paio di settimane fa ho lasciato, è diventata carta. Ora che sono partito, finalmente è arrivata al museo Correr la grande mostra di Guardi. Francesco Guardi, che durante la sua vita dovette sempre lasciar andare avanti il Canaletto mentre naturalmente sapeva di essere migliore lui, perché era capace di far vivere la città, perché liberava i palazzi dall'immobilismo in cui l'altro pittore li aveva bloccati per l'eternità nei suoi dipinti, perché faceva respirare l'acqua, rendeva udibili le grida di tutti quegli uomini sulle loro barche, e perché le sue nuvole erano persone che si muovevano così sull'acqua e sulla città, che avresti voluto dar loro un nome. Un amico che conosce le mie manie mi ha inviato una copia di “El País” e una pagina del “New York Times” che parlano entrambe della mostra. Così mi sembra lo stesso di essere ancora un po' a Venezia.

Attraverso il bianco e nero sgranato della carta di giornale vedo i dipinti come non dovresti vederli, sopraffatti da un grigiore incurabile, eppure li coloro di ricordi e nostalgia. È magro e un po' trasparente, il pittore nell'unico ritratto noto di lui, pennello in mano, quasi dovesse dimostrare qualcosa, i colori sulla sua tavolozza: lineette bianche e scure, mani femminili, occhi chiari che avrebbero conservato tutto quello che vedevano. La città, la città e ancora una volta la città, una città liquida di acqua e di barche, una città di pietra di palazzi, e di fianco, ciò che accadeva dietro tutti quei muri chiusi, la città nella città, la fiera delle vanità al Ridotto, un turbinio di raffinatezza e lussuria intorno ai tavoli da gioco, un dolce odore di corruzione che annuncia la lenta fine. I suoi dipinti sono tornati a casa, certamente avevano nostalgia della città in cui Guardi, sempre all'ombra del Canaletto, cercò di venderli in piazza San Marco. Da tutto il mondo sono volati al Correr, quaranta musei e istituzioni li hanno ceduti per un paio di mesi, non posso aspettare di vederli per davvero. Nel grigio del giornale davanti a me guardo le fondamenta della Giudecca su cui camminavo ancora così poco tempo fa, vedo la piccola isola sulla quale ho abitato, prigioniera tra luce e ombra, una zona crepuscolare lontana nella quale potrei essere una delle ombre che popolano i suoi quadri. Questa città dai suoi tempi non è quasi cambiata, perciò sembra che in questi quadri il tempo che è passato sia soppresso. Io non sono più dove sono, eppure ci sono, sono diventato colore e mi muovo lì nel presente del 1760 dove lui mi ha dipinto, un uomo con abiti strani seduto sui gradini davanti alla chiesa dove due secoli più tardi passerò io, un olandese nella repubblica serenissima.

 


Traduzione di Laura Pignatti

 


Download de ePub-versie Print

Venise 2012

SeptentrionUn extrait du Venise 2012, le citybook de Cees Nooteboom, paraît en avant-première dans Septentrion n° 2, 2013.

 

 


I


J’ai acheté une immense carte de la lagune de Venise pour essayer de ramener la ville à sa juste proportion. Curieux exercice. Je sais que j’arriverai par avion demain mais, cette fois, c’est par la mer que j’aborderai cette ville que j’ai si souvent visitée. Sur la carte, le rapport entre l’eau et la ville est de l’ordre de mille pour un et, dans ce bleu infini, la ville est devenue village, petit poing serré posé sur un grand drap, si bien que tout ce vide semble avoir engendré, dans un moment de colère, la ville qui plus tard allait le dominer. L’auteure mexicaine Valeria Luiselli voit au lieu de mon poing une rotule brisée et, à mieux y regarder, je crois qu’elle a raison. Depuis les hauteurs de Google Earth, l’analogie est encore plus évidente, le Grand Canal est la fracture du genou ; le labyrinthe granuleux désagrégé tout autour représente l’os de la ville où je vais me perdre demain comme tous ceux qui viennent de l’extérieur doivent s’y perdre : c’est la seule manière d’apprendre à la connaître.

J’ai séjourné à plusieurs adresses en ce lieu, parfois dans de vieux hôtels, la plupart du temps dans d’étroites ruelles obscures, dans des parties de palais qui n’évoquaient jamais un palais, des cages d’escaliers en piteux état, des petites chambres avec tout juste une fenêtre donnant sur l’arrière d’une maison qui paraissait inhabitée, alors que dehors étaient pourtant suspendues à un fil à linge précaire deux culottes gelées, dans le froid glacial et silencieux. Parfois aussi une vue sur l’eau d’un canal latéral inconnu où, tous les jours à la même heure, un bateau passait, chargé de fruits et de légumes. Cette fois, ce n’est pas l’hiver, nous sommes en septembre, et tout rêve d’une ville déserte s’est volatilisé dès mon arrivée : Venise appartient au monde entier, et le monde entier est au rendez-vous. S’il y a un Proust ou un Thomas Mann, un Brodsky ou un Hippolyte Taine parmi eux, ils se cachent bien. Des armées entières montent en ligne à cette époque de l’année, l’armée chinoise, l’armée japonaise, l’armée russe. Pour découvrir sa Venise, il va falloir faire preuve d’obstination et d’esprit de décision, revêtir une cuirasse invisible, et se dire humblement que pour tous les autres, on fait tout simplement partie de ceux qui se mettent en travers de leur chemin et se serrent désagréablement contre eux dans la partie ouverte du vaporetto où il n’y a rien pour se tenir.

Mais je n’en suis pas encore là. Je viens tout juste d’arriver et mon voyage associe déjà trois des quatre éléments : l’air, car j’ai traversé le ciel pour venir ici, la terre que j’ai foulée à mon arrivée, et l’eau au bord de laquelle je viens de m’arrêter et où scintille la lumière, tandis que j’attends un taxi sur un appontement. Quant au quatrième élément, le feu, je ne m’y risquerai pas, même si le soleil flamboie dans l’eau ondoyante. L’art contemporain de la description a en effet ses limites, liées à la patience du nouveau lecteur. J’ai acheté avant mon départ un livre d’Hippolyte Taine datant de 1858. J’y ai marqué d’une croix des passages évoquant l’éclat du mouvement de l’eau. C’est là une autre leçon d’humilité, car il rend par sa description l’eau véritablement éclatante, elle aussi. Maintenant que je suis ici, je constate à quel point il est difficile de se livrer à un exercice qui se pratiquait encore au 19e siècle sans aucune gêne : décrire minutieusement, dans les moindres détails, de façon impressionniste, ce que l’on voit.

Le taxi interrompt mes réflexions. Il fend l’eau de la vaste lagune, file le long des bittes d’amarrage formant une ligne géométrique sur ce qui doit être le Canale di Tessera et se rue sur la ville. Je vois les silhouettes de tours connues, j’ai l’espace d’un instant le sentiment de rentrer chez moi, nous passons à vive allure à côté de Murano, contournons par le sud l’île des morts de San Michele et entrons dans l’Arsenal, longeant soudain lentement les hauts murs de briques du quai puis traversant en biais le Canale di San Marco en direction de la petite île de San Giorgio où je vais séjourner cette fois. Les cloches de la colossale basilique San Giorgio se mettent aussitôt à sonner, je n’y suis pour rien : il est six heures du soir, c’est l’angélus. J’entends aussi les cloches de la basilique San Marco et de l’église du Redentore, dont le tintement se propage sur l’eau. Pris entre un feu croisé de sons, debout sur la grande place dégagée devant l’église, je vois un homme à genoux qui, muni d’une brosse métallique bien trop petite, frotte les escaliers pour en retirer, centimètre par centimètre, les algues qui y ont poussé juste en dessous de la surface de l’eau, un travail de Sisyphe qui semble plus proche de l’éternité que du monde d’où je suis venu aujourd’hui.

Une heure plus tard, après avoir déposé ma valise dans ma chambre monacale, j’entre dans la gigantesque basilique encore ouverte. Dans ce genre d’espace, on recherche malgré soi les parois latérales : le vide au milieu est dangereux. J’ignore si l’on vient prier ici. On ne décèle pas la moindre trace de cette intimité propre aux églises romanes : c’est une station spatiale pour se rendre sur la planète Mars, un autre Dieu, classique, martial, règne ici, dans cette demeure que Palladio a conçue pour lui. Même les grandes fresques du Tintoret, à peine visibles dans la pénombre, sont intégrées dans un réseau mathématique de lignes implacables. Je sais que, derrière l’imposant maître-autel, doivent se trouver d’extraordinaires stalles flamandes mais, alors que je cherche à m’en approcher, un bruit de voix, le faible murmure plaintif de voix de vieillards, me retient. Le bâtiment était autrefois un monastère bénédictin. Quand les moines en ont été chassés, tout est tombé en ruine. Aujourd’hui s’est implantée sur l’île une fondation où je suis autorisé à passer quelques jours, mais les moines ont quant à eux rejoint leur monastère réduit à une plus petite taille. Ils n’occupent plus que quatre des nombreuses stalles, dans l’obscurité croissante j’ai pris position de façon à pouvoir les observer pendant les vêpres. Leurs voix, qui fredonnent des chants grégoriens, se noient dans l’immensité de la construction. L’opposition entre la magnificence classique environnante et le désarroi émanant des prières chuchotées ne manque pas de pathos ; l’atmosphère est aux adieux irrévocables et, lorsque je quitte la station spatiale sur la pointe des pieds, j’entends derrière moi l’écho toujours plus faible d’une époque à jamais révolue. Dehors, je vois les lumières de la grande place de l’autre côté et les bateaux qui naviguent du quai des Esclavons vers la Giudecca. Je suis arrivé.

 


II


Bateau, sur l’eau, la rivière, la rivière, bateau, sur l’eau, la rivière au bord de l’eau. J’ai enfin osé. Dix séjours à Venise, et me voici pour la première fois dans une gondole. Tôt le matin, quand je bois mon café au coin des Procuratie nuove, ils sont à côté de moi : les gondolieri. En grande conversation à propos du match de la veille dans un dialecte vénitien impossible à suivre. Il fait froid sur l’eau, porter un cappuccio tient chaud. Dehors sont alignés les fins bateaux noirs en forme d’oiseaux, leurs têtes d’oiseau (ce sont des têtes d’oiseau, regardez bien) pointés vers l’île où je loge. Pourquoi n’en ai-je jamais eu envie ? Parce que c’est le cliché absolu de Venise ?

Ce serait puéril. Est-ce dû aux visages des gens dans ces gondoles ? Mais qu’ont-ils donc, ces visages ? Affichent-ils l’insupportable béatitude du but enfin atteint, le sentiment de vivre le baptême vénitien absolu, qui les rattache à jamais à la ville ? En gondole avec Thomas Mann, Marcel Proust, Paul Morand, Henry James, Ezra Pound. Louis Couperus ? Ich bin auch ein Berliner, quelque chose de ce genre ? Ou bien ont-ils cette expression sur leur visage : si nos voisins du Kansas, de Bielefeld, de Wakayama, de Novossibirsk, de Barneveld nous voyaient ? Comme si, en bas au niveau de l’eau, ils s’étaient drapés de toute la ville comme d’un manteau, le temps de cet instant silencieux, ondoyant, de plénitude, de bercement, de chuchotement de l’eau autour de soi sur des canaux plus calmes, avec derrière eux un homme invisible, le passeur, aux mouvements puissants, rythmiques. Pourtant, la plupart des gens n’ont pas la bonne expression sur leur visage, même s’ils font de leur mieux. Cela ne peut s’expliquer que par le fait qu’ils sont conscients qu’ils ne vont nulle part et reviendront, bientôt, à leur point de départ. Quelle expression adopter quand les gens dans le vaporetto, qui eux vont quelque part, vous regardent ?

Jamais je n’avais fait plus que le traghetto, une gondole aussi, mais qui sert seulement à se rendre d’un côté à l’autre du Grand Canal. Monter en chancelant, le bras maintenu par la solide main du passeur, essayer de tenir debout sans perdre l’équilibre ou s’asseoir un instant sur la planchette étroite pour ne pas perdre la face. L’équilibre ou la face, voilà de quoi il s’agit. Non, je ne l’avais encore jamais fait. L’an dernier, quand il neigeait à Venise et que nous avions un petit appartement près du Campo San Samuele, à l’arrière, du côté donnant sur une ruelle, de ce qui avait dû être un palazzo autrefois (un lieu sombre, dissimulé derrière des grilles, avec un chien aboyant chaque fois que nous rentrions et à peine une vue sur l’eau), je voyais passer, tôt le matin déjà, des Japonais qui se bousculaient sous des parapluies, de la neige sur leurs chapeaux et leurs bonnets, et qui rayonnaient de joie. Le gondoliere chantait une chanson sur le soleil en essuyant les flocons qui lui tombaient dans les yeux. O sole mio. Je l’admirais. Lentement, la barque passait et je savais que les passagers n’oublieraient jamais cette excursion, j’aurais aimé savoir dire en japonais le mot « jamais ». Quand on n’a jamais pris une gondole, on n’est jamais allé à Venise. Tout le monde prenait une photo de tout le monde : preuve. Au Japon, on achète son voyage avec le tour en gondole compris. Mais était-ce une raison pour moi de m’abstenir ? Des Chinois trempés sous la pluie, des Américains munis d’une bouteille de prosecco? J’avais essayé de trouver une justification rationnelle à mon attitude absurde, une gondole est un moyen de transport, il faut s’en servir pour aller quelque part, comme cela se faisait autrefois, à l’époque où les vaporettos n’existaient pas encore. Se contenter d’être ballotté au gré des flots, ce n’était pas un objectif en soi, pour moi qui aimes pourtant musarder à travers la ville en me laissant guider par le hasard. Une gondole encore plus noire que d’habitude, transportant un cercueil recouvert d’une étoffe brodée d’or, en route pour l’île des morts de San Michele, voilà qui était authentique, l’essence même du transport. Tout le reste n’était que tourisme, comédie, théâtre, c’était bon pour les autres.

Et maintenant ? Maintenant nous étions nous-mêmes les autres, assis dans une gondole, montés à bord d’un pas mal assuré, pesant en définitive trop lourd, l’embarcation penche, mais la main exercée connaît les corps maladroits, les installe sur un coussin, le voyage peut commencer et, tout d’un coup, le monde a changé, il se déroule au-dessus de vous, sur les quais que vous longez vous n’apercevez pas des visages mais des chaussures, les maisons s’étirent et vous découvrez soudain toutes sortes de choses auxquelles vous n’aviez jamais prêté attention ; une légère houle s’est emparée de la ville, vous voyez les murs comme une peau vivante, lésions, blessures, cicatrices, guérison, vieillesse, histoire, algues noires, algues vertes, le dessous secret des ponts, marbre et maçonnerie, les autres bateaux, la vie sur l’eau d’une ville de pierre et d’eau. À voix basse le gondoliere cite les noms des églises et des grandes bâtisses comme un vieux prêtre récite une litanie qu’on n’a pas besoin d’écouter. J’essaie parfois de suivre sur la carte l’endroit où nous nous trouvons, mais je perds vite la piste. Parfois, quand nous prenons un virage serré, il lance un « Ohé ! » sonore, comme si nous étions en danger de mort, mais j’ai décidé depuis longtemps de m’en remettre à lui, tel un enfant dans l’utérus j’écoute le murmure des eaux et je ne veux plus jamais naître.

 


III


Un souvenir. Un jour d’hiver. Il a neigé sur la Place Saint-Marc, mais la neige a vite fondu. Sous une des galeries, je regarde la place mouillée, je crois voir les eaux de fonte s’évacuer lentement mais, comme dans le poème de Nijhoff, il en va autrement dans la réalité : je ne vois pas ce que je vois. On dirait qu’une source coule au milieu des dalles de la place, je vois l’eau monter lentement à certains endroits, la ville semble poreuse. Je n’ai pas entendu les sirènes alerter d’un danger de hautes eaux, la situation ne peut donc pas être grave, pourtant je ne parviens pas à détacher mon regard. Il faut tout de même qu’il y ait de la terre en dessous, pas de l’eau, une ville n’est pas un navire. Ou bien si ? Je suis debout sur de la pierre, je ne suis pas le Christ. Mais suis-je bien debout sur de la pierre ? Au loin, je vois des gens coltiner de curieuses planches, je n’ai pas d’autre mot pour les nommer, ce sont de longs rectangles de bois reposant sur quatre pieds métalliques, sur lesquels on peut poursuivre son chemin juste au-dessus de l’eau sans avoir à passer à gué. Les eaux peuvent monter jusqu’à cinquante centimètres. Ces planches servent alors à construire d’étroits chemins sur lesquels se croisent tant bien que mal les piétons. Noire est la boue qui vient du fond de la lagune, les eaux du Léthé, le fleuve de l’oubli, que buvaient les morts. J’ai assisté à des opérations de dragage, une sorte de grappin creuse dans les profondeurs et vomit une boue noire comme de la poix avec divers autres objets de cette même couleur d’eau en deuil, provenant du royaume des morts, de l’anti-ville là-bas, au fond, qui attend son heure.

Quand les eaux sont redescendues, les planches restent, comme pour rappeler que la chance peut tourner, que la pleine lune des tableaux romantiques peut parfois prendre, dans un accès de mauvaise humeur, le commandement des eaux. Et comme depuis la dernière époque glaciaire, il y a dix fois plus d’eau que de terre dans la lagune, les gens se sont tirés d’affaire comme ils ont pu, dans cette région où se livre une lutte entre les fleuves et la mer. La lutte des Pays-Bas contre la mer vient naturellement à l’esprit. Les ramifications du delta du Pô ont charrié du sable depuis les montagnes à l’intérieur des terres, les courants marins ont opposé une résistance, des bancs de sable se sont formés qui ont tenté d’encercler la lagune, les bras du fleuve dans le delta ont dû être déviés pour éviter que les alluvions viennent tout engorger et pour permettre à l’eau douce de se déverser dans la mer par trois ouvertures. Sur une photo aérienne prise de très haut, la lagune ressemble à un organisme vivant, les cours d’eau à des vaisseaux sanguins, les bras du fleuve déplacés au nord et au sud à des artères, les zones industrielles de Mestre et de Porto Marghera à de grosses tumeurs et Venise elle-même à un joyau négligemment jeté et perdu. Les marais qui l’entourent prennent l’aspect d’un manteau pour un roi assis sur un trône branlant fait de grès d’Istrie, pierre salvatrice capable de résister à la voracité des eaux de la mer, de même que les pins, provenant d’Istrie eux aussi, sont profondément enfoncés dans le sable et l’argile, comme à Amsterdam, pour soutenir les maisons et les palais. Quiconque a été capable d’accomplir une telle tâche peut partir à la conquête du monde.

 


IV Trois miniatures


Tiepolo au Palais des Doges
Trois personnages contre un ciel bleu. Le trident indique le dieu dont il est question. Mais il ne tient pas cette arme curieuse qui est son emblème, elle est à moitié posée sur son dos et sur celui d’une jeune femme noire vêtue d’une robe vert foncé, dont la tête est très proche de la sienne. La personne qui tient l’arme est invisible. C’est le portrait le plus humain que je connaisse de lui. Il est grand et fort, à moitié nu, il a de longs cheveux noirs, la barbe hirsute et grise, son œil droit est amoureux, l’autre ne se voit pas, mais ce seul œil suffit, sa peau jeune est hâlée et luisante, quelques poils apparaissent sur sa poitrine, il a des mains de travailleur, d’une couleur plus foncée, comme les agriculteurs et les pêcheurs. Il les tient autour de la corne d’abondance, qu’il déverse devant la femme blonde couronnée en face de lui. Des pièces de monnaie, un morceau de corail rouge vif, des colliers de perles, le tout peint si merveilleusement qu’on croit voir les effigies sur les pièces de monnaie, des figurines dorées et argentées, ce trésor s’écoule le long de son puissant genou et se répand sur la robe de brocart de la femme. Il n’y a aucun doute possible, il ne vient pas payer son tribut par obligation : il le donne par amour et Venise est la femme à qui il offre tout. D’une longue main légère émergeant de l’hermine, elle le montre du doigt et lui lance un regard qui se situe à mi-chemin entre l’étonnement et la peur peut-être. La connotation sexuelle est indéniable, elle est belle, la main gauche avec laquelle elle tient souplement son sceptre repose sur la tête d’un gigantesque chien à la gueule monstrueuse, elle est assise, le buste incliné en arrière, dans toute la splendeur de ses habits, et occupe près des deux tiers du tableau, ce qui donne l’impression qu’il l’approche tel une puissante vague, dieu seul sait ce qui peut encore se produire entre le dieu marin et sa ville favorite. Vu au Palais des Doges, dans la salle des Quatre Portes, qui servait d’antichambre aux ambassadeurs attendant une audience.

 


Carpaccio au musée Correr
Ruskin a qualifié les deux femmes peintes par Carpaccio de courtisanes, ce qui en dit long sur lui. Femmes de mœurs légères (d’un bon milieu) dit mon dictionnaire français, au cas où j’aurais encore un doute. Pourquoi Ruskin a-t-il pensé qu’il avait en l’occurrence affaire à des prostituées de luxe ? Les vêtements des deux femmes sont vénitiens, somptueux, leurs coiffures raffinées, leurs bijoux pas trop exubérants, quoique bien visibles. Une des femmes a un décolleté généreux, mais cela n’avait rien d’inhabituel. Quelle mouche a piqué Ruskin ? Sa propre pruderie victorienne ? Selon la légende, il avait tellement observé les nus en marbre poli qu’il eut un choc en voyant, lors de sa nuit de noces, les poils pubiens de sa femme. Cette interprétation s’explique cependant, à mon avis, par deux autres éléments de ce fabuleux tableau. Les deux femmes regardent droit devant elles, elles se détournent de l’observateur, toutes deux ont un regard vide, qui ne se pose sur rien. Il se passe certaines choses dans le tableau, pourtant rien ne semble bouger, elles paraissent attendre, une occupation souvent prolongée dont les courtisanes avaient l’habitude.

Que voyons-nous au juste ? Deux colombes, deux chiens, peut-être les pattes d’un de ces chiens ou d’un troisième chien invisible. La femme au décolleté tient dans la main droite une longue tige que le plus gros des chiens serre entre ses dents pointues. Les lois de la perspective ne me permettent pas de savoir si les deux pattes avant, que je vois en bas à gauche du tableau et dont une est posée sur une lettre dépliée impossible à déchiffrer, appartiennent au même chien : d’après la couleur et le pelage du chien, je pense que ce doit être le cas. Dans la main gauche, la femme tient la fine patte droite d’un petit roquet dressé sur son arrière-train, qui me lance un regard insolent. L’autre femme semble avoir enfilé deux énormes chaussons verts bordés de broderie, mais ce sont sans doute des plis dans le bas de sa robe. Ces connaissances relèvent de l’histoire de l’art, comme peut-être la signification de l’oiseau semblable à une corneille qui se tient par terre juste devant elle et qui lève une patte tridactyle dans sa direction. Cette femme aussi a ce regard vide, qui ne fixe rien et que je qualifierai, par facilité, de moderne. Dans la main droite, elle tient une étoffe en lin ou en soie, son coude s’appuie sur une haute balustrade de marbre à côté d’une grenade, symbole d’amour et de fertilité, je me souviens au moins de cela. Rien ne permet de savoir si le garçon, dont la tête ne dépasse pas encore la balustrade, le sait aussi. Quoi qu’il en soit, son attention se concentre sur le paon qu’il aimerait caresser. À côté du paon sont posées deux chaussures de femme, de celles qui étaient à la mode à l’époque et avec lesquelles il était manifestement presque impossible de marcher.

Le tableau est exposé au musée Correr. Si vous avez l’occasion de vous arrêter devant et de l’observer longuement, vous constaterez le calme qui s’installe autour de ces femmes. Selon des théories plus récentes, elles attendent le retour de leurs maris de la chasse, ce qui ne résout pas l’énigme de ce calme. Les vêtements et les objets situent le tableau dans le temps, mais le vide dans le regard et l’arrogance hostile du petit chien ont des relents de mon époque. Ce petit chien en sait trop, et nous nous connaissons.

 


Guardi
La ville que j’ai quittée il y a quelques semaines est devenue papier. Maintenant que je suis parti, la grande exposition de Guardi est enfin arrivée au musée Correr. Francesco Guardi, qui tout au long de sa vie a dû laisser Canaletto lui passer devant, alors qu’il savait naturellement qu’il avait plus de talent parce qu’il savait donner vie à la ville, libérer les palais de la stasis où l’autre peintre les a figés pour l’éternité, laisser l’eau respirer, rendre audibles les cris de tous ces hommes sur leurs bateaux et parce que ses nuages ressemblaient tant à des personnes se déplaçant au-dessus de l’eau et de la ville qu’on avait envie de leur donner des noms. Un ami qui connaît mes obsessions m’a envoyé une édition d’El País et une page du New York Times qui traitent de l’exposition. J’ai ainsi l’impression d’être encore un peu à Venise.

À travers le blanc et le noir du papier granuleux des journaux, je vois les tableaux comme il ne faudrait pas les voir, ils sont atteints d’une sorte de grisaille incurable, mais j’y ajoute tout de même les couleurs, de mémoire et par nostalgie. Sur le seul portrait que l’on connaît de lui, le peintre est mince, un peu transparent, le pinceau à la main comme s’il devait faire une démonstration à l’aide des couleurs sur sa palette : des traits blancs et foncés, des mains de femme, des yeux clairs qui conserveraient tout ce qu’ils verraient. La ville, la ville et encore la ville, une ville fluide faite d’eau et de bateaux, une ville de pierre faite de palais, mais aussi ce qui se passait derrière tous ces murs fermés, la ville dans la ville, la foire aux vanités du Ridotto, un tourbillon de raffinement et de lubricité autour des tables de jeux, une faible odeur de pourriture annonciatrice d’une lente agonie. Ses tableaux sont rentrés chez eux. Qui sait ? Peut-être avaient-ils la nostalgie de la ville où Guardi, toujours dans l’ombre de Canaletto, tenta autrefois de les écouler sur la Place Saint-Marc. Ils ont été acheminés par avion depuis les quatre coins du monde vers le Correr, quarante musées et institutions les ont prêtés pour plusieurs mois, j’ai hâte de les voir en vrai. À travers le gris du journal devant moi, je regarde la rive de la Giudecca où je marchais encore il y a peu, je vois la petite île où j’ai vécu, prisonnière entre la lumière et l’ombre, une région lointaine, crépusculaire, où je pourrais être un des fantômes qui peuplent ses tableaux. La ville n’a pratiquement pas changé depuis son époque. Aussi ces tableaux donnent-ils l’impression d’abolir le temps qui s’est écoulé. Je ne suis plus là où je suis et, pourtant, j’y suis, j’ai pris la substance de la peinture et je marche là-bas, dans le présent de 1760, où il m’a peint, un homme dans d’étranges vêtements assis sur les marches de l’église devant laquelle je passerai deux siècles plus tard, un Néerlandais dans la république sérénissime.

 

Traduit du néerlandais par Isabelle Rosselin

Podcast lu à haute voix par Guy De Hainaut


Isabelle Rosselin est traductrice du néerlandais et de l’anglais vers le français depuis vingt-cinq ans. Après avoir étudié l’anglais, notamment à l’université de Groningue aux Pays-Bas, elle a obtenu son diplôme de fin d’études à l’Ecole supérieure d’interprètes et de traducteurs de Paris et un DESS de terminologie à l’Université de Paris III. Avant de se lancer dans la traduction, elle a travaillé comme lexicographe chez Larousse. Elle a travaillé huit ans comme traductrice, rédactrice et responsable du service de traduction à l’hebdomadaire Courrier international, pour lequel elle sélectionnait en outre les articles de la presse belge et néerlandaise. Parallèlement à ses activités de traductrice littéraire, elle a fondé en 1999 sa propre société de traduction, Zaplangues, spécialisée dans l’économie, la finance, le marketing, la communication et la presse. Elle a traduit plus d’une vingtaine d’ouvrages littéraires du néerlandais, notamment d’Anna Enquist, d’Arnon Grunberg, d’Arthur Japin, de Harry Mulisch, de Connie Palmen et de David van Reybrouck (Congo, prix Medicis essai 2012).

 

Download de ePub-versie Print

Venice 2012

gondola days 2013A fragment from the English and Italian translation of Cees Nooteboom's citybook on Venice was published in Gondola Days 2013.

 


I


I have bought an almost immeasurable map of the Venetian lagoon in an attempt to reduce the city to its correct proportions. This is a peculiar exercise. I know that tomorrow I shall arrive there from the sky, and that this time I will approach the city, which I have visited so many times before, from across the water. On the map, the ratio of water to city is something like a thousand to one. The city has become a village within the endless blue, a small clenched fist on an outspread sheet, so that it seems as though, in a moment of fury, all that emptiness brought forth the city that would later govern it. The Mexican writer Valeria Luiselli views that fist as a broken kneecap, and when I look closely, I see that she is right. From the height of Google Earth, it becomes even clearer: the Canal Grande is the fracture in the knee, and the crumbling, shattered labyrinth surrounding it is the bone of the city, where tomorrow I shall once again become lost, just as all outsiders must go astray. It is the only way to get to know her.

I have had various addresses in this city, sometimes in old hotels, usually on dark, narrow alleyways, in parts of a palace that never resembled a palace, dilapidated staircases, small rooms with what passed for a window, looking out onto the back of a house where no one seemed to live, and yet outside on a rickety washing line two frozen pairs of panties hung in the still, icy cold, or with a view of the water of some unknown side canal, where a boat full of fruit and vegetables would pass by at the same hour every day. This time it is not winter, but September, and any dream of an empty city evaporates upon arrival: Venice belongs to all the world, and the whole world has come to visit. If there is a Proust or a Thomas Mann, a Brodsky or a Hippolyte Taine among them, I can see no sign of him. It is the advancing armies that are on the move at this time of year: the Chinese army, the Japanese army, the Russian army. Anyone who wishes to find his own Venice will need to be stubborn and determined, clad in invisible armour, and humbly remember that for all those other people he is just one more other person, getting under their feet and annoyingly pressing up against them in the central section of the vaporetto, where there is nothing to hold onto.

But we have not yet reached that point. No sooner have I arrived than I mix three of the four elements into my journey: I have travelled through the air and walked over the earth to the glinting water, beside which I am now standing, on a quay, waiting for a taxi. I do not quite dare to include the fourth element, fire, even if the sunlight is blazing away on the swaying water. There are, after all, limits to the art of description these days, limits that are related to the new reader’s patience. Before my departure, I bought a book written by Hippolyte Taine in 1858, and the passages I marked were about the sparkling radiance of the moving water. That too is a lesson in humility, because in his description the water truly does sparkle. Now that I am standing here, I realize how difficult it is to do what the nineteenth century could still do with impunity: to describe, in minute detail, our own impressions of what can be seen.

The taxi puts a stop to my reflections. It cuts open the water of the wide lagoon, flies past the geometric axis of the wooden posts across what must be the Canale di Tessera, and swoops down onto the city. I see the silhouettes of the familiar towers, and for a moment I feel as though I am coming home. We shoot past Murano and San Michele, island of the dead, and slip in beside the Arsenale, slowing as we pass the bricks of the high quay wall, and then head diagonally across the Canale di San Marco to the small island of San Giorgio Maggiore, where I will be staying this time. It is not on my account that the bells of the mammoth church of San Giorgio suddenly start to toll: it is six in the evening, time for the angelus. I can now hear the bells of San Marco and the Redentore ringing out over the water too. I stand on the large open piazza in front of the church, in a crossfire of sound, and watch as a man on his knees uses a wire brush, which is far too small, to scrub away at the seaweed growing on the steps just below water level. He progresses a centimetre at a time, in a Sisyphean task that seems more closely connected to eternity than to the world I arrived from today.

An hour later, having taken my suitcase to my monastic cell, I enter the enormous church. It is one of those spaces where you instinctively seek refuge along the walls: the emptiness in the middle is dangerous. I don’t know if people feel able to pray here. There is no trace of the intimacy of Romanesque churches: this is a space station heading to Mars. A different God, a classical, martial one, rules here in the house that Palladio devised for him. Even the large expanses of the Tintorettos, which are barely visible in the semi-darkness, have been subsumed by the mathematical network of unrelenting lines. I know there are supposed to be magnificent Flemish choir stalls behind the mighty high altar but, as I start walking in that direction, I am halted by the sound of voices, the soft yet whining murmur of old men.

This was once a Benedictine monastery. Later, after the monks had been driven out, it fell into decline. Now a Foundation is based on the island, and that is where I am to spend the next few days. The monks have also returned to their shrunken monastery, but now they occupy only four of the many choir stalls. I have positioned myself in the growing darkness so as to observe them during their vespers. Their voices, that Gregorian humming, drown within the dimensions of the building. The contrast between Classical glory and helplessly whispered prayers is not without pathos; the atmosphere is one of a final farewell and, as I tiptoe out of the space station, I hear behind me the fading echo of an age that is gone for good. Outside, I see the lights of the piazza on the opposite shore and the boats on the water that travel between Riva degli Schiavoni and Giudecca. I have arrived.

 


II


Wobble. Wibblewobble. Wibblewobblewibblewobble. I have finally plucked up the courage. It is my tenth visit to Venice and my first time in a gondola. As I drink my coffee early in the morning on the corner of the Procuratie Nuove, they stand there beside me: the gondoliers. Big discussions about yesterday’s game in their impenetrable Venetian dialect. It is cold on the water, and a hot cappuccio helps. Their sleek, black bird boats are lined up outside, the heads of the birds (they are birds’ heads – just take a good look) pointing at the island where I am staying. Why have I never wanted to try it before? Because it is the ultimate Venetian cliché?

That would be childish. Was it the expressions on the faces of the people in the gondolas? So what is it about those faces? The insufferable bliss of finally having done it, the absolute Venetian initiation, something that means you will always belong there? Into the gondola, along with Thomas Mann, Marcel Proust, Paul Morand, Henry James, Ezra Pound, Louis Couperus? “Ich bin auch ein Berliner”? Something along those lines? Or if our neighbours in Kansas, Bielefeld, Wakayama, Novosibirsk, Barneveld, wherever, could see us now – is it that expression? It is as though, down there on the water, they have draped the entire city around themselves like a cloak, in a still yet swaying moment of fulfilment, with undulating, watery whispers all around in the quieter canals, and an invisible man behind them, the ferryman with his strong, rhythmic movements. Most people do not manage to find the correct facial expression, try as they might. This can only be because they know they are going nowhere and that they will soon arrive back at their point of departure. So what kind of expression should you wear when the people in the vaporetto, who are actually going somewhere, look at you?

My previous experience extended no further than the traghetto, which is also a gondola, but travels only from one side of the Canal Grande to the other. A shaky climb aboard, the ferryman’s steady hand taking your arm, then attempting to stand firm and not lose your balance, or sitting on the narrow plank and not losing face. Face and balance, that’s what it’s about. A trip in a gondola – no, I had never done it before.

Last year, when it snowed in Venice and we had a small apartment near Campo San Samuele, on an alleyway in the back part of what must once have been a grand palazzo (a dark, hidden space behind bars, with a dog that barked whenever we came in, and hardly any view of the water), I had seen Japanese people floating past early in the morning, huddled beneath umbrellas, snow on their hats and scarves, beaming with joy. The gondolier sang about the sun as he wiped the snow out of his eyes. O sole mio. I couldn’t help but admire him. The boat passed by slowly and I knew they would never forget this ride. I wished I knew the Japanese word for “never”. If you’ve never been in a gondola, you’ve never been to Venice. Everyone took a photograph of everyone else: proof. You buy the holiday in Japan, complete with your gondola trip. But was that any reason for me not to do it? Sodden Chinese people in the rain, Americans with a bottle of prosecco? I had tried to find a rational excuse for my foolishness: a gondola is just a means of transportation, which you take when you are going somewhere, as in the old days before there were vaporettos. Just drifting about on the water for a while was surely not the intention, even though I have no problems wandering aimlessly around the city on foot. An even blacker gondola than usual, bearing a coffin beneath a gold-embroidered cloth, on its way to San Michele, the island of the dead – that was real, the essence of transportation. Everything else was tourism, affectation, theatre, meant for other people.

And now? Now we were ourselves other people and we sat in a gondola, that shaky climb aboard, oops, too heavy, boat starts to tilt, but the experienced hand assists the clumsy bodies, deposits them on a cushion, so the journey can begin and the world is instantly transformed. Everything happens above you now, and you see not faces on the adjacent quays, but shoes, as the buildings stretch out and you discover all kinds of things you never noticed before. A gentle rocking holds sway over the city, and you see the walls as living skin, injuries, wounds, scars, healing, old age, history, black seaweed, green seaweed, the mysterious underside of bridges, marble and masonry, other boats, life on the waves in a city of stone and water. Quietly, the gondolier calls out the names of churches and buildings like an old priest reciting a litany to which you do not have to listen. I make a few attempts to work out where we are on the map but soon lose track. Sometimes, when we go around a sharp corner, he lets out a loud “Oye!” as though we are in mortal danger, but I have long since surrendered myself and, like a child in the womb, I listen to the murmuring of the amniotic waters and wish never to be born.

 


III


A memory. A winter’s day. It had snowed on St Mark’s Square, but it soon melted. I am standing in one of the arcades, looking out at the wet piazza, and thinking I can see the snowmelt trickling slowly away but, as in the poem by Nijhoff, the reality is different: I do not see what I see. It is as though there is a spring amid the bricks of the square, and I can see the water gradually rising in a few places, as if the city itself were porous. I have not heard the sirens that warn of severe flooding, so it can’t be too serious, and yet I am unable to look away. There should be earth down there beneath those bricks, not water. A city is not a ship. Or is it? I am standing on stone. I am not Jesus. But am I really standing on stone? In the distance, I can see people lugging those strange chunks of planking – I know no other word for them – those elongated wooden objects on four metal legs that allow you to continue your journey above the surface of the water, rather than having to wade. The water can rise up to half a metre and, when that happens, the planking is used to build narrow paths, where pedestrians struggle to pass each other. The mud from the bottom of the lagoon is black, water of the dead that comes from the Lethe, the river of oblivion. I stood and watched as they dredged with one of those claws that dig into the depths and pour forth pitch-black mud, along with assorted objects from the realm of the dead, which have assumed the same colour as this water in mourning, in a counter-city that lies beneath, biding its time.

When the water has receded, the planking remains as a reminder that this all may change, that the full moon of the Romantic paintings sometimes, in an ill temper, takes charge of the water. And because, since the last Ice Age, the lagoon has contained ten times more water than land, people in this battle zone between rivers and the ocean have had to survive as best they can. Thoughts of the Netherlands and its sea are obviously never far away. The branches of the Po Delta brought sand from the mountains and the hinterland, and the currents of the sea fought back, forming sandbanks that attempted to encircle the lagoon, so the delta’s tributaries had to be diverted to stop the area silting up and to pour fresh water into the sea through three openings. In a high-altitude aerial photograph, the lagoon resembles a living organism, with the waterways as the blood vessels, the re-routed rivers to the north and the south as arteries, and the industrial estates of Mestre and Porto Marghera as large tumours, while Venice itself is a jewel that has been carelessly discarded and lost. The surrounding marshes have the air of a royal robe for a king who sits on a shaky throne of Istrian sandstone, the heroic variety of stone that is able to withstand the seawater’s voracity, as are the wooden piles, which also come from Istria and, as in Amsterdam, are driven deep into sand and clay to carry the weight of houses and palaces. Anyone who managed to contrive all of this could go forth to conquer the world.

 


IV Three miniatures


Tiepolo in the Doge’s Palace
Three figures against the blue of the sky. The trident tells you which god is meant. But he is not holding the peculiar weapon that is his emblem. It lies half across his back and passes behind the dark-haired young woman in the deep green robe whose head is so close to his. The person who has hold of his weapon cannot be seen. This is the most human portrait of him that I know. He is big and strong, half-naked, his long hair black, the beard wild and grey, his right eye is amorous (the other cannot be seen but one is sufficient), his young skin is brown and gleaming, with a sprinkling of chest hairs, and his working hands are a darker colour, as with farmers and fishermen. He holds them around the horn of plenty that he is pouring out before the blonde woman in the crown: coins, a bright red piece of coral, strings of pearls, and all painted so beautifully that you imagine you can see the portraits on the coins, the figures in gleaming gold and silver, in the hoard that is streaming past his mighty knee and onto her gold brocade robe. There is no doubt about it; he is not bringing an obligatory tribute. This is a love offering and Venezia is the woman to whom he gives it all. Her long, light hand emerging from beneath the ermine, she points at him, with an expression that is somewhere between wonder and maybe even fear. The sexual connotations are undeniable. She is beautiful, the left hand that loosely holds her sceptre rests on the head of a gigantic dog with a monstrous maw and, leaning back in all of her finery, she occupies almost two thirds of the painting, so that he seems to be a big wave racing towards her. Goodness knows what will happen next between the god of the sea and his favourite city. Seen in the Doge’s Palace, in the Room of the Four Doors, where ambassadors had to wait for an audience.


Carpaccio in the Museo Correr
It says a lot about Ruskin that he referred to Carpaccio’s two women as the Courtesans. Women of easy virtue, among the upper echelons of society, my dictionary informs me, in case I was in any doubt. Why did Ruskin think these women were some kind of high-class prostitutes? Their clothing is Venetian, luxurious, their hair is styled with sophistication, and their jewellery is not excessive, but definitely present. One of the women has a bountiful cleavage, but that was not uncommon. Whatever possessed Ruskin? His own Victorian prudishness? He is said to have spent so long looking at polished marble nudes that he had the fright of his life on his wedding night when he laid eyes on his wife’s pubic hair. Even so, I think it was more likely connected to two other factors that can be observed in this marvellous painting. The two women are looking directly ahead, their profiles presented to the viewer, both with a blank stare, apparently gazing at nothing. And although there is plenty going on in the painting, nothing seems to be moving. It is as if they are waiting, an often prolonged activity with which courtesans are not unfamiliar.

So what can we actually see in this painting? Two doves, two dogs, what may be the legs of one of those dogs or of a third dog that cannot be seen. The woman with the cleavage is holding a long thin stick in her right hand, which the larger of the two dogs is gripping between its sharp teeth. The laws of perspective do not reveal whether the two front legs that I can see in the bottom left-hand corner of the painting, one of which is resting on an unfolded note that I cannot read, belong to that same dog: the colour of the fur leads me to suspect that this is the case. In her left hand, the woman is holding the thin right paw of an ugly little lapdog, which is sitting up on its hindquarters and staring insolently at me. The other woman appears to have tucked her feet into two huge green slippers with gold trimming, but it could just be the billowing hem of her dress. These details are known to art historians, and perhaps they also know the significance of the corvid that is sitting on the ground directly in front of the woman and lifting up its three-toed foot to her. This woman has that stare, the empty gaze at nothing, which, for the sake of convenience, I shall refer to as modern. In her right hand, she holds a cloth of silk or linen, and her elbow rests on the high marble balustrade beside a pomegranate, the symbol of love and fertility (that much I can remember). It is not clear whether the boy, whose head does not yet come up to the top of the balustrade, is also aware of the fruit’s significance. In any case, all of his attention is on the peacock, which he would clearly like to pet. Next to the peacock are two of those shoes that were so fashionable at the time and which, judging by their platform soles, must have been almost impossible to walk in.

This painting is in the Museo Correr and if you have the chance to stand still in front of it for any length of time, the atmosphere around those women only grows even quieter. According to later theories, they are waiting for their men to return from the hunt, but this does not solve the mystery of that stillness. Clothing and objects place the painting in a particular era, but the emptiness of the gaze and the little dog’s haughty dismissal have the scent of my own era. That dog knows too much, and we know each other.


Guardi
The city I left a few weeks ago has turned into paper. Now that I am no longer there, the major Guardi exhibition at the Correr has finally opened. Francesco Guardi always had to step aside for Canaletto during his own lifetime, even though Guardi knew that he himself was the better artist because he could bring the city to life, because he released the palazzi from the stasis in which that other painter had fixed them for all eternity, because he made the water breathe, rendered audible the cries of all those men on their boats and because his clouds are people who move over water and city in such a way that you want to give them names. A friend who knows my obsessions sent me an issue of El País and a page from the New York Times that were both about the exhibition. So part of me is still in Venice after all.

The black and white of the grainy newspaper makes me see the paintings as they should not be seen. They have been struck by an incurable greyness, but I fill in the colours with memory and nostalgia. The painter stands there in the only known portrait of him, thin and slightly transparent, brush in hand, as though he has something to prove, the paint on his palette just dashes of white and darkness, feminine hands, bright eyes that preserved everything they saw. The city, the city, and again the city, a liquid city of water and boats, a stone city of palaces, and then everything that happened behind all those closed walls, the city in the city, the fair of vanities in the Ridotto, a swirl of lust and sophistication around the gaming tables, a gentle scent of decay presaging a gradual end. His works have come home, and perhaps they were homesick for the city where Guardi once tried to hawk his “little pictures” in St Mark’s Square, as depicted in a large canvas by his fellow artist Giuseppe Bertini. They have flown to the Correr from all over the world, forty museums and institutions having released them for a few months, and I can’t wait to see them for real. In the greyness of the newspaper, I look at the quay of the Giudecca where I so recently walked, and I see the small island where I stayed, caught between light and shade, a distant twilight where I could be one of those shadows inhabiting Guardi’s works. This city has barely changed since his day, and so the time that has passed appears to have been cancelled out in these paintings. I am no longer where I am and yet I am there; I have turned into paint and exist in the now of 1760, where he has depicted me, a man in strange clothing sitting on the steps in front of the church that I will walk past over two centuries later, a Dutchman in the most serene of all republics.

 

 

Translated from the Dutch by Laura Watkinson


Podcast read by Simon Shrimpton-Smith

 

Laura Watkinson translates into English, from Dutch, Italian and German. Her literary interests are varied and her projects range from children’s picture books to adult novels and comics. She recently translated Cees Nooteboom's Roads to Berlin for MacLehose Press in the United Kingdom. Her translation of Bibi Dumon Tak's Soldier Bear won the American Library Association's 2012 Batchelder Award for the best translated children's book of the year. www.laurawatkinson.com