Uit het raam kijken in Schalkwijk

Gerda Blees

Gerda Blees

Gerda Blees (1985) debuteerde in 2017 met de verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet, die lovend werd ontvangen. In 2018 volgde haar poëziedebuut Dwaallichten, dat werd genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs. Eind april 2020 verschijnt haar eerste roman, Wij zijn licht. Naast haar werk als schrijver studeert ze bij de afdeling DogTime van de Gerrit Rietveld Academie. Ze woont in werkt in Haarlem en schrijft in het najaar van 2020 een citybook over haar thuisstad.

Close

Haarlem Alle citybooks

Print

Uit het raam kijken in Schalkwijk

De eerste keer dat ik uit het raam keek van mijn nieuwe huis in Schalkwijk, huilde ik. De twee lege, vieze kamers waar ik zou gaan wonen keken uit op een klinkerstraat met aan de overkant een rijtje lage flats die dwars op de straat waren gebouwd. Ze zagen er zo mogelijk nog lelijker en goedkoper uit dan het gebouw waarin ik zelf terecht was gekomen. Achter de lage flats stond, evenwijdig aan mijn straat, een hogere flat, in dezelfde stijl gebouwd, en daar weer achter nog hogere gebouwen, kantoorgebouwen waarschijnlijk, leegstaand, met groen uitgeslagen metalen installaties op het dak.

Het was niet mooi. Ik, die vier jaar op een prachtig landgoed had gewoond, met uitzicht op een groot glooiend gazon met een reusachtige karakteristieke eik in het midden en bebossing aan weerszijden, een uitzicht dat was ontworpen om de negentiende-eeuwse baron die ooit in het huis gewoond had te plezieren, zou het weer moeten doen met een uitzicht dat helemaal niet ontworpen was, en zeker niet om iemand te plezieren. Even overwoog ik de mevrouw van de woningbouwvereniging achterna te rennen, de sleutels die ze me net overhandigd had weer in haar handen te drukken, om vervolgens terug te keren naar het landhuis en de redenen waarom ik daar vertrokken was te vergeten.

Ik deed het niet. Ik bleef. En vandaag, twee jaar later, kan ik zeggen dat ik me vergiste in het uitzicht. Nergens heb ik zo veel en zo graag uit het raam gekeken als hier in Schalkwijk. De flats, die bij nader inzien wel degelijk zijn ontworpen om mensen te plezieren, met hun bruine tegels met kleine ingelegde witte ruitjes – wie zou zo'n decoratie toevoegen als het niet was om mensen te plezieren? De identieke balkonnetjes die door iedereen anders zijn ingericht, de bomen langs de straat, de mensen die er lopen. Dit is de beste straat om uit het raam te kijken die er bestaat. Sterker nog, in deze straat leerde ik beter uit het raam kijken dan ik daarvoor ooit had gedaan.


Ik had natuurlijk wel meer uit het raam gekeken voor ik in Schalkwijk ging wonen, al geloof ik niet dat ik er een natuurtalent voor heb. Ik was niet het kind dat op school tot de orde werd geroepen omdat het wat er buiten gebeurde interessanter vond dan wat de juf te vertellen had. Ik was het kind dat altijd oplette, geconcentreerd haar schoolwerk deed en als dat af was snel een boek ging lezen. Ik was het kind dat achterin de auto op weg naar Frankrijk met haar hoofd voorovergebogen zat te lezen, en als mijn vader zich omdraaide om te zeggen dat ik écht even naar buiten moest kijken omdat het uitzicht zo prachtig was, draaide ik plichtmatig mijn hoofd naar het raam, zei 'O ja, mooi,' en las weer verder. Het was pas toen ik zelf dingen begon te schrijven en te maken, toen ik een twintiger was, dat ik uit het raam kijken als op zichzelf staande activiteit begon te waarderen.

Er zijn verschillende manieren om uit het raam te kijken. Voordat ik naar Schalkwijk verhuisde keek ik meestal divergerend uit het raam. Deze vorm van uit het raam kijken ontwikkelde ik toen ik fictie en poëzie begon te schrijven. Divergerend uit het raam kijken kan overal en heeft strikt genomen ook geen raam nodig. Het is het lege in de verte staren tussen twee gedachten, kijkend en zoekend naar iets wat ergens in een verte uit de lucht moet worden geplukt: een woord, een zin, de volgende handeling van een personage. Het is eigenlijk meer een geestelijke dan een fysieke activiteit: je zoekt naar iets wat niet meteen voor je geestesoog verschijnt en daartoe richt je je echte ogen van het papier of het scherm naar de verte, maar zonder echt te kijken naar wat er in die verte is te zien. Een raam met daarachter blauwe lucht of bomen kan dan fijn zijn, als een soort vaag behang van je gezichtsveld, maar een plafond met vochtvlekken, of een smetteloos wit plafond, of wat voor plafond dan ook, voldoet evengoed.

Een andere manier om uit het raam te kijken is de associërende, de op ideeën brengende manier, die soms uit de divergerende kan voortvloeien. Ook deze vorm van uit het raam kijken kende ik al. Er waren de cd-schijven die mensen hadden opgehangen in de moestuin waarop ik uitzicht had in Delft, die op een besneeuwde dag heen en weer hingen te wiegen in de wind, en die het begin vormden van een video-installatie met de passende titel 'Cd-schijven in de sneeuw'. En er waren de regendruppels die kringen maakten in een plas op het platte dak van de serre van het landhuis in De Bilt, die de gedachte opriepen dat op het moment dat de regen ophield één druppel als laatste in de plas zou vallen en een laatste kring zou maken voordat het oppervlak van de plas weer glad werd, en dat het mogelijk moest zijn, als je goed bleef kijken, die laatste kring in het water op te merken en misschien zelfs vast te leggen – een gedachte die op een ander moment van uit het raam kijken, toen het weer regende, veranderde in een verhaal over liefde en de dood.

Maar er is een derde manier om uit het raam te kijken, en deze manier van kijken leerde ik in Schalkwijk. Dit noem ik de langzame, doorgrondende manier, die tegelijk de ondoorgrondende manier genoemd zou kunnen worden. Een fictieve sigarenboer en een dode dichter kunnen hier meer licht op werpen.

De fictieve sigarenboer heet Auggie en ik ontmoette hem afgelopen winter, toen iemand me de eerste scènes van Smoke liet zien, een film uit 1995 die werd geschreven door Paul Auster en geregisseerd door Wayne Wang. Elke dag maakt Auggie om 8 uur 30 's ochtends een foto van de straathoek voor zijn winkel, altijd vanuit exact hetzelfde perspectief. Het is belangrijk voor hem om dit te doen, vertelt hij aan een van zijn klanten, want, vrij vertaald uit het Engels en mijn herinnering: 'Ook hier gebeuren dingen, net als overal in de wereld.'

De zin deed me denken aan mijn eigen straat, en aan een dode dichter, Wisława Szymborska, die ook iets schreef over de dingen die gebeuren. Een paar maanden eerder had ik het gedicht uit de krant gescheurd en op de binnenkant van mijn woonkamerdeur geplakt, zodat ik het zou zien als ik die sloot. ‘Een titel hoeft niet’, heet het gedicht, en het gaat over een ik-figuur die aan een rivier zit en bedenkt dat hoewel dit moment niet de geschiedenis in zal gaan, zoals veldslagen, kroningen en onthoofdingen, het toch onderdeel is van de geschiedenis; dat het een verleden heeft en op een toekomst afstevent, en dat de omstandigheden zijn zoals ze zijn doordat de omstandigheden eerst waren zoals ze waren, en dat dit weefsel van oorzaken en gevolgen ondoorgrondelijk is.

Mijn straat is als de rivier uit het gedicht, besefte ik dankzij de fotograferende sigarenverkoper, en ik dacht aan alle dingen die ik er in de voorbije herfst en winter had zien gebeuren. Ik zag de laatste gele blaadjes aan de boom voor ons raam hangen. Het waren er veertig, de dag daarna nog negentien, ten slotte nog vier, waaraan de wind hard trok, zodat ze diezelfde dag nog allemaal verdwenen waren. Het werd winter en ik zag rook uit de schoorstenen van de lage flats aan de overkant komen. Mensen zag ik ook veel. Het meisje van de snackbar liet haar hondjes uit. Een oudere man en een ouder echtpaar kwamen elkaar tegemoet op de stoep, hielden even stil om iets te zeggen en namen weer afscheid. Op een ochtend zag ik twee mannen in werkkleding schuin de straat oversteken. Vlak voordat ze de overkant bereikten omhelsden ze elkaar. Daarna liepen ze ieder naar hun eigen auto en reden weg.

Het duizelt me als ik me alle geschiedenis van al die mensen en dingen probeer voor te stellen. Maar de fotograferende sigarenboer geeft er vorm aan, de vorm van een grote stapel plakboeken, die hij thuis bewaart, met daarin alle foto’s die hij heeft genomen. En dat al die momentopnames onderdeel zijn van de geschiedenis, dat ze van belang zijn ondanks hun schijnbare onbeduidendheid, toont zich in een volgende scène van de film. Hij en zijn klant hebben zich, zoals mensen in films dat doen, zonder dat de kijker het zag naar zijn keuken verplaatst, waar ze samen aan tafel zitten, hun bijna opgerookte peuken in de mondhoeken, twee flesjes bier binnen handbereik.

De klant, hij heeft ook een geschiedenis en een naam, hij is toevallig schrijver en weduwnaar in de rouw en zijn naam is Paul, bladert door de albums.

‘Je zult het nooit begrijpen als je niet langzamer gaat,’ zegt de fotograaf, want de weduwnaar bladert te snel. Hij denkt dat hij het ene moment op de straathoek al kent omdat hij het andere moment op de straathoek heeft gezien.

Maar de film zou geen fictieverhaal zijn als het niet ging over liefde en de dood. De weduwnaar bladert langzamer, en langzamer, en langzamer, en dan ziet hij haar. Zijn vrouw. Zijn overleden vrouw, op weg naar haar werk, zomaar op een ochtend om half negen, en op een volgende pagina ziet hij haar weer, en daarna nog eens. Plotseling zijn de foto's niet zomaar foto's van straathoeken meer. Het zijn momentopnames van het leven van zijn vrouw. Momenten die zij heeft beleefd, zonder dat hij erbij was. Momenten die ze zelf misschien niet eens zal hebben opgeslagen in haar geheugen, die waarschijnlijk in elkaar zijn opgegaan als 'de wandeling van huis naar de metro om naar mijn werk te gaan', maar die met terugwerkende kracht, door de ogen van haar man, na haar overlijden, belangrijk zijn geworden.

Dit is de manier van uit het raam kijken die ik in Schalkwijk leerde. Het maken van een foto van de straathoek, zonder de foto daadwerkelijk te maken. Te zien hoe een man op zijn vrouw wacht terwijl zij uit de auto stapt, of hoe een klein meisje met een wit rokje aan op de grond gaat zitten gillen tot haar moeder komt, of hoe een vrouw die achter haar rollator naar de supermarkt loopt even stilstaat en haar rollator loslaat, zodat de rollator doorrolt en uit het beeld verdwijnt, voorbij het kozijn van mijn raam, en even later zij erachteraan.

Uit het raam kijkend in Schalkwijk zie ik momenten die verbonden zijn met alle momenten eromheen, vastgeknoopt in het ondoorgrondelijke 'weefsel van de omstandigheden', zoals Szymborska het noemt. De ik-figuur in haar gedicht ziet trouwens geen mensen, maar struiken, wolken, steentjes en gras. Maar ook die zijn ergens vandaan gekomen, ook die gaan ‘van een gevolg van oorzaken vergezeld’. Over haar handen vliegt de schaduw van een vlinder, niet de schaduw van een andere vlinder, maar alleen de schaduw van de vlinder die zij ziet, en ze concludeert:

‘Wanneer ik zoiets zie, verlaat me altijd de zekerheid / dat wat belangrijk is / belangrijker is dan wat onbelangrijk is.’

Door zich te concentreren op wat er precies gebeurt, en hoe het gebeurt, wordt Szymborska zich bewust van de precisie waarmee alle dingen gebeuren, en daarmee wordt haar perspectief wijder, niet alleen op de dingen die ze ziet, maar juist ook op alle dingen die ze op dat moment niet ziet, en die ze normaal gesproken misschien belangrijker zou vinden dan de dingen die onbelangrijk zouden zijn. En op dezelfde manier wordt mijn eigen perspectief wijder als ik in Schalkwijk uit het raam kijk om te zien wat er daar gebeurt, omdat ik besef dat ook mijn kijken en mijn schrijven momenten zijn in de loop van de gebeurtenissen die tegelijkertijd belangrijk en onbelangrijk zijn.


Maar waarom had ik dat niet eerder ontdekt? Waarom moest ik naar Schalkwijk verhuizen, een plek die ik zo lelijk vond dat ik ging huilen bij de gedachte dat ik er voorlopig zou moeten wonen? Waarom was het juist deze plek waar ik uit het raam leerde kijken? Fysieke omstandigheden werkten mee, omstandigheden die me dwongen langzamer te gaan. In een jaar tijd maakte ik enkele periodes van ziekte door, periodes waarin ik wel een klein beetje kon schrijven, maar verder tot weinig in staat was. Televisies en andere schermen waren te vermoeiend voor mijn ogen, maar wat er achter het raam gebeurde niet. Zo werd uit het raam kijken entertainment. Maar dat verklaart niet alles, want in mijn mooie landhuis ben ik ook vaak ziek geweest, en toch bleven mijn uithetraamkijkvaardigheden daar op beginnersniveau, op het niveau van de toerist die de gordijnen opendoet en zegt: 'Wat een prachtig landschap,' maar feitelijk niet meer registreert dan een strook van groentinten onderin het beeld en een strook van wit- en blauwtinten daarboven, wat qua kleurencombinatie en compositie past bij de benaming 'mooi landschap'.

Misschien heeft het daarmee te maken, met het toeristengevoel. Ik herinner me dat ik me mijn eerste tijd in het landhuis niet helemaal thuis voelde. Alles wat ik zag was mooi, maar wat moest ik aan met die schoonheid? Het was alsof de schoonheid de omgeving veranderde in een ansichtkaart, die vervolgens ook even plat bleef als een ansichtkaart, zodat de waarneming meteen van me afgleed. Ik kon er wel van genieten, ik kon er ook mijn ogen op laten rusten, maar echt kijken en dingen zíen, dat lukt niet. Ik schreef het toe aan de schoonheid van de plek, maar misschien was het iets anders. Misschien was het de onbekendheid van de plek, het vreemde. Ik was geen bossen en mooie oude gebouwen en zeldzame vogels gewend, niet in mijn dagelijks leven. Mijn ogen vonden geen houvast; er was geen onderscheidend vermogen. De bomen bleven bomen, de vogels bleven vogels. De precisie waarmee er dingen met die bomen en vogels gebeurden ontging me.

Dan mijn straat in Schalkwijk. Ik woonde hier niet eerder, maar toch is het bekend terrein. Tot mijn negende woonde ik in Amsterdam Zuid-Oost, in het vriendelijke Gaasperdam, tussen Reigersbos en Holendrecht. Laagbouw en middelhoge flattenbuurtjes, uit de grond gestampt in de jaren zeventig en tachtig. Brave mensen kwamen er wonen, zoals mijn ouders, die met het halve lerarensalaris van mijn moeder waarvan ze leefden subsidie konden krijgen voor de aankoop van zo'n keurig rijtjeshuis. Het was een wijk van stoepen, fietspaden, heggen en bosjes om in te spelen. Toen ik jaren later in Delft ging werken en daar twee kamers vond in een woongroep in Tanthof, de jarentachtigbuitenwijk van Delft, was het mijn vader die opmerkte dat de plek waar ik mijn boodschappen deed, met een supermarkt, een bakker, een bloemist, een kantoorboekhandel en een Chinees, wel wat weg had van het kleine winkelcentrumpje in Holendrecht waar hij vroeger altijd naar de C1000 ging, en dat dat er misschien voor zorgde dat ik me zo thuis voelde in die wijk.

En nu is hij er weer, in Schalkwijk, dat kleine rijtje winkels dat de naam van winkelcentrum niet mag hebben: de ijswinkel, de Vomar, Petra's Tabaksshop, Enorm, Friet van Piet. En ik zit achter mijn raam en observeer de mensen op hun wandeling naar die winkels toe, en terug. Ik zie mensen langs de straat parkeren om hun boodschappen te gaan doen. Het zijn niet te veel mensen, zoals in een grote drukke stad, maar ook niet te weinig, zoals op een landgoed met zeldzame vogels. Het zijn precies genoeg mensen voor mij om rustig te kunnen kijken en te onderscheiden wat er gaande is.

Een man met een heel klein hondje, een chihuahua, schuifelt over straat. Ik zie hem lopen, langzaam, langzaam, bleek en zombie-achtig, een beetje gelig, helemaal opgaand in zijn hondje. En dan begint er vanaf de straat een vrouw te roepen, uitzinnig van enthousiasme: 'Hé man, hé man, hé man!' Niet hé Jan of hé Manfred of hé Arie, maar hé man. Misschien is ze zijn naam vergeten. Ze stapt van haar fiets om hem te begroeten.


Betekent dit dat ik altijd op plekken zoals deze zal moeten wonen om goed uit het raam te kunnen kijken? Ik mag hopen van niet. Ik mag hopen dat ik ook aan een rivier in Polen dingen zou kunnen zien, dat ik net als Szymborska oog zou hebben voor de schaduw van de vlinder, die precies op mijn hand viel, en niet op de hand van iemand anders. Ik mag hopen dat mijn uithetraamkijkvaardigheden overdraagbaar zijn naar andere omgevingen. Dat ik, als ik nu naar het landhuis terug zou keren, elke dag een foto van het uitzicht zou kunnen maken, zonder de foto daadwerkelijk te maken, en dat ik de precisie waarmee er dingen gebeurden waar zou kunnen nemen. Ik weet nu hoe het moet, mag ik hopen.

Nu bijvoorbeeld, dit essay voltooiend, bevind ik me toevallig even niet in Haarlem, maar in Maastricht, met uitzicht op bomen waarvan ik de naam nog niet ken – eerst wil ik mijn vogelcursus afmaken, dan begin ik aan de bomen – en ik kijk hoe het licht tussen de takken en de bladeren door valt. Dat is als ik op de grond zit, perfect voor het lege staren tussen twee gedachten, de divergerende manier van uit het raam kijken. Maar als ik op een stoel ga zitten of ga staan, heb ik uitzicht op een plein dat dienst doet als parkeerplaats. Ik zeg dat het een plein is omdat het niet van asfalt is gemaakt maar van kleine vierkante kasseien, zoals op de Dam in Amsterdam. Het plein is omzoomd door bomen en tussen de parkeerplaatsen staan ook bomen. Langs het plein staan bankjes. Vanochtend: een gezin van vier, vier grotemensenlichamen, twee oudere en twee puberlichamen, samen op zo'n bankje gepakt, veroordeeld tot elkaar omdat ze een gezin vormen en samen op vakantie zijn.

De bomen op de parkeerplaats staan nu nog vol in het blad, maar tegen de tijd dat ik hier weer vertrek zullen ze eerst geel en rood zijn geworden, en daarna begonnen zijn hun bladeren los te laten. Als de herfst niet al te stormachtig begint, zal ik op tijd terug zijn in Schalkwijk om daar te kijken hoe de boom voor het raam zijn laatste blaadjes verliest. Ik zal het meisje van de snackbar diep weggedoken onder haar capuchon haar hondjes zien uitlaten, als zij en haar hondjes er nog zijn. Ze zal hetzelfde meisje zijn, maar ik zal haar zien zoals ik haar nog nooit eerder gezien heb.

Ik zit aan een rivier, of ik nu aan een rivier zit of niet, en er gebeuren dingen, en allemaal zijn ze belangrijk, of allemaal niet, en als ik langzaam genoeg kan gaan, zal ik dit begrijpen. Zal ik het kunnen zien, geoefend uithetraamkijker, opgeleid in Schalkwijk.

 

Print

Looking out of the window in Schalkwijk

The first time I looked out of the window of my new home in Schalkwijk I cried. The two empty, dirty rooms I was going to be living in each had a view of a brick road with a line of low flats on the far side built at right angles to the street. If possible they looked even uglier and cheaper than the building I’d ended up in myself. Behind the low-rise flats, parallel to my street, was a taller block, built in the same style, and behind that were even taller buildings, offices probably, all empty, with pipes and ducts on the roof that were turning green.

It wasn’t beautiful. I who had spent four years living on a delightful country estate, looking out on a big sloping lawn with a huge characterful oak at its centre and woodland on either side, a vista designed to please the nineteenth-century baron who once lived in the house, would have to make do with a view that hadn’t been designed at all, or not to please anyone at any rate. I briefly considered running after the woman from the housing corporation, pressing the keys she had just given me into her hand, then returning to the country house and forgetting the reasons why I’d left.

I didn’t. I stayed. And today, two years later, I can say that I was wrong about the view. Nowhere have I looked out of the window so much and so readily as here in Schalkwijk. The flats, which on further reflection were designed to please people, with their brown tiles on the walls inlaid with little white squares – who would add ornamentation like that if it wasn’t to give people pleasure? The identical balconies, which each resident had furnished differently, the trees lining the street, the people who walk there: this is the best possible street for looking out of the window. In fact in this street I learnt to look out of the window better than ever.

 

Of course I’d looked out of the window before I went to live in Schalkwijk, even though I don’t believe I have any natural aptitude for it. I wasn’t the kind of child who got told off at school for finding what was going on outside more interesting than what the teacher had to say. I was the child who always paid attention, who concentrated hard on her schoolwork and when it was finished quickly switched to reading a book. I was the child who sat in the back of the car on the way to France with her head bowed, reading, and if my father turned round to say that I really must look outside because the view was so magnificent, I dutifully turned my face to the window, said ‘Oh yes, beautiful’, and carried on reading. It wasn’t until I began to write and create, when I was in my twenties, that I came to value looking out of the window as an activity in its own right.

There are various ways of looking out of the window. Before I moved to Schalkwijk I usually looked out of it divergently. I developed this way of looking out of the window when I started writing fiction and poetry. Looking out of the window divergently can be done anywhere, and strictly speaking it doesn’t even require a window. It means looking vacantly into the distance in between two thoughts, looking and seeking for something that has to be plucked out of the air somewhere far off: a word, a sentence, a character’s next move. It’s really more a mental activity than a physical one; you look for something that doesn’t immediately appear in your mind’s eye and to that end you turn your gaze from the paper or screen to the distance, but without really looking at what there is to see in that distance. A window with some blue sky or trees beyond it will do fine, as a kind of vague wallpaper for your field of vision, but a ceiling stained by damp, or a spotless white ceiling, or indeed any kind of ceiling, works just as well.

Another way of looking out of the window is the associative, the idea-stimulating way, which can sometimes arise from the divergent. I was already familiar with this way of looking out of the window too. There were the CDs that people hung in the vegetable plot I looked out on in Delft, which on a snowy day swayed back and forth in the wind and were the start of a video installation with the fitting title ‘CDs in the Snow’. Then there were the raindrops that made ripples in a puddle on the flat roof of the conservatory at the country house in De Bilt, prompting the thought that at the point when the rain stopped, one drop would be the last to fall and would make one final circle before the surface of the puddle became smooth again, and that it must be possible, if you kept watching carefully, to see the very last circle in the water and perhaps even to record it, a thought that in another moment of looking out of the window – it was raining then too – was transformed into a story about love and death.

But there’s a third way of looking out of the window, a way of looking that I learnt in Schalkwijk. I call it the slow, fathoming way, but it could also be called the unfathoming way. A fictional tobacconist and a dead poet can throw more light on it.

The fictional tobacconist is called Auggie and I met him last winter, when someone showed me the first few scenes of Smoke, a film from 1992 written by Paul Auster and directed by Wayne Wang. Every day at precisely eight thirty in the morning, Auggie takes a photo of the street corner in front of his cigar store, always from exactly the same position. It’s important for him to do this, he tells one of his customers, because (as I recall it), ‘things happen here, like they do everywhere in the world’.

That made me think of my own street, and of a dead poet, Wisława Szymborska, who also wrote about things that happen. A few months earlier I’d torn the poem out of the newspaper and stuck it on the inside of my living room door, where I’d see it every time I shut the door behind me. ‘No Title Required’, it’s called, and it’s in the voice of someone sitting by a river and thinking that although this moment won’t go down in history, like battles, coronations or beheadings, it is nevertheless part of history; it has a past and it’s heading for a future, and circumstances are the way they are because circumstances were the way they were, and this tapestry of causes and consequences is unfathomable.

My street is like the river in the poem, I realized after watching the tobacconist who took photographs, and I thought about all the things I’d seen happen there over the past autumn and winter. I saw the last yellow leaves on the tree hanging in front of our window. First there were forty, the next day nineteen, finally four; then the wind got up and they all disappeared that same day. Winter came and I saw steam rising from the chimneys of the low-rise flats across the street. I saw a lot of people, too. The girl from the snack bar walking her dogs. An elderly man and an elderly couple meeting on the pavement, stopping for a moment to say something before parting again. One morning I saw two men in working clothes cross the street diagonally. Before they reached the other side they embraced. Then each of them walked to his own car and drove off.

I feel dizzy when I try to imagine the entire history of all those people and all those things. But the photographing tobacconist gives shape to them, the shape of a big stack of photograph albums, which he keeps at home, containing all the photos he’s taken. The fact that all those snapshots are part of history, that they’re important despite their apparent insignificance, is demonstrated in a later scene in the film. He and his customer are now in his kitchen, having got there unseen by the viewer, the way people do in films, and there they are sitting at a table, their nearly burnt-up stubs in the corners of their mouths, two bottles of beer within easy reach.

The customer, who also has a history and a name and happens to be a writer and a widower in mourning and whose name is Paul, leafs through the albums.

‘You’ll never understand it if you don’t go slower,’ the photographer says, because the widower is turning the pages too quickly. He thinks he already knows that particular moment on the street corner because he’s seen another moment on the same street corner.

But the film wouldn’t be a fictional story if it wasn’t about love and death. The widower’s page turning becomes slower, and slower, and slower, and then he sees her. His wife. His dead wife, on her way to work at half past eight in the morning as usual, and on another page he sees her again, and then again. Suddenly the photos aren’t any longer just pictures of street corners. They are snapshots of his wife’s life. Moments she experienced when he wasn’t with her. Moments she may not even have stored away in her memory, that probably merged to become ‘the walk from home to the subway to go to work’, but that with retroactive effect, through the eyes of her husband, after her death, have become important.

This is the way that, in Schalkwijk, I learnt to look out of the window. Taking a photo of the corner of the street, without actually taking the photo. Watching a man wait for his wife as she gets out of the car, or a little girl wearing a white skirt sit down on the ground and scream until her mother comes, or a woman with a walking frame on her way to the supermarket stop for a moment and let go of the frame, so that the walking frame rolls on and disappears from sight, beyond the frame of my window, and a moment later she disappears after it.

Looking out of the window in Schalkwijk I see moments that are connected with all the moments around them, knotted into the unfathomable ‘tapestry of circumstance’, as Szymborska calls it. The narrator of her poem doesn’t see any people, incidentally, only bushes, clouds, pebbles and grass. They too came from somewhere, they too have ‘retinues of reasons’. Over her hand flies the shadow of a butterfly, not the shadow of any other butterfly but only the shadow of the butterfly she sees, and she concludes, ‘When I see such things I’m no longer sure / that what’s important / is more important than what’s not.’

By concentrating on exactly what’s happening, and how it’s happening, Szymborska becomes aware of the precision with which all things happen, and with that her perspective broadens, not just her perspective on the things she sees but on all the things she doesn’t see at that moment, and that she might normally find more important than the things that are supposedly unimportant. In the same way, my own perspective broadens when I sit looking out of the window in Schalkwijk to see what’s happening out there, because I’m aware that my looking and my writing are moments in the course of events that are important and unimportant at the same time.

 

But why didn’t I discover that sooner? Why did I have to move to Schalkwijk, a place I found so ugly that I started to cry at the thought of having to live there for the foreseeable future? Why was it in this place of all places that I learnt to look out of the window? Physical circumstances helped, circumstances that forced me to slow down. In the space of a year I went through several periods of illness, in which I could write a little but was incapable of much else. Televisions and other screens were too tiring for my eyes, but what was going on outside the window was not. So looking out of the window became a form of entertainment. That doesn’t quite explain it though, because in my beautiful country house I was often ill too, yet my looking-out-of-the-window skills remained at beginner’s level there, the level of a tourist who opens the curtains and says, ‘What a beautiful landscape’, while in fact not registering more than a strip of various greens at the bottom of the picture and a strip of various whites and blues above it, which in terms of colour combination and composition fit with the label ‘beautiful landscape’.

Perhaps that’s it, perhaps that tourist feeling has something to do with it. I remember that when I first arrived at the country house I didn’t feel completely at home there. Everything was beautiful, but what was I supposed to do with that beauty? It was as if the beauty of the surroundings was transformed into a post card that then remained just as flat as an actual post card, so that the perception of it kept slipping away from me. I was able to enjoy it, I could rest my eyes on it, but really looking and seeing things was beyond me. I attributed that to the beauty of the place, but perhaps it was something else. Perhaps it was the unfamiliarity of the place, its strangeness. I wasn’t used to woods and beautiful old buildings and rare birds, not in my daily life. My eyes couldn’t get a purchase on them; there were no distinctive features. The trees remained trees, the birds remained birds. The precision with which things happened to those trees and birds escaped me.

Then came my street in Schalkwijk. I hadn’t lived there before, yet it was familiar territory. I lived in Amsterdam Zuid-Oost until I was nine, in the friendly Gaasperdam neighbourhood, between Reigbersbos and Holendrecht, an estate of low-rise housing and medium-tall apartment blocks thrown up in the 1970s and 1980s. Decent people came to live there, like my parents, who, living on my mother’s part-time teaching salary, managed to get a subsidy to buy a nice terraced house. It was a neighbourhood of pavements, cycle paths, hedges and thickets to play in. Years later, when I got a job in Delft and managed to rent a couple of rooms in a co-op in a 1980s suburb called Tanthof, it was my father who remarked that the place where I did my shopping, with its supermarket, bakery, florist, stationery shop and Chinese take-away, was not unlike the little shopping parade in Holendrecht where he always used to shop at the C1000 supermarket, and perhaps that was what made me feel so at home in my neighbourhood.

Now it’s back, in Schalkwijk, that little line of shops that don’t even amount to a shopping parade: the ice cream parlour, the Vomar supermarket, Petra’s Tobacconist’s, Enorm, Piet’s French Fries. And I sit at my window and observe people on their walk to the shops and back. I watch people park at the side of the street to do their shopping. There aren’t too many people, like in a busy city, nor too few, as on a country estate with unfamiliar birds. There are precisely the right number of people for me to be able to watch quietly and work out what’s going on.

A man with a very small dog, a chihuahua, shuffles along the street. I watch him walk, slowly, slowly, pale and zombie-like, slightly yellowish, completely absorbed in his dog. Then from the street a woman starts calling out, delirious with enthusiasm. ‘Hey man, hey man, hey man!’ Not hey Jan or hey Manfred or hey Arie, but hey man. Perhaps she’s forgotten his name. She gets off her bicycle to greet him.

 

Does this mean I’ll always have to live in places like this if I’m to be able to look out of the window properly? I hope not. I hope I too would be able to see things when sat beside a river in Poland, that I, like Szymborska, would have a keen eye for the shadow of the butterfly that fell on my hand and not someone else’s. I hope my looking-out-of-the-window skills are transferable to other surroundings. That if I were to go back to the country house now I’d be able to take a photo of the view every day, without actually taking a photo, and observe the precision with which things occur. I know how to do that now, I hope.

Now, for example, as I’m finishing this essay, I happen to find myself not in Haarlem but in Maastricht for a time, looking out at trees whose names I don’t yet know – I want to finish learning the birds first; then I’ll start on trees – and I observe the way the light falls between the branches and the leaves. That’s if I sit on the floor, which is perfect for staring emptily between two thoughts, the divergent way of looking out of the window. But if I go and sit on a chair or stand up, I have a view of a square full of parked cars. I say a square rather than a car park because it’s not made of asphalt but of small square cobbles, like Dam Square in Amsterdam. The square is lined with trees and there are trees between the parking spaces too. There are benches along the edge. This morning there’s a family of four – four full-grown bodies, two older bodies and two adolescent ones – packed together on one of the benches, condemned to each other because they are a family and are on holiday together.

The trees in the car park are still in full leaf, but by the time I leave here they’ll have turned yellow and red and then begun to drop. If the start of autumn isn’t too stormy, I’ll be back in Schalkwijk in time to watch the tree outside the window lose the last of its leaves. I’ll see the girl who works at the snack bar walk her dogs, huddled deep inside her hood, if she and her dogs are still there. She’ll be the same girl, but I’ll see her as I’ve never seen her before.

I’m sitting beside a river, whether I’m sitting beside a river or not, and things happen, and they’re all important, or all unimportant, and if I can go slowly enough I’ll understand it all. I’ll be able to see it, a practiced looker-out-of-windows, trained in Schalkwijk.

 

 

Translated from Dutch by Liz Waters

Liz Waters (1960) translates literary fiction and quality nonfiction from Dutch into English. She has translated books by, among others, Lieve Joris, Geert Mak, Jaap Scholten, Douwe Draaisma and Annelies Verbeke. Her latest book-length translation is Alarums and Excursions by Luuk van Middelaar.