Staties in Lublin

Maud Vanhauwaert

Maud Vanhauwaert

Maud Vanhauwaert (België, 1984) is een 'relatief sympathieke' schrijver/woordkunstenaar (zo zegt ze zelf). Ze volgde de opleidingen Woordkunst en Taal- en Letterkunde en de master Meertalige Professionele Communicatie in Antwerpen. Ze wankelt naar eigen zeggen op de grens tussen het podium en de poëzie, wat in haar geval betekent dat haar gedichten het niet alleen erg goed doen op papier, maar ook op de planken. Ze werd finalist op het Wereldkampioenschap Poetry Slam (2012) en het Leids Cabaret Festival (2014). In 2011 verscheen haar goed ontvangen debuutbundel Ik ben mogelijk, waarmee ze de Vrouw Debuut Prijs 2011-2013 won. Haar bundel Wij zijn evenwijdig won de publieksprijs van de Herman de Coninckprijs 2015.

Close

Lublin Alle citybooks

Download de ePub-versie Print

Staties in Lublin

Statie een

Ze dacht dat de slaap lichter werd met het klimmen van de jaren. Dat er steeds minder te dragen was. Maar de slaap van Bora blijft zwaar. De conducteur tikt haar zachtjes aan. Misschien denkt hij dat ze dood is. Ze leeft. En ze is er.

‘We zijn in Lublin.’

Afgezien van een paar scharrelende duiven en reclameborden met schaars geklede modellen, is het perron van Lublin verlaten. Op de muren van het station staan vochtvlekken in de vorm van gelobde bladeren. Meer flora is er niet.

*

Wandelen. De ene voet voor de andere voor de ene voor de andere. Het soort van repetitiviteit waarbij je toch niet terugkeert naar het beginpunt. Je gaat weldegelijk vooruit.

Bora weet wat haar te wachten staat. Haar overbuurman in Parijs heeft ook Parkinson. Het viel haar op dat die man plots sneller begon te wandelen, in kleine vinnige pasjes. Toen ze hem eens gadesloeg, zag ze dat hij eigenlijk niet meer wandelde: hij liet zich voorovervallen om zich dan weer op te vangen. Hij liep sneller om minder lang te hoeven vallen.

Zover is Bora nog niet. Haar linkerarm zwaait niet goed meer mee, maar haar wandelen is nog geen vallen.


Statie twee

Bora was nog geen veertien toen ze voor het eerst stilviel. Zoals elk jaar wandelde ze met haar moeder op de dijk in Marseille. Het was vakantie. Ze hadden de verzengende hitte van de hoofdstad ontvlucht en kwamen weer een weekje uitwaaien aan zee.

Ze struinden langs de viskraampjes waaraan wijtingen bengelden, in reeksen met ruw touw aan elkaar geknoopt. Haar moeder had ze het liefst zo droog mogelijk. Ze maakte er een jaarlijkse gewoonte van om eerst, in verschillende kraampjes, aan de vissen te voelen, alvorens ze, in een tweede ronde, er een paar kocht.

Ze deed het onopvallend, bang misschien dat de viskramers haar onfatsoenlijk zouden vinden. Ze was een nette, discrete dame uit Parijs, maar tijdens haar jaarlijkse vakantie gunde ze zichzelf dit heimelijke, bijna intieme, tasten. ‘Permettez-moi cette liberté,’ zei ze dan uitgelaten, aan niemand in het bijzonder, en voor Bora was het een teken dat ze even vrij mocht rondwandelen om haar moeder dan straks weer bij het eerste kraampje te zien.

Behalve vis kon je op de dijk ook souvenirs kopen, sieraden, zonnebrillen, vliegers, snorkelspullen, grote badhanddoeken met filmsterren in felle kleuren, en op een vaste stek stonden al even bontgekleurde Peruvianen die er toch altijd een beetje droevig uitzagen, zo met hun lippen naar panfluiten gekromd.

Bora kende de kraampjes en had geen zin om zich door het gewemel van slefferende toeristen te wurmen. Ze boog haar dunne meisjeslijfje over de reling tussen de dijk en het strand. Ze keek naar de golven, die kwamen aangrommen, afzwakten en dan zachtjes de koppen neervlijden op het strand.

In de terugtocht had haar moeder honderduit gepraat, over hoe prachtig ze Marseille wel niet vond, en kijk, zie je die zwemmer, en kijk, dat schip daar, en tiens, die man, wat loopt hij gek, net alsof hij hoefjes heeft. En was de zon niet net als een appel op de kermis, gedrenkt in rode suikerstroop? Was de avond niet zoet?

Ze praatte zo veel en zo enthousiast dat ze niet het stilzwijgen ontwaarde, waarmee haar dochter zich voor het eerst omhulde en dat haar later jeukend verontrustte.

*

De afstand tussen het hoofdstation van Lublin en de omcirkelde kathedraal is, op het stadsplan, slechts een wijsvinger lang. Bora begint aan haar wandeling. Dworcowa, dat is de eerste straat.

Ze neemt de eerste afslag, de Mlynska-straat in, en wandelt verder naar de Lubelskiego. Ze vouwt wegen open, die daarvoor nog in een plooi lagen. Er zijn weinig mensen op straat.

Op een hoek staat een bedelaar, die op een mondharmonica speelt. Voor hem ligt een slappe, vaalgroene pet. Hij houdt zijn vingers aan zijn mond, alsof hij ze, terwijl hij speelt, warm blaast.


Statie drie

Parijs, na de oorlog: dagelijks werd wel ergens een vernissage georganiseerd. Het leek alsof de stad zich voortdurende opende.

In de oorlog werden gaten in de muren geschoten. Na de oorlog werden ze voorzichtig geboord. De kunst was om met zo weinig mogelijk gaten zo veel mogelijk schilderijen op te hangen. Die kunst beheerste Bora. Loodrecht en waterpas, daar streefde ze naar, telkens weer, bijna dertig jaar lang.

*

Ze stond op een trapladdertje in Le Musée de Poche. Buiten was het koud. De vrieskou van januari brak de akkers open en ook in Parijs trok de winter haar voren, in het gelaat van bewoners die zich haastten naar huis.

In het museum was het altijd even warm. In haar handen hield Bora een werk van een van de kunstenaars van Kasztel: een Poolse kunstenaarsgroep die hier binnenkort zou exposeren. Het werk bestond uit een celluloidplaat met daarop felgele, azuurblauwe en vaalroze vlekken in voor Bora nietszeggende vormen. Bora zag meestal niet veel in al die avant-gardistische werken, die van overal ter wereld witte muren zochten in Parijs. Ze maakte zich er niet druk om. Haar ging het om de achterkant.

Net voor ze het schilderij aan het voorziene haakje wilde hangen, sprak Tymon Dziaduszycki-Sas: ‘ben je mij aan het kruisigen?’.

Zijn stem klonk vol in deze zo goed als lege ruimte van het museum. Bora draaide zich om, op het trapladdertje, en keek hem aan. Er was weinig binnenvallend licht. Er was slechts één raam in deze zaal en er hingen zoveel zware wolken boven Parijs, dat het licht wel de kracht had om door het dek naar beneden te vallen, maar niet om, eenmaal geland, zich zijdelings doorheen spleten, kieren en glaswerk aan de schaduw op te dringen.


Statie vier

‘Wat is er?’ vroeg haar moeder, toen ze na de wandeling in het broeierige Marseille, terug aankwamen bij het huis van haar zus, Bora’s tante, waar ze een weekje verbleven. Bora haalde haar schouders op. ‘Waarom ben je zo stil?’, vroeg haar moeder, terwijl ze de secuur uitgekozen wijtingen op een bordje presenteerde. ‘Gewoon,’ antwoordde Bora.

Toen Bora de volgende dag nog altijd zwijgzaam was, vroeg haar moeder er weer naar en Bora pareerde met hetzelfde antwoord. ‘Gewoon.’

De dag daarna zat Bora aan tafel in een tijdschrift te bladeren. Haar moeder kwam plots uit de keuken en vroeg: ‘Wat bedoel je eigenlijk met gewoon?’.

‘Ja, gewoon’ zei Bora.

‘Ik noem dat niet zo gewoon.’

Bora zweeg.

‘Vind jij dat gewoon?’ riep haar moeder naar haar zus, die op het balkon een lading gewassen ondergoed aan de draad hing.

‘Wat?’, riep die naar binnen, rood aangelopen – wellicht had ze zich net over de wasteil gebukt.

‘Wel, dat een kind van nog geen veertien zo stil is!’

‘Wat moet ze dan zeggen?’ zei de tante, met alweer een volgende onderbroek.

‘Ze zou van alles kunnen zeggen!’

‘Zoals?’ vroeg Bora nu, oprecht nieuwsgierig.

*

Hoe ouder ze werd, hoe beter Bora de symptomen van haar stilzwijgen begon te herkennen. Ze kon de komst ervan niet afweren, maar wel vertragen, zodat ze er niet meer door verrast werd, maar het langzaam voelde opkomen, van ergens diep onder de grond, klimmend langs haar kuiten, zich optrekkend aan haar heupen en zo, zich hechtend als klimop, tot aan haar hals, waarrond het zich gevaarlijk spande, maar vooral koelte bracht.

Sommigen noemden het eenzaamheid die haar bekroop. Anderen melancholie en Tymon noemde het eens, in bijzijn van zijn vrienden, na heel wat glazen wijn: een slinkse poging van de dood.

Zelf had Bora er geen naam voor. Voor haar was het gewoon. Feit is dat ze op den duur de stilte niet alleen gewillig toeliet, maar er soms zelfs ongeduldig op wachtte.


Statie vijf

Tymon praatte graag en veel. Hij vertelde over Stanislav, met wie hij als kind de broekzakken vol met platte steentjes propte die ze dan later over het meer keilden waar ze in het weekend naartoe fietsten, net buiten de stad, met aan de oever een oud, vervallen klooster met een zurige stank. Van de vleermuizen. Hij vertelde over die keer dat hij alleen naar het verlaten klooster was gefietst en dat de vleermuizen in de nokken murmelden, ja, misschien waren het gevleugelde zielen. Of hij vertelde over toen hij aan het schilderen was en er plots, uit het doek, een hand stak, de hand van een oude vrouw godbetert en toen hij de hand wilde schudden, was er weer alleen het landschapstafereeltje, in waterverf.

Zijn vrienden geloofden zijn verhalen niet, maar dat deed er niet toe, en als iemand er toch iets van zei, verdedigde Tymon zich met ‘tjah, wat moet je nog geloven, de dag van vandaag’ en die uitspraak werd met ernstig hoofdgeknik onthaald en iedereen was opgelucht dat een avond die dreigde te verdampen door de alcohol, op de valreep toch een soort van filosofisch gewicht meekreeg.

Alleen bij zijn vriend Stanislav praatte Tymon niet veel. Toen ze beiden nog in Polen woonden, speelden ze verschillende schaakpartijen per week. Toen Tymon naar Parijs verhuisde, speelden ze via de telefoon. Ze hadden elk een schaakbord, waarop ze dan niet alleen hun eigen zetten deden, maar ook die van de ander. Ze geraakten uiteindelijk zo goed getraind, dat ze op den duur geen bord meer nodig hadden, en de zetten gewoon mondeling deden.

Dan zei Tymon bijvoorbeeld ‘e4’ en antwoordde Stanislav met ‘e5’. Tymon repliceerde met bijvoorbeeld ‘paard g3’ en Stanislav vervolgens met ‘paard d6’.

Toen ook Stanislav naar Parijs verhuisde, bleven ze zo schaken en was het bijna hun enige vorm van communicatie. Dan zaten ze tegenover elkaar op café, met hun blikken star naar het tafelblad en zei de ene ‘koningin h7’ en was het antwoord ‘toren c8’. Alleen bij ‘schaak’ keken ze elkaar aan, altijd een beetje beschaamd. Bora heeft nooit geweten wat ze samen hadden meegemaakt tijdens de oorlog, welke zetten ze deden, maar ze begreep dat ze er beter niet naar groef.

*

De koude in Lublin is scherp. Scherper dan die in Parijs. Er passeren twee gedrongen mannen, het zouden broers kunnen zijn, met zwarte mutsjes op, boven hun afgetekende jukbeenderen. Scherp.

Op het kruispunt van de Lubelskiego en de Aleje Zygmuntowskie staat Bora te wachten voor een rood licht. Naast haar staat een lantaarnpaal, met daarop een sticker van de paus.

Aan de overkant van het zebrapad staat niemand. Ze twijfelt.

Bora had altijd gehoopt dat als je ouder werd en de ledematen verstramden, ook het gemoed minder snel van richting veranderde. Dat je dan minder snel vooruit ging, maar ook minder snel overstag. Als Bora iets van de ouderdom wist, dan was het wel dat het gemoed beweeglijk bleef.

Het blijft lang rood.


Statie zes

De rug van het houten bankje is helemaal verweerd en bestaat uit nog slechts twee schuin gezakte, vermolmde planken. Naast haar zit een man die onverstoorbaar neuriet, met een kartonnen doosje in zijn handen, waarin iets krabbelt. Ze had de Ulica Zamojska moeten inslaan. Bora plooit het stadsplan over haar schoot en zoekt een nieuwe route.

De wind kruipt haar kleren in. Ze trekt haar schouders op. Er staat een oude vrouw in een bushokje, met een paasei dansend op een stokje. Dit is een stad die zich klaarmaakt. Het waait hard. Dit is een stad waar oude huizen klappertanden.

*

‘Hoe heet ik ook alweer?’ vroeg hij haar vaak. Hij hield ervan om Bora te zien struikelen over zijn naam. Tymon Dziaduszycki-Sas, waarbij ‘Sas’ naar de adellijke familie verwijst. In het wapenschild van veel adellijke families staan helmen, zwaarden en harnassen. Op het wapenschild van familie Sas niet. Daarop staat een lachend gezicht, met sterren als ogen en een halve maan als mond.

Hoe kon het ook anders. Tymon had een lach als een vlag. Fier, hoog, fladderend. Zo’n lach waarvan je hoopt dat hij hoog blijft. Als hij ook maar dreigt halfstok te hangen, zou je een mop bedenken, hoe dwaas ook, om hem weer op te tillen. Zo’n lach dus, licht en opgelucht. En je zou zelf lachen, alleen al in de hoop dat zoals een geeuw een geeuw, een lach een lach losmaakt.

Ook toen Bora zijn naam eigenlijk al foutloos kon uitspreken, struikelde ze met opzet, om nog eens die fonkeling in zijn ogen te zien, zijn volle lach als halve maan.

Statie zeven

Als hij net een kunstwerk af had, riep hij haar in zijn atelier en vroeg wat ze erin zag.

‘Ik zie er een flipperkast in.’

Tymon keek haar nieuwsgierig aan. Hij knikte, pulkte aan zijn onderkin.

‘En wat nog?’ vroeg hij ‘wat zie je er nog in?’

Bora aarzelde. Ze zette een stap achteruit en kneep haar ogen halfdicht.

‘Ik zie er ook een ruwe akker in met een verroeste ploeg’

‘En wat nog?’ vroeg hij haar gretig.

Tymon wilde altijd werken maken met veel betekenismogelijkheden. Bora begreep dat verlangen niet. Misschien hield ze daarom van wandelen. Je wandelt altijd op één lijn.

De straten van Lublin zijn leeg. Alle winkels zijn gesloten. In een kledingwinkel zijn de prijzen gedaald. Bij een vuilnisbak ligt vuilnis dat er niet meer bij kan. Uit een kerk hoort Bora gezangen. Ze klinken vals. Misschien werd het geluid vervormd door de afstand die het aflegde. Van bij het altaar, door het lange gangpad tot het tochtig entree. Misschien werd het in bogen, nissen en koepels gezogen en kreeg het daar een gevaarlijke golfslag mee. Bora loopt door.

Als ze stilstaat begint ze te trillen. Dan beeft ze in haar ziekte. Maar als ze wandelt, nemen de trillingen af, of misschien wordt de golflengte zo groot dat ze uitvlakken. Het dichte wolkendek hangt laag. Stratuswolken houden de stad in bedwang.

Statie acht

Het is bijna Pasen. Dat voel je. Bora was nooit eerder in Lublin, maar ze voelt dat de stad zich opmaakt. Het is de oppervlaktespanning. De oppervlaktelaag van deze stad is strak gespannen en daaronder is iets gaande, kolkt het.

Ze loopt in een wijk als een barcode van het communisme. Alle blokken staan op welgekozen afstanden van elkaar en hoewel ze geschilderd zijn in flets oranje en muntgroene stroken is haar gevoel, nu ze er doorloopt, zwart, hoogstens grijs. Tussen de blokken ligt her en der een asfalten pleintje. De dribbel van een basketbal, dat is het enige wat ze hoort. Er passeert een vrouw, in legging en een vaalpaars T-shirt met daarop ‘parasol paradise’.

*

‘Hoe groot is je vlucht?’ vroeg Tymon haar eens. ‘Wat bedoel je?’

Ze zaten op de sofa, in hun huis in Parijs. Het was een oude sofa, zo een die meegeeft. Tymon had iemand nodig die weerstand bood. Maar van een sofa verlangde hij vooral dat die meegaf, toegaf. ‘Ga eens rechtstaan’. Bora stond recht.

Tymon ging achter haar staan, tilde haar armen op. Zo stonden ze daar, achter elkaar, met gestrekte armen, klaar om te omhelzen, iets?, wat?, de ruimte?, in hun woonkamer waar altijd een paar uitgetrapte schoenen rondslingerden, en ook foldertjes van vernissages, sigarettenpeukjes, flesjes bier en waar het stof overal lag en zich had ingewerkt in het huis, zoals navelpluis in een lichaam.

‘Wist je,’ zei Tymon, ‘dat de vlucht van een meeuw niet alleen verwijst naar het vliegen, maar ook naar de afstand tussen de uiterste punten van zijn vleugels? Ook als de meeuw stilzit, heeft hij dus een vlucht. Ook een vliegtuig heeft een vlucht. En een hert. De vlucht van een hert is de breedte van zijn gewei. Een molen heeft ook een vlucht. En een vlag? Een vlag heeft ook een vlucht.’

‘Jouw vlucht,’ zei hij, hij stond nog steeds achter Bora, ‘is kleiner en zal altijd kleiner zijn dan die van mij.’

Statie negen

Ze stelt zich voor dat de lege straten de hare zijn. Dat ze haar verlengde vormen. Dat het haar uitgestrekte armen zijn die zich vertakken, van het station, tot aan de trieste woonblokken. Dat ze veelarmig de stad draagt.

Ze hield ervan om naar zijn naakte rug te kijken. Soms rolde ze bijna tegen de rand van het bed om er zoveel mogelijk van te zien.

‘Kom je niet een beetje dichter liggen?’ vroeg hij. Hij zwaaide een arm naar achteren en graaide slordig in het halfduister. ‘Zie je nog niet genoeg achterkanten in het museum?’

Bora draaide zich om, met haar rug naar hem toe. Toen haar gedachten al begonnen uiteen te rafelen en zich in vreemde strengen samenklitten, als kronkelde straten, fluisterde hij: ‘In de kathedraal van Lublin is er een kapel met een heel speciale akoestiek. Als je elk in een hoek gaat staan, met je ruggen dus naar elkaar toe, en je fluistert in de richting van de muur, dan kan je elkaar perfect horen.’

Bora kreunde, een scharniertje in haar slaap.

Statie tien

Tymon vertelde vaak over zijn familie, vooral over zijn moeder die samenwoonde met haar moeder, in een klein appartement.

Zijn moeder ergerde zich aan de tandeloze grootmoeder, die voortdurend een geluid produceerde, donker en diep, dat door de frequentie waarmee het werd voortgebracht, onmiskenbaar de hik moest zijn.

In het kleine smoezelige keukentje maakten ze, met zijn allen, versierde paaseitjes. Daartoe werden de buitenste schillen van ajuinen gekookt, om de roodbruine kleurstof los te weken. In het gekleurde water werden hard gekookte eieren een paar uur ondergedompeld tot ze vanzelf de kleur aantrokken. Met een klein scheermesje werden dan, in de rode schaal, tekeningen gekrast.

*

Voor zich ziet Bora een grote poort die in de stellingen staat. Ervoor staat een man, wijdbeens, met een brede riem waaraan touwtjes zijn geknoopt van ballonnen die boven hem uit zwiepen. Er is het iets te veel gezwollen hoofd van Mickey Mouse.

Bora blaast haar kaken op en knikt de man toe.

Zou hij het geloven? Zou hij haar geloven, als zij, in plaats van door de poort te wandelen, bij hem was komen staan, een van de ballonnen naar zich toe getrokken had en hem had toevertrouwd dat zij, 73-jaar oude vrouw, zich soms, voor een fractie van een seconde, gevuld maar licht voelde en dreigde op te vliegen, hoog boven alles uit, om dan te blijven haken, ergens, het liefst aan een boom, buiten de stad, die waarover Tymon eens had verteld, vlakbij het verlaten klooster met de vleermuizen, met boomwortels zo hoog dat je er kon aan schommelen?

Statie elf

‘Eigenlijk houd je niet van mij,’ zei Bora, ‘je verhoudt je tot mij.’ Ze zei het tussen twee dampende lepels soep door. De soep in Le Musée de Poche was elke dag vers. Misschien had Bora stiekem gehoopt dat Tymon haar zou tegenspreken. Maar hij antwoordde, zijn hoofd een beetje schuin, zoals altijd wanneer zijn gedachte nog niet helemaal rond was: ‘ja, dat is misschien wel goed gezien’.

Tymon had iemand nodig die weerstand bood, zodat hij niet los door het leven heen schoot. Je kan pas schilderen als er iets is dat de borstel stopt, een wand, een linnen, een vlak, een achterkant.

*

Aan de andere kant van de Krakowksa-poort staat een dicht op elkaar gepakte groep mensen. Bora loopt ernaar toe. De stoet zet zich in beweging en stopt een paar meter verder weer. Vooraan staat een man die de groep toespreekt. Hij staat hoger dan de rest. Bora vraagt zich niet af waarom deze mensen zich verzameld hebben, of wat de man vooraan vertelt, lijzig en ijl, in een megafoon die alleen hoge tonen versterkt.

Ze vraagt zich alleen af hoe het komt dat deze man hoger staat dan de rest van het volk. Staat hij op een trapladdertje? Of op een bierkrat? Opnieuw zet de stoet zich nu in beweging. Bora probeert zich door de groep heen naar voor te dringen. Misschien, zo denkt ze, is het gewoon een heel lange man en komt hij daarom boven iedereen uit. De groep komt weer tot stilstand.

Dan ziet ze het. De man staat op de rug van een andere man die voorovergebogen op de grond zit. Als de man met de megafoon gesproken heeft, stapt hij van de gebukte af. De stoet gaat verder. Plots werpt iemand anders zich, een vrouw nu, voor de voeten van de spreker. De spreker klimt op de rug en orakelt verder. De paasprocessie is nu bij statie twaalf.

Statie twaalf

‘Stel,’ vroeg Tymon, ‘we krijgen ooit een kind. Op wie zou het dan het meest lijken, denk je?’ Of: ‘stel, we hebben een kind, naar waar zouden we dan nu op vakantie gaan?’

Hij koos al die jaren voor een voorwaardelijke wijs. Op een keer zei hij ‘stel’, er volgde een lange pauze en toen zei hij, met gezakte stem, ‘laat maar’.

‘Stel, we krijgen een kind?’ vroeg Bora.

Zijn ogen glinsterden, ‘ja’ zei hij, en trok zich aan haar woorden op.

Bora had gedacht dat er nog iets zou volgen, maar daar bleef het bij. Hij vulde de zin niet aan. Ze trok hem naar zich toe en legde zijn hoofd op haar schoot.

*

Bora vraagt zich af hoe het zou zijn als mensen met een heel groot verdriet dat verdriet, nog voor het zou slinken, zo intact mogelijk konden bewaren. Dat ze het – letterlijk dan – een plaats konden geven, er een stad van konden maken.

En dat een volgende generatie dat verdriet zou kunnen komen bezoeken, met rugzakjes, stadsplannen en foldertjes.

Statie dertien

Het is gek. Nochtans had ze nooit een kind gewild. Hun zuigkracht. Ze trekken alles naar zich toe, kinderen. Maar nu ze al lang onvruchtbaar is, nu ze steeds minder stapt en eerder struikelt, nu ze dor is en rimpelt als bij eb het strand, nu haar armen te slap zijn om een kind te dragen, denkt ze aan hem, hoewel ze ertegen vecht, steeds minder als haar man en steeds meer als haar zoon, mijn zoon, ik wil je wiegen in mijn schoot, je beschermen, hoewel je dood bent en dus niet meer vatbaar voor gevaar.

Alles staat open. Er is allang geen speling meer, geen kier waardoor, als je onoplettend bent, het leven kan ontsnappen. Er is allang geen weerstand meer, niets waartegen jij nog kan botsen, terwijl ik voortdurend bots in Lublin, deze stad met straten als sleepsporen van het verleden, tegen paaltjes, mensen, het idee dat je met de jaren wel sterker zou worden en dan zeker je armen, dat ik er ooit in zou kunnen hangen, als een kind in een looprek.

*

Ik had gedacht dat je in mijn herinnering zou verderleven, niet echt, maar zoals een foto misschien. Ook die trekken bij het ouder worden krom.

Ik had gedacht dat je in mijn herinnering zou groeien, opzwellen, knoestiger zou worden, als een boom die met zijn bladerdek alles overschaduwt, maar ook beschermt. Zodat niets nog uit de lucht kon vallen, onverwacht en zwaar. Zodat alles alleen nog kon binnensijpelen, vochtig, maar traag.

Drieëndertig jaar, nog even en je bent langer dood dan je ooit hebt geleefd. Wat zal ik doen? Zal ik mijn appartementje in Parijs versieren, slingers uit de doos halen, de doos waarin ook de kerstspullen zitten en het geschilderde ei waarin je een kuiken voor mij kraste? Ik loop gebogen in een stad. Ik heb steeds meer zicht op mijn buik. Mijn ruggengraat bolt en mijn buik holt uit.

Statie veertien

Er staat een vrouw in de hoek. Haar achterkant is gebogen. Het stulpt in de lege ruimte van de kapel. Een lege, holle ruimte. Op de wanden staan trompes l’oeil geschilderd. Er is een grote poort in roze pastelkleuren, met daarboven twee engelen, die hun gewaden rijkelijk boven de boog van de poort draperen.

Er zijn veel soorten stilte. Er is een stilte die leeg is. Een volle. Een schuifelende stilte. Een stilte die zich laat delen, maar nooit halveren, zoals verdriet of als een worm. Er zijn de gewelven, die geleiden. Er is een vrouw, een oude vrouw met nylonkousen. Er zijn foldertjes van de kapel.

 

 

Noot van de auteur
Dankzij deBuren verbleef ik twee weken in Lublin. Daar bezocht ik een tentoonstelling over de Poolse kunstenaar Tytus Dzieduszycki-Sas. Zijn werk maakte een bijzonder sterke indruk op mij. Op het internet zocht ik informatie over Tytus, maar kon niets vinden. Het enige wat ik te weten kwam is dat hij in Parijs verbleef, op vroege leeftijd stierf en dat zijn vrouw Barbara heet. De afwezigheid van informatie prikkelde mijn fantasie. Ik verzon mijn eigen verhaal. Bora is dan ook niet Barbara. Bora is misschien nog wel het meest een metafoor van mezelf in Lublin: traag, trillend, maar doelgericht.

Download de ePub-versie Print

Kalwaria Lubelska

Stacja I

Bora myślała, że z biegiem lat sen stanie się lżejszy. Coraz mniej dźwigała na barkach. Jednak nadal spała ciężko. Konduktor lekko ją szturchnął. Może myślał, że umarła. Żyje. Dojechała. – „Jesteśmy w Lublinie.”

Peron jest pusty, nie licząc paru gołębi zajętych grzebaniem i tablic reklamowych ze skąpo odzianymi modelami. Na ścianach dworca widać plamy wilgoci w kształcie powycinanych liści. Poza tym żadnej roślinności.

*

Chodzenie. Noga za nogą, noga za nogą. Rodzaj powtarzalności, która nie zawraca cię do punktu początkowego. Naprawdę posuwasz się do przodu.

Bora wie co ją czeka. Paryski sąsiad z naprzeciwka miał Parkinsona. Zauważyła, że nagle zaczął chodzić szybciej, małymi nerwowymi kroczkami. Kiedy mu się przyjrzała bliżej, dostrzegła, że on właściwie nie chodzi, ale jakby przewraca się do przodu, żeby następnie znowu złapać równowagę. Chodził szybciej, aby krócej upadać.

Bora jeszcze nie jest na tym etapie. Lewą ręką nie macha już tak sprawnie w takt kroku, ale jej chód to jeszcze nie upadanie.


Stacja II

Bora miała czternaście lat, kiedy zamilkła po raz pierwszy. Jak co roku spacerowała z matką po wałach Marsylii. Były na wakacjach. Uciekły od spiekoty stolicy i przyjechały na tydzień przewietrzyć się nad morzem. Przeglądały kramy z rybami, na których huśtały się w rzędach witlinki powiązane grubym sznurkiem. Mama lubiła, żeby były suche. Zgodnie z coroczną tradycją przechodziła najpierw wzdłuż stoisk i dotykała wszystkich ryb, aby za drugim razem wybrać parę z nich.

Robiła to dyskretnie, może z obawy, że właściciele kramów poczytają jej zachowanie za nieprzyzwoite. Była dobrze wychowaną, ułożoną damą z Paryża, tylko podczas dorocznych wakacji pozwalała sobie na takie potajemne, intymne dotykanie. „Permettez-moi cette liberté” rzucała z ożywieniem, nie kierując słów do nikogo specjalnie. Dla Barbary był to znak, że może sobie sama pospacerować, a matkę spotka wkrótce przy pierwszym stoisku. Na wałach, oprócz ryb, można było także kupić pamiątki, świecidełka, okulary słoneczne, latawce, maski do nurkowania, ręczniki plażowe z podobiznami gwiazd filmowych w jaskrawych kolorach. W tym samym miejscu, jak co roku, stali już równie barwnie odziani Peruwiańczycy, wyglądali zawsze trochę smutno z ustami przyklejonymi do fletni pana.

Bora znała wszystkie kramiki i nie miała ochoty przepychać się przez tłum wleczących się turystów. Jej szczupłe, dziewczęce ciało zwinnie przecisnęło się przez balustradę między wałami a plażą. Patrzyła na fale nadpływające z groźnym szumem, załamywały się i cicho opadały na plażę.

W drodze powrotnej matka bez przerwy paplała, a jaka ładna ta Marsylia, a widzisz tego pływaka, a popatrz na ten statek, a na tamten, a na tego mężczyznę, ale dziwacznie chodzi, jakby miał podkowy. A czy słońce nie przypomina jabłka z jarmarku nasączonego cukrowym syropem? A czyż wieczor nie jest słodki?

Mówiła tak dużo i z takim entuzjazmem, że nie spostrzegła milczenia, którym jej córka otuliła się po raz pierwszy, a które potem przyprawi ją o świerzbiący niepokój.

Odległość między dworcem głównym w Lublinie i zakreśloną na mapie miasta katedrą jest długa na palec. Bora rozpoczyna wędrówkę, najpierw ulica Dworcowa.

Skręca w Młyńską i idzie dalej Rondem Lubelskiego Lipca 80. Rozwijają się przed nią ulice ze złożonej mapy. Nie widać wielu przechodniów.

Na rogu stoi żebrak wygrywający melodie na harmonijce ustnej. Przed nim leży miękka, wyblakła, zielona czapka. Palce trzyma przy ustach, jakby grając dmuchał, próbując je ogrzać.


Stacja III

Powojenny Paryż. Codziennie odbywa się gdzieś jakiś wernisaż. Zdaje się, że miasto otwiera się wciąż na nowo.

W czasie wojny dziury w murach powstawały od strzałów. Po wojnie trzeba je ostrożnie borować. Sztuką jest powiesić jak najwięcej obrazów, borując jak najmniej dziur. Bora posiadła tę sztukę. Poziomica i pion, przez prawie trzydzieści lat dążyła do doskonałości.

Stała na drabinie w Le Musée de Poche. Na zewnątrz było zimno. Styczniowy mróz ściął zaorane pola. W Paryżu zima żłobiła bruzdy na obliczach mieszkańców śpieszących do domu.

W muzeum zawsze było ciepło. Bora trzymała w rękach pracę artysty z grupy polskich plastyków Kasztel, , których wystawa miała być tu wkrótce otwarta. Praca składała się z płyty celuloidowej z plamami ostrej żółci, lazurowego błękitu i wybłakłego różu o kształtach nic Borze nie mówiących. Na ogół nie ceniła specjalnie tych awangardowych dzieł sztuki zjeżdżających z całego świata w poszukiwaniu białych ścian Paryża. Nie przejmowała się tym. Zajmowała się odwrociami obrazów.

Właśnie chciała powiesić obrazek na odpowiednim haczyku, kiedy odezwał się Tymon Dziaduszycki-Sas:

– „Krzyżujesz mnie?”

Jego głos odbijał się echem w pustej sali muzeum. Bora odwróciła się na drabince i popatrzyła na niego. Do wnętrza wpadało niewiele światła. W pomieszczeniu było tylko jedno okno, a nad Paryżem wisiało tyle ciężkich chmur, że światło miało siłę wpadać do środka, ale nie rozpełzało po kątach, żeby wydobyć z cienia szkło, wszystkie szpary i szczeliny.


Stacja IV

– “Co się stało?” – spytała matka, kiedy po spacerze po dusznej Marsylii wróciły do domu ciotki, gdzie zatrzymały się na tydzień. Wzruszyła ramionami.

– „Dlaczego milczysz?” – nagabywała układając wybrane starannie witlinki na talerzu.

– „Tak po prostu” – odpowiedziała.

Kiedy następnego dnia dalej milczała, matka powtórzyła pytanie, a Bora znowu odparła tak samo:

– „Po prostu.”

Dzień później siedziała przy stole przeglądając czasopismo. Matka wyszła nagle z kuchni pytając:

– „Co właściwie masz na myśli mówiąc: po prostu?”

– „No, po prostu.”

– „Mnie to się nie wydaje takie proste.”

Bora milczała.

– „Czy ty uważasz, że to proste?” – krzyknęła matka do siostry wieszającej właśnie świeżo upraną bieliznę na balkonie.

– „Co?” – zawołała do środka zaczerwieniona siostra, dopiero co pochyliła się nad miednicą.

– „No, żeby czternastoletnie dziecko tak milczało!”

– „Co mam ci odpowiedzieć?” – odparła ciotka wieszając następne majtki.

– „Mogłaby przecież mnóstwo rzeczy powiedzieć!”

– „Co na przykład?” – zapytała teraz Bora ze szczerym zainteresowaniem w głosie.

*

Z wiekiem nauczyła się rozpoznawać symptomy nadchodzącej ciszy. Nie mogła jej powstrzymać, ale potrafiła opóźnić, więc nie była zaskoczona. Czuła jak powoli nadchodzi, gdzieś głęboko spod ziemi, wspina się po łydkach, podciąga do bioder przyczepiając jak bluszcz, aż do szyi, wokół której okręcała się niebezpiecznie, ale przede wszystkim przynosiła chłód.

Niektórzy mówili, że ogarnia ją samotność, inni, że melancholia, a Tymon nazwał ją raz, w obecności przyjaciół, po wypiciu morza wina: podstępną próbą śmierci.

Bora jej nie nazywała. Dla niej cisza była oczywistością. Z czasem nie tylko na nią przyzwalała, ale niekiedy nawet niecierpliwie czekała.


Stacja V

Tymon mówił chętnie i dużo. Opowiadał o Stanisławie. Jako dzieci napychali sobie kieszenie płaskimi kamieniami, a potem puszczali kaczki na jeziorze. Leżało tuż za miastem, jeździli tam co niedzielę na rowerach. Nad brzegiem stał stary, zrujnowany klasztor, z którego wydzielał się kwaskowaty zapach. Nietoperze. Opowiadał, jak któregoś razu wybrał się tam rowerem sam. Nietoperze piszczały spod dachów, może to były uskrzydlone dusze? Albo malował, a tu nagle z płótna wystaje ręka, Boże święty, ręka starej kobiety, kiedy chciał ją uścisnąć, zobaczył już tylko pejzażyk malowany akwarelą.

Przyjaciele nie wierzyli w te opowieści, ale to nie miało znaczenia, jeśli ktoś robił uwagę na ten temat, Tymon bronił się mówiąc:

– „A w co można jeszcze wierzyć w obecnych czasach.”

I wszyscy kiwali z powagą głowami słysząc takie oświadczenie, zadowoleni, że wieczór, który mógł się pogrążyć w oparach alkoholu, nabrał jednak w ostatniej chwili trochę filozoficznego znaczenia.

Tylko ze Stanisławem Tymon rozmawiał niewiele. Kiedy mieszkali jeszcze w Polsce często rozgrywali partyjkę szachów. Po przeprowadzce Tymona do Paryża grali przez telefon. Każdy z nich miał szachownicę, na której przesuwali nie tylko swoje pionki, ale i partnera. W końcu nabrali takiej wprawy, że nie potrzebowali szachownic, grali wyłącznie w wyobraźni.

Tymon mówił, na przykład, „e4”, a Stanisław odpowiadał „e5”. Tymon replikował „koń g3”, a Stanisław podawał następny ruch „koń d6”.

Kiedy i Stanisław przyjechał do Paryża, podtrzymali ten zwyczaj, to była ich jedyna forma komunikacji. Siedzieli naprzeciwko siebie w kawiarni, wpatrując się w blat stołu i jeden odzywał się „królowa h7”, na co drugi odpowiadał „wieża c8”. Tylko na słowo „szach” patrzyli na siebie, zawsze z pewnym zażenowaniem. Bora nigdy się nie dowiedziała co przeżyli razem w czasie wojny, co robili, ale zrozumiała, że lepiej nie drążyć tego tematu.

*

Chłód w Lublinie jest ostry, ostrzejszy niż w Paryżu. Dwóch krępych mężczyzn przechodzi obok niej, może to bracia? Spod czarnych czapek widać twarze o wystających kościach policzkowych. Ostre.

Na skrzyżowaniu ronda z Alejami Zygmuntowskimi Bora stoi na czerwonych światłach. Obok niej latarnia, do której przylepiono naklejkę z podobizną papieża.

Po drugiej stronie przejścia dla pieszych nie ma nikogo. Zaczyna wątpić.

Bora zawsze miała nadzieję, że kiedy z wiekiem kończyny staną się sztywniejsze, to i nastrój wolniej będzie zmieniał kierunek. Wolniej posuwasz się do przodu, ale i nie tak szybko zmieniasz zdanie. Jeśli Bora dowiedziała się czegoś o starości, to właśnie że nastrój wciąż jest ruchliwy.

Światła nadal są czerwone.


Stacja VI

Oparcie drewnianej ławki jest już stare i składa się zaledwie z dwóch powyginanych, spróchniałych desek. Obok niej siedzi mężczyzna nucący wytrwale, w rękach trzyma kartonowe pudełko, coś w nim chrobocze. Powinna skręcić w ulicę Zamojską. Bora rozkłada plan miasta i szuka nowej trasy.

Wiatr przeszywa jej ubranie. Kurczy ramiona. Na przystanku autobusowym stoi staruszka z pisanką tańczącą na patyku. To jest miasto w czasie przygotowań. Wiatr mocno wieje. To jest miasto, w którym stare domy szczękają zębami.

– „Jak się nazywam?” – pytał ją często. Lubił, kiedy łamała sobie język wymawiając jego nazwisko. Tymon Dziaduszycki-Sas, „Sas” miało wskazywać na arystokratyczne pochodzenie. W herbach wielu rodów błękitnej krwi widnieją hełmy, miecze i zbroje, ale nie w herbie rodziny Sas. Ich herb przypomina uśmiechniętą twarz, z gwiazdami zamiast oczu i półksiężycem zamiast ust.

Jakże mogłoby być inaczej? Śmiech Tymona był jak flaga. Dumny, wysoki, furkoczący. Taki śmiech, który chciałoby się zatrzymać na wysokich tonach. Z chwilą gdy groziło mu opadnięcie „do połowy masztu”, miało się ochotę wymyślić żart, nawet najgłupszy, byle tylko ten śmiech wzniósł się z powrotem. Jakże lekki i beztroski był ten śmiech. Człowiek miał ochotę się śmiać chociażby po to, żeby się nim zarazić, podobnie jak można zarazić się ziewaniem.

Kiedy Bora potrafiła już bezbłędnie wymawiać jego nazwisko, myliła się specjalnie, chciała zobaczyć gwiazdki w jego oczach i uśmiech jak półksiężyc.


Stacja VII

Kończąc pracę nad obrazem wołał ją do pracowni i pytał co widzi.

– „Automat do gry.”

Tymon przyglądał się jej z ciekawością. Kiwał głową i drapał się po brodzie.

– „I co jeszcze, co jeszcze widzisz?” – dopytywał.

Bora zastanawiała się, cofała o krok i przymrużała oczy.

– „Świeżo zaorane pole i zardzewiały pług.”

– „Coś jeszcze?” – podpytywał nienasycony.

Tymon zawsze chciał tworzyć prace zawierające wiele znaczeń. Bora nie rozumiała tych pragnień. Może dlatego lubiła spacerować. Spaceruje się zawsze po jednej linii.

Ulice Lublina są puste. Wszystkie sklepy pozamykane. W odzieżowym przecena. Z kosza na śmieci wysypują się odpadki. Z kościoła dochodzi śpiew. Brzmi fałszywie. Może odległość deformuje dźwięki? Muszą płynąć od ołtarza, przez całą nawę, aż do wejścia pełnego przeciągów. Niewykluczone, że łuki, nisze i kopuły wciągają dźwięki, które odbijając się tworzą niebezpieczne fale. Bora idzie dalej.

Kiedy się zatrzymuje, zaczyna drżeć. To choroba. Podczas chodzenia trzęsienie zmniejsza się, a może długość fali staje się tak duża, że drżenie ustaje. Na niebie gruba warstwa nisko wiszących chmur. Stratusy trzymają miasto pod kontrolą.

 

Stacja VIII

Wielkanoc. Można ją wyczuć. Bora nigdy wcześniej nie była w Lublinie, ale czuje, że miasto się do niej przygotowuje. Czuć napięcie powierzchniowe. Czuć, że powłoka miasta jest napięta, a pod nią coś się dzieje, coś wrze.

Idzie przez dzielnicę wyglądającą jak kod kreskowy komunizmu. Wszystkie bloki stoją w odpowiednio dobranych odstępach i chociaż są pomalowane w blade, pomarańczowe oraz miętowozielone pasy, to kiedy przechodzi obok nich, ma czarny nastrój, w najlepszym razie szaro ponury. Tu i tam między blokami widać asfaltowy placyk. Dryblowanie piłki do koszykówki jest jedynym słyszalnym dźwiękiem. Mija ją kobieta w legginsach i spłowiałej fioletowej podkoszulce z nadrukiem „parasol paradise”.

*

– „Jak dużą masz rozpiętość ramion?” – zapytał raz Tymon. – „Co masz na myśli?”

Siedzieli na starej, zapadającej się kanapie w ich paryskim domu. Tymon potrzebował kogoś, kto mu się opiera, ale od kanapy oczekiwał, że się będzie poddawała, ustępowała. – „Wstań” – Bora wstała i wyprostowała się.

Tymon stanął za nią, podniósł jej ręce. I tak stali, jedno za drugim, z wyprostowanymi ramionami, gotowymi, żeby objąć, coś? Co? Przestrzeń? W salonie, gdzie zawsze poniewierało się kilka starych butów, ulotki z wernisaży, niedopałki papierosów, butelki od piwa, kurz przykrywał wszystko, zalegał w domu podobnie jak zbierał się w pępku.

– „Wiesz, że rozpiętość u mewy, to odległość między końcami skrzydeł? Nawet jak mewa siedzi, ma też rozpiętość . Samolot ma rozpiętość. Rozpiętość u jelenia to odległość między końcówkami tyk. I wiatrak ma rozpiętość (1). A flaga? Flaga też ma swoją rozpiętość.”

– „Twoja rozpiętość (2) jest mniejsza niż moja i zawsze tak już będzie” – odezwał się Tymon stojąc dotąd za Borą.


Stacja IX

Wyobraża sobie, że puste ulice należą do niej. Tworzą jej przedłużenie. Wyprostowane ramiona rozgałęziają się, od dworca, aż do smutnych bloków. Jest wieloramienna, niesie miasto na swoich ramionach. Lubiła patrzeć na jego nagie plecy. Czasami turlała się prawie na skraj łóżka, żeby widzieć jak najwięcej.

– „Nie możesz położyć się trochę bliżej?” – pytał. Machał ręką do tyłu usiłując niezdarnie złapać coś w półmroku. – „Nie oglądasz już dosyć „tyłów” w muzeum?”

Bora odwróciła się do niego plecami. Jej myśli zaczęły się rozsupływać i wiązać w dziwne sploty, jak wijące się uliczki. Wtedy on wyszeptał: – „W katedrze w Lublinie jest kaplica, z bardzo specjalną akustyką. Jeśli dwie osoby staną w rogach, odwrócone do siebie plecami i jedna z nich szepnie coś w kierunku ściany, to druga osoba wszystko dokładnie usłyszy”.

Bora jęknęła, mały zawias w jej śnie.


Stacja X

Tymon często opowiadał o rodzinie, zwłaszcza o matce mieszkającej z babką w małym mieszkaniu.

Matkę irytowała bezzębna staruszka, wydająca co trochę głęboki i ciemny dźwięk. Częstotliwość jego pojawiania się nieomylnie wskazywała, że musi to być czkawka.

W małej przybrudzonej kuchni wszyscy razem robili pisanki. Gotowali łupiny cebuli, żeby uzyskać czerwonobrązowy barwnik. W kolorowej wodzie zanurzali ugotowane na twardo jajka i zostawiali je tak na parę godzin, dopóki nie nabrały koloru. Żyletką wydrapywali wzory na czerwonych skorupkach.

*

Bora widzi przed sobą wielką bramę obudowaną rusztowaniami. Przed nią stoi mężczyzna na szeroko rozstawionych nogach, z dużym pasem, do którego poprzyczepiane są sznurki z wysoko bujającymi się balonami. Głowa Mickey Mouse jest chyba trochę za dużo napompowana.

Bora nadyma policzki i kiwa głową do mężczyzny.

Czy uwierzyłby jej? Czy uwierzyłby, kiedy ona, zamiast przejść przez bramę, stanęłaby przy nim, przyciągnęła jeden z balonów i wyznała mu, że ona, staruszka, siedemdziesięciotrzyletnia kobieta, czuje się czasami, przez ułamek sekundy, wypełniona, ale lekka, gotowa unieść się wzwyż, wysoko do góry, żeby potem zaczepić o coś, najlepiej o drzewo, za miastem, o drzewo, o którym opowiadał Tymon, rosnące przy opuszczonym klasztorze z nietoperzami, z korzeniami tak wysoko, że można się na nich huśtać?


Stacja XI

– “Właściwie mnie nie kochasz, tylko pozostajesz ze mną w relacji” – powiedziała Bora między dwoma łykami parującej zupy. Zupa w Le Musée de Poche była codziennie świeża. Może miała cichą nadzieję, że Tymon jej zaprzeczy. Ale on przekrzywił głowę troszeczkę w bok, jak wtedy, kiedy nie do końca był pewny swoich myśli i odpowiedział:

– „Tak, może masz rację.”

Tymon, żeby nie zagubić się w życiu, potrzebował kogoś, kto mu się opiera. Malować można tylko wtedy, kiedy coś stawia opór pędzlowi: ściana, płótno, powierzchnia, odwrocie.

*

Po drugiej stronie Bramy Krakowskiej stoi zbita grupa ludzi. Bora podchodzi do nich. Pochód posuwa się do przodu i zatrzymuje po paru metrach. Na czele stoi mężczyzna, przemawia. Stoi wyżej od innych. Bora nie zastanawia się, dlaczego ci ludzie zebrali się tutaj, co ten człowiek mówi, głosem rozwlekłym i monotonnym, przez megafon nagłaśniający jedynie wysokie tony.

Rozmyśla tylko, dlaczego ten mężczyzna jest wyższy. Czy stoi na drabinie? A może na skrzynce od piwa? Pochód posuwa się znowu. Bora próbuje przecisnąć się do przodu. Być może jest to po prostu bardzo wysoki mężczyzna i dlatego góruje nad innymi. Grupa znowu się zatrzymuje.

Wtedy wreszcie zobaczyła. Mężczyzna stoi na plecach jakiegoś człowieka, który siedzi na ziemi pochylony do przodu. Kiedy człowiek z mikrofonem przestaje mówić, schodzi z ramion tamtego. Pochód rusza. Nagle ktoś inny rzuca się pod stopy mówcy. Kobieta. Mówca wspina się na jej plecy i zaczyna perorować. Procesja pasyjna dotarła do stacji dwunastej.


Stacja XII

– „Wyobraź sobie, że kiedyś mielibyśmy dziecko. Jak myślisz, do kogo byłoby najbardziej podobne?” – pytał Tymon. Albo: – „Wyobraź sobie, że mamy dziecko, jak myślisz, gdzie pojechalibyśmy wtedy na wakacje?”

Przez te wszystkie lata wybierał tryb przypuszczający. Tylko raz zaczął: „Wyobraź sobie...” potem nastąpiła długa przerwa, a później dodał zduszonym głosem – „Nieważne.”

– „Wyobraź sobie, że będziemy mieli dziecko?” – zapytała Bora.

Jego oczy błyszczały. – „Tak” – odpowiedział i uczepił się tych słów.

Bora myślała, że jeszcze coś powie, ale nie, nie uzupełnił zdania. Przyciągnęła go do siebie i położyła jego głowę na swoich kolanach.

*

Bora zastanawiała się, jak można przechować rozpacz, wielką, wielką rozpacz, jak ją przechować w stanie nienaruszonym, zanim się skurczy. Jak w dosłownym znaczeniu można dać jej miejsce, zbudować miasto.

I wtedy następne pokolenie mogłoby przychodzić odwiedzać rozpacz, z plecakami, mapami i folderami.


Stacja XIII

Dziwne. Mimo wszystko nigdy nie chciała mieć dziecka. Ich siła ssania. Dzieci wszystko do siebie przyciągają. Jednak teraz, kiedy od dawna jest już niepłodna, coraz mniej chodzi, potyka się, kiedy jest wysuszona i pomarszczona jak plaża w czasie odpływu, teraz, kiedy jej ramiona są za słabe, żeby nosić dziecko, myśli o nim, stara się te myśli powstrzymać, ale myśli o nim coraz mniej jak o mężu, a coraz więcej jak o synu. Mój synu, chcę cię kołysać w ramionach, chronić, mimo że nie żyjesz i nic ci już nie zagraża.

Wszystko jest otwarte. Od dawna nie ma możliwości manewru, szpary, przez którą życie może uciec przez nieuwagę. Nie ma już nic co stawia opór, nic, z czym można się zderzyć, podczas gdy ja ciągle się o coś potykam w Lublinie, mieście o ulicach noszących ślady przeszłości, potykam się o słupki, o ludzi, o myśl, że z biegiem lat staniesz się silniejszy, zwłaszcza twoje ramiona, że kiedyś będę się w nich mogła bujać, jak dziecko w kołysce.

*

Myślałam, że w moim wspomnieniu będziesz żył nadal, nie naprawdę, jak fotografia na przykład. One też wykrzywiają się ze starości.

Myślałam, że moje wspomnienia będą rosły, pęczniały, staną się sękate, jak drzewo, którego korona wszystko okrywa cieniem, ale też ochrania. I nic nieoczekiwanego i ciężkiego nie może spaść z powietrza. I wszystko przedostaje się tylko przefiltrowane, wilgotne, lecz powolne.

Trzydzieści trzy lata, jeszcze trochę i będziesz dłużej martwy niż byłeś żywy. Jak to uczcić? Może przystroję swoje mieszkanie w Paryżu, wyciągnę wstążki z pudełka z ozdobami na choinkę i pisanką, na której wydrapałeś dla mnie kurczaczka? Idę zgarbiona przez miasto. Coraz lepiej widzę swój brzuch. Plecy wyginają się, brzuch zapada.

 

Stacja XIV

W kącie stoi kobieta. Ma zgarbione plecy, uwypukla je pusta przestrzeń kaplicy. Próżna, opuszczona przestrzeń. Na ścianach trompes l’oeil. Duża brama w różowych pastelach, nad nią dwa anioły drapujące bogate szaty nad łukiem.

Istnieje wiele rodzajów ciszy. Cisza, która jest pusta. Pełna cisza. Przesuwająca się cisza. Cisza, która da się podzielić, ale nigdy przepołowić, jak rozpacz, albo gąsiennica. Są sklepienia odbijające echo. Jest kobieta, staruszka w nylonowych pończochach. Są foldery o kaplicy.

 

Nota od autorki:
Dzięki organizacji deBuren spędziłam w Lublinie dwa tygodnie. Zwiedziłam tam wystawę polskiego artysty Tytusa Dzieduszyckiego-Sasa. Jego prace wywarły na mnie duże wrażenie. Szukałam informacji o nim w Internecie, ale nic nie znalazłam. Dowiedziałam się jedynie, że mieszkał w Paryżu, zmarł w młodym wieku i że jego żona ma na imię Barbara. Brak informacji pobudził moją wyobraźnię. Wymyśliłam opowiadanie. Bora to nie jest Barbara. Bora jest może najbardziej metaforą mnie samej w Lublinie: powolnej, drżącej, ale zmierząjacej do celu.

 

(1) W języku niderlandzkim występuje tu słowo vlucht, co oznacza zarówno rozpiętość jak i latanie. (przyp. tł.)
(2) Występuje tutaj słowo vlucht, oznaczające zarówno rozpiętość jak i ucieczkę. (przyp. tł.)

 

Przekład z języka niderlandzkiego: Małgorzata Diederen Woźniak

 

Małgorzata Diederen Woźniak (1960) ukończyła SGPiS, od 1990 roku mieszka w Holandii. Wrażenie, jakie wywarła na niej lektura książki Geerta Maka W Europie. Podróże przez XX wiek. zaprowadziło ja na ścieżkę kariery tłumacza literatury niderlandzkiej. Przetłumaczyła między innymi: W Europie i Most (Geert Mak); Joe Speedboat (Tommy Wieringa); Twierdza Europa (Tom Lanoye). http://literairvertalen.org

 

Download de ePub-versie Print

Stations à Lublin

Première station

Elle pensait qu’avec le nombre des années, le sommeil deviendrait plus léger. Qu’il y aurait toujours un peu moins à porter. Mais le sommeil de Bora demeure lourd. Le conducteur lui donne une petite tape. Il pense peut-être qu’elle est morte. Elle vit. Et elle est arrivée.

- Nous y sommes. C’est Lublin.

Mis à part quelques pigeons picotant le sol et des mannequins en tenue légère sur les panneaux publicitaires, le quai de Lublin est abandonné. Des taches d’humidité sur les murs de la gare ont la forme de feuilles lobées. C’est la seule flore visible.

*

Marcher. Un pied devant l’autre devant l’un devant l’autre. Le genre de répétitivité qui ne ramène finalement pas au point de départ. On avance bel et bien.

Bora sait ce qui l’attend. Son voisin d’en face à Paris est également atteint de la maladie de Parkinson. Elle avait été frappée par la vue de ce monsieur qui s’était soudain mis à marcher plus vite, à petits pas vifs. Un jour en l’observant, elle se rendit compte qu’en fait, il ne marchait plus : il se laissait tomber en avant pour se rattraper ensuite. Il marchait plus vite afin de tomber moins longtemps.

Bora n’en est pas encore à ce stade. Son bras gauche ne suit plus très bien le mouvement, mais sa marche n’est pas encore une succession de chutes.


Deuxième station

Bora n’avait pas tout à fait quatorze ans quand elle s’est arrêtée une première fois. Elle se promenait comme chaque année aux côtés de sa mère sur la digue de Marseille. C’étaient les vacances. Elles avaient fui la chaleur torride de la capitale pour venir une semaine à la mer prendre l’air.

Elles flânaient en longeant les étals des marchands de poisson où étaient accrochés des merlans, attachés en rangs par un bout de corde rêche. Sa mère les aimait les plus secs possibles. Elle en faisait une coutume annuelle de palper d’abord les poissons dans les divers étals avant d’en acheter un ou deux lors de son deuxième passage.

Elle s’y prenait discrètement, sans doute de peur que les marchands de poisson ne la jugent mal élevée. Elle était une Parisienne comme il faut, discrète par-dessus le marché, mais à l’occasion de ses vacances annuelles, elle s’accordait cette palpation secrète, presque intime. « Passez-moi cette liberté », disait-elle alors toute guillerette, à personne en particulier, et pour Bora c’était le signal qu’elle pouvait se balader quelques instants en toute liberté avant d’aller retrouver sa mère près du premier étal.

Outre le poisson, les marchands sur la digue proposaient aussi des souvenirs, des bijoux, des lunettes de soleil, des cerfs-volants, des tubas, de grandes serviettes de bain avec des stars du cinéma en couleurs vives et, toujours au même endroit, il y avait quelques Péruviens tout aussi bariolés qui avaient invariablement l’air un peu triste avec leurs lèvres inclinées vers leurs flûtes de Pan.

Bora connaissait tous les étals et elle n’avait pas la moindre envie de se frayer un chemin parmi le fourmillement de touristes baguenaudiers. Elle pencha son corps fluet de jeune fille par-dessus la balustrade séparant la digue de la plage. Elle regardait les vagues, comment elles arrivaient en grondant, faiblissaient en s’approchant et venaient enfin se coucher docilement sur la plage.

Sur le chemin du retour, sa mère n’avait pas arrêté de parler, combien elle trouvait Marseille magnifique et regarde tu vois ce nageur et regarde ce bateau là-bas et tiens ce monsieur comme il marche bizarrement comme s’il avait des sabots. Et le soleil n’était-il pas comme une pomme d’amour à la kermesse couverte de sirop rouge et la soirée n’était-elle pas merveilleusement douce ?

Elle parlait tant et tant et avec un tel enthousiasme qu’elle ne s’apercevait même pas du silence dont sa fille s’enveloppait pour la première fois et qui plus tard l’inquiéterait comme une démangeaison.

Sur un plan de la ville, la distance entre la gare principale de Lublin et la cathédrale, entourée d’un cercle, n’a que la longueur d’un index. Bora entame sa promenade. Dworcova, voilà la première rue.

Elle prend la première bifurcation, la rue Mlynska, et poursuit sa marche en direction de Lubelskiego. Elle déplie des chemins cachés jusque-là entre les plis. Il y a peu de passants.

À l’angle d’une rue se tient un mendiant qui joue de l’harmonica. À ses pieds, une casquette molle d’un vert délavé. Il tient ses doigts près de sa bouche comme s’il tentait de les réchauffer en jouant.


Troisième station

Paris dans l’après-guerre : il se tenait chaque jour au moins un vernissage quelque part. Comme si la ville ne pouvait arrêter de s’ouvrir.

Pendant la guerre, les trous dans les murs étaient le résultat des tirs. Après la guerre, on les perçait avec précaution. Tout l’art consistait à accrocher le plus de tableaux possible avec le moins de trous possible. Un art que Bora maîtrisait à la perfection. À l’aplomb et de niveau, tels étaient à chaque fois ses deux objectifs, trente ans durant.

Elle se tenait sur un escabeau dans le Musée de Poche. Il faisait froid dehors. Le froid glacial fendait la terre des champs tout comme l’hiver traçait ses sillons dans Paris, sur les visages des piétons pressés de rentrer chez eux.

Au musée régnait une chaleur constante. Dans ses mains, Bora tenait une œuvre d’un des artistes de Kasztel, un collectif d’artistes polonais qui devait bientôt exposer ici. Il s’agissait d’une plaque de celluloïd couverte de taches jaune vif, azur et rose délavé dont les formes ne disaient rien à Bora. Bora était en général peu sensible à toutes ces œuvres d’avant-garde arrivant de tous les coins du monde en quête d’un pan de mur blanc à Paris. Elle ne s’en préoccupait guère. Pour elle, l’important était le verso.

Juste avant qu’elle n’accroche le tableau au petit crochet prévu, Tymon Dziaduszycki-Sas lui dit : - Tu es en train de me crucifier ?

Sa voix avait une résonance pleine dans cet espace du musée quasiment vide. Bora se retourna, toujours sur son escabeau, et le dévisagea. De l’extérieur, il n’entrait qu’une lumière chiche par l’unique fenêtre de la salle. En plus, Paris était recouvert de tant de nuages sombres que si la lumière semblait bien avoir la force de pénétrer leur couche épaisse, il ne lui en restait plus du tout pour, une fois atterrie, s’imposer horizontalement à l’ombre à travers les fentes, les interstices et les vitrages.


Quatrième station

- Qu’est-ce que tu as ? lui demanda sa mère en arrivant après la promenade dans l’air torride de Marseille devant la maison de sa sœur, la tante de Bora, où elles passaient la semaine. Bora haussa les épaules.

- Pourquoi es-tu si silencieuse ? insista sa mère en présentant sur une assiette les merlans sélectionnés avec tant de soin.

- Juste comme ça, répondit Bora.

Constatant le lendemain que Bora était toujours aussi silencieuse, sa mère l’interrogea à nouveau et Bora répliqua avec la même réponse :

- Juste comme ça.

Le lendemain, installée à table, Bora lisait un magazine. Sa mère surgit soudain de la cuisine et lui décocha la question :

- Qu’est-ce que ça veut dire : juste comme ça ?

- Ben oui, normal, quoi, dit Bora.

- Je ne trouve pas ça si normal, moi !

Bora se tut.

- Tu trouves ça normal, toi, cria la mère en direction de sa sœur en train d’accrocher sur le balcon une pile de lingerie fraîchement lavée.

- Tu disais quoi ? cria-t-elle vers l’intérieur, la tête rouge comme une pivoine – peut-être venait-elle de se pencher sur la bassine de linge.

- Qu’une enfant de quatorze ans soit si silencieuse !

- Que veux-tu qu’elle raconte ? dit la tante en s’emparant déjà de la culotte suivante.

- Elle pourrait dire toutes sortes de choses !

- Comme par exemple ? demanda Bora, soudain sincèrement curieuse.

À mesure qu’elle avançait en âge, Bora se mettait à mieux reconnaître les symptômes de son silence. Incapable de repousser son avancée, elle pouvait au moins la ralentir de sorte qu’elle ne s’en laissait plus surprendre, mais qu’elle le sentait surgir lentement, de quelque part très loin sous terre, et remonter par ses mollets, s’accrochant à ses hanches et s’agrippant ensuite comme du lierre jusqu’à son cou qu’il enserrait dangereusement, mais lui procurant surtout une sensation de fraîcheur.

Certains disaient que c’était la solitude qui l’envahissait. D’autres appelaient ça mélancolie et un jour, après plusieurs verres de vin, Tymon l’appela en présence de ses amis : une tentative sournoise de la mort.

Bora même ne lui donnait pas de nom. Pour elle, c’était juste comme ça. Le fait est qu’au fur et à mesure, elle n’accueillait plus seulement le silence avec bienveillance, mais se mit à l’attendre parfois avec impatience.


Cinquième station

Tymon aimait parler et ne se retenait pas. Il parlait de Stanislav et racontait comment ils bourraient tous les deux leurs poches de cailloux plats qu’ils allaient ensuite lancer sur le lac où ils se rendaient le week-end à vélo, juste en dehors de la ville, avec sur sa rive les ruines d’un monastère à l’aigre puanteur. À cause des chauves-souris. Il racontait la fois où il avait pédalé tout seul vers le monastère abandonné et que les chauves-souris murmuraient dans les faîtages du toit et que, oui, peut-être, c’étaient des âmes ailées. Ou il racontait aussi cette fois où il était en train de peindre lorsque soudain une main surgit de la toile, la main d’une vieille femme par-dessus le marché, et que juste à l’instant où il s’était décidé à serrer cette main, il n’y avait de nouveau plus que le petit paysage, en aquarelle.

Ses amis ne croyaient pas à ses histoires, mais ça n’avait aucune importance et si quelqu’un faisait quand même un commentaire, Tymon se défendait par un « Bah ! Allez donc savoir ce qu’il faut croire de nos jours » et cette parole était accueillie par des hochements de tête empreints de gravité tandis que tout le monde se réjouissait de ce qu’une soirée qui risquait de se dissoudre dans les vapeurs d’alcool se chargeait finalement d’une sorte de poids philosophique.

Ce n’est qu’avec son ami Stanislav que Tymon ne ressentait pas ce besoin de parler. À l’époque, quand ils habitaient encore tous deux en Pologne, ils disputaient plusieurs parties d’échec par semaine. Après que Tymon avait déménagé à Paris, ils continuèrent à jouer mais par téléphone. Chacun avait son échiquier devant soi sur lequel il ne déplaçait pas seulement ses propres pièces mais aussi celles de l’autre. À la longue, ils avaient atteint un stade d’entraînement tel qu’ils n’avaient même plus besoin d’échiquier et se communiquaient simplement les coups par oral.

Tymon disait alors par exemple ‘e4’ et Stanislav répondait par ‘e5’. Tymon répliquait alors par exemple par ‘cheval g3’ et Stanislas à son tour par ‘cheval d6’.

Lorsque Stanislav emménagea à son tour à Paris, ils continuèrent à jouer de la même façon et ce fut d’ailleurs quasiment leur unique forme de communication. Ils s’installaient alors ensemble au café, fixant de leur regard la surface de la table et l’un disait ‘reine h7’ pour que l’autre réplique par ‘tour c8’. Seul le mot ‘échec’ réussissait à leur faire lever les yeux pour s’accorder un regard, toujours avec un soupçon d’embarras. Bora n’a jamais su ce qu’ils avaient vécu ensemble pendant la guerre, quels coups ils jouaient, mais elle comprit qu’il valait mieux ne pas creuser la question.

Le froid à Lublin est vif. Nettement plus vif qu’à Paris. Il passe deux figures d’hommes trapus, ils pourraient être frères, avec des bonnets noirs surmontant leurs pommettes saillantes. Découpées au rasoir.

Au croisement de Lubelskiego et d’Aleje Zygmuntowskie, Bora attend devant un feu rouge. À côté d’elle sur un réverbère, un autocollant représentant le pape.

De l’autre côté du passage piéton il n’y a personne. Elle hésite.

Bora avait toujours espéré qu’en vieillissant et avec le raidissement des membres, l’humeur aussi ralentissait ses changements d’orientation. Qu’on avançait certes moins vite, mais qu’on virait aussi moins vite de bord. Mais s’il y avait une chose que Bora savait bien à propos de la vieillesse, c’est que l’humeur demeurait tout aussi fluctuante.

Le feu reste longtemps rouge.


Sixième station

Le dossier du banc en bois est complètement rongé par le temps et ne se compose plus que de deux planches vermoulues à moitié écroulées. Un homme assis à côté d’elle fredonne imperturbablement et tient dans ses mains une boîte en carton dans laquelle quelque chose gratte. Elle aurait du bifurquer dans Ulica Zamojska. Bora déplie le plan de la ville sur ses genoux et cherche un nouvel itinéraire.

Le vent s’engouffre dans ses vêtements. Elle hausse un peu les épaules. Il y a une vieille femme dans un abri de bus qui tient un œuf de Pâques dansant sur un bâtonnet. Ceci est une ville qui se prépare. Le vent souffle fort. C’est une ville ou les maisons claquent des dents.

- Je m’appelle comment encore ? lui demandait-il souvent.

Il aimait bien la façon dont Bora écorchait son nom. Tymon Dziaduszycki-Sas, avec le Sas se référant à une branche noble de la famille. Dans les armoiries de nombreuses familles nobles figurent des heaumes, des épées ou des armures. Mais pas dans les armoiries de la famille Sas. Celles-ci portent un visage hilare, avec des étoiles pour yeux et une demi-lune en guise de bouche.

Comment aurait-il pu en être autrement. Le rire de Tymon était comme un étendard. Fier, haut, battant au vent. Un rire dont on espère ardemment qu’il demeure là-haut. Au moindre risque qu’il se mette en berne, on a envie d’imaginer une blague, même la plus stupide, pour le voir remonter. Un tel rire donc, léger et soulagé. Et on en rirait soi-même, ne serait-ce que dans l’espoir que, comme un bâillement suscite un bâillement, un rire suscite aussi un rire.

Alors que Bora était depuis longtemps parfaitement capable de prononcer son nom sans faute, elle trébuchait exprès, pour apercevoir encore une fois ce scintillement dans ses yeux, son rire plein comme une demi-lune.


Septième station

Quand il venait de finir une œuvre, il l’appelait dans son atelier et lui demandait ce qu’elle y voyait.

- J’y vois un billard électrique.

Tymon la dévisageait avec curiosité. Il hochait la tête, tripotait son menton.

- Et quoi encore, demandait-il, qu’y vois-tu encore ?

Bora hésitait. Elle faisait un pas en arrière et fermait à moitié les yeux.

- J’y vois aussi un champ en friche avec une charrue rouillée.

- Et quoi encore ? insistait-il avec avidité.

Tymon cherchait toujours à réaliser des œuvres avec plusieurs significations possibles. Bora ne comprenait pas ce désir. C’était peut-être la raison qui lui faisait aimer la marche. On marche toujours sur une seule ligne.

Les rues de Lublin sont vides. Tous les magasins sont fermés. Dans une boutique de vêtements, les prix ont baissé. Une poubelle déborde et à côté s’entassent des ordures qu’elle ne peut plus contenir. D’une église, Bora entend monter des chants. Ils sonnent faux. Peut-être le son a-t-il été déformé en parcourant la distance. De l’autel par la longue allée centrale jusqu’à l’entrée habitée par les courants d’air. Peut-être a-t-il été aspiré dans des arcs, des niches et des coupoles qui lui ont imposé une ondulation dangereuse. Bora poursuit son chemin.

Quand elle s’arrête elle commence à vibrer. Elle tremble alors dans sa maladie. Mais quand elle marche, les vibrations diminuent ou peut-être la longueur d’onde s’étend-elle à tel point qu’elles s’aplanissent. La couverture de nuages est très basse. Les stratus tiennent la ville sous leur emprise.


Huitième station

Bientôt Pâques. Cela se sent. Bora n’était jamais venue à Lublin auparavant, mais elle sent que la ville se prépare. C’est une question de tension de surface. La couche superficielle de cette ville est tendue à l’extrême et il se passe quelque chose en dessous, ça bouillonne.

Elle parcourt un quartier qui a l’air d’un code barre du communisme. Tous les immeubles sont implantés à des distances bien calculées et bien qu’ils soient recouverts de bandes orange pâle et vert menthe, l’humeur de Bora vire au noir ou tout au moins au gris en le traversant. Entre les blocs, par-ci par-là, une petite place asphaltée. L’unique son qui lui parvient est celui d’un dribble de basket-ball. Une femme passe, en legging et T-shirt violet délavé avec l’inscription ‘parasol paradise’.

- Quel est la taille de ton vol ? lui demanda un jour Tymon.
- Qu’est-ce que tu veux dire ?
Ils étaient assis sur le canapé dans leur maison à Paris. C’était un vieux canapé, un de ceux qui cèdent sous le poids. Tymon avait besoin de quelqu’un qui résiste. Mais de la part d’un canapé, il attendait surtout qu’il s’enfonce, qu’il cède.
- Lève-toi un peu.
Bora se leva.

Tymon se plaça derrière elle, souleva ses bras. Ils se tinrent ainsi, debout l’un derrière l’autre, les bras tendus, prêts à embrasser, quelque chose ? quoi ? l’espace ? dans leur séjour où traînaient toujours quelques chaussures enlevées à la hâte, des dépliants de vernissages, des mégots de cigarette et des bouteilles de bière, où la poussière s’était répandue partout et s’était incrustée dans la maison comme la mousse de nombril dans un corps.

- Savais-tu, dit Tymon, que le vol d’une mouette ne renvoie pas seulement à l’action de voler, mais aussi à la distance exacte entre les extrémités de ses ailes ? Même une mouette au repos a donc un vol. Tout comme un avion a un vol. Et un cerf. Le vol d’un cerf est la largeur de ses bois. Un moulin aussi a un vol. Et un drapeau ? Un drapeau aussi a un vol.

- Ton vol, dit-il, toujours debout derrière Bora, est plus petit et sera toujours plus petit que le mien.


Neuvième station

Elle s’imagine que les rues vides lui appartiennent. Qu’elles constituent son prolongement. Que ce sont ses bras allongés qui se ramifient, de la gare jusqu’aux immeubles tristes. Qu’elle porte la ville sur ses bras multiples.

Elle aimait bien regarder son dos nu. Parfois, elle reculait jusqu’au bord extrême du lit pour en voir le plus possible.

- Tu ne veux pas t’approcher un peu ? lui demandait-il alors. Il tendait son bras en arrière dans un large mouvement pour la chercher dans la pénombre. Tu ne vois pas encore assez de dos au musée ?

Bora se retourna, le dos vers lui. Tandis que ses pensées s’effilochaient déjà et se recollaient en d’étranges torsades, comme des rues tortueuses, il lui soufflait :

- Dans la cathédrale de Lublin, il y a une chapelle avec une acoustique très particulière. En se mettant chacun dans un coin face au mur et donc le dos tourné vers l’autre, on entend parfaitement ce que dit l’autre s’il parle doucement en direction du mur.

Bora gémit, une petite charnière dans son sommeil.


Dixième station

Tymon parlait souvent de sa famille, surtout de sa mère qui partageait un petit appartement avec sa mère à elle.

Sa mère s’exaspérait de la grand-mère édentée qui produisait constamment un petit bruit sombre et profond qui, d’après la fréquence à laquelle il se faisait entendre, ne pouvait être que le hoquet.

Dans la petite cuisine défraîchie, ils se mettaient tous ensemble à la décoration d’œufs de Pâques. Pour ce faire, on faisait bouillir les peaux extérieures d’oignons pour en extraire ainsi le colorant rouge brun. Ensuite, les œufs durs restaient plongés quelques heures dans cette décoction jusqu’à ce qu’ils en prennent la couleur. Des dessins étaient alors gravés dans la coquille rougie à l’aide d’une petite lame de rasoir.

Bora aperçoit devant elle un grand porche engoncé dans un échafaudage. Devant se tient un homme, les jambes écartées, portant une large ceinture à laquelle sont accrochés les fils de ballons qui se balancent au-dessus de lui dans le vent. Il y a les têtes un peu trop gonflées de Mickey Mouse.

Bora gonfle ses propres joues et adresse un petit signe à l’homme.

Le croirait-il ? La croirait-il si, au lieu de traverser le porche, elle s’était jointe à lui pour tirer un des ballons vers elle et lui confier qu’avec ses soixante-treize ans, elle se sentait parfois, pour une fraction de seconde, pleine mais légère et menaçant de s’envoler, loin au-dessus de tout, pour rester alors accroché quelque part, de préférence à un arbre, hors de la ville, celui dont Tymon avait parlé un jour, tout près du cloître abandonné avec les chauves-souris, avec des racines si hautes qu’on pouvait y installer une balançoire ?


Onzième station

- En fait, tu ne m’aimes pas, dit Bora, tu te rapportes à moi.

Elle le dit entre deux cuillères de potage fumant. Il y avait tous les jours du potage frais au Musée de Poche. Peut-être Bora avait-elle espéré secrètement que Tymon la contredise. Mais il répondit, la tête un peu inclinée comme chaque fois qu’il n’avait pas encore fait un tour entier de sa pensée :
- Oui, ce n’est pas mal vu, peut-être.

Tymon avait besoin de quelqu’un qui lui résiste, afin qu’il ne traverse pas la vie comme un électron libre. Il n’est possible de peindre que s’il y a quelque chose qui arrête le pinceau : une paroi, une toile, une surface, un dos.

De l’autre côté de la porte de Cracovie des gens sont agglutinés. Bora marche vers eux. Le cortège se met en route et s’arrête presque aussitôt. Devant se tient un homme qui s’adresse au groupe. Il domine largement les autres. Bora ne se demande pas pour quelle raison ces gens se sont rassemblés ni ce que l’homme devant raconte d’une voix traînante et creuse dans son mégaphone qui n’amplifie que les sons aigus.

La seule chose qu’elle se demande est comment il se fait que cet homme se tient plus haut que le reste de la bande. Est-il monté sur un escabeau ? Ou sur une caisse à bière ? Le cortège se remet une nouvelle fois en mouvement. Bora tente de se frayer un passage vers la tête du groupe. Peut-être, songe-t-elle, est-ce tout simplement un homme très grand, ce qui expliquerait qu’il dépasse en hauteur tous les autres. Le groupe s’arrête encore.

C’est alors qu’elle voit. L’homme est monté sur le dos d’un autre homme qui s’est mis à quatre pattes. Quand l’homme au mégaphone a fini de parler, il descend de l’homme recroquevillé. Le cortège reprend sa route. Soudain, quelqu’un d’autre, une femme cette fois, se jette devant les pieds de l’orateur. L’orateur monte sur son dos et reprend son discours. Le cortège pascal a atteint la douzième station.


Douzième station

- Supposons, demanda Tymon, qu’on ait un jour un enfant. À qui ressemblerait-il le plus, penses-tu ? Ou : supposons qu’on ait un enfant, où irions-nous en vacances ?

Toutes ces années, il choisissait le conditionnel. Un jour, il dit « supposons », et le fit suivre par une longue pause avant d’ajouter, d’une voix très basse, « laisse tomber ».

- Supposons qu’on ait un enfant, interrogea Bora.

Ses yeux à lui se mirent à briller, « oui », dit-il en puisant de l’énergie à ses paroles.

Bora avait pensé qu’il viendrait une suite, mais il en resta là. Il ne compléta pas la phrase. Elle l’attira vers elle et posa la tête de l’homme sur ses genoux.

Bora se demande ce qu’il en serait si les gens frappés d’un immense chagrin étaient en mesure de garder ce chagrin aussi intact que possible avant même qu’il commence à diminuer. Qu’ils soient en mesure de lui donner – littéralement – une place, d’en faire une ville.

Et qu’une génération suivante puisse aller visiter ce chagrin, équipée de sacs à dos, de plans de ville et de dépliants.


Treizième station

C’est fou. Pourtant, elle n’avait jamais voulu avoir d’enfant. Leur force d’aspiration. Les enfants aspirent tout. Mais maintenant qu’elle est depuis si longtemps stérile, maintenant qu’elle marche de moins en moins et avance plutôt en trébuchant, maintenant qu’elle est sèche et ridée comme la plage à marée basse, maintenant que ses bras sont trop mous pour porter le poids d’un enfant, à son corps défendant elle pense toujours moins à lui comme à son mari et toujours plus comme à son fils, mon fils, je veux te bercer dans mon sein, te protéger, bien que tu sois mort et donc hors d’atteinte de tout danger.

Tout est ouvert. Il y a longtemps qu’il n’y a plus le moindre jeu, plus le moindre interstice par lequel la vie risque de s’échapper à la moindre distraction. Il y a longtemps qu’il n’y a plus de résistance, plus rien qui puisse te faire obstacle, tandis qu’ici à Lublin, je me heurte constamment à des obstacles, dans cette ville aux rues comme des traînées du passé, aux piquets, aux gens, à l’idée que tu prendrais des forces au fil des ans, ou tout au moins tes bras, que je pourrais un jour m’y suspendre, comme un enfant dans un trotteur.

J’avais pensé que tu continuerais à vivre dans mon souvenir, pas vraiment, mais peut-être comme une photo. Elles aussi se déforment en vieillissant.

J’avais pensé que tu grandirais dans mon souvenir, que tu gonflerais, deviendrais plus noueux, comme un arbre dont le feuillage assombrit tout, mais qui protège aussi. De sorte que rien d’impromptu et lourd ne puisse plus tomber du ciel. De sorte que tout ne pourrait plus que s’infiltrer, humide mais lent.

Trente-trois ans. Bientôt, tu seras mort depuis plus longtemps que ce qu’il t’a été donné de vivre. Que faire ? Décorer mon petit appartement parisien ? Sortir les guirlandes de leur carton, le carton qui contient aussi les décorations de Noël et l’œuf coloré sur lequel tu m’avais griffonné un poussin ? Je marche dans une ville, courbée en avant. Avec toujours plus de vue sur mon ventre. Ma colonne vertébrale se courbe et mon ventre se creuse.


Quatorzième station

Une femme se tient dans le coin. Le dos courbé. Voussure dans l’espace vide de la chapelle. Espace vide, creux. Les parois ont été décorées de trompe-l’œil. Il y a une grande porte en teintes rose pastel, surmontée de deux anges drapant avec luxuriance leurs robes au-dessus de l’arche de la porte.

Il existe des silences en tous genres. Il existe un silence vide. Plein. Un silence traînant. Un silence qui se laisse partager mais jamais couper en deux, comme le chagrin ou un ver de terre. Il y a les voûtes, qui conduisent. Il y a une femme, une très vieille femme aux bas nylons. Il y a des dépliants d’information sur la chapelle.


Note de l’auteur
Grâce à deBuren, j’ai pu résider deux semaines à Lublin. J’y suis allée entre autres à une exposition sur l’artiste polonais Tytus Dzieduszycki-Sas dont l’œuvre m’a fortement impressionnée. Mes recherches sur Tytus sur Internet n’ont rien donné. Les rares informations que j’ai pu récolter se limitent au fait qu’il a vécu à Paris, qu’il est mort jeune et que sa femme s’appelle Barbara. Cette absence d’informations a stimulé mon imagination. J’ai inventé ma propre histoire. Bora n’est donc pas Barbara, sans doute Bora est-elle en fait surtout une métaphore de moi-même à Lublin : lente, tremblante, mais concentrée.

 

 

Traduit du néerlandais par Michel Perquy.

 

Lu à haute voix par Geneviève Damas


Michel Perquy traduit du et vers le français. Il est né à Bruges (1943) et a étudié les langues romanes à la KULeuven, après ses humanités gréco-latines. En tant que professeur de français, il était très actif dans le théâtre de son école et, dans cette optique, il a commencé à traduire (Boris Vian, Molière, Giraudoux, René Girard). Ensuite, il a été nommé directeur adjoint de la Maison des Etudiants belges à Paris et il a continué à développer ses activités de traduction (www.perquy.net). Actuellement, il habite à Bruxelles. Traduire et peindre (www.oparijs.eu) sont ses activités principales.

Download de ePub-versie Print

Lublin’s Stations of the Cross

Station one

She had thought that sleep got lighter as you advanced in years. That you had less and less to carry. But Bora continues to sleep heavily. The conductor taps her cautiously on the shoulder. Perhaps he thinks she’s dead. But she’s alive. And she has arrived.

‘We’ve arrived in Lublin.’

Apart from a few stray pigeons pecking about, and scantily-clad models looking down from billboards, the platform at Lublin is deserted. There are damp patches on the station walls in the shape of palm-shaped leaves. That’s all the flora there is.

*

Walking. One foot in front of the other one, the other one, the other one. It’s repetition, but the kind that doesn’t take you back to where you started. You do make progress.

Bora knows what to expect. Her neighbour opposite in Paris has also got Parkinson’s. She noticed that he suddenly started to walk faster, with short, brisk steps. When she watched him more closely, she realised that he could no longer stroll along as before; instead he was letting himself fall forward and then catching himself. He was walking faster so that he wouldn’t have to fall as long.

Bora hasn’t got to that stage. Her left arm doesn’t swing like it used to, but her walking isn’t yet falling.


Station two

Bora hadn’t yet turned fourteen when she fell silent for the first time. She and her mother were walking along the dyke in Marseille, as they did every year. It was the summer holiday. They had fled the searing heat of the capital to enjoy a week of sea breezes.

They roamed past the fish stalls where whiting dangled in rows, knotted together with coarse string. Her mother liked them as dry as possible. She had established a yearly ritual of first feeling the fish at all the various stalls before buying a few on her second circuit of the market.

She did it discreetly, perhaps frightened that the fishmongers would think her unseemly. She was a respectable, reserved Parisian lady, but during her annual holiday she permitted herself this furtive, almost intimate touching. ‘Permettez-moi cette liberté,’ she would say elatedly, to no one in particular, and for Bora that was a sign that she was allowed to wander around by herself and then meet up with her mother again at the first stall.

Besides fish you could buy souvenirs, jewellery, sunglasses, kites, snorkelling gear and brightly coloured beach towels with pictures of film stars. And at a particular spot there was always a group of Peruvians, just as brightly coloured, yet looking somewhat mournful, with their lips curled around panpipes.

Bora was familiar with the stalls and didn’t feel like squeezing through the shuffling throngs of tourists. She bent her thin girl’s body over the railing between the sea wall and the beach. She watched the waves as they advanced growlingly, grew meek and then softly laid their heads on the shore.

As they walked back her mother had talked nineteen to the dozen about how lovely Marseille was, and look, there’s someone swimming, and look, there’s a ship and tiens, do you see that man, he’s walking so oddly, as if he has hooves. And don’t you think the sun’s just like a toffee apple, coated in red sugar candy? Can you picture anything sweeter?

She chattered away so enthusiastically that she didn’t notice the silence in which her daughter had for the first time shrouded herself, and that later became a source of needling concern.

On the map, the distance between Lublin Central Station and the ringed cathedral is only the length of an index finger. Bora starts her walk. Dworcowa, that’s the first street.

She turns into the next road, Mlynska Street, and walks on till she reaches the Lubelskiego highway. Roads that had been neatly put away unfold in front of her. There are very few people out and about.

A beggar stands on the corner, playing a mouth organ. A flabby, pale green cap lies on the pavement in front of him. He holds his fingers to his mouth, as if he were blowing warmth into them as he played.


Station three

Paris, after the war: previews of art exhibitions were being held every day. It was as if the city was in a constant process of opening.

During the war, the walls were shot full of holes. After the war, drilling holes in walls was something you did cautiously. The trick was to hang up the maximum number of pictures using the minimum number of holes. Bora was good at this trick. Level and perpendicular, that was what she aimed for time and again, for almost thirty years.

She was standing on a stepladder in Le Musée de Poche. It was cold outside. The bitter chill of January had cracked the fields open. In the city, too, it ploughed furrows, in the faces of the people hurrying home.

It was warm in the museum; the temperature was always constant. Bora was holding a work by a member of the Kasztel Group, a circle of Polish artists whose exhibition was to open shortly. It consisted of a celluloid plate featuring bright yellow, azure and pale pink spots arranged in shapes that meant nothing to Bora. On the whole she wasn’t too taken by these avant-garde works from all over the world, that came in search of white walls in Paris. But it didn’t bother her. She was only interested in their backs.

Just as she was about to hang the picture on its hook, she was addressed by Tymon Dziaduszycki-Sas, ‘Are you crucifying me?’

In the bare space his voice sounded mellow. Bora turned round on the stepladder and looked at him. There wasn’t much light from outside. The room had only a single window and so many thick clouds had gathered over Paris that the light was exhausted by the task of penetrating them. Once on earth it was too weak to force its way sideways through cracks, chinks and panes of glass, pushing away the shadows.


Station four

‘Why are you so quiet?’ her mother asked, when they had walked back through the muggy Marseille evening to the house of her sister, Bora’s aunt, where they were staying for a week. Bora shrugged. ‘What’s up with you?’ her mother asked, as she offered the plate with the whiting that had passed the touch test. ‘Nothing,’ Bora answered.

When Bora was just as silent the next day, her mother again asked what the matter was, and Bora fobbed her off with the same answer. ‘Nothing.’

The day after that, Bora was sitting at the kitchen table leafing through a magazine when her mother came in and asked abruptly, ‘What exactly do you mean by “nothing”?’

‘Well, nothing’, Bora said.

‘It doesn’t seem like nothing to me.’

Bora was silent.

‘Would you call this nothing?’ her mother called to her sister, who was pegging out some underclothes on the balcony to dry.

‘What?’ she called back, red in the face – perhaps she had just been bending over the washtub.

‘Surely something’s wrong when a child who’s not yet fourteen is so quiet!’

‘What should she say then?’ asked the aunt, hanging up the next pair of underpants.

‘She could say all kinds of things!’

‘Like what?’ Bora now asked, genuinely curious.

The older she grew, the better Bora got at recognising the onset of her silences. She couldn’t stop them coming, but she could delay them, so that they didn’t take her by surprise anymore, but could be felt gradually arising from a spot deep underground, climbing her calves, pulling themselves up by her hips, and ascending from there to her neck, clinging on like ivy. They encircled her throat with an ominous tension, but most of all they brought coolness.

Some called this creeping feeling loneliness. Others said it was melancholia, while Tymon once came up with the theory (during a wine-filled evening with his friends) that it was a cunning manoeuvre by death.

Bora herself didn’t have a name for it. As far as she was concerned it was nothing. In fact, as time wore on, she not only willingly consented to the silence, but sometimes waited impatiently for it to come again.


Station five

Tymon liked to talk. Indeed he hardly ever stopped. He talked about Stanislav, with whom, when small, he had stuffed trouser pockets with flat stones to skim across the lake that they cycled to at weekends, just outside town, on whose banks there was an old, decaying cloister that stank of bat droppings. He talked about the time that he had cycled to the abandoned cloister by himself, and heard the bats muttering in the rafters. Or had they been winged souls? And he talked about the time he was painting and suddenly a hand popped out of the canvas, the hand of an old woman for heaven’s sake, and when he tried to shake it there was nothing there anymore, just his watercolour of a landscape.

His friends didn’t believe his stories, but that didn’t matter. If anyone did cast doubts, Tymon would defend himself with ‘Tcha! What can you still believe in this day and age?’, a pronouncement that met with sage nods and general relief that an evening which had threatened to float away on a cloud of booze had been weighted down in the nick of time by philosophical ballast.

Tymon only became taciturn with his friend Stanislav. When they both still lived in Poland, they used to play chess a few times a week. When Tymon moved to Paris, they played over the telephone. They each had a chessboard on which they not only made their own moves, but also those of their opponent. Over time they became so practised that they didn’t need a board anymore; it was enough just to say each move.

So Tymon would say something like ‘e4’ and Stanislav would answer ‘e5’. Tymon would parry with ‘knight g3’ and Stanislav would counter with ‘knight d6’.

Even after Stanislav moved to Paris they continued to play chess in this way, and it was nearly their only form of communication. They would sit opposite each other in a cafe gazing intently at the tabletop and one would say ‘queen h7’ and the other would answer ‘rook c8’. Only when one said ‘check’ would they look at each other, always somewhat abashed. Bora never knew what they had been through together in the war, what moves they had made then, but she understood that it was better not to rake up the past.

The chill in Lublin is sharp. Sharper than in Paris. Two stocky men go past, possibly brothers, with jawbones as sharp as the cold, and identical black woolly hats. At the point where Lubelskiego crosses Zygmuntowskie Avenue, Bora stands waiting at a red light. Next to her is a lamppost with a sticker of the Pope on it.

There’s no one on the other side of the zebra crossing. She is suddenly assailed by doubt. Bora had always hoped that as you got older and your limbs stiffened, mood swings would become a thing of the past. That although you might make slower progress, at least you wouldn’t change tack quite so often. If Bora had learnt anything about old age, it was that your mood remained quick-footed.

The light stays red for a long time.


Station six

The back of the weather-beaten wooden bench has been reduced to two mouldering, sagging planks. Next to her there’s a man who hums imperturbably. On his lap he holds a cardboard box inside which something is scratching. She should have turned into Ulica Zamojska. Bora arranges the map over her lap and looks for a new route.

The wind creeps into her clothes. She hunches her shoulders. An old woman stands in a bus shelter, with an Easter egg bobbing on a stick. This is a city that is preparing itself. The wind is fierce. This is a city where old houses’ teeth chatter.

‘So, what’s my name, eh?’ he would often ask her. He enjoyed the way Bora stumbled over his name. Tymon Dziaduszycki-Sas – the ‘Sas’ being a mark of nobility. The coats of arms of noble families tend to feature helmets, swords and suits of armour. Not the coat of arms of the Sas family. Theirs showed a smiling face, with stars for eyes and a half moon for a mouth.

It was inevitable, really. Tymon had a smile like a flag: proud, lofty, waving. The kind of smile that you wanted to keep aloft. If it threatened to drop to half-mast, you would think of a joke, however lame, to raise it again. That light-hearted, jaunty smile. And you would smile yourself, in the mere hope that it would make him smile too, rather in the way that yawning is catching.

Even when Bora could actually pronounce his name faultlessly, she would stumble on purpose, to bring that sparkle back to his eyes, to see his broad smile like a half moon.


Station seven

When he finished a work of art, he called her into his studio to ask her what she thought it looked like.

‘It looks like a pinball machine.’

Tymon looked at her curiously. He nodded, plucking at his double chin.

‘And what else?’ he asked, ‘what else does it look like?’

Bora hesitated. She took a step backwards and narrowed her eyes.

‘It looks like a broken-up field with a rusty plough.’

‘And what else?’ he asked eagerly.

What Tymon wanted was to make art that could be interpreted in many different ways. It was a desire that Bora couldn’t understand. Perhaps that’s why she liked walking. You always walk along a single line.

The streets of Lublin are deserted. All the shops are shut. A clothes shop has cut its prices. Rubbish lies next to a full rubbish bin. Bora hears singing from a church. It sounds off-key. Perhaps that’s because of the distance. Maybe the sound has become distorted on its journey from the altar, down the long nave to the draughty entrance. Perhaps it has been sucked into arches, alcoves and cupolas, acquiring a dangerous swell. Bora walks on.

Whenever she stands still, she starts to shake. Her disease makes her tremble. But when she walks, the tremors recede, or perhaps the wavelength increases so much that they are lessened. The thick bank of clouds hangs low. Stratus clouds keep the city in check.


Station eight

It’s nearly Easter. You can feel it. Bora has never been in Lublin before, but she can feel the city preparing itself. It’s the surface tension. The city’s surface is taut; beneath it something’s going on, something’s brewing.

She walks through a neighbourhood that’s a barcode of communism. All the blocks of flats are spaced with military precision and although they are painted in pallid swathes of orange and mint green, her mood, now that she’s walking past them, is black, or at best grey. Between the buildings she spots the occasional square of asphalt. The only sound to be heard is the bouncing of a basketball. A woman walks past in leggings and a washed-out purple T-shirt that says ‘Parasol Paradise’.

‘How big is your span?’ Tymon once asked her. She was puzzled. ‘What do you mean?’

They were sitting on the sofa in their house in Paris. It was an old sofa, the kind that you sink into. When it came to people, Tymon liked a bit of resistance. But in the case of sofas, he preferred ones that sagged and yielded. ‘Stand up straight.’ Bora stood upright.

Tymon stood behind her and lifted up her arms until they were at right angles to her body. They stood there like that, behind one another, with outstretched arms, poised to embrace. Embrace what, though? Space? In their living room, as always, stray shoes lay scattered, along with leaflets about exhibition openings, cigarette butts and bottles of beer. And there was dust everywhere, settling into the house like fluff into a navel.

‘Well you know that birds and aeroplanes have wingspans,’ said Tymon, ‘but did you know that stags have a span? It’s the distance between their antlers. A windmill has a span too. And so does a flag.’

‘Your span,’ he said, still standing behind Bora, ‘is smaller and will always be smaller than mine.’


Station nine

She imagines that the empty streets belong to her. That they are an extension of her. That they are her outstretched arms branching out from the station to the bleak blocks of flats. That she is carrying the city on many arms.

She loved looking at his naked back. Sometimes she rolled nearly to the edge of the bed to see as much of it as possible.

‘Come closer,’ he protested. He waved an arm backwards, groping vaguely in the gloom. ‘Don’t you see enough backs at the museum?’

Bora turned round with her back towards him. A little later, when her thoughts were beginning to unravel and clump together in strange strands, like twisting streets, he whispered, ‘In the cathedral of Lublin there’s a chapel with very special acoustics. If you go and stand facing the wall in opposite corners and whisper, you can hear each other perfectly.’

Bora moaned, a squeaking hinge in her sleep.


Station ten

Tymon often talked about his family, especially his mother, who lived with her mother in a small flat.

His mother was irritated by the toothless grandmother, who was forever making peculiar, low-pitched sounds. Their frequency suggested hiccups.

The family would all cram into the small grubby kitchen to make decorated Easter eggs. The first step was to cook onion skins to make a reddish brown dye. Then the hard-boiled eggs were submerged in the coloured water for a few hours until they took on the same colour. After that came the final stage – etching designs on the red shells with a small razor blade.

Before her, Bora sees a large archway surrounded by scaffolding. In front of it a man stands with his legs astride; he’s wearing a broad belt, attached to which are the strings of the balloons that bob above him. Among them the head of Mickey Mouse, rather ominously swollen.

Bora puffs up her cheeks and nods at the man.

Would he believe it? Would he believe her if, instead of walking through the archway, she went and stood next to him, pulled one of the balloons towards her and confided in him that she, a 73-year-old woman, sometimes felt, for a fraction of a second, that she was filled with light and in danger of flying up into the air, high above everything, to end up catching on something, preferably a tree outside the city, the one that Tymon had once told her about, near the abandoned cloister with the bats, with roots so high that you could swing on them?


Station eleven

‘Actually, you don’t love me,’ Bora said, ‘you relate to me.’ She said it between two steaming spoonfuls of soup. You could eat freshly made soup every day at Le Musée de Poche. Perhaps Bora had secretly hoped that Tymon would contradict her. But he answered with his head a little on one side, as he always did when his thoughts had not quite taken shape, ‘Yes, you may have something there.’

Tymon needed someone who offered resistance, so that he didn’t shoot through life without anything getting in the way. You can only paint when there’s something that stops the brush: a wall, a canvas, a surface, a back.

On the other side of the Krakowksa Gate there is a tightly packed mass of people. Bora heads towards them. The procession starts to move and stops a few metres further on. It is led by a man who addresses the group. He’s standing head and shoulders above the rest. Bora doesn’t ask herself why these people have gathered or what the man at the front is saying in a thin, sing-song voice, through a megaphone that amplifies only high tones.

She only asks herself: how it is that this man is so much higher than the rest? Is he standing on a small stepladder? Or a beer crate? Once again, the procession moves on. Bora tries to squeeze to the front. Perhaps, she thinks, he towers above the others just because he’s extremely tall. The group stops again.

Then she spots it. The man is standing on the back of another man, who is on all fours. When the man with the megaphone has finished talking, he gets down from the other man’s back. The procession continues on its way. Suddenly someone else, a woman this time, throws herself down at the speaker’s feet. The speaker climbs on her back and holds forth once again. The Easter procession has now reached Station twelve.


Station twelve

‘Suppose,’ Tymon would ask, ‘some day we had a child. Who would it be most like, do you think?’ Or, ‘Suppose we had a child, where would we go on holiday?’

He had opted for the conditional all those years. Once he said ‘Suppose’, followed by a long pause, then he said, with lowered voice, ‘Never mind’.

‘Suppose we had a child?’ Bora asked.

His eyes sparkled, ‘Yes,’ he said, uplifted by her words.

Bora had expected something more, but that was it. He didn’t finish his sentence. She pulled him towards her and laid his head on her lap.

Bora wonders what it would be like if a person with a very great sorrow could preserve that sorrow as intact as possible before it ebbed away. What it would be like if people could find an actual place for all their sorrows, could construct a city out of them.

She imagines a subsequent generation visiting those sorrows armed with rucksacks, street plans and brochures.


Station thirteen

It’s strange. She had never wanted a child. Children exerted such a pull. They sucked everything towards them. But now that she’s been barren for years, now that she stumbles rather than walks, now that she’s withered and as wrinkled as the sand at ebb tide, now that her arms are too weak to carry a child, she increasingly thinks of him – a tendency she fights – not as her husband but as her son. My son, I want to cradle you in my lap, to protect you, though you are dead and thus beyond danger.

Everything is open. For a long time now there’s been no leeway left, no chink through which, if you are heedless, you can escape life. For a long time now there’s been no resistance left, nothing you can still bang into, whereas in Lublin, this city of streets like drag marks of the past, I’m constantly banging into poles, people, the idea that you would grow stronger over time, especially your arms, that one day I would be able to hang in, like a child in a walking frame.

I had thought that you would live on in my memory – not really, but perhaps like a photo. They, too, grow warped with the passage of time.

I had thought that you would grow in my memory, rise up, become gnarled, like a tree that overshadows everything with its foliage, but also provides shelter. That your leafy canopy would ward off life’s slings and arrows. That things would only be able to trickle through it, damply, but slowly.

Thirty-three years – it won’t be long before you’ve been dead longer than you lived. What shall I do? Shall I decorate my little flat in Paris, get paper chains out of the box, the box that also contains the Christmas decorations and the painted egg on which you etched a chick for me? I walk through the city, my body bent. These days I’m seeing more and more of my belly. My spine is growing convex, my belly concave.


Station fourteen

A woman stands in the corner. Her back is bent. It protrudes into the empty space of the chapel. An empty, hollow space. There are trompe l’oeil murals on the walls. One, in pink pastel colours, shows a large gateway above which two angels hover, draping the copious folds of their robes over the arch.

There are many kinds of silence. There is an empty silence. A full one. A shuffling silence. A silence that can be divided, but never halved, like a sorrow or a worm. There are vaults that conduct. There is a woman, an old woman with nylon stockings. There are leaflets about the chapel.


Author’s note
Through the courtesy of deBuren I spent two weeks in Lublin. There I visited an exhibition about the Polish artist Tytus Dzieduszycki-Sas. His work made a deep impression on me. I looked online for information about Tytus, but drew a blank. All I could find out was that he lived in Paris, that he died young and that his wife was called Barbara. The lack of information spurred my imagination. I invented my own story. So Bora isn’t really Barbara. If anything, Bora could be seen as a metaphor for myself in Lublin: slow and shaky, but filled with a sense of purpose.

 

Translated from Dutch by Jane Hedley Prole


Jane Hedley-Prole studied German and Dutch at the University of Liverpool, after which she settled in the Netherlands. Alongside her job at the Ministry of Foreign Affairs she works as a freelance translator. Since her accreditation as a literary translator by the Dutch Foundation for Literature she has translated Diaghilev; A Life by Sjeng Scheijen (together with S.J. Leinbach), The Fetish Room by Rudi Rotthier, We Are Our Brains by Dick Swaab and What About Me? by Paul Verhaeghe.