Matchbox nr. 9

Erik Vlaminck

Erik Vlaminck

Erik Vlaminck (1954, Kapellen) is roman- en theaterschrijver. Hij raakte bekend met zijn zesdelige romancyclus Het schismatieke schrijven: kroniek van een familie over het ongewone leven van gewone mensen in het Vlaanderen van de 20e eeuw. Zijn roman Suikerspin (2008) betekende zijn doorbraak bij een groter publiek. Ook Brandlucht (2011) en De zwarte brug (2016) worden goed onthaald. Vlaminck werkte als theaterauteur voor diverse gerenommeerde gezelschappen. Zijn maatschappelijk engagement blijkt niet alleen uit zijn romans en theaterteksten, maar ook uit zijn column ‘Brieven van Dikke Freddy’, waarin het dakloze titelpersonage zijn problemen aankaart en zo commentaar levert op ongelijkheid, discriminatie en armoede in de samenleving. De columns werden gebundeld in boekvorm uitgegeven als Brieven van Dikke Freddy (2000), Meer brieven van Dikke Freddy (2007), Hoogachtend, Dikke Freddy (2013) en Dikke Freddy aan Zee (2016). Hij leidde de Antwerpse Schrijversacademie, was mede-oprichter van de Vlaamse Auteursvereniging en is voorzitter van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde sinds 2015. Voor deBuren schreef Vlaminck eerder het Radioboek Het groot huisvuil en de buren.

Close

Leeuwarden Alle citybooks

Print

Matchbox nr. 9


Bij de Kruidvat op de Wirdumerdijk, daar heb ik hem gezien. Op een blauwe maandag in februari. Op een paar honderd meter van de Grote Kerkstraat, waar ik zelf woon. Alles kan. Alles gebeurt.

Om aan de ijzige wind te ontsnappen was ik met mijn Mata Hari de Kruidvat binnengereden. Mijn Mata Hari is een elektrische rolstoel. Ik heb het karretje die naam gegeven omwille van de mysterieuze nukken die het op de meest ongepaste momenten vertoont.

Hij stond onder het wervende opschrift ‘STERK GLANZEND HAAR’ grijs te wezen. Hij had zicht op tientallen soorten shampoo. Na enig aarzelen pakte hij een fles Head & Shoulders, Menthol Cool.

Ik wilde hem zeggen dat hij zijn geld vergooide door die dure shampoo te kopen. Dat het spul gegarandeerd geen moer helpt om schilfertjes te doen verdwijnen. Dat de firma Head & Shoulders zichzelf de das zou omdoen, indien hun kwakzalvertroep wel soelaas zou bieden. Dat de enige die ooit een probaat middel tegen schilfertjes heeft ontwikkeld een Franse dokter is die er helaas nooit erkenning voor heeft gekregen. Joseph Guillotin heette die man en zijn guillotine is het enige apparaat dat voorgoed komaf maakt met alle ongemakken die een mens met kapsel en hoofdhuid kan hebben. Dat wilde ik hem zeggen. Dat, en nog veel meer. Maar ik heb gezwegen.

Ik wilde hem volgen toen hij zijn tocht door de winkel naar de kassa maakte, maar bij de tandpasta reed ik me vast. Op maandag staan er bij de Kruidvat nog meer dozen tussen de rekken dan op andere dagen.

 

*


Het bizarre was dat ik de dag tevoren op het internet ontredderd naar zijn foto had zitten kijken. En dat ik vervolgens op Google langer dan een uur allerhande wetenswaardigheden over hem en over zijn boeken heb zitten lezen.

Hoe gaat zoiets? Ik staarde voor de zoveelste keer op het scherm van mijn computer naar beelden van de cruisereis langs de Noorse fjorden die ik zo graag wil maar niet durf te maken. Ik surfte verder. Om tijd te doden en denken te verjagen. Ik belandde ongewild bij de reclame die mijn eigen stad maakt om de wereld warm te maken voor het programma dat hij presenteert omdat hij - door god weet wie, of misschien wel door zichzelf - tot culturele hoofdstad van Europa werd uitgeroepen. Het maakt me hoorndol. Ik vertik het om de Mata Haritentoonstelling in het Fries Museum te bezoeken. Ik vertik het om naar dure voorstellingen in De Harmonie te gaan. Ik vertik het om bij de bakker het ‘officiële culturele hoofdstadgebakje’ te kopen. Terwijl ik me afvroeg waar die dwaze haat vandaan kwam, verscheen opeens zijn naam tussen andere namen. Twee klikken verder en ik zag zijn gezicht.

‘Ge moet mij niet zoeken. Ik zal vanzelf weer op uw pad verschijnen. Uit het niets.’ Dat zei hij me meer dan vijfenveertig jaar geleden.

Hij heeft woord gehouden.

 

*


Ik was een meisje van bijna achttien. Een vat vol hunker. Voortdurend op zoek naar vluchtwegen uit de beklemming en uit de weeë geur van een boerenhuis achter het station van Franeker.

Het was de zomer van A Whiter Shade of Pale van Procol Harum. En van het wondermooie Vincent van Don McLean. Ook van het ellendige Hello A van Mouth & MacNeal.

Naar zijn zeggen had hij niks met muziek. ‘Commercie en gebakken lucht.’ Hij zei het me toen we samen -‘Starry, starry night …’- op de boordsteen bij de Zuiderkade naar het nachtzwarte kanaalwater zaten te kijken. Mijn bovenarm raakte de zijne.

 

*


Dat ik het niet in mijn blonde dellenhoofd moest halen om met import naar huis te komen. Dat had mijn vader me bij herhaling ingepeperd. Voor alle duidelijkheid: elke sterveling die zijn kachel oppookte op meer dan pakweg vijf kilometer van het kaatsterrein van Franeker, was onweerlegbaar import.

Bovendien moest het een kerel met een minimum aan boerenverstand zijn én met handen aan zijn lijf.

‘De eisen zijn hoog en de keuze is klein,’ heb ik ooit durven opperen.

‘Denk jij dat je moeder en ik ooit keuze hadden? En denk jij dat ons geluk daardoor bepaald werd? Geluk vergaar je door te werken, niet door voor luchtkastelen te kiezen.’

Mijn moeder bevestigde de boodschap zwijgend. Met rechte rug en dunne lippen.

Mijn moeder is er al meer dan dertig jaar niet meer.

Mijn vader is er nog wel.

Hij zit in het woonzorgcentrum Erasmus op de Hempenserweg te wachten op Godot. Hij is zelf import geworden. In Leeuwarden; de stad waarvan hij vroeger beweerde dat zelfs de duivel er verloren liep. Zijn minimum aan boerenverstand is maximaal verdampt en zijn reuzenhanden liggen meestal verkrampt op de tafelrand.

Mijn pamper wordt twee keer per dag ververst, de zijne vijf keer. Maar hij beseft niet dat hij zijn verzorgsters daarvoor dankbaar moet zijn. Wanneer ik hem bezoek, vraagt hij me vaak of de koeien al gemolken zijn en of het waar is dat de Sint Franciscuskerk aan de Godsacker wordt gesloopt.

‘Zou best kunnen,’ zeg ik dan. Ik zat nog op de school van zuster Femia toen de kerktoren met veel gedruis werd opgeblazen, 1961 of daaromtrent. En wat de koeien betreft: op de boerderij werd in oktober ’89 boedeldag gehouden. De boerin was een jaar eerder, na kortstondige ziekte, gestorven en de boer realiseerde zich dat zijn nageslacht nooit met een opvolger op het erf zou verschijnen.

Twee jaar geleden heb ik mijn vader van de Westerpoort in Franeker naar Erasmus laten overkomen. Omdat het met mijn Mata Hari elke keer een heikele onderneming was om naar Frjentsjer te reizen; meer obstakels dan genoegen. Maar ook en vooral omdat ik er altijd weer overvallen werd door donkerzwarte gedachten.

Dat ik het niet in mijn blonde dellenhoofd moest halen om met import naar huis te komen … Dat ik er niet aan moest denken om de Heilige Roomse Kerk de rug toe te keren … Dat hij genoeg ervaring met kalveren had om aan het wit van mijn ogen te zien dat ik wilde uitbreken … Dat hij me desnoods, tot de wijsheid in mij ingedaald zou zijn, op water en brood zou opsluiten op mijn kamer …

Toch loop ik over van medelijden wanneer ik hem, met zijn lekkende neus op tien centimeter van zijn knieën, kinds in zijn stoel zie zitten.

 

*


Ben ik cynisch? Vaak.

Ben ik ongelukkig? Soms.

Ben ik eenzaam? Neen, wel alleen.

Ben ik egoïstisch? Zoals iedereen.

Wil ik dood? Neen.

Heb ik plannen? Veel.

 

*


Op 20 september 1954 ging Franeker over op aardgas. Op 20 september 1954 ben ik geboren. Mijn moeder heeft me wel honderd keer gezegd dat ik geboren ben op de dag dat Franeker overging op aardgas. Soms had ik zelfs het gevoel dat ze mij minder belangrijk vond dan het aardgas. Ik ga er alleszins van uit dat ik zal sterven op de dag dat het ook met het aardgas afgelopen zal zijn. Als het van die van Groningen afhangt, zal het niet zo heel lang meer duren.

‘Ik ben ook in ’54 geboren, maar in België wisten ze in die tijd nog niet wat aardgas was,’ zei hij, daar en toen op de boordsteen bij de Zuiderkade. Terwijl hij het zei, legde hij zijn hand op mijn knie. Ik wist toen nog niet dat het de eerste en de laatste hand was die ik op mijn knie zou voelen.

 

*


Waar vroeger de gevangenis was, kun je nu boeken lenen. Daarom heet het daar nu dbieb. Waarschijnlijk heeft een heel duur bureau enkele voorstellen geformuleerd. Waarschijnlijk is er daarna dagenlang in alle ernst vergaderd en geruzied om een definitieve keuze te maken, want je kan zo’n plek toch niet gewoon bibliotheek noemen. Op die manier hebben ze over het hoofd gezien dat ook mensen met een Mata Hari wel eens gebruik van hun diensten zouden willen maken. Ik geef mijn Mata Hari cadeau aan wie er, zonder ergens tegenaan te rijden, mee vanaf de hoofdingang tot bij de afdeling Beeldende Kunst raakt. Verder geef ik ruiterlijk toe dat ze dat oude cellencomplex echt wel mooi verbouwd hebben en dat de bewakers vervangen werden door vriendelijk en behulpzaam personeel.

Maar wie zegt dat de gevangenisbewakers die vroeger de dienst uitmaakten ook niet vriendelijk en behulpzaam waren?

Met enig venijn in mijn stem -ik kon het helaas niet laten- heb ik gevraagd of iemand me de Leeuwarder Courant kan aanreiken. De planken waar de kranten op liggen, bevinden zich namelijk op een hoogte waar alleen een staande mens zicht op heeft en bij kan.

‘ZORGWEKKEND: MEISJES VAN ELF DE PROSTITUTIE IN’ bloklettert de frontpagina. Alles kan. Alles gebeurt. Vandaag staat het in de krant, morgen wordt er weer over gezwegen.

Op de volgende pagina krijg ik een masterclass fraudeleer op mijn bord: er wordt haarfijn uitgelegd hoe duizenden boeren bergen subsidiegeld op zak staken door vaarzen als melkkoe in hun boeken in te schrijven. De boeren die het niet gedaan hebben, moeten zich nu echt wel Jan Lul voelen. Goed dat mijn vader geen kranten meer leest.

Op pagina 23 wordt het echt interessant. Daar staat: ‘PARKEERPLEK INVALIDEN VERGETEN BIJ DBIEB.’

‘Het is twee en half jaar lang geen onderwerp van gesprek geweest. Achteraf is dat spijtig,’ erkent de directeur van dbieb. Hij heeft groot gelijk, die meneer: achteraf is dat inderdaad héél spijtig. Ik ben blij dat ik geen auto bezit, anders had ik me ook druk moeten maken om die parkeerplekken die er niet zijn.

Verderop lees ik dat de bibliotheek van plan is om een aantal opvouwbare rolstoelen aan te schaffen. ‘Er komen soms mensen met een scootmobiel binnen. Vanwege de indeling is het handiger om je in een rolstoel te verplaatsen.’

En wie gaat mij vanuit mijn Mata Hari in zo’n rolstoel hijsen? En zou het niet eenvoudiger zijn om iets aan de indeling te veranderen? Misschien zouden ze er eens over kunnen praten met mensen die van ’s ochtends tot ’s avonds vast zitten in een scootmobiel.

Op het moment dat ik dat denk, zie ik hem zitten. Aan een tafeltje in het bibliotheekcafé. Met een kop koffie voor zich. En de Leeuwarder Courant. Wanneer ik rakelings langs hem heen rij, zie ik dat zijn krant open ligt op pagina 23. Het is vrijdagochtend 9 februari 2018.

 

*


Toen ik hem voor het eerst zag, zat hij ook de krant te lezen.

Tijdens de weekends ging ik -altijd op zoek naar vluchtwegen uit de beklemming- helpen in De Nieuwe Doelen, het café en hotel bij de Martinikerk. Aan de kroegtafels zaten doorgaans oudere inwoners van Franeker, heel soms ook wel een hotelgast. Toch was hij -haar tot op de schouders en lange bakkebaarden- er binnen gekomen. Hij had, alsof hij er thuis was, een krant van de leestafel genomen en was in een hoekje bij het raam gaan zitten. Baas Harry Schuitmaker had me opgedragen om altijd één minuut te wachten en dan pas op een nieuwe klant af te stappen. Maar zoveel geduld had deze nieuwe klant niet. Vanuit zijn hoekplek vroeg hij om een bessenjenever. Ik ging naar hem toe en ik zei, ik weet ook niet waarom: ‘We hebben ook Beerenburger.’

‘Dat zal wel, maar ik drink liever bessenjenever.’

‘Het zij zo,’ heb ik geantwoord.

Toen ik uren later, weer op weg naar de beklemming, door de Dijkstraat liep, zat hij op de vensterrichel van slagerij Terpstra.

‘Zit ge er iets mee in als ik een eindje mee wandel?’

Hoe raar kan een vraag gesteld worden? En hoe kon hij weten dat ik via de Dijkstraat weer naar huis zou gaan?

 

*


Het houdt niet op.

Ik zit, vers en fris gepamperd, vanuit het raam van mijn woonkamer te kijken naar de eindeloze stroom winkelende zaterdagmensen die zo goed zijn om onze economie draaiende te houden, wanneer ik op de radio hoor dat er een interview met hem zit aan te komen. Ik rij naar het radiotoestel en zet het uit. Twee minuten later zet ik het weer aan. Vier keer heeft zich dat herhaald.

Dan hoor ik hoe Douwe Heeringa de schrijver -‘die helemaal uit België naar hier gekomen is om een verhaal over Leeuwarden te schrijven’- introduceert. Heeringa noemt titels van boeken en heeft het over prijzen en nominaties.

Vervolgens zegt de schrijver dat hij ‘desondanks, bij hem thuis, toch elke maandagochtend de vuilbakken buiten moet zetten.’ Je hoort dat hij die flauwe grap al minstens honderd keer gedebiteerd heeft. Holle woorden, gebakken lucht en flets radiobehang ... Dat denk ik. Maar ik kan het niet nalaten om te blijven luisteren.

‘Hoe lang ben je nu al in Leeuwarden?’ vraagt Douwe Heeringa.

‘Sedert vorige zondag.’

‘En hoe begin je daar dan aan, aan zo’n verhaal over Leeuwarden?’

‘Ik ben maandagochtend naar de Kruidvat gegaan om daar shampoo te gaan kopen.’

‘Shampoo? Hadden ze dat dan niet in het hotel?’

‘Jawel, maar ik had speciale nodig. Dus ben ik naar de Kruidvat gegaan. Daar zag ik een mevrouw in wat jullie, denk ik, een scootmobiel noemen.’

‘Een scootmobiel, ja, hoe heet dat dan bij jullie in België?’

‘Wij kennen dat woord niet. Wij kunnen zo’n ding alleen maar met een lange omschrijving benoemen. Maar het gaat me daar niet om. Ik zag hoe die dame zich helemaal klem reed in de al te smalle gangen tussen de overvolle winkelrekken van de Kruidvat. Ik heb daar en toen besloten dat die mevrouw het hoofdpersonage in mijn Leeuwardenverhaal zou worden.’

Alles kan. Alles gebeurt.

Omdat ik niet snel genoeg bij de knoppen geraak om de radio nog maar eens uit te zetten, hoor ik ook dat de schrijver op vrijdag 16 februari in café ’t Anker zal voorlezen. Toegangsgeld hoeft daarvoor niet betaald te worden.

 

*


Op 21 juli 1972 omstreeks vier uur in de ochtend werd ik per ambulance naar het Bonifatius Hospitaal, het Bonnehos, in Leeuwarden gebracht. Omdat ik nog geen achttien was, kwam ik op de kinderafdeling terecht. Liggend op mijn rug, starend naar het plafond en luisterend naar kleutergejank heb ik er uren moeten wachten voor ik een dokter naast mijn bed zag. Toen die eindelijk arriveerde zei hij: ‘Oei, dit is wel even erger dan ik verwacht had.’ Mijn vingers omknelden, als enig houvast, een metalen speelgoedautootje.

Wie Roomse ouders had, leerde schrijven en rekenen op een Roomse school en werd na calamiteiten naar een Rooms ziekenhuis gevoerd. Zo ging dat in die tijd. Ik heb lang gedacht dat het misschien anders met me was gelopen indien ze me in het Triotel of in het Diakonessenhuis de eerste zorgen hadden toegediend. Intussen weet ik dat het geen verschil gemaakt zou hebben.

 

*


Hoe en waarom hij in Franeker beland was, vroeg ik hem toen we door de Dijsktraat liepen.

‘We kamperen hier, op Bloemketerp. Met een groep scouts.’

‘Scouts?’

‘Padvinders. We zijn hier al bijna twee weken. Overmorgen vertrekken we weer.’

We waren bijna even groot. Aantrekkelijk was hij niet. Lelijk evenmin. Hij bleef ook op de juiste afstand naast me lopen. Nabij en toch niet bedreigend.

‘Waar zijn je vrienden?’

‘Ze vieren feest. In een of ander café.’

‘Waarom ben je niet bij hen gebleven?’

‘Omdat ik u wilde tegenkomen.’

Dat antwoord overviel me. Ik begon, opeens en zomaar, te huilen. Bakvissentranen.

Ik had ze beter opgespaard.

*


De dag voor mijn achttiende verjaardag kwam de dokter naast mijn bed staan. Om te zeggen dat hij er geen doekjes omheen wilde winden.

‘We staan machteloos,’ zei hij, ‘Je bent verlamd tot aan je navel. Lopen gaat nooit meer lukken. Ik hoop, ik hoop, dat je zo ver komt dat je je uitscheidingsfuncties weer onder controle krijgt.’

Mijn uitscheidingsfuncties!

Gelukkige verjaardag, Joke!

 

*


Eind oktober, ik had exact drie maanden in het Bonifatius gelegen, hebben ze me weer naar huis gebracht. Het ambulancepersoneel sprak tegen me alsof ik een kind was. Ik wist toen nog niet dat de meeste mensen anders praten tegen iemand die invalide is. Er was veel dat ik toen nog niet wist.

Mijn moeder heeft haar best gedaan. Met rechte rug en dunne lippen.

Ze heeft me verzorgd. Zonder medelijden. Dat was de juiste houding.

Ze wilde me mee naar het centrum nemen. Naar de bibliotheek. Naar De Nieuwe Doelen. Overal naartoe. Ik weigerde. Dat was de verkeerde houding.

Ik wilde geen mensen ontmoeten. Wat ze ook zeiden of deden; het maakte me ongelukkig. De onderste helft van mijn lichaam was en is gevoelloos. De bovenste helft voelt te veel.

Jaren en jaren heb ik de wereld vanuit mijn kamer bekeken. In stilte. Want ook muziek verdroeg ik niet. Iemand had me gezegd dat het commercie en gebakken lucht was.

Ik zag treinen komen en gaan. Ik zag de sloop van het stationsgebouw. Ik zag de nieuwe supermarkt verrijzen. Ik zag vooral veel wolken.

Ik las boeken, ik las eindeloos veel boeken. Altijd was het wetenschap: geschiedenis, archeologie, geologie … Romans wilde ik niet lezen. Ik wil ze nog niet lezen. Omdat bijna alle personages die erin voorkomen, kunnen gaan en staan waar ze willen.

Soms kwam mijn vader naast me zitten.

‘Je hoeft niet bang te zijn dat ik ooit met import naar huis kom,’ heb ik hem op een bepaald moment gezegd, ‘maar een kerel met boerenverstand en met handen aan zijn lijf hoef je ook niet meteen te verwachten.’

Hij heeft me verwilderd aangekeken.

Een kwartier later zag ik hem -de rug gebogen, de schouders naar beneden- een kruiwagen vol mest van de stal naar de gierput voeren. Halverwege heeft hij die kruiwagen laten staan. Hij is het weiland ingelopen. Een zwarte bewegende stip in een egaal decor.

Het brandweerautootje dat jaren op mijn vensterbank had gestaan, heb ik toen in een kast gestopt.

 

*


Urenlang hebben we op de boordsteen bij de Zuiderkade gezeten.

Soms overviel me de paniek omdat ik wist hoe woedend mijn vader zou zijn wanneer ik thuis zou komen. Ik werd -‘Waarom?’ ‘Daarom.’- geacht om ten laatste om elf uur thuis te komen. Overtreding van die regel kon blauwe plekken en een lang uitgaansverbod opleveren.

De paniek ebde -zijn bovenarm tegen de mijne- telkens weer weg.

Ik vertelde hem over de beklemming.

Hij zei dat hij dat ook wel kende. Hij kwam van een plek in de buurt van Antwerpen en ook daar werden ouders ongelukkig als hun kinderen het vooraf uitgestippelde pad niet volgden.

‘En dus zullen mijn ouders ongelukkig worden,’ zei hij.

‘De mijne ook,’ zei ik.

Het was half twee geweest toen we onder de luifel van de oliefabriek stonden. Hij tegen mij, ik tegen hem. Zijn lippen, mijn lippen. Zijn hand, mijn hand.

‘Ik moet er vandoor,’ zei ik.

‘Ik ga mee tot aan uw huis.’

‘Nee, ik ga alleen.’

‘Zien we elkaar nog?’

‘Morgenavond, hier op deze plek. Om acht uur.’

En toen toonde hij me, ik weet niet waar hij het vandaan haalde, een speelgoedautootje. Een brandweerwagentje.

‘Wat is dat?’

‘Matchbox nr. 9, mijn lievelingsautootje. Ik heb het al van toen ik op de kleuterschool zat, altijd op zak. Neem het mee en geef het me morgen terug,’

‘Gek!’ zei ik.

Zijn lippen, mijn lippen. Zijn handen, mijn handen.

‘En wat als er morgen een kink in de kabel komt?’ Ik dacht eraan hoe mijn vader tekeer zou gaan.

‘Ge moet mij niet zoeken. Ik zal vanzelf weer op uw pad verschijnen. Uit het niets.’

 

*


Nadat de boerderij verkocht was, ben ik definitief naar Leeuwarden verhuisd.

Het was maandag 8 januari 1990. Ik was een vrouw van vijfendertig. Ik had mezelf zeventien jaar opgesloten in de hoekkamer van een boerenhuis op het Friese platteland. Blijkbaar was dat nodig.

De stad heeft me goed opgevangen. De stad heeft me geleerd, geholpen en gesteund. In mijn huis werden alle drempels weggehaald, de deuren werden verbreed, de werkvlakken in mijn keuken werden verlaagd.

Buitenshuis blijven er veel putten en hobbels. En mensen die naar me staren alsof ik Gerrit Keizer ben, en dan bedoel ik niet de voetballer maar wel de kermisdwerg. Maar zonder weerstand is varen geen kunst.

Ik heb de vrienden en de vriendinnen die ik lang niet had.

Ik heb de stad zien groeien. Er kwamen torens die ik eerst lelijk vond maar die ik nu niet meer missen wil. Het is ook goed dat er nu minder auto’s door de straten rijden en dat er opnieuw meer boten met masten op het water liggen.

Dagelijks zie ik blonde meisjes van pakweg achttien, en dan denk ik … Tja, wat denk ik dan?

 

*


Er brandden geen lichten toen ik die nacht bij de boerderij arriveerde. Ik ging ervan uit dat ze sliepen. Als ik binnen kon komen zonder ze te wekken, kon ik later liegen over mijn uur van thuiskomst. Het openstaande raam van mijn slaapkamer lokte me. Ik was lenig. Ik was jong. De dakgoot hield me niet. Ik ben op een melkemmer gevallen. Het speelgoedautootje dat ik, om mijn handen vrij te hebben, op mijn rug achter de riem van mijn broek had gestoken, heeft drie ruggenwervels verbrijzeld. Meer was het niet.

 

*


Nu staat zijn foto ook in de Leeuwarder Courant. Ik zal het bijbehorende artikel niet lezen. Ik heb ook besloten dat ik niet naar die lezing in café ’t Anker ga. Ik vrees trouwens dat ik er toch niet binnen geraak want er zit een opstapje vlak achter de deur.

Ik heb daarnet, na vijf jaar twijfelen, de cruise geboekt die me naar de Noorse fjorden zal brengen. Vanmiddag zal ik met mijn Mata Hari de Mata Haritentoonstelling bezoeken. Daarna trakteer ik mezelf op het officiële culturele hoofdstadgebakje. De beklemming is weg.

Vanmorgen zat hij weer in het café van dbieb. Hij heeft er blijkbaar zijn kantoor gemaakt. Op een bepaald moment stond hij van zijn plek op. Ik zag hem verdwijnen achter de toiletdeur. Zijn jas hing nog op de leuning van zijn stoel. Ik ben er naartoe gereden en ik heb Matchbox nr. 9 in zijn jaszak laten glijden.

Sindsdien is de beklemming weg.

Ik ga ervan uit dat hij vanzelf weer op mijn pad zal verschijnen. Uit het niets.

 

 

Leeuwarden, februari 2018

Print

Matchbox nr. 9


By de Kruidvat op ’e Wurdumerdyk, dêr haw ik him sjoen. Op in blauwe moandei yn febrewaris. In pear hûndert meter fan de Grutte Tsjerkestrjitte, dêr’t ik sels wenje. Alles kin. Alles bart.

Om oan de izige wyn te ûntkommen, wie ik mei myn Mata Hari by de Kruidvat nei binnen riden. Myn Mata Hari is in elektryske rolstoel. Ik haw it karke dy namme jûn fanwege de mysterieuze kueren dy’t it op de meast ûnfoechsume mominten hat.

Hy stie ûnder it wervjende opskrift ‘STERK GLANZEND HAAR’ griis te wêzen. Hy hie it sicht op tsientallen soarten shampoo. Nei in skoftsje wifeljen pakte er in flesse Head & Shoulders, Menthol Cool.

Ik woe tsjin him sizze dat it jildfergriemerij wie om dy djoere shampoo te keapjen. Dat dat spul echt gjin moer helpt om skilferkes ferdwine te litten. Dat de firma Head & Shoulders himsels raar te pakken ha soe as harren kwaksalvertroep wol wurkje soe. Dat de iennige dy’t oait in probaat middel tsjin skilferkes ûntwikkele hat in Frânske dokter is dy’t dêr spitich genôch noait erkenning foar krigen hat. Joseph Guillotin hjitte dy man en syn guillotine is it iennige apparaat dat definityf in ein makket oan elk ûngemak dat in mins mei kapsel en hollehûd hawwe kin. Dat woe ik tsjin him sizze. Dat, en noch folle mear. Mar ik sei neat.

Ik woe him folgje doe’t er syn tocht troch de winkel nei de kassa makke, mar by it toskpoetsersguod ried ik mysels fêst. Moandeis steane der by de Kruidvat noch mear doazen tusken de rekken as op oare dagen.


*


It bizarre wie dat ik de deis dêrfoar op it ynternet ferbjustere nei syn foto sitten hie te sjen. En dat ik dêrnei op Google langer as in oere allerhanne nijsgjirrige dingen oer him en oer syn boeken sitten ha te lêzen.

Hoe giet soks? Ik stoarre foar de safolste kear op it skerm fan myn kompjûter nei bylden fan de cruisereis lâns de Noarske fjorden dy’t ik sa graach meitsje wol, mar net oandoar. Ik surfte fierder. Om tiid te deadzjen en tinken te ferjeien. Ik bedarre sûnder dat ik dat woe by de reklame dy’t myn eigen stêd makket om de wrâld entûsjast te meitsjen foar it programma dat er presintearret omdat er – troch God mei witte wa, of miskien wol troch himsels – ta kulturele haadstêd fan Europa útroppen waard. It makket my poer. Ik ferpof it om de Mata Hari-tentoanstelling yn it Fries Museum te besykjen. Ik ferpof it om nei djoere foarstellingen yn De Harmonie te gean. Ik ferpof it om by de bakker it ‘offisjele kulturele haadstêdgebakje’ te keapjen. Wylst ik my ôffrege wêr’t dy healwize haat wei kaam, ferskynde ynienen syn namme tusken oare nammen. Twa klikken fierder en ik seach syn gesicht.

‘Ge moet mij niet zoeken. Ik zal vanzelf weer op uw pad verschijnen. Uit het niets.’ Dat sei er mear as fiifenfjirtich jier lyn tsjin my.

Hy hat wurd holden.

*


Ik wie in famke fan hast achttjin. In fet fol langstme. Oanienwei op syk nei flechtwegen út de benearing en út de mislik meitsjende lucht fan in boerehûs achter it stasjon fan Frjentsjer.

It wie de simmer fan A Whiter Shade of Pale fan Procol Harum. En fan it wûndermoaie Vincent fan Don McLean. Ek fan it erbarmlike Hello A fan Mouth & MacNeal.

Neffens syn sizzen hie hy neat mei muzyk. ‘Commercie en gebakken lucht’. Hy sei dat tsjin my doe’t wy tegearre – ‘Starry, starry night …’ – op ’e stiennen râne by de Suderkade nei it nachtswarte kanaalwetter sieten te sjen. Myn boppe-earm rekke sines.


*


Dat ik it net yn myn sleauwe blonde holle helje moast om mei ymport thús te kommen. Dat hie ús heit my faak genôch yndruid. Foar alle dúdlikheid: elke sterveling dy’t syn kachel op mear as fiif kilometer ôfstân fan it keatsterrein fan Frjentsjer oppoke, wie ûnwjerlisber ymport.

Boppedat moast it in keardel mei in minimum oan boereferstân wêze én mei hannen oan it liif.

‘De easken binne heech en it oanbod om út te kiezen is lyts,’ doarst ik oait te oppenearjen.

‘Tinksto dat jim mem en ik oait wat te kiezen hienen? En tinksto dat ús gelok dêrtroch bepaald waard? Gelokkich wurde je troch te wurkjen, net troch te kiezen foar loftkastielen.’

Us mem befêstige dat boadskip swijend. Mei in rjochte rêch en tinne lippen.

Us mem is der al mear as tritich jier net mear.

Us heit is der noch wol.

Hy sit yn it wensoarchsintrum Erasmus op de Himpenserdyk te wachtsjen op Godot. Hy is sels ymport wurden. Yn Ljouwert; de stêd wêrfan’t er eartiids bewearde dat sels de duvel dêr ferdwaalde. Syn minimum oan boereferstân is maksimaal ferflein en syn reuzehannen lizze meastal krampachtich op ’e râne fan ’e tafel.

Myn pamper wurdt twa kear deis ferfarske, sines fiif kear. Mar hy beseft net dat er syn fersoarchsters dêr tankber foar wêze moat. As ik by him op besite bin, freget er my faak oft de kij al molken binne en oft it wier is dat de Sint Franciscustsjerke oan de Godsacker sloopt wurdt.

‘Soe bêst kinne,’ sis ik dan. Ik siet noch op de skoalle fan suster Femia doe’t de tsjerketoer mei in protte leven opblaasd waard, 1961 of dêromhinne. En wat de kij oanbelanget: op ’e pleats waard yn oktober ’89 boelguod holden. De boerinne wie in jier earder, nei in koart siikwêzen, ferstoarn en de boer realisearre him dat syn neigeslacht noait mei in opfolger op it hiem ferskine soe.

Twa jier lyn haw ik ús heit fan de Westerpoort yn Frjentsjer nei Erasmus oerkomme litten. Om’t it mei myn Mata Hari alle kearen in behyplike ûndernimming wie om nei Frjentsjer te reizgjen; mear obstakels as wille. Mar ek en foaral omdat ik dêr altyd wer oerfallen waard troch roettsjustere gedachten.

Dat ik it net yn myn sleauwe blonde holle helje moast om mei ymport thús te kommen … Dat ik der net iens oan tínke mocht om de Hillige Roomske Tsjerke de rêch ta te kearen … Dat er genôch ûnderfining mei keallen hie om oan it wyt fan myn eagen te sjen dat ik útbrekke woe … Dat er my byneed, oant de wiisheid yn my delsonken wêze soe, op wetter en brea opslute soe op myn keamer …

Likegoed rin ik oer fan meilijen as ik him, mei syn lekkende noas op tsien sintimeter fan syn knibbels, bernsk yn syn stoel sitten sjoch.


*


Bin ik synysk? Faak.

Bin ik ûngelokkich? Soms.

Bin ik iensum? Nee, wol allinnich.

Bin ik egoïstysk? Sa as elkenien.

Wol ik dea? Nee.

Haw ik plannen? In soad.


*


Op 20 septimber 1954 gong Frjentsjer oer op ierdgas. Op 20 septimber 1954 bin ik berne. Us mem hat my wol hûndert kear ferteld dat ik berne bin op de dei dat Frjentsjer oergong op ierdgas. Soms hie ik sels it gefoel dat se my minder belangryk fûn as it ierdgas. Ik gean der sûnder mear fan út dat ik stjerre sil op de dei dat it ek mei it ierdgas ôfrûn wêze sil. As it fan dy fan Grinslân ôfhinget, sil dat net al te lang mear duorje.

Dat hy ek yn ’54 berne wie, mar dat se yn België yn dy tiid noch net wisten wat ierdgas wie, fertelde er, dêr en doe op ’e stiennen râne by de Suderkade. Wylst er dat sei, lei er syn hân op myn knibbel. Ik wist doe noch net dat dat de earste en de lêste hân wie dy’t ik op myn knibbel fiele soe.


*


Wêr’t foarhinne de finzenis wie, kinst no boeken liene. Dêrom hjit it dêr no dbieb. Nei alle gedachten hat in hiel djoer buro in oantal foarstellen formulearre. Nei alle gedachten is dêrnei dagenlang yn alle earnst fergadere en tsierd om in definitive kar te meitsjen, want je kinne sa’n plak dochs net gewoan biblioteek neame. Sadwaande hawwe se oer de holle sjoen dat ek minsken mei in Mata Hari wolris gebrûk fan harren tsjinsten meitsje wolle soenen. Ik jou myn Mata Hari kado oan dejinge dy’t dêr, sûnder ergens tsjinoan te riden, fanôf de haadyngong de ôfdieling Byldzjende Keunst mei berikke kin. Fierder jou ik earlik ta dat se dat âlde sellekompleks wier wol moai ferboud hawwe en dat de bewakers ferfongen binne troch freonlik en behelpsum personiel.

Mar wa seit dat de sipiers dy’t it foarhinne foar it sizzen hienen ek net freonlik en behelpsum wienen?

Mei in swym fan fenyn yn myn stim – ik koe it spitigernôch net litte – haw ik frege oft ien my de Ljouwerter Krante oanjaan koe. De planken dêr’t de kranten op lizze, hingje nammentlik op in hichte dêr’t allinne in steand persoan sicht op hat en by kin.

‘ZORGWEKKEND: MEISJES VAN ELF DE PROSTITUTIE IN’ blokletteret de foarpagina. Alles kin. Alles bart. Hjoed stiet it yn de krante, moarn wurdt der wer oer swijd.

Op de folgjende side krij ik in masterclass fraudelear oanbean: dêr wurdt presys útlein hoe’t tûzenen boeren bergen subsydzjejild yn ’e bûse stieken troch melkkij as rier yn ’e boeken te setten. De boeren dy’t dat net dien hawwe, moatte harren no echt wol Jan Lul fiele. Mar goed dat ús heit gjin kranten mear lêst.

Op side 23 wurdt it echt ynteressant. Dêr stiet: ‘PARKEERPLEK INVALIDEN VERGETEN BIJ DBIEB.’

‘Het is tweeënhalf jaar lang geen onderwerp van gesprek geweest. Achteraf is dat spijtig,’ jout de direkteur fan dbieb ta. Hy hat grut gelyk, dy man: achterôf is dat yndied híél spitich. Ik bin bliid dat ik gjin auto haw, oars hie ik my ek drok meitsje moatten oer dy parkearplakken dy’t der net binne.

Fierderop lês ik dat de biblioteek fan doel is om in stik as wat optearrolstuollen oan te skaffen. ‘Er komen soms mensen met een scootmobiel binnen. Vanwege de indeling is het handiger om je in een rolstoel te verplaatsen.’

En wa sil my út myn Mata Hari hise en yn sa’n rolstoel sette? En soe it net simpeler wêze om wat oan de yndieling te feroarjen? Miskien soenen se dêr ris oer prate kinne mei minsken dy’t de hiele dei yn in scootmobyl fêstsitte.

Krekt as ik dat tink, sjoch ik him sitten. Oan in taffeltsje yn it biblioteekkafee. Mei in kop kofje foar him. En de Ljouwerter Krante. As ik hiel ticht by him lâns ryd, sjoch ik dat syn krante iepen leit op side 23. It is freedtemoarn 9 febrewaris 2018.


*


Doe’t ik him foar it earst seach, siet er ek de krante te lêzen.

Yn de wykeinen wurke ik – altyd op syk nei flechtwegen út de benearing – yn De Nieuwe Doelen, it kafee en hotel by de Martinytsjerke. Oan de kroechtafels sieten yn ’e regel âldere ynwenners fan Frjentsjer, in inkelde kear ek wol in hotelgast. Dochs wie hy – hier oant op ’e skouders en lange bakkeburden – dêr nei binnen stapt. Hy hie, as wie er dêr thús, in krante fan de lêstafel meinommen en wie yn in hoekje by it rút sitten gongen. Baas Harry Schuitmaker hie my opdroegen om altyd ien minút te wachtsjen en dan pas op in nije klant ôf te stappen. Mar safolle geduld hie dizze nije klant net. Ut syn hoekplakje wei frege er om in beiejenever. Ik rûn nei him ta en ik sei, ik wit ek net wêrom: ‘We hebben ook Beerenburger.’

‘Dat zal wel, maar ik drink liever bessenjenever.’

‘Het zij zo,’ haw ik antwurde.

Doe’t ik oeren letter, wer ûnderweis nei de benearing, troch de Dykstrjitte rûn, siet er yn it finsterbank fan slachterij Terpstra.

‘Zit ge er iets mee in als ik een eindje mee wandel?’

Hoe nuver kin in fraach steld wurde? En hoe koe hy witte dat ik fia de Dykstrjitte wer nei hûs gean soe?


*


It hâldt net op.

Ik sit, farsk en fris pampere, troch it rút fan myn wenkeamer te sjen nei de einleaze stream winkeljende sneonsminsken dy’t sa goed binne om ús ekonomy draaiende te hâlden, as ik op ’e radio hear dat der aanst in ynterview mei him komt. Ik ryd nei it radiotastel en set it út. Twa minuten letter set ik it wer oan. Fjouwer kear herhellet him dat.

Dan hear ik hoe’t Douwe Heeringa de skriuwer – ‘dy’t hielendal út België wei hjirhinne kommen is om in ferhaal oer Ljouwert te skriuwen’ – yntrodusearret. Heeringa neamt titels fan boeken en hat it oer prizen en nominaasjes.

Dêrnei seit de skriuwer dat er, nettsjinsteande dat, by him thús likegoed alle moandeitemoarnen de container oan ’e dyk sette moat. It is te hearren dat er dat flauwe grapke al op syn minst hûndert kear ferkocht hat. Holle wurden, opbakte lucht en saai radiobehang ... Dat tink ik. Mar ik kin it net litte om fierder te lústerjen.

‘Hoelang ben je nu al in Leeuwarden?’ freget Douwe Heeringa.

‘Sedert vorige zondag.’

‘En hoe begin je daar dan aan, aan zo’n verhaal over Leeuwarden?’

‘Ik ben maandagochtend naar de Kruidvat gegaan om daar shampoo te gaan kopen.’

‘Shampoo? Hadden ze dat dan niet in je hotel?’

‘Jawel, maar ik had speciale nodig. Dus ben ik naar de Kruidvat gegaan. Daar zag ik een mevrouw in wat jullie, denk ik, een scootmobiel noemen.’

‘Een scootmobiel, ja, hoe heet dat dan bij jullie in België?’

‘Wij kennen dat woord niet. Wij kunnen zo’n ding alleen maar met een lange omschrijving benoemen. Maar het gaat me daar niet om. Ik zag hoe die dame zich helemaal klem reed in de al te smalle gangen tussen de overvolle winkelrekken van de Kruidvat. Ik heb daar en toen besloten dat die mevrouw het hoofdpersonage in mijn Leeuwardenverhaal zou worden.’

Alles kin. Alles bart.

Omdat ik net fluch genôch by de knoppen bin om de radio noch mar ris út te setten, hear ik ek dat de skriuwer op freed 16 febrewaris yn kafee ’t Anker foarlêze sil. Tagongsjild hoecht dêr net foar betelle te wurden.


*


Op 21 july 1972 om in oere as fjouwer yn ’e moarn waard ik mei in ambulânse nei it Bonifatius Hospitaal, it Bonnehos, yn Ljouwert brocht. Omdat ik noch gjin achttjin wie, kaam ik op de berneôfdieling telâne. Op ’e rêch lizzend, stoarjend nei it plafond en mei beukergejank yn ’e earen, haw ik dêr oeren wachtsje moatten foar’t der in dokter nei my omseach. Doe’t dy einlik opdaagjen kaam, sei er: ‘Och heden, dit is wol wat slimmer as dat ik ferwachte hie.’ Myn fingers omklammen, as iennich hâldfêst, in metalen boartersguodautootsje.

Wa’t roomske âlders hie, learde skriuwen en rekkenjen op in roomske skoalle en waard by kalamiteiten nei in roomsk sikehûs brocht. Sa gong dat yn dy tiid. Ik haw lang tocht dat it miskien oars mei my rûn wie as se my yn it Triotel of yn it Diakonessehûs de earste soargen tatsjinne hienen. Yntusken wit ik dat dat gjin ferskil makke hie.


*


Hoe en wêrom’t er yn Frjentsjer bedarre wie, frege ik him doe’t wy troch de Dykstrjitte rûnen.

‘We kamperen hier, op Bloemketerp. Met een groep scouts.’

‘Scouts?’

‘Padvinders. We zijn hier al bijna twee weken. Overmorgen vertrekken we weer.’

Wy wienen hast like grut. Oantreklik wie er net. Unkreas likemin. Hy bleau ûnder it rinnen ek hieltyd op de goede ôfstân neist my. Tichtby en dochs net bedriigjend.

‘Waar zijn je vrienden?’

‘Ze vieren feest. In een of ander café.’

‘Waarom ben je niet bij hen gebleven?’

‘Omdat ik u wilde tegenkomen.’

Dat antwurd oerfoel my. Ik begûn, ynienen en samar, te gûlen. Pubertriennen.

Ik hie se better opsparje kinnen.


*


De deis foar myn achttjinde jierdei kaam de dokter neist myn bêd te stean. Om te sizzen dat hy der gjin doekjes om wine woe.

‘Wy steane machteleas,’ sei er, ‘do bist oan dyn mul ta ferlamme. Silst noait mear rinne kinne. Ik hoopje, ik hoopje datst safier komst datst dyn útskiedingsfunksjes wer ûnder kontrôle krijst.’

Myn útskiedingsfunksjes!

Fijne jierdei, Joke!


*


Ein oktober, ik hie presys trije moanne yn it Bonifatius lein, ha se my wer nei hûs brocht. It ambulânsepersoniel prate tsjin my as oft ik in bern wie. Ik wist doe noch net dat de measte minsken oars prate tsjin ien dy’t ynfalide is. Der wie in soad dat ik doe noch net wist.

Us mem hat har bêst dien. Mei in rjochte rêch en tinne lippen.

Se hat my fersoarge. Sûnder meilijen. Dat wie de goede hâlding.

Se woe my meinimme nei it sintrum. Nei de biblioteek. Nei De Nieuwe Doelen. Oeral hinne. Ik wegere. Dat wie de ferkearde hâlding.

Ik woe gjin minsken tsjinkomme. Wat se ek seinen of dienen; it makke my ûngelokkich. De ûnderste helte fan myn lichem wie en is gefoelleas. De boppeste helte fielt tefolle.

Jierren en jierren haw ik de wrâld út myn keamer wei besjoen. Yn stilte. Want ek muzyk koe ik net ferdrage. Ien hie tsjin my sein dat dat kommersje en opbakte lucht wie.

Ik seach treinen kommen en gean. Ik seach de sloop fan it stasjonsgebou. Ik seach de supermerk fan Poiesz ferrizen. Ik seach foaral in protte wolken.

Ik lies boeken, ik lies in ûneinich soad boeken. Altyd wie it wittenskip: skiednis, archeology, geology … Romans woe ik net lêze. Ik wol se noch net lêze. Om’t hast alle personaazjes dy’t dêryn foarkomme, gean en stean kinne wêr’t se mar wolle.

Soms kaam ús heit neist my sitten.

‘Heit hoecht net bang te wêzen dat ik oait mei ymport thúskom,’ haw ik op in gegeven momint tsjin him sein, ‘mar in keardel mei boereferstân en mei hannen oan it liif hoecht heit ek net daliks te ferwachtsjen.’

Hy seach my doe ferwyldere oan.

In kertier letter seach ik him – rûngear, mei hingjende skouders – in kroade fol stront fan de stâl nei de rûchskerne bringen. Healweis liet er dy kroade stean. Hy rûn it lân yn. In swarte bewegende stip yn in egaal dekôr.

It brânwachtautootsje dat jierren yn myn finsterbank stien hie, haw ik doe yn in kast opburgen.


*


Oerenlang ha wy op dy stiennen râne by de Suderkade sitten.

Sa no en dan oerfoel de panyk my, omdat ik wist hoe lilk at ús heit wêze soe as ik thúskaam. Ik waard – ‘Wêrom?’ ‘Dêrom.’ – ferûndersteld om op syn lêst om alve oere thús te wêzen. It net neikommen fan dy regel koe blauwe plakken en in lang útgeansferbod opleverje.

De panyk ebbe – syn boppe-earm tsjin mines – hieltyd wer wei.

Ik fertelde him oer de benearing.

Hy sei dat him dat bekend foarkaam. Hy kaam út in plak net sa fier fan Antwerpen ôf en dêr waarden âlders ek ûngelokkich as harren bern it fan tefoaren útstippele paad net folgen.

‘En dus zullen mijn ouders ongelukkig worden,’ sei hy.

‘De mijne ook,’ sei ik.

It wie oer healwei twaen doe’t wy ûnder de luifel fan it oaljefabryk stienen. Hy tsjin my oan, ik tsjin him. Syn lippen, myn lippen. Syn hân, myn hân.

‘Ik moet ervandoor,’ sei ik.

‘Ik ga mee tot aan uw huis.’

‘Nee, ik ga alleen.’

‘Zien we elkaar nog?’

‘Morgenavond, hier op deze plek. Om acht uur.’

En doe liet er my, ik wit net wêr’t er it wei helle, in boartersguodautootsje sjen. In brânwachtweintsje.

‘Wat is dat?’

‘Matchbox nr. 9, mijn lievelingsautootje. Ik heb het al van toen ik op de kleuterschool zat altijd op zak. Neem het mee en geef het me morgen terug.’

‘Gek!’ sei ik.

Syn lippen, myn lippen. Syn hannen, myn hannen.

‘En wat als er morgen een kink in de kabel komt?’ Ik tocht deroan hoe’t ús heit tekeargean soe.

‘Ge moet mij niet zoeken. Ik zal vanzelf weer op uw pad verschijnen. Uit het niets.’


*


Nei’t de pleats ferkocht wie, bin ik definityf nei Ljouwert ferhuze.

Dat wie op moandei 8 jannewaris 1990. Ik wie in frou fan fiifentritich. Ik hie mysels santjin jier lang opsletten yn de hoekkeamer fan in boerehûs op it Fryske plattelân. Blykber wie dat noadich.

De stêd hat my goed opfongen. De stêd hat my leard, holpen en bystien. Yn myn hûs waarden alle drompels fuorthelle, de doarren waarden ferbrede, de wurkblêden yn myn keuken waarden ferlege.

Bûtendoar bliuwe der in soad putten en hobbels. En minsken dy’t nei my sjogge as oft ik Gerrit Keizer bin, en dan bedoel ik net de fuotballer mar wol de kermisdwerch. Mar sûnder wjerstân is faren gjin keunst.

Ik haw de freonen en de freondinnen dy’t ik lang net hie.

Ik haw de stêd groeien sjoen. Der kamen tuorren dy’t ik earst ûneachlik fûn mar dy’t ik no net mear misse wol. It is ek goed dat der no minder auto’s troch de strjitten ride en dat der wer mear boaten mei mêsten op it wetter lizze.

Alle dagen sjoch ik blonde famkes fan sawat achttjin, en dan tink ik … Tsja, wat tink ik dan?


*


Der brânden gjin ljochten doe’t ik dy nachts by de pleats oankaam. Ik gong derfan út dat se sliepten. As ik yn ’e hûs komme koe sûnder se wekker te meitsjen, koe ik letter lige oer de tiid dat ik thúskommen wie. It iepensteande raam fan myn sliepkeamer lokke my. Ik wie linich. Ik wie jong. De daksgoate hold my net. Ik bin op in molkamer fallen. It boartersguodautootsje dat ik, om de hannen frij te hawwen, op myn rêch achter de riem fan myn broek stutsen hie, hat trije rêchwervels ferbrizele. Mear wie it net.


*


No stiet syn foto ek yn de Ljouwerter Krante. Ik sil it bybehearrende artikel net lêze. Ik haw ek besletten dat ik net nei dy lêzing yn kafee ’t Anker gean. Ik bin trouwens bang dat ik dêr dochs net ynkom, want der sit in opstapke flak achter de doar.

Ik haw sakrekt, nei fiif jier twifeljen, de cruise boekt dy’t my nei de Noarske fjorden bringe sil. Fan ’e middei sil ik mei myn Mata Hari de Mata Hari-tentoanstelling besykje. Dêrnei traktearje ik mysels op it offisjele kulturele haadstêdgebakje. De benearing is fuort.

Fan ’e moarn siet er wer yn it kafee fan dbieb. Hy hat dêr blykber syn kantoar fan makke. Op in gegeven momint gong er stean. Ik seach him ferdwinen achter de doar fan de wc. Syn jas hong noch oer de leuning fan syn stoel. Ik bin derhinne riden en ik haw Matchbox nr. 9 yn syn jasbûse glydzje litten.

Sûnt dat momint is de benearing fuort.

Ik gean derfan út dat er fansels wer op myn paad ferskine sil. Ut it neat.

 

 

Ljouwert, febrewaris 2018

 

 

Oerset út it Nederlânsk troch Ytsje Steen.

 

Ytsje Steen-Buwalda (1959), oait begûn as sekretaresse op in notariskantoar yn Fryslân, wurket no al wer moai wat jierren as freelance oersetter/korrektor, sûnt 2011 ûnder de namme Sekuer Oersetburo. Twa oersettingen dy’t sy op eigen inisjatyf útjaan litten hat, binne ‘Kening fan Katoaren’ (Jan Terlouw) en ‘Jip en Janneke yn it Frysk’ (Annie M.G. Schmidt).

Print

Matchbox no. 9


I saw him at the Kruidvat chemist’s on Wirdumerdijk. Briefly, one Monday in February. A few hundred metres from Grote Kerkstraat, where I live. Everything’s possible. Everything happens.

To escape from the icy wind I had driven into the Kruidvat on my Mata Hari. My Mata Hari is an electric wheelchair. I’ve given the vehicle that name because of the mysterious quirks it exhibits at the most inappropriate moments.

He was standing under the advertising slogan ‘STRONG SHINY HAIR’, looking grey. He was viewing scores of types of shampoo. After some hesitation he went for Head & Shoulders. Menthol Cool.

I wanted to tell him he was wasting his money buying that expensive shampoo. That you could be sure the stuff wouldn’t help a bit in getting rid of dandruff. That the firm of Head & Shoulders would go under if their phoney rubbish brought any relief. That the only person to develop a reliable remedy for dandruff is a French doctor who unfortunately never received recognition. The man’s name was Joseph Guillotin and his guillotine is the only device that puts an end once and for all to all the discomfort a person can have with their hair and scalp. That’s what I wanted to say to him. That, and much more besides. But I kept mum.

I wanted to follow him as he made his way through the shop to the checkout, but I got stuck at toothpaste. On Mondays there are even more boxes between the shelves at Kruidvat than on other days.

 

*


The weird thing was that the day before I had been looking in desperation at his photo on the internet. And that I had then spent over an hour reading all kinds of facts about him and his books.

How do these things work? I was staring for the umpteenth time at my computer screen at pictures of the cruise along the Norwegian fjords that I so want to go on but don’t dare to. I went on surfing. To kill time and drown out thoughts. Without wanting to I found myself looking at the propaganda my own town was employing to interest the world in the programme it was presenting because it has been proclaimed cultural capital of Europe, god knows by whom, perhaps by itself. It drives me nuts. I refuse to visit the Mata Hari exhibition in the Frisian Museum. I refuse to attend expensive performances at De Harmonie. I refuse to buy the ‘official cultural capital pastry’ at the baker’s. As I wondered where this irrational hatred came from, his name suddenly appeared among other names. Two clicks and I saw his face.

‘You mustn’t look for me. I’m bound to cross your path again. From nowhere.’ That’s what he said to me over forty-five years ago.

He kept his word.

 

*


I was a girl of almost eighteen. A bundle of longing. Constantly looking for ways to escape the oppressiveness and sickly smell of a farmhouse behind the station in Franeker.

It was the summer of A Whiter Shade of Pale by Procul Harum. And the marvellous Vincent by Don McLean. Also of the wretched Hello A by Mouth & MacNeal.

In his own words he didn’t go for music at all. ‘Commercialism and hot air.’ He said it to me when – ‘Starry, starry night…’ – we were looking at the deep black water sitting on the big stone by the water’s edge on the Zuiderkade. My upper arm touched his.

 

*


I should get it into my bimbo head not to bring home imported goods. My father had repeatedly drummed that into me. Just to be clear: every mortal who poked his stove more than, say, five kilometres from the Franeker fives courts was incontrovertibly imported goods.

Besides, he must be a chap with a bare minimum of farmer’s nous and a good pair of hands.

‘The specifications are high and the choice is small,’ I once ventured to suggest.

‘Do you think your mother and I had a choice? And do you think that determined our happiness? You garner happiness by working, not by opting for castles in the air.’

My mother confirmed the message by saying nothing. With a straight back and thin lips.

My mother hasn’t been around for over thirty years.

My father still is.

He sits in the Erasmus care home on Hempenserweg waiting for Godot. He’s become imported goods himself. In Leeuwarden, the town where he used to maintain even the devil got lost. His bare minimum of farmer’s nous has suffered maximal evaporation and his giant hands usually lie twisted on the edge of the table.

My Pampers are changed twice a day, his five times. But he isn’t aware that he should be grateful to his carers. When I visit him, he often asks me if the cows have been milked and if it’s true that the Saint Francis church on the Godsacker is going to be demolished.

‘Quite possibly,’ I say. I was still at Sister Femia’s school when the church tower was blown up, in 1961 or thereabouts. And as far as the cows were concerned: in 1989 a public sale was held on the farm. The famer’s wife had died a year previously after a short illness and the farmer realised that that his heir would never appear in the farmyard with a successor.

Two years ago I had my father transferred from the Westerpoort in Franeker to Erasmus. Because it was a tricky business travelling to Frjentsjer every time on my Mata Hari; more obstacles than pleasure. But also because I was invariably seized by the blackest thoughts.

That I should get it into my bimbo head not to bring home imported goods. That I mustn’t think of turning my back on the Holy Catholic Church… That he had enough experience with calves to know from the whites of my eyes that I wanted to break out… That if necessary he would shut me up in my room on bread and water, until wisdom descended on me…

Yet I dissolve in pity when I see him sitting senile in his chair, his runny nose ten centimetres from his knees.

 

*


Am I cynical? Often.

Am I unhappy? Sometimes.

Am I lonely? No, but I am alone.

Am I egotistical? Like everyone.

Do I want to die? No.

Do I have plans? Lots.

 

*


On 20 September 1954 Franeker switched to natural gas. On 20 September 1954 I was born. My mother must have told me a hundred times that I was born on the day that Franeker switched to natural gas. Sometimes I had the feeling that she thought I was less important than the natural gas. I work on the assumption that I will die on the day the natural gas runs out. If it depends on Groningen’s, it won’t take that long.

‘I was born in ’54 too, but in those days they didn’t know what natural gas was in Belgium,’ he said there and then on the big stone by the water’s edge on the Zuiderkade. As he said it he put his hand on my knee. I didn’t yet know that it was the first and last hand I would feel on my knee.

 

*


Where the prison used to be, you can now borrow books. That’s why it’s called the Lib. Probably a very expensive agency formulated some proposals. Probably after that there were days of meetings in all seriousness in order come to a final choice, because you can’t simply call a place like that a library. In that way they overlooked the fact that people with a Mata Hari might want to make use of their services. I’ll make a gift of my Mata Hari to anyone who gets from the main entrance to the Visual Arts section without bumping into something. Apart from that I admit gallantly that they have really rebuilt that old cell complex very nicely and that the warders have been replaced by friendly and helpful staff.

But who says that the prison warders who previously called the tune were not also friendly and helpful?

With some venom in my voice – I unfortunately couldn’t help it – I asked if someone could hand me the Leeuwarden News. The thing is, the shelves with the newspapers on them, are at a height where only a standing person can see and reach them.

‘CAUSE FOR CONCERN: GIRLS OF ELEVEN GO INTO PROSTITUTION’ says the front page in banner headlines. Everything’s possible. Everything happens. Today it’s in the papers; tomorrow it’s hushed up again.

On the next page a masterclass in fraud theory is dished up: it is explained in great detail how thousands of farmers lined their pockets with piles of subsidy money by entering milk cows as heifers in their books. The farmers who didn’t do that must really feel like pricks now. Just as well my father doesn’t read the papers anymore.

On page 23 it gets really interesting. The headline is: ‘DISABLED PARKING SPACE FORGOTTEN AT LIB.’

‘For two and a half years it was not a topic of conversation. With hindsight that is a shame,’ admits the director of the Lib. He is quite right, that gentleman: with hindsight that is a great shame. I’m glad I haven’t got a car; otherwise I would also have to get worked up about the parking spaces that are not there.

Further down I read that the library intends to acquire a number of foldable wheelchairs. ‘People sometimes come in on mobility scooters. Because of the way things are arranged it’s handier to get around in a wheelchair.’

And who is going to lift me from my Mata Hari into one of those wheelchairs? And wouldn’t it be easier to change something about the way things are arranged? Perhaps they should talk about it to people who are stuck in a mobility scooter from morning till night.

At the moment I think that, I see him sitting there. At a table in the library café. With a cup of coffee in front of him. And the Leeuwarden News. As I brush past him in my wheelchair, I see that his paper is open at page 23. It is Friday morning, the 9th of February 2018.

 

*


When I saw him the first time, he was also sitting reading the paper.

At weekends – always in search of ways out of the oppression – I started helping out in De Nieuwe Doelen, the café and hotel near the Martinikerk. There were usually older inhabitants of Franeker sitting at the pub tables, very occasionally a hotel guest. Still he had come in, hair down to his shoulders and long sideburns. He had taken a paper from the reading table, as if he were at home and had sat down in a corner by the window. Landlord Harry Schuitmaker had impressed on me always to wait a minute and only then approach a new customer. But this customer didn’t have that much patience. From his corner position he asked for a berry jenever. I went up to him and I said, I don’t know why: ‘We have Beerenburger too.’

‘I’m sure you have, but I prefer berry jenever.’

‘So be it,’ I answered.

When hours later, on my way back to oppression, I was walking down Dijkstraat, he was sitting on the window ledge of Terpstra the butcher’s.

‘Would it bother you if I walk a little way with you?’

How oddly can one ask a question? And how could he know that I would be going back home via Dijkstraat?

 

*


It doesn’t stop.

I am sitting, fresh and newly pampered, looking out of the window of my living room at the endless stream of Saturday people who are good enough to keep our economy ticking over, when I hear on the radio that an interview with him is coming up. I drive over to the set and switch it off. Two minutes later I turn it back on. That was repeated four times.

Then I hear Douwe Heeringa introduce the writer – ‘has come here all the way from Belgium to write a story about Leeuwarden. Heeringa mentions the titles of books and talks about prizes and nominations.

The writer then says that ‘despite that, at home he has to put out the rubbish bins every Monday morning.’ You can hear that has told that lame joke at least a hundred times. Empty words, hot air and faded radio wallpaper… That’s what I think. But I can’t stop listening.

‘How long have you been in Leeuwarden?’ asks Douwe Heeringa.

‘Since last Sunday.’

‘And how do you start on a story about Leeuwarden?’

‘On Monday morning I went to the Kruidvat to buy shampoo.’

‘Shampoo? Didn’t they have any in your hotel?’

‘Yes, but I needed a special one. So I went to the Kruidvat. There I saw a lady on what I believe you call a mobility scooter.’

‘A mobility scooter, yes, what’s it called in Belgium?’

‘We don’t have the word. We can only name such a thing by using a long description. But that’s not the important thing. I saw how that lady got completely stuck in the all too narrow aisles between the crammed shelves of the Kruidvat. I decided then and there that that lady would become the main character in my Leeuwarden story.’

Everything’s possible. Everything happens.

Because I can’t reach the knobs quickly enough to turn the radio off again, I hear also that the writer will be reading from his work in the ‘t Anker café on Friday 16 February. Admission free.

 

*


On 21 July 1972 at about four in the morning I was taken by ambulance to the Bonifatius Hospital, known as the Bonnebos, in Leeuwarden. Because I wasn’t yet eighteen, I found myself in the children’s section. Lying on my back, staring at the ceiling and listing to the howling of toddlers I had to wait hours before I saw a doctor at my bedside. When he finally arrived he said: ‘Oh dear, this is a bit worse than I had expected.’ My fingers clutched the only thing I had to hold on to, a metal toy car.

Anyone with Catholic parents learned writing and arithmetic at a Catholic school, and would, after calamities, be taken to a Catholic hospital. That was the way in those days. For a long time I thought that things might have been different with me if they had given me emergency treatment in the Triotel or the Diakonessenhuis. Meanwhile I know that it wouldn’t have made any difference.

 

*


I asked him how and why he had wound up in Franeker, as we walked along Dijkstraat.

‘We’re camping here, on Bloemketerp. With a group of scouts. We’ve been here almost two weeks. We’re leaving the day after tomorrow.’

We were almost the same height. He wasn’t attractive. Or ugly. He also kept walking beside me the right distance away. Close but not threatening.

‘Where are your friends?’

‘They’re celebrating. In some pub or other.’

‘Why didn’t you stay with them?

‘Because I wanted to meet you.’

That answer took me by surprise. Suddenly and for no good reason I began to cry. Teenager’s tears. I’d have done better to save them up.

 

*


The day before my eighteenth birthday the doctor came and stood at my bedside. To say that he didn’t want to beat about the bush.

‘There’s nothing we can do,’ he said. ‘You’re paralysed up to your navel. You’re never going to walk again. I hope, I hope that you will manage to get your excretory functions back under control.’

My excretory functions!

Happy Birthday, Joke! *

 

*


At the end of October, I had been in the Bonifatius for exactly three months, they took me back home. The ambulance staff spoke to me as if I was a child. I didn’t yet know that most people talk differently to someone who’s disabled. There was a lot I didn’t yet know.

My mother did her best. With a straight back and thin lips.

She looked after me. Without pity. That was the right attitude.

She wanted to take me with her to the centre. To the library. To the Nieuwe Doelen. Everywhere. I refused. That was the wrong attitude.

I didn’t want to meet anyone. Whatever they said or did, it made me unhappy. The bottom half of my body was and is without feeling. The top half feels too much.

For years and years I looked out at the world from my room. In silence. Because I couldn’t stand music either. Someone had told me that it was commercialism and hot air.

I saw trains coming and going. I saw the demolition of the station building. I saw the Poiesz supermarket shoot up. I saw mainly lots of clouds.

I read books; I read endless quantities of books. It was always scholarly stuff: history, archaeology, geology… I didn’t want to read novels. I still don’t want to read them. Because almost all the characters in them are free to come and go as they please.

Sometimes my father came and sat with me.

‘You don’t have worry about my bringing home imported goods,’ I said to him at a certain moment, ‘but neither need you expect a chap with a farmer’s nous and a good pair of hands any time soon.’

He looked at me in bewilderment.

A quarter of an hour later I saw him – back bent, shoulders sloping downwards – taking a wheelbarrow full of dung from the cowshed to the slurry pit. Halfway there he left the wheelbarrow where it was. He walked into the field. A black moving dot in a uniform décor.

That was when I put the toy fire engine that had stood on my windowsill for years in a cupboard.

 

*


We sat for hours on the big stone by the water’s edge on the Zuiderkade.

Sometimes I was overcome with panic because I knew how furious my father would be when I got home. I was – ‘Why?’ ‘Because.’ – expected to be home by eleven o’clock at the latest. Breaking that rule could result in bruises and long ban on going out.

The panic – with his upper arm touching mine – kept ebbing away.

I told him about the oppression.

He said he knew about that. He came from a place near Antwerp and there too parents were unhappy if their children did not follow the path that had been mapped out for them in advance.

‘And so my parents will be unhappy.’

‘Mine too,’ I said.

It had gone one-thirty when we stood under the awning of the oil plant. He against me, me against him. His lips, my lips. His hand, my hand.

‘I have to go,’ I said.

‘I’ll take you to your house.’

‘No, I’m going alone.’

‘Will we see each other again?’

‘Tomorrow evening, here at this spot. At eight o’clock.’

And then he showed me, I don’t know where he produced it from, a toy vehicle. A little fire engine.

‘What’s that?’

‘Matchbox no. 9, my favourite vehicle. I’ve had it in my pocket ever since I was at nursery school. Take it with you and give it back to me tomorrow.’

‘Idiot!’ I said.

His lips, my lips. His hands, my hands.

‘And what if there’s a snag tomorrow?’ I was thinking of how my father would blow up.

‘You mustn’t look for me. I’m bound to cross your path again. From nowhere.’

 

*


After the farm was sold I moved permanently to Leeuwarden.

It was Monday the 8th of January 1990. I was a woman of thirty-five. For seventeen years I shut myself away in the corner room of a farmhouse in the Frisian countryside. Apparently it had been necessary.

The town looked after me well. The town taught, helped and supported me. In my house all the thresholds were removed, the doorways were widened, the work surfaces in my kitchen were lowered.

Outside there are still lots of potholes and bumps. And people who stare at me as if I am Gerrit Keizer, and I mean not the footballer but the circus dwarf. But without resistance there’s nothing to sailing.

I have the friends of both sexes I did not have for ages.

I’ve seen the town grow. Tower blocks appeared which at first I found ugly but which I wouldn’t be without any more. It’s also good that there are now fewer cars in the streets and that there are again boats with masts on the water.

Every day I see blond girls of about eighteen, and then I think… Well, what do I think?

 

*


There were no lights on when I arrived back at the farm that night. I assumed they were asleep. If I entered without waking them, I could lie later about the time I got home. The open window of my bedroom called out to me. I was supple. I was young. The gutter couldn’t take my weight. I fell on a milk churn. The toy vehicle that I had tucked on my back behind the belt of my trousers, crushed three vertebrae. That was all.

 

*


Now his photo is in the Leeuwarden News. I shan’t read the accompanying article. I have also decided that I won’t go to that reading in the ‘t Anker café. Anyway, I’m afraid I wouldn’t be able to get in because there’s a step up just behind the door.

After five years’ hesitating, I have just booked the cruise that will take me to the Norwegian fjords. This afternoon I shall go to the Mata Hari exhibition on my Mata Hari. Afterwards I shall treat myself to the official cultural capital pastry. The oppressive feeling has gone.

This morning he was in the Lib café again. He appears to have made it into his office. At a certain moment he got up from his place. I saw him disappear behind the toilet door. His coat was still hanging over the back of his chair. I rode over and slipped Matchbox no. 9 into his coat pocket.

Since then the oppressive feeling has been gone.

I assume he will cross my path again. From nowhere.

 

Leeuwarden, February 2018

 

 

Note
* ‘Joke’ is a first name in Dutch.

 

Translated from Dutch by Paul Vincent


Paul Vincent studied at Cambridge and Amsterdam, and after teaching Dutch at the University of London for over twenty years became a full-time translator in 1989. Since then he has published a wide variety of translated poetry, non-fiction and fiction, including work by Achterberg, Claus, Couperus, Elsschot, Jellema, Mulisch, De Moor and Van den Brink. He is a member of the Society of Dutch Literature in Leiden.