Het portret

Hagar Peeters

Hagar Peeters

Hagar Peeters (Amsterdam, 1972) brak nog voor haar debuutbundel Genoeg gedicht over de liefde vandaag (1999, Podium) verscheen door als dichter op het Double Talk-festival in 1997. Ze studeerde Cultuurgeschiedenis en Algemene Letteren aan de Universiteit van Utrecht en was redacteur bij het Historisch Nieuwsblad. Met Gerrit de stotteraar. Biografie van een boef (Podium, 2001) won zij de Nationale Scriptieprijs 2001 van Het Parool. Haar tweede dichtbundel, Koffers zeelucht (De Bezige Bij, 2003) kreeg de Jo Peters Poëzieprijs en de J.C. Bloemprijs. Peeters ontving de Nationale Gedichtendagprijs voor het gedicht 'Droombeeld' en bracht onder meer nog de dichtbundels Loper van licht (2008) en Wasdom (2011) uit. In 2005 werd zij door Nederlandse en Vlaamse scholieren verkozen tot Jeugddichter des Vaderlands en ze was een van de genomineerden voor Dichter des Vaderlands in 2009. Haar debuutroman Malva (2015, De Bezige Bij) werd in 2016 bekroond met de Fintro Literatuurprijs.

Close

Brugge Alle citybooks

Download de ePub-versie Print

Het portret


De kasseien liggen als vodden neergesmeten aan de voeten van de gebouwen. Keurig gestapelde vodden voor de nette toeristen om hun deftige passen over te zetten, op weg naar monumenten en langsheen de kronkelstraten voor de chocolaterieën. Het gebeier doet hen niet meer opzien. Zij zijn het kwartierlijks kwelen van de koperen klepels gewoon, zien enkel nog op of om volgens hun gidsen. Het is gemakkelijk door het leven loodsen met zo'n schatkaart, dus dat gezegde, dat van het concert des levens niemand een program heeft, geldt niet voor de bezoekers aan Brugge! Telt alleen voor alle anderen, en pas voor hen weer, dra zij thuis zijn, maar ze zijn het niet. Weggelopen uit hun eigen levens naar hier, begrijpen ze eindelijk hoe het leven loopt. Juist daarom lachen zij zo vrolijk op het ongetemde gebeier van de klokken.


Ik hoor er altijd:

Over de kasseien komen
die naar Brugge.
Zij zetten hun deftige passen
in kolonne, horde, in drommen
zijn van zichzelf de losgezongen
schaduwen die overdag weerkomen
en zij keren na een kort verpozen
allemaal weerom
op de lokroep van de klokken
met in hun handen hun boden;
ge kunt er de beiaard op luiden
dat zij weerom zullen komen.


Er zijn er die vragen naar een miniatuur-Brugge van chocolade. Zij zeggen: 'die daar, die zo trots zijn op hun lego, hebben Legoland, en die anderen, die hebben Disneyworld, en bij ons in Holland hebben wij Madurodam. Waarom dan Brugge een chocoladen Brugge niet?'

Maar ik zeg u: sinds hun komst ís heel Brugge al van chocolade! Het is een mirakel dat het Belfort niet zal smelten, en ook de Sint Salvatorkerk niet; dat de torenspitsen onder de zon niet afdruipen tot in de reien. Lichtbeslagen bronsbruin als van de bepoederde chocoladetruffels, zo bulken daar de gevels.

Dat alles op de paar vierkante meter: heel het leven samengedrongen van het voorgeboortige tot het nalevense, dat is bij elkander genomen veel meer dan een Tokio of New York. Daaraan toegevoegd al die Kunst en de werkelijkheden die Zij in zich draagt. Ik mag er fier op zijn. De levens van al die toeristen daarbij niet te vergeten. Wat die niet al met zich meedragen van heinde en van verre. Zelf denken die nooit meer aan thuis, maar ik zie dat in hun gezichten.

Ja, ge vraagt het mij maar! Ik zie meer toeristengezichten op één dag voorbijschieten dan Petrus zielen gewaarwordt aan de Hemelpoort.

Ach wat, ge moogt niet spotten met de ouderdom van de stad, zoals ge niet moogt spotten van de gelovigen met het geloof, en wat zou er van deze stad zijn zonder het geloof? Andere steden mogen dan uitgestrekter schijnen, zij zijn het slechts op een oppervlakkige manier: horizontaal in de tijd. Brugge strekt zich daarentegen uit naar boven en naar onderen: naar boven tot de oneindige Hemel waarheen de torenspitsen wijzen, en naar beneden tot in het verre verleden van klei en moeras. Ja, de torenspitsen schrijven van God in de Hemel zoals 't schrijverke volgens Gezelle de naam van God op het water schrijft. Zo schrijven de kunstwerken met hun kunst van God, en zo schrijf ik van Hem met mijn gezicht.



Ja, zelf ben ik een gezicht, een portret door Memling.

Al die eeuwen onaangedaan en onveranderlijk aanschouwd te zijn door zoveel ogen! Ze weten niet dat ik terugblik. Al wat ik weet van deze tijd, en van het veranderen van alle tijden, heb ik uit hun ogen gelezen, zozeer zijn die mij open boeken. Hun gezichten hebben voor mij geen geheimen. Bij leven immers, las ik de Geschriften, en door mijn elementaire kennis van de alchemie, de filosofie en de wiskunde was ik berekend op dat stelletje tegenvoeters, die horde barbaren, die Brugge zou komen overspoelen. O, ze halen het in hun onnozele hoofden dat ze ontwikkeld zijn. Ons, de verganen, de doden, de zeer vroegen, noemen ze de Vlaamse Primitieven! Maar wie zijn hier de werkelijk primitieven, vraag ik u?



Daar lopen ze: kweenes, zurkelfieges, prèntes. Veel babbelêttes, commééres, weinig snêlles maar zeer veel gasgèètes, zottekoentes en scharmienkels of êksevêls. Soms gatjes boven d'eirde, kiennekalles, kapelle-ieffrouwes, seutekabbas, schietteboanes, domme dooze, dookas, dragoenders en eeëte klienkes.

Ik zie de leegte in hun blikken, de gedachten aan niets anders dan die shop zus of zo daar om de hoek, of ze er straks wel of niet dat kleedje kopen. Met de mond nog vol chocolade en de telefoon aan het oor, lopen zij kauwende langs mij. Het is dat de suppoost belet dat ze mij betasten, anders zag ik allang roetbruin van de truffelvegen. Nu is mijn edel-bleke gelaat bijna doorschijnend, precies zoals de Meester het meende. De fijne, lichte verf, in heel precieze lijnen opgebracht, laagje na laagje, tot ik ervan geboren sprong, is volledig in tact gebleven. Alleen een te verwaarlozen verkleuring van het vernis door de tijd zelf heeft mij een pietsje geliger gemaakt, zoals hagelwitte tanden na een wijle vanzelf vergelen. De ongepoetste tand des tijds! Die zelf bijt maar die niet wordt gebeten. Alleen gebeten wordt de chocolade, dus toe maar rakkers, zet je tanden er in. Meet je met je eigen vergankelijkheid, nu je ons niets kunt maken.



Die goedblomme, kakmadam, kletsmarjanne, lachetoarte, 'n lang blad was ze, niepetieëne ofgelèkte pasterslêppe, plakzantjie, ploote, ruffe, snètsebêlle, trunte, ik hoor ze buiten op de klinkers. Hun uitbundige verwondering, hun exaltatisch praten. Zo weet ik daar de kasseien, die ik mij herinner. De paardenhoeven weergalmen ertegen, zo weet ik dat ze er nog zijn, die met hun koetsen, want vanuit mijn vaste stek aan de muur zie ik er niets van, en ook niet van hun klunten oliebroden, de een 'n neetebuk, de ander busbing, deurendol, vullemuulle, èrtefrètter, luuszak, kalliesjieklutsere en vuulpote.

Vroeger, vroeger, lang geleden, toen degene van wie ik de beeltenis ben, nog leefde; toen ik diegene was, liep ik daar vaak aan de arm van mijn geliefde langs de kaaien van het Minnewater. Zij weten niet, die vandaag chocolade eten, dat het Minnewater de stad in der minne schikt; voor allen gezamenlijk is zij, en zo vormt zij met haar kalm kabbelen het gulden midden, dat voor ons stervelingen zo nastrevenswaardig is. Zij, in hun romantische exaltaties, zoemen van het Liefdewater. Het liefst met Valentijn gaan zij daar tot de Heilige van de Consumptie, de mond vol van de besuikerde harten.

Daar staat ook de treurwilg van Rodenbach aan de Rozenhoedkaai! Rodenbach, die de melancholie naar Brugge bracht, en die van mij enkel begreep dat ik dood was. Nu is hij het zelf, de striebolg, zo'n olzèggere. Ik heb hem hier aan mij voorbij zien komen. Die is van na mijn tijd, zoals de melancholie van na mijn tijd is. Wíj hadden slechts de oorlog en de verwondering.

Het leven had nog schrille kleuren, nog de felte van Jan van Eyck, en het diepe rood van Memling. Kijk maar op mijn blazoen. Het zat ook op de muren voor die afgetakeld en weer opgericht werden in de oude vormen maar zonder de oude verf. Zij werden trots, protserig en somber, als die hele vervelende eeuw, die negentiende, geen wonder dat zij zozeer naar de middeleeuwen smachtten.

Zo liep ik daar met lichte tred aan de arm van mijn geliefde langs het Minnewater, in de kleuren die mijn gewaad op dit linnen nog altijd draagt, en ik was gelukkig.

Gelukkiger dan die nu daar, beneden, onder de ramen, dat zie ik aan hun ogen wanneer zij voor mij komen, die binnevèttere, zoektaldere, kloeffekappere, zo 'n toartekloai en wiendzot, kielo, viezen apostel, druustegoard, galjaar en geldzak, gatlèkkere, 'n gelipten, gloazen biskop, iezerbietter, istenoadigoard, kieslandere, kloatevoagere, kloefenoenkel, kwiestenbiebbel. De laplander, lienksepoat, lorejas. De moef, de reulienk. Zo'n pekkere, sarlewie, siekannoeur, wat 'n trèètbolg, vroegdegoard, vuulpot, wiedde muulle. J'eet 'n vieze die ruttelt!

Wij staan oog in oog. Nee: ik hang en zij lopen, maar een oogwenk stremmen zij hun tred en is hun blik gericht op mijn ogen en weten zij niet dat ik terugzie; dat ik verderzie dan waar hun blik op het doek kleeft, de kunst der weergave bewonderend. Nee ìk tast niet hun oppervlak af maar zie recht in hun ziel. Ik zie van de een dat die zijn moeder heeft doodgeslagen en van de ander dat zij haar man bedriegt, en van de kinderen dat zij liegen en hun schoolwerk verzaken.

Alles wat zij willen verzwijgen, ja, juist dat, zie ik hun in de ogen komen want het is juist daar dat hun gedachten zijn. En zo weeg ik hen en meet ik hen, als was ik Petrus zelve die hen de toegang tot het Paradijs konde verlenen, of juist onthouden. En zo is mijn eigen spel, mijn binnenwendig mompelen: die wel, die wel, die niet, want ik ben even godvruchtig als mijn schepper, omwille waarvan hij mij schiep, ik ben een Eerbetoon aan de Hoogste en zal de Inborst niet verzaken.

Zo zie ik hun verschrikte ogen voor één ogenblik, één tel. Zij zoeken, zij vinden en zijn gerustgesteld. Mijn schoonheid stelt hen niet teleur. Het is al wat zij zoeken en zien, even snel en trefzeker als die van hun eigen beeltenis in de spiegels (de vrouwen) of in die van vrouwen (de mannen); het is of zij door de bladen bladeren, waarin zij modellen in schone kleden verwachten. Zo wordt hun zin naar esthetiek bevredigd, en verder dan daarheen reikt het niet.



Vroeger, vroeger werd ik hier met heel andere ogen bekeken! Zoals ik de bezoekers nu nog altijd de ziel meet, zo maten zij mij de mijne. Het was mijn vroomheid die bekoorde, en niet de paarlen die ik droeg. Elke parel was een parel op de kroon van God, niet een diamant aan de oorlel van een leeghoofd, zwaarbehangen met de blingbling. Ik heb er zien voorbijkomen met muziek op de oren, kauwgum kauwende, die vreten de seconde met mij als hun kauwgum, spuugden die uit wanneer de smaak er af was, en vergaten mijn beeltenis.

Daar rechts in de zaal naast mij: de schrandere, en daar tegenover nog: de wijze. Wij zijn altijd met meerderen, wij, wachters van de schoonheid, het penseel zwaard, het doek schild, de verf ons degen, onze beeltenis maliënkolder, en ons gezicht helm; niet van staal maar van kleur, en onze ogen, met daarin onze blik, wapenschild; ons wapen en onze verdediging.

Wij zijn allemaal aan het hospitaal geschonken, waar onze Meester genezing vond, zoemden die in de negentiende eeuw, maar de zusters weten dat ze hem betaald hebben voor zijn werken. De zieken en de ziekenzusters vergenoegden zich over onze aanblik in het Hospitaal van Sint-Jan, die de patroon is van de blinden, ach, de arme blinden, die hier de muren aftastten en voor wie wij niet bestaan. Met hen had ik het meest te doen. Hoe leven in een wereld die altijd donker is? Het licht Gods strale op hen.

En dan die Marguerite de Crayencour, die hier haar zwart – maar dan een ander zwart: een hermetisch zwart – situeerde, die kerjeuzeneuze, preus lik vèèrtig.

Zwartheid rond een verlichte ziel zag zij; o, en ìk hield de zwartheid in ere met mijn onaantastbare vroomheid, ìk zou de verlichte ziel van haar Zeno geen ruimte hebben gegeven. Ik zou hem hebben verstikt met mijn rood blazoen.

Opgepast nu. Ik moet nu zwijgen. Daar komt er weer een, stoppelweejve. Zij struint moeizaam op mij af met aan de arm een kind, een jongen van een jaar of acht. Hij schopt rotzooi.

'Stil nu, wij zijn in het museum.'

De jongen gehoorzaamt niet. Er is iets met hem. Met zijn hoofd begint hij tegen de wand te beuken en uit zijn keel komt schril geschrei. De vrouw slaat haar armen over elkaar en laat hem voortgaan met zijn gillen en stampen. Oengdemortjie. Ze weet dat er niets tegen te doen is.

Het zijn de kleuren die hem aanvliegen. Hij kan niet tegen zo veel gezichten, al die hordes in de straten, en dan nu, hierbinnen, in het gebouw, alweer komen de gezichten op hem af. Nu zelfs de levenloze, geschilderde gezichten op de schilderijen. Nergens is hij veilig. Overal gaapt men naar hem.

Wanneer de jongen in een vlaag met zijn vuisten op mij afstormt, weerhoudt de moeder hem. De suppoost komt en beiden overmeesteren de jongen en drukken zijn rug tot op de grond, waar hij zijn benen kromt en woest van zich afschopt. Beter ware hij eerder in dit hospitaal, beter toen het nog een hospitaal was. De jongen en de moeder worden door de bewaking weggeleid.

Die wel, denk ik, die hadden er binnen gemogen. Het is niet hun fout dat zij lijden en God vergeeft hen alle zonden want zalig zijn de armen van geest.

Welke zou er erger aan toe zijn, deze vrouw met haar zoon of die andere, die sloare, die hier laatst kwam? Heel lang stond zij doodstil voor mij. Zij keek mij niet aan. Haar ogen zochten mijn blik niet maar iets anders. Telkens dwaalden zij af naar mijn handen, alsof ze daar iets verwachtte, dat nu ontbrak. Zij zocht in elk geschilderd vrouwenportret een Madonna met kind. In mij zag zij de Madonna aan wie het kind scheelde. Zij begreep mij beter dan wie ook, want onze smart was eender. Zij begreep de leegheid van mijn handen, want ook zij hield leegte in haar handen, en hoewel zij mij geen enkele keer aankeek, kon ik dieper in haar zien dan bij de anderen.



Kinderen heb ik gekregen, althans, de vrouw op wier gestalte ik berust. Ze was een eenvoudige meid in het huis van Memling, maar zo schoon dat hij vroeg of hij haar, of hij mij, schilderen mocht.

Ze heeft zich zelfs voor hem ontbloot want hij wilde haar naakt zien, al dorst hij dàt niet ook schilderen. Zij was niet zijn ammazonne, o nee! Hij schilderde immers voor God en niet ter verlustiging aan het vlees dat van de Duivel het werktuig der verlokking is. Haar, mij, durfde hij niet aanraken, en hij raakte ons toch aan met zijn penseel op het linnen, zo gaf hij weer wat hij verborgen liet, aldus met elke penseelstreek streelde hij aan haar, aan mij, aan onze naakte huid, en iedere penseelstreek was tevens de aankleding van onze naaktheid, de bedekking van ons vlees en op die manier, in dezelfde richting als van hem, die zijn geliefde ontkleedt, schilderde hij; want eerst waren er de kleden, en daaronder wist hij de naaktheid, die hij ongeschilderd liet, die hij uittekende in zijn eigen hoofd alleen. En ook ongeschilderd liet hij wat hij eveneens geweten had en wat daar nog achter lag: mijn ziel - die trachtte hij te vatten in mijn ogen.

Vaak ben ik, moarte, bij hem gekomen om door hem geschilderd te worden als van adeldom. Ik wist dat hij mij op die momenten evenzeer als God aanbad, dat mijn lichaam nu het instrument was van Gods lokroep, en niet langer van Duivelse verlokking, daar hij mij vroom en zedig had getekend, daar het hem niet om het vlees maar om de reinheid van mijn ziel te doen was, en dat vergeten al die, die hier nu in groten getale hun brutale blikken op mij schieten! Mijn ziel trekt ze geen zier. Ze blijven kleven bij wat hij ongeschilderd liet. Zij zien het vlees en niets dan het vlees, weliswaar in brokaat gehuld; zij zien niet mijn hart, zij zien mijn gewaden. Prostitutie is in het oog van de schouwer, en omdat zij leeghoofden zijn, wordt hun zien van mij lelijk. Maar niet dat ìk lelijk ben! Zoals de oude geilaard, die de maagd onteert, haar tot afval maakt door de laagheid van zijn lusten. Ware het haar liefhebbende echtgenoot, dan zou dezelfde daad er een van liefde zijn, haar verheffende tot de Liefde Gods, want alle Liefde komt van Hem.

Ik schaam mij en probeer mijn ogen af te wenden. Ik hang hier vastgeketend en ken geen schuilplek, vind nergens een heenkomen, er is nergens vergetelheid voor hun blikken.

 

Print

The portrait

The cobbles lie like rags dumped at the feet of the buildings. Neat piles of rags for respectable tourists to cross in decorous strides, on their way to historic buildings and along winding streets in front of the chocolate shops. The chimes no longer surprise them. They’re accustomed to the quarterly warble of the copper clappers, glancing up or around only in response to their guides. It’s easy piloting through life with a treasure map like that, so the saying that no one has a programme for the concert of life doesn’t hold true for visitors to Bruges. Only for everyone else, and for them only once they’re back home, which they’re not. Having walked away from their own lives to come here, they finally understand how life goes. That’s why they’re smiling so happily at the untamed ringing of the bells.

I always hear:

Over the cobbles
they come to Bruges.
Taking their decorous strides
in columns, hordes, in droves
they are the broken-free shadows of themselves
that come back in daytime
and after brief relaxation
they all turn round
to the call of the bells
their offerings in their hands;
you can sound the carillon to announce
that they will come again.

There are those who ask for a miniature Bruges made of chocolate. They say, ‘Those people there, so proud of their Lego, have Legoland, and those others, they have Disneyworld, and at home in Holland we have Madurodam. So why doesn’t Bruges have a chocolate Bruges?’

But I can tell you, ever since their arrival the whole of Bruges has been made of chocolate. It’s a miracle the Belfort won’t melt, and that St Saviour’s cathedral won’t either, and that the spires won’t drip into the choir when the sun shines. Lightly dusted bronze-brown, like powdered chocolate truffles, is how the walls bulge there.

All this in a few square metres; all of life bunched together from the prenatal to the hereafter, altogether far more than a Tokyo or a New York. Add to that all the Art and the realities carried within it. I have reason to be proud. And not to forget the lives of all those tourists. Imagine the stuff they must bring with them from far and wide. They’re not thinking of home any longer, but I see it in their faces.

Right, just you try asking me. I see more tourist faces pass by in a day than St Peter sees souls at the Pearly Gates.

Now then, you mustn’t mock the age of the city, just as you mustn’t mock the faithful for their faith, and what would this city be without the faith? Other cities may seem more extensive, but they’re only so in a superficial sense: horizontal in time. Bruges, though, stretches upwards and downwards, up to the eternal Heaven to which the spires point and down into the distant past of clay and swamp. Yes, the spires write of God in Heaven just as Gezelle says the writer writes the name of God on the water. So the artworks write of God with their art, and so I write of Him with my face.



Yes, I myself am a face, a portrait by Memling.

Across all those centuries, unmoved and unchanging, observed by so many eyes. They don’t realize that I look back. Everything that I know of this time, and the changing of all times, I have read in their eyes: that’s how much they are open books to me. Their faces hold no secrets for me. In life, after all, I read the Scriptures, and with my elementary knowledge of alchemy, philosophy and mathematics I was prepared for that rabble of counterparts, the horde of barbarians that would come to inundate Bruges. Oh, they get it into their silly heads that they’re cultured. We – the perished, the dead, the very early – they call the Flemish Primitives! But who are the real primitives here, I ask you?



There they go: spinsters, sourpusses, dolled-up ladies. Lots of chatterboxes, backbiters, few beauties but very many nincompoops, imps and grotesques or shrews. Sometimes midgets, green girls, noodles, trouts, mistresses, nitwits, frumps, battle-axes and strumpets.

I see the emptiness in their eyes, their thoughts of nothing but that shop such and such there round the corner, whether they’ll buy that dress there or not. With mouths still full of chocolate and phones to their ears, they walk past me chewing. If the attendant didn’t stop them from touching me, I’d long since have been bistre-brown with truffle smudges. Now my noble white face is almost translucent, exactly as the Master intended. The fine, light paint, applied in such precise lines, layer after layer, until I sprang newborn from it, has remained completely intact. A negligible discolouration of the varnish by time has made me just a fraction yellower, the way pure white teeth yellow over the years. The ravages of time, biting but unbitten. Only the chocolate is bitten, so go right ahead guys, sink your teeth into it. Be a match for your own mortality, now that there’s nothing you can do to us.



Those redheads, toffee-noses, chatterboxes, foxy ladies, windbags, bitchy wanton churchgoers, wallflowers, niggards, shriekers, scaredy-cats; I hear them outside on the brick road. Their exhilarated amazement, their enraptured talk. So I know there are cobbles, the way I remember. The horses’ hooves clatter against them, so I know they’re still there, with their carriages, because from my fixed spot on the wall I see nothing of them, nor of their chumps, one a curmudgeon, the other a bully, daredevil, foulmouth, bellyacher, sluggard, fussbudget and slob.

Once, once, long ago, when they of whom I am the likeness still lived, when I was they, I often walked there on the arm of my lover along the quays of the Minnewater. They don’t know, those that today eat chocolate, that the Minnewater, the ‘Water of Love’, unites the city in concord; it’s for everyone, and so with its calm babbling it forms the golden mean, which for us mortals is so worth pursuing. They, in their romantic exaltations, are abuzz with its Love Water. They like best to go there on Valentine’s Day, to the Patron Saint of Consumption, mouths full of sugared hearts.

There too is Rodenbach’s weeping willow on the Rozenhoed Quay – Rodenbach, who brought melancholy to Bruges, and understood of me only that I was dead. Now he’s dead himself, the clever Dick, such a wise guy. I’ve seen him pass by in front of me. He’s from after my time, just as melancholy is from after my time. We had only war and astonishment.

Life still had its glaring colours, still the brightness of Jan van Eyck, and the deep red of Memling. Just look at my coat of arms. It too was on the walls, until they crumbled and were rebuilt in the old form but without the old paint. They became proud, gaudy and cheerless, like that whole unpleasant century, the nineteenth; no wonder they had such a yearning for the middle ages.

Thus I walked there with a light tread on the arm of my lover past the Minnewater, in colours that my cloak still retains on this canvas, and I was happy.

Happier than they who are down there now, below the windows; I can tell by their eyes as they pass before me, the navel-starer, skinflint, blockhead, such a klutz and a quack, lummox, chameleon, loose cannon, hothead, libertine, sybarite and hog, arselicker, slick operator, fly-by-night, grouch, hellion, sloven, blithe spirit, soft touch, oddball. The blackguard, bumbler, scallywag. The broken reed, the scoundrel. Such a barfly, weirdo, nitpicker; what a needler, greedyguts, fleabag, tinhorn. He’s off his rocker!

We stand eye to eye. No, I hang and they walk, but for an instant they curdle their steps and their stare focuses on my eyes and they don’t know that I look back, that I see further than where their eyes stick to the canvas, admiring the art of representation. No, I don’t scour their surfaces but look right into their souls. I see from one that he killed his mother and from another that she cheats on her husband and from the children that they tell lies and neglect their schoolwork.

Everything they want to suppress, yes, that’s exactly what I see come into their eyes because that’s precisely where their thoughts are. And so I weigh them and measure them, as if I were Peter himself, able to grant them access to Paradise, or indeed to withhold it. And such is my own game, my internal mumbling: that one, not that one, that one; because I am as devout as my creator, which is why he created me, I am a Tribute to the Highest and I shall not forsake the Soul.

So I see their startled eyes for a moment, an instant. They search, they find and are reassured. My beauty does not disappoint them. It’s everything they seek and see, as quick and precise as that of their own image in the mirrors (the women) or in that of women (the men). It’s as if they are leafing through pages where they expect to see models in beautiful clothing. So their longing for aesthetics is satisfied, and beyond that it does not reach.



Once, once I was looked upon here with very different eyes. Just as I now still measure the souls of the visitors, so they measured mine. It was my piety that beguiled, not the pearls that I wore. Every pearl was a pearl in God’s crown, not a diamond in the ear lobe of a featherbrain heavily hung with bling bling. I’ve seen them walk past with music on their ears, chewing gum, eating up the seconds with me like their gum, spitting it out when the flavour has faded, forgetting my likeness.

There to the right in the room next to mine: the clever. And across from me: the wise. We are always many, we guardians of beauty, the brush a sword, the canvas a shield, the paint our dagger, our image chain mail and our face a helmet, not of steel but of colour, and our eyes, with our look in them, coats of arms – our weapons and our protection.

We were all donated to the hospital where our Master found healing, or so they droned in the nineteenth century, but the sisters know they paid him for his work. The sick and the sisters contented themselves with our appearance in the Hospital of St John, patron saint of the blind, ah, the poor blind, who feel their way along the walls here, for whom we don’t exist. I felt sorriest of all for them. How to live in a world of perpetual darkness? May God’s light shine upon them.

And then that Marguerite de Crayencour, who sited her black here – but then a different black; a hermetic black – that nosey parker, so supercilious.

Blackness around an enlightened soul she saw; oh, and I cherished the blackness with my inviolable piety. I would have given no room to the enlightened soul of her Zeno. I would have choked him with my red coat of arms.

Careful now. I have to be quiet. There comes another one, a stubbly woman. She steps laboriously towards me with a child in her arms, a boy of about eight. He kicks up a fuss.

‘Quiet now, we’re in the museum.’

The boy disobeys her. There’s something wrong with him. He starts to bang his head against the wall and from his throat comes a shrill wail. The woman crosses her arms and lets him go on screaming and stamping. Deadbeat mother. She knows there’s nothing to be done.

He sees the colours flying towards him. He can’t cope with so many faces, all those hordes in the streets and now in here, inside the building, again the faces lunge straight for him. Now even the lifeless, painted faces of portraits. He isn’t safe anywhere. Everywhere people gawp at him.

When the boy storms towards me in a spurt, with raised fists, the mother holds him back. The attendant comes and together they overpower the boy and press his back to the floor, where he bends his legs and kicks out wildly. Better if he’d come to this hospital sooner, better when it was still a hospital. The boy and the mother are led away by security.

They of all people, I think, should have been allowed in. It’s not their fault that they’re suffering and God forgives all their sins because blessed are the poor in spirit.

Who might be worse off, this woman with her son or that other, that abject lady who came here recently? She stood stock still in front of me for a long time. She didn’t look at me, her eyes not seeking mine but something else. They kept straying to my hands, as if she expected something there that was missing. In every portrait of a woman she sought a Madonna and child. In me she saw the Madonna without the little one. She understood me better than anybody, because we suffered the same affliction. She understood the emptiness of my hands, because she held emptiness in her own, and although she didn’t look at me once, I could see deeper into her than into the others.

 

Children I had, or at least, the woman on whose frame I rest. She was a simple girl in Memling’s house, but so beautiful that he asked her permission, or my permission, to paint her.

She even bared herself for him, because he wanted to see her naked, even though he didn’t dare paint that. She was not his Amazon, oh no. He painted for God, after all, and not for the gratification of the flesh that is the Devil’s instrument of temptation. He didn’t dare touch her, touch me, yet he touched us all the same with his brush on the canvas, thereby depicting what he kept hidden, thereby caressing her, caressing me, with every brushstroke, caressing our naked skin, and every brushstroke was at the same time the dressing of our nakedness, the covering of our flesh and thus, with the same stance as that of he who undresses his love, he painted. Because first there were the clothes, and underneath he knew the nakedness, which he left unpainted, which he traced out in his own head alone. And he likewise left unpainted another thing he had known and that still lay behind there: my soul. This he tried to capture in my eyes.

Often I, a maidservant, came to be painted by him as if I were nobility. I knew that in those moments he worshipped me no less than God, that my body was now the instrument of God’s calling, no longer of Devilish temptation, since he had depicted me pious and chaste, concerned not about the flesh but about the purity of my soul, and they forget that, who now in great numbers shoot their rude looks at me. My soul doesn’t interest them in the slightest. They continue to cling to what he left unpainted. They see the flesh and nothing but the flesh, even though shrouded in brocade; they don’t see my heart, they see my apparel. Prostitution is in the eye of the beholder, and because they are featherbrains, their seeing of me grows ugly. But not because I am ugly myself. Like the old lecher who dishonours the virgin, turning her to dross by the baseness of his lusts. Were it her loving husband, then the same act would be an act of love, elevating her to the Love of God, for all Love comes from Him.

I feel shame and try to avert my eyes. I hang here chained fast and know no hiding place, find no refuge; nowhere is there oblivion before their gaze.

 


Translated from Dutch by Liz Waters

Liz Waters (1960) translates literary fiction and quality nonfiction from Dutch into English. She has translated books by, among others, Lieve Joris, Geert Mak, Jaap Scholten, Douwe Draaisma and Annelies Verbeke. Her latest book-length translation is Alarums and Excursions by Luuk van Middelaar