Eyapopeya. Een hemels wiegelied

Els Moors

Els Moors

Els Moors (België, 1976) studeerde Germaanse Talen aan de Universiteit Gent en Tekst en Beeld aan de Rietveld Academie te Amsterdam. Haar poëziedebuut er hangt een hoge lucht boven ons (2006) werd bekroond met de Herman De Coninck prijs voor het beste debuut. Ook haar tweede bundel, Liederen van een kapseizend paard (2014, het balanseer) werd goed onthaald en bekroond met de J.C. Bloemprijs en de Prijs Letterkunde van de provincie West Vlaanderen. In 2015 verscheen bij Brueterich Press de Duitse vertaling, Lieder vom Pferd über Bord. Ze publiceerde behalve poëzie ook de roman Het verlangen naar een eiland (2008) en de verhalenbundel Vliegtijd (2010). Naast het schrijven doceert Moors Creative Writing in Brussel en Arnhem en is ze redacteur van het literaire tijdschrift nY. Vanaf 2018 is ze Belgische Dichter des Vaderlands.

Close

Karlsruhe Alle citybooks

Download de ePub-versie Print

Eyapopeya. Een hemels wiegelied


Wat ik voor vertrek over Karlsruhe te weten kom, verneem ik van hen die er ooit waren maar er niet gebleven zijn. De in de achttiende eeuw gestichte en op een uitzonderlijke waaiervormige grid gebouwde stad bezit een beroemde technische universiteit. Onderweg, op de trein, begin ik Heinrich Heine’s Deutschland. Ein Wintermärchen te lezen. De door heimwee overmande dichter is voor het eerst na lange tijd weer onderweg naar zijn thuisland Duitsland. Onderweg hoort hij het Harfenmädchen met valse stem een lied zingen:


Sie sang das alte Entsagungslied,
Das Eyapopeya vom Himmel,
Womit man einlullt wenn es greint,
Das Volk, den grossen Lümmel.

Zij zong het oude ontberingslied
't wiegelied van de hemel
zo sust men als het grient
het volk, die grote lummel.

Strijdvaardig belooft de dichter de toehoorders enkele verzen later een ander en een beter lied:

Ja, Zuckererbsen für Jedermann,
Sobald die Schooten platzen!
Den Himmel überlassen wir
Den Engeln und den Spatzen.

Ja, peulerwtjes voor iedereen,
meteen als de dopjes ontploffen
Salut engel en mus - 't blauw van de lucht-
jullie kunnen onze kloten kussen


De bouw van de stad Karlsruhe begint in 1715 als markgraaf Karl van Dorlach, geïnspireerd door het Versailles van zonnekoning Louis XIV, over een slot begint te fantaseren. Het verhaal gaat dat Karl tijdens een jachtpartij in de heuvels in slaap is gevallen en in een droom zijn stad, de stad Karlsruhe, voor zijn geestesoog heeft zien verschijnen. Waarschijnlijker is het, lees ik later in Georg Patzer's Kleine geschiedenis van de stad Karlsruhe (een boek dat me gedurende mijn hele verblijf in Karlsruhe als een trouwe metgezel zal bijstaan), dat Karl met de bouw van dit slot aan het strenge Lutherse bewind van zijn echtgenote Magdalene Wilhelmine, uit het naburige Durlach, probeerde te ontsnappen. Die eerste avond heb ik weet van slot noch markgraaf, en bovendien geen benul van het stadsdeel waar ik ben aanbeland. Op internet lees ik in de commentaren die bij mijn vakantiewoning werden gepost dat ik me in het bruisende deel van Karlsruhe bevind. Een vrouw prijst de gezellige buurt en de supermarkt vlakbij, alleen jammer van de vele mannen met de flesjes bier voor de deur, schrijft ze. Als het donker is geworden wandel ik zieltogend mijn eigen verlaten straat uit. Ergens zal ik een winkel moeten aantreffen waar ik inkopen kan gaan doen. In een winkelcentrum, een heel eind verderop, vind ik na lang zoeken een reusachtige supermarkt waar ik me verwonder over het eindeloze aanbod aan bioproducten. Voor me aan de kassa legt een man twee grote bossen rozen op de loopband.

Als ik mijn inkopen in de keukenkast heb opgeborgen, trek ik naar de Brauerei en Gasthof Wolf, de dichtstbijzijnde kroeg op de hoek van mijn straat en de Werderplatz. Wolf is al bijna tweehonderd jaar lang in familiehanden. Het door de familie Wolf gebrouwen bier kan ook in grote literkannen, ja zelfs per meter worden besteld; op het menu staan schnitzels, spätzle en knödels. Opgetogen over de Lammeintopf (heeft de naam Wolf me tijdens het bestellen parten gespeeld?) besluit ik me na de maaltijd dieper de nacht in te wagen. Een serveerster met koolzwarte ogen en grote oorringen adviseert me op dit uur café Milano, dat niet veel verder op een andere hoek van mijn straat moet liggen. Ben ik net als markgraaf Karl bezig om me op lichtzinnige wijze een stad bij elkaar te dromen? Zorgen voor morgen, bedenk ik, terwijl ik de trappen oploop van het schemerige Milano dat ondanks het rookverbod in een dichte walm is gehuld. Aan de bar zit een rijtje mannen ingetogen halve liters te drinken, alle omringende tafeltjes zijn bezet. Op het plasmascherm aan de muur staan voetbaluitslagen, de match is kennelijk net gespeeld. Twee meisjes met lange haren en steile laarzen en bruin geschminkte gezichten doen me een ogenblik lang aan inheemse Indianen denken. Ze staan aan het tafelvoetbalspel en gillen om te verdoezelen dat ze van elke tactiek gespeend zijn. In de hoek zit een kerel hen stuurs te bekijken, met gekromde rug, alsof hij ergens op moet broeden. De ene na de andere jarentachtighit knalt de schaars verlichte ruimte in, waar alles aan een versleten casino herinnert. Met bonzend hart ga ik op de enige nog beschikbare en aan de vloer vastgeschroefde barkruk zitten. Meteen na binnenkomst weer weggaan betekent gezichtsverlies. Terwijl alle ogen op mij gericht zijn, bestel ik zonder verpinken een Mexicaner; een drankje dat op de muur in vette letters wordt aangeprezen, ook al weet ik helemaal niet wat ik me daarmee op de hals haal. De man meteen rechts van me draagt een zwart pak en een wit hemd dat losjes open staat. Als ik, tot zijn ontzetting (‘Drink jij een Mexicaner?’), het shot tomatensap met wodka en tabasco in één teug heb opgedronken en hem om een sigaret heb gevraagd (ik ben gestopt met roken), vertelt hij dat hij O. heet en directeur is van de figuranten en productie van het nabijgelegen concertgebouw. Bang dat het gesprek zal stilvallen, begin ik hem de kleren van het lijf te vragen, tot hij zich laat verleiden tot een kleine biecht. Zijn geliefde is tweeëntwintig jaar jonger dan hij is, en zal hem, zo vreest hij, verlaten omdat hij haar geen kind wil geven. Als hij zich al voor dit heikele noodlot wenst te schamen, lijkt hij toch vooral van plan om er zich in te gaan schikken. Hij vraagt het barmeisje, ze heet Julia, om twee tequila's voor ons uit te schenken. De tequila's zijn van het huis, zegt Julia vrijgevig, en O. begint de ruimte tussen duim en wijsvinger met citroen en zout te bewerken. Hij klemt de citroenschijf daarna tussen de tanden en terwijl hij de tequila achterover slaat, laat hij Julia en mij nog snel dramatisch het wit van zijn ogen zien. Julia schatert het uit. Een half uur later hang ik in de armen van een meewarige O. en we kussen en terwijl ik alles aan het werk zet om me niet te laten meeslepen, rook ik de ene na de andere sigaret. Zolang ik de sigaretten niet zelf heb gekocht, zijn ze niet verslavend, is mijn theorie. Boven de deur hangt een klok en zo laat is het helemaal nog niet.

Terwijl ik die nacht de laatste vijftig meter die mijn bed en café Milano van elkaar scheiden begin te overbruggen, vrees ik dat ik het spreekwoord ‘een vliegende start nemen’ te letterlijk heb genomen. Eenmaal uit de klauwen van zijn Magdalena stort markgraaf Karl zich op de jacht, en dan meer in het bijzonder de jacht op meisjes, maar ook die op bloemen. De collectie tulpen die hij in de botanische tuin verzamelt, raakt in heel Europa bekend. De tachtigtal meisjes aan het hof die hem met zang en dans moeten onderhouden, krijgen de bijnaam tulpenmeisjes, het resultaat van het foutief overgeleverde verhaal dat Karl van ze verlangde dat ze zijn collectie tulpen naschilderden. Op 1 november begeef ik me vol valse wroeging te voet door een zo goed als verlaten stad, daarbij willekeurig wandelaars aanklampend, vastbesloten ergens iets van een centrum en een verleden aan te treffen. Terwijl de zon doorbreekt, stuit ik op het centraal gelegen slot. De geometrische orde waarmee het slot, het slotpark en de strenge gebouwen eromheen het zakelijke en culturele centrum van de stad vlakbij beheersen, is indrukwekkend. Markgraaf Karl controleerde als zuinig en verstandig man de financiële middelen van de nieuwkomers vooraleer hij hun de toestemming verleende om zich te vestigen. Enkel de allerrijksten kregen toestemming om op Karls stralende zonnegrid te bouwen. Joden moesten in elk geval meer betalen. Een school was in eerste instantie niet voorzien, en toen de eerste bewoners besloten dat het niet meer zonder ging, was markgraaf Karl niet al te happig om dat besluit mee te financieren. In de volksmond wordt de markgraaf smalend de eerste keizer van Duitsland genoemd.

Dankzij het boek van Georg Patzer zal ik later te weten komen dat de adel ook vroeger reeds op zondag in het slotpark mocht vertoeven, vooropgesteld dat ze niet van de paden afdwaalden, geen liederen zongen of tabak rookten, geen lawaai maakten of ander onaangepast gedrag vertoonden. Die middag beland ik in de Staatliche Kunsthalle Karlsruhe waar naast de vaste collectie de dubbeltentoonstelling Double Vision met werk van Albrecht Dürer en de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge is te zien. De vaste collectie van het museum bouwt al eeuwen voort op de collectie van de kunstzinnige markgravin Caroline Louise (1723-1783), de eerste markgravin van Karlsruhe die dapper genoeg was om zich aan de zijde van haar man in het slot te vestigen. Caroline was vooral in Hollandse en Belgische meesters geïnteresseerd en wist het leven aan het hof aan de hand van haar vele talenten en interesses een gelukkige tijd lang op te fleuren en te internationaliseren. Uitgehongerd beland ik later die avond op goed geluk in het stijlvolle fin-de-siècle-kunstenaarscafé Rih in de Waldstrasse, zo genoemd naar de kleurrijke en flamboyante kunstenaarsgroep Rih die in de bijbehorende galerie Moos exposeerde en welks lijfspreuk 'ohne Moos nichts los' een ironisch woordspelletje is op het woord moos, wat in het Duits geld betekent. Een affiche op de wc van Rih kondigt de tentoonstelling The value in mathematics – How do we learn? van de Nederlandse kunstenares Falke Pisano aan en een bijbehorende lezing met de intrigerende titel Voor alleenstaande moeders, een lezing die door de designer Will Holder zal worden gegeven. Holder zal ‘als baardige, blanke en heteroseksuele Britse man, enkele universele inzichten op de mens laten zien, inzichten die meestal uitsluitend door vrouwen en homoseksuelen worden verwoord.’

De volgende dag word ik in het Prinz-Max-Palais verwacht, waar ik Simone Bigeard en Esther Stern van het Museum für Literatur am Oberrhein ontmoet, om mijn lezing van de volgende dag voor te bereiden. Simone Bigeard is bezig om haar doctoraat over de schrijver Ernst Toller (1893-1939) af te ronden en woont in de vlakbij gelegen Franse stad Straatsburg. Van haar krijg ik uit de bibliotheek die onder meer samen met het Oberrheinischem Literaturarchiv in het Prinz-Max-Palais werden ondergebracht, het boek Een kleine geschiedenis van de stad Karlsruhe te leen. Een boek dat me zodanig zal boeien dat ik koste wat het kost de schrijver ervan, Georg Patzer, zal willen ontmoeten. Esther Stern schenkt me de bloemlezing Beschriftet, een verzameling teksten van een reeks veelbelovende auteurs. Ik verbied mezelf die avond streng om naar mijn eigen veilige vier muren te vluchten en kies voor de hippe kroeg Electric Eel (op twee minuten van Wolf en op drie minuten van Milano) die me door Esther werd aangeraden, een soort jarenzeventighuiskamer, inclusief dj. Aan de bar staan jongens met baarden en geruite hemden houthakkersgewijs maar bovenal verlegen bier te drinken. Ik bestel een Riesling en begin te lezen. Esther Stern's tekst abstand beneemt een moment lang de adem. ‘(...) du stehst da und sagst, alle sind zu jung für dich, ich aber glaube: manche steigen in der Himmel auf, andere werden emporgehoben.’ (‘(…) daar sta jij en zegt, ze zijn allemaal te jong voor mij, maar ik geloof: sommige stijgen ten hemel op, andere worden ernaar toe getild.’)

Eén van de weinige bezoekers van mijn lezing, de kunstenaar en architect P. brengt me na een rustige maar fijne lezing thuis. Het is al na tweeën en we wandelen over een hoge brug die dwars over de drukke vierbaansweg voor voetgangers werd gebouwd en komen voorbij de ingang van de zoo en het bijbehorende congrescentrum. Aangekomen op de Werderplatz, leunen we tegen de Indianenfontein. Het eerste ontwerp, geïnspireerd door een bezoek van Buffalo Bill aan Karlsruhe, werd door de omwonenden op luid protest onthaald. De bewoners van de Südstadt wensten niet als indianen te worden afgebeeld. Ten slotte kwam er het huidige ontwerp van Otto Feist. Het is vooral vreemd, realiseer ik me, dat het zo lang heeft geduurd vooraleer ik de enorme stenen indianenkoppen op het midden van het plein überhaupt heb opgemerkt. P. en ik roken een sigaret, een van de vele die hij me, net zo genereus als enkele uren geleden, blijft aanbieden. P. is een in Kazachstan geboren Duitser die op vierjarige leeftijd met de hele familie naar Duitsland terugkeerde. Zijn vader werkte in de bouw maar leefde met tussenpozen op straat. Ik leg uit dat ik sympathie voel voor de daklozen die zich elke dag op de Werderplatz onder de bomen bij de Indianenfontein verzamelen, waar ze gebruik maken van het publieke toilet en zich een stuk in hun kraag drinken, alvorens ze naar het opvanghuis vlakbij trekken voor een bed. Ik zie in P.’s blik dat hij vindt dat ik makkelijk praten heb. Mijn uitnodiging om een laatste glas te drinken neemt hij aan, maar niet zonder me ervoor te waarschuwen dat hij nooit weet wat er op zo'n moment van hem wordt verwacht. Terwijl hij ver weg aan het uiterste uiteinde van de lange bank ineengedoken naar me zit te kijken, oppert hij uitdagend dat ik hem aan mag raken. Graag, antwoord ik semi-onbewogen vanaf mijn eigen uiteinde, maar onmogelijk als je zo ver van me af blijft zitten. Als we elkaar hartstochtelijk in de armen zijn gevallen en zoenen, maant P. me aan om het hoofd koel te houden. Voor hij vertrekt – buiten is het licht geworden – belooft hij om me op zaterdag rond zes uur af te halen, dan kunnen we koffie drinken. Maar hij kijkt bedenkelijk naar me, alsof hij meer weet dan ik en besloten heeft dat hij het ergste moet vermoeden.

De volgende dag besluit ik het Zentrum für Medien und Kunst, het ZKM, te bezoeken. De uitvoering van het oorspronkelijke plan, een spectaculair kubusvormig ontwerp van Rem Koolhaas, faalde door een gebrek aan middelen. Het ZKM huist sindsdien in een grote oude wapen- en munitiefabriek en herbergt naast verschillende tentoonstellingsruimtes een indrukwekkend media-archief. De reizende tentoonstelling die ik die middag bezoek, Kunst in Europa 1945-1968. Der Kontinent, den die EU nicht kennt, is het resultaat van een uitzonderlijke samenwerking van Bozar, het Staatlichen Museum für Bildende Künste A.S. Puschkin en het ROSIZO in Moskou en heeft als doel een nieuw licht te werpen op de culturele samenhangen en historische verbindingen tussen de verschillende Europese landen in een poging de huidige politieke Europese en mondiale versplintering tegen te gaan. Na mijn bezoek begeef ik me naar de kantine die in de indrukwekkende centrale inkomhal is ondergebracht, en ik ga verder met het lezen van Heine's Deutschland, ein Wintermärchen. Ook Heine verlangt naar een Europa vrij van grenzen:

Ein neues Lied, ein besseres Lied,
Es klingt wie Flöten und Geigen!
Das Miserere ist vorbey,
Die Sterbeglocken schweigen

een ander lied, een beter lied
het klinkt als fluiten en trommen
het 'miserere' is voorbij
de stervensklokken verstommen

Die Jungfer Europa ist verlobt
Mit dem schönen Geniusse
Der Freiheit, sie liegen einander im Arm
Sie schweigen im ersten Kusse

juffrouw Europa is verloofd
met het stralend genie van de vrijheid
sprakeloos omhelzen ze elkaar
in een eerste kus verlustigt

Niet verwonderlijk wordt de toorn van de dichter Heine al meteen aan het begin van de grens gewekt als de Pruisische douane zijn koffers begint te doorzoeken, op zoek naar verboden waren en boeken.

Ihr Thoren, die Ihr im Koffer sucht!
Hier werdet Ihr nichts entdecken!
Die Contrebande, die mit mir reist,
die habe ich im Kopfe stecken.

Jullie dwazen die mijn koffer omwoelt
daar valt niets te rapen
de smokkelwaar die mij vergezelt
heb ik in 't hoofd opgeslagen


De smartelijke reis van de dichter eindigt als hij de muze ontmoet die hem in het grootste geheim een blik op de toekomst van Duitsland laat werpen. Een adequate beschrijving van wat hij daar heeft gezien, beperkt zich omwille van zijn gelofte om te zwijgen, tot het beschrijven van de stank:

Entsetzlich waren die Düfte, O Gott!
Die sich nachher erhuben;
Es war als fegte man den Mist
Aus sechs und dreissig Gruben.

Weerzinwekkend waren de geuren, oh god!
Die toen naar boven kwamen gedreven
het was als veegde men de stront
uit zesendertig beken


Deutschland. Ein Wintermärchen is een virtuoos aan elkaar zingen van vibrerende scheldpartijen op de elite en het establishment, de clerus, het leger, ja zelfs de dichters moeten eraan geloven, Heine respecteert God noch gebod. Het beminnelijke Karlsruhe zet vooralsnog niet tot dergelijke gepassioneerde tirades aan. Goethe, zo schrijft Patzer, bezoekt Karlsruhe in 1774 en 1779 en maakte zich snel weer uit de voeten: ‘De kinderen hier zijn mooi en allerzoetst, de Markgraaf vriendelijk en onderhoudend, de Markgravin spraakzaam, de prins gepantserd met zware wenkbrauwen maar welwillend, de prinses uiterst passief onder de knoet van mevrouw de schoonmoeder.’ Conclusie: ‘De verveling werd elk uur ondraaglijker.’(1)

Terwijl ik Heine lees en het buiten langzaam maar zeker donker wordt, begint men in de torenhoge fabriekshal, waar zo'n tweehonderd stoelen staan opgesteld, microfoons uit te testen. Mannen in pak verschijnen, en opgewonden dames uit de culturele jetset duiken op als uit het niets om haastig een soepje of een panini te bestellen. Verwonderd over zoveel animo stel ik vast dat de hal niet veel later al afgeladen vol zit. Honderden mensen staan of zitten tot op de trappen en het balkon en wachten op wat komen gaat. Als de eerste speeches beginnen, blijken de burgemeester van Karlsruhe en van Stuttgart aanwezig, net als de directeur van het ZKM en de curator Georg Vrachliotis. Samen openen ze de tentoonstelling Denken in Modellen, een tentoonstelling over het werk van Frei Otto (1925-2015), een architect die vlak voor zijn dood de hoogst mogelijke onderscheiding in de architectuur, de Pritzkerpreis, heeft ontvangen. Na het applaus en de rijkelijk vloeiende prosecco begeef ik me samen met de andere feestvierders nieuwsgierig om de meterslange sfeervol opgestelde uitgestrekte houten tafel die een indrukwekkende verzameling schaalmodellen bevat waaraan Frei Otto heeft gewerkt. Op rechtopstaande panelen is dan weer Frei Otto zelf te zien, glimlachend met jarenzeventigsnor en wijde pijpen en geruite hemden, een stralend middelpunt, een eenzame pionier, groepjes van jonge studenten begeesterd toesprekend, daarbij de specifieke vorm van zeepbellen en membranen bestuderend en ze, zo stel ik me dat voor, met ongebreideld technologisch optimisme vertalend naar verbluffende bouwprojecten. Frei Otto begon zijn loopbaan als piloot op het einde van de Tweede Wereldoorlog. Terwijl hij met zijn vliegtuig over een, door nietsontziende geallieerden, tot puin en as herleid Duitsland zweeft, maakt hij meteen koortsachtig plannen voor de wederopbouw, in de vorm van lichtgewicht tent-achtige constructies die hun tijd dan al ver vooruit zijn.

Op maandagavond staat er in Kohi een lezing op het programma met de titel Genauer betrachtet sind Menschen auch nur Leute (‘Op de keper beschouwd zijn mensen ook maar mensen’) van de slammer en op het net miljoenen clicks verzamelende Patrick Salmen. Kohi is een Kulturraum waar openingen, optredens en lezingen worden georganiseerd, dat alles nog maar eens vlakbij de indianenfontein, Brauerei Wolf, en Electric Eel, op de Werderplatz. Salmens lezing is een doorslaand succes, het jonge volk staat tot buiten voor hem aan te schuiven. De blogger en schrijver, volgens de mode van het moment uitgerust met ruitjeshemd en baard, rijgt de grapjes aan elkaar, het publiek hangt aan zijn lippen. De grootste vijand van de schrijver, beweert Salmen die avond met een guitige glimlach, is de literatuur met een grote 'L', van dat elitaire gedoe valt hij zelf in elk geval in slaap. Een enkele keer onderbreekt hij de stroom verhalen en mopjes voor het onzeker declameren van een gedicht. De zaal verstart in vroom respect. Als ik de volgende dag de lezing van de Turkse krimischrijfster Esmahan Aykol bezoek, en de schrijfster na het lezen uit haar nieuwe roman Istanbul Tango, te midden van de politieke turbulentie waar het land voor staat, concludeert dat de meeste Turken eigenlijk geen boeken lezen, stijgt uit het publiek van middelbare leeftijd een ontzet murmelen op. In een verlaten café Milano ga ik aangeslagen tegen twaalven naast een jonge kerel met een lange muts aan de bar zitten. K., half Grieks, half Duits, vertelt over de Griekse Imbiss (zijn motto destijds: Pitta Statt Krise) die hij jarenlang heeft gerund en onlangs heeft verkocht, omdat hij het niet langer op kon brengen naar de problemen van zijn klanten te luisteren. Hij heeft zich aan de universiteit ingeschreven voor een studie sociologie en psychologie, maar hij is onzeker of het hem ergens zal brengen. Ik rook K.'s tabak, maar niet zonder hem te waarschuwen: hij zal flink in zijn studie moeten investeren, als hij het diploma wil behalen. K. kijkt me geamuseerd aan. Wil ik me om zijn toekomst bekommeren? Met een filter tussen de tanden nodigt hij mij uit om hem de volgende ochtend te vergezellen naar een hoorcollege over de politieke geschiedenis van Europa.

Woensdagochtend is de ochtend waarop de wereld op het punt staat een ander gezicht te krijgen. Dat Trump zo goed als zeker president is geworden, veroorzaakt een diep onbehagen. Ik moet de straat op, en voor ik K. zal gaan vervoegen bij zijn college, zal ik in de bakkerij vlakbij aan een tafeltje een koffie en een koffiekoek bestellen. Als ik de bakkerij binnenkom is er behalve de vriendelijke vrouw achter de bar nog helemaal niemand. Ik hoor mezelf met een grafstem vragen of ze het al weet. Wat? schrikt de vrouw. Als ik haar de laatste verkiezingsprognoses heb voorgelegd weet ze net als ik een moment lang niet meer wat te zeggen. Terwijl de ene na de andere klant binnenkomt om brood te kopen of koffie te bestellen, proberen we de consequenties voor elkaar onder woorden te brengen, elkaar daarbij bemoedigend toeknikkend. De wereld is langzaam maar zeker op weg naar een dieptepunt, besluit de bakkersvrouw omineus. Hier in Duitsland is het enkel nog wachten tot de rechtse AfD verkozen wordt. Daarna glimlacht ze heel even hoopvol. Misschien zal haar zoon, die al enkele jaren in de VS woont, na deze afschuwelijke verkiezingsuitslag wel beslissen om terug naar huis te keren.

K. is die middag al net zo verbaasd dat ik op het college ben opgedaagd, als dat ik me erover verwonder dat hij überhaupt uit bed is geraakt. Dat ik enkel de laatste tien minuten van het college bijwoon, belet me niet meteen erna ontgoocheld uit te varen. Hoe kan een docent politieke geschiedenis op een dag als vandaag met geen woord over de verkiezingsuitslag reppen? K. laat zich niet al te zeer meeslepen. Hij wil weten of ik de Turmberg van Durlach al heb bezocht en belooft me een schitterend uitzicht over de stad. We nemen de tram en beginnen nauwelijks een kwartiertje later aan de steile klim. Boven op de toren zie ik voor het eerst de Rijn, en de heuvels waarover Karlsruhe wijd ligt uitgespreid, de kaarsrechte Kaiserstrasse ver weg die haaks op de Rijn staat, de bossen in de heuvels rondom Karslruhe, en zelfs een paar wijngaarden. Als het waar is dat Wilhelmina, de echtgenote van Markgraaf Karl, in Durlach verbleef, dan is hij met zijn keizerlijke fantasieën en losbandige tulpenmeisjes helemaal niet ver geraakt. K.'s Griekse vader heeft na zijn komst in Duitsland twaalf uur per dag als horecaondernemer gewerkt. Voor K. is het op dit moment nog onvoorstelbaar dat hij zelf een ander leven zou kunnen beginnen. Maar de lange dagen in de Imbiss maakten hem eenzaam. Hij beschrijft dat hij al fietsend met een hoge dosis promille in zijn bloed werd betrapt, en nadien begreep dat zijn leven meer moest zijn dan werken.

Die avond, nauwelijks enkele uren na ons afscheid, stuurt K. me een sms, hij dringt erop aan dat we elkaar opnieuw ontmoeten. Ik zit net in Wolf op een knödel te kauwen als hij nauwelijks tien minuten later fris gewassen wel erg dicht naast me aan tafel komt zitten. Ik begin vooruitziend over de honderden meisjes die hij ongetwijfeld aan elke vinger heeft, maar dat dat aan onze zaak niets verandert, hij is te jong voor mij. K. blijft er stoïcijns onder. Alsof hij al lang begrepen heeft dat het alleen maar woorden zijn waarachter ik me voor hem moet verstoppen. Enkele biertjes en een lang gesprek later, aan mijn voordeur, denkt hij er niet over om al naar huis te gaan. Hij verheugt zich op een laatste glas. Als ik hem tegen de ochtend schuldbewust aanmaan om zijn kleren aan te trekken en me te laten slapen, is het onheil al geschied.

K. heeft me uitgenodigd om hem de volgende avond bij zijn vrienden te vervoegen voor een bingoavond in club Venus, maar ik aarzel om erheen te gaan. Ik verdwaal een tijdje en het regent, maar belofte maakt schuld, ik kan er niet omheen. Als ik de club binnenkom, ben ik de enige vrouw aan een tafeltje van een zestal kerngezonde piepjonge kerels met de zo typische stevige Duitse volle wangen, netjes gekapt en allen blozend en in goede doen. In het gezelschap van zijn vrienden ziet K. er plots een stuks Griekser uit. De jongens nemen me zonder aarzelen kameraadschappelijk in hun midden op. Bij elk biertje dat wordt besteld, ontvangen we een formulier waarmee we bingo flamingo kunnen spelen. Na een tijdje is de club tot aan de nok gevuld met jongens en meisjes die uitgelaten door elkaar heen rennen, bier drinken, shots achterover slaan en bingo spelen. Tussen de rondes door krijgen de meisjes gratis een shot als ze dat willen, een van de hoofdprijzen is een paraplu in de vorm van een flamingo en een zwemband, eveneens in de vorm van een flamingo en, hoe kan het ook anders, een fles Mexicaner. Als K. en ik die avond aan de weg naar huis beginnen, stel ik voor nog even langs Milano te passeren. De kroeg is zo goed als verlaten maar alsof het zo is afgesproken zit O. somber met een halve liter aan de bar. Als hij me ziet, is hij blij verrast maar ook verlegen. K. besluit zich niet te laten kennen en schudt O. broederlijk de hand. Met ons drieën trekken we vervolgens naar Ka, het enige café dat volgens O. nog open is. De regen kan me niet deren, beweert K. Mij ook niet, pocht de veel oudere O bedrukt. Ik zwijg, als enige onder een paraplu. Ik heb twee vrienden gemaakt maar het zal niet lang duren vooraleer ik ze zal verliezen. Op minder subtiele wijze beginnen de mannen me duidelijk te maken dat ik die avond nog tussen hen zal moeten kiezen. Ter afscheid hang ik nog een keer aan O.’s lippen, met weemoed terugdenkend aan die eerste avond, terwijl K. in het deurgat ongeduldig naar me begint te kijken. Dat hij in tegenstelling tot O. al in mijn bed gelegen heeft, overtuigt hem ervan dat hij de strijd gewonnen heeft. Het appartement van K. ligt vlak bij het mijne, aan de andere kant van de kerk. Het dakraam biedt een uitzicht ver over de stad. K. en ik liggen nog een tijdje naast elkaar op de bank en bespreken giechelend de avond. Als K. in slaap gevallen is, sluip ik uitgeput de trap af, op weg naar mijn eigen bed. Nog enkele uren, dan zal ik de schrijver Georg Patzer ontmoeten en hem vertellen hoe geweldig ik zijn boek vind. Daarna zal ik de botanische tuin bezoeken en daarna zal ik eindelijk slapen. Op zaterdag, zo heb ik het me ingeprent, zal ik de stad verlaten.

Georg Patzer ziet me de volgende ochtend komen en zwaait verwachtingsvol naar me vanachter het raam. Als ik tegenover hem zit en zijn boek Kleine Geschichte der Stadt Karlsruhe, het eerste in een reeks, en uitgegeven door G. Braun Buchverlag, begin te bewieroken, straalt hij. Het boek is er per ongeluk gekomen. Als boekhandelaar concludeerde hij jaren geleden dat Karlsruhe geen geschiedenis had. Nadat de boekhandel Buchkaiser waar hij jaren werkte, door de naburige concurrerende keten Thalia werd opgekocht en kort daarop failliet verklaard, een genadeloze maar efficiënte manier om concurrentie uit te schakelen, begon hij op eigen initiatief met het verzamelen van het historische materiaal. Het schrijven ging vanzelf. Als ik met de handen in mijn haar beken dat ik nog niet weet hoe ik zelf aan mijn verhaal over Karlsruhe moet beginnen is zijn advies eenvoudig: observeren. Patzers fascinatie voor het schrijven begon met het fictionaliseren van het leven van de jonge onbekend gebleven dichter Rainer Maria Gerhardt die in Karlsruhe heeft geleefd. Het gebrek aan succes ruïneerde de jonge dichter en dreef hem in isolement, tot hij in 1954 zelfmoord pleegde. Gerhardt vertaalde onder meer de dichters Ezra Pound, Robert Creeley, Charles Olson en met deze laatste knoopte hij zelfs een vriendschap aan. Patzer zal me later een fragment van een langer gedicht dat Gerhardt aan Olson heeft opgedragen doen toekomen:

 

gedicht citybook Els Moors


Patzers eerste boek over Gerhardt bleef onuitgegeven maar de liefde voor het schrijven bleef. Patzer zelf is een schrijver die de geschiedenis van Karlsruhe herschrijft, omdat hij niet aflaat om de kleinburgerlijke reflexen van de bewoners van de stad lichtvoetig en vlijmscherp te bekritiseren. Niet zonder leedvermaak citeert hij de schrijver Albert Geiger (1866-1915) die in Karlsruhe een tijd lang de vereniging ‘heimatliche Kunstpflege’ diende te leiden: ‘Het begon met het publiek dat afhaakte, als men van hier al van zoiets gewag kan maken. Daarna kwam er een einde aan de middelen. De overheidsinstanties zijn hier zeer terughoudend met hun subsidies. Ten slotte gingen de kunstenaars uiteen. En nu met het voorjaar in zicht, houd ik het voor bekeken. Waarom het halfdode kadaver nog langer met mij meeslepen?’ (2) Als ik Patzer vraag wat de specifieke geschiedenis van het Duitsland van voor de twee grote oorlogen uitmaakt, meent hij dat het net al die kleine koninkrijken zoals dat van markgraaf Karl zijn geweest, die met hun eigen centralistische logica, de identiteit van het grote Duitsland mee hebben bepaald.

Ik begeef me naar de botanische tuin, ter afscheid van Karlsruhe wil ik Karls verzameling planten aanschouwen, tevergeefs want die werd voor de winter gesloten. Omdat ik hongerig ben, vlucht ik het restaurant in dat bij de botanische tuin hoort en waar ik die eerste zondag de wandelaars van koffie en taart heb zien genieten. Ook het restaurant is gesloten, maar de kok twijfelt niet. Hij zal wat voor me klaarmaken. Ongemakkelijk over zoveel bereidwilligheid ga ik eenzaam aan een van de tafeltjes met damasten tafelkleed zitten. Terwijl ik van mijn Kürbissuppe lepel, filosofeer ik over de lieflijke gouden kooi waarin elke elite zich telkens opnieuw van een taaie toekomst probeert te verzekeren. Geschrokken ontdek ik daarna als ik mijn treinticket in de hand houd dat ik me van datum heb vergist. Mijn trein vertrekt diezelfde middag. Ik haast me door de gietende regen en zonder paraplu naar huis. Nadat ik in ijltempo mijn koffer heb gepakt, biedt een aangeslagen K. aan om me weg te brengen. Ik arriveer voor het eerst aan de voorzijde van het station. Het bruist er van het leven. K. kijkt me na onze laatste kus met donkere ogen aan. Terwijl ik plots voel hoe ik dankbaar mijn hart aan hem begin te verliezen, probeert hij zelf verwoed en voor het eerst om het overzicht te bewaren. Hij staat erop mij zijn laatste pakje tabak te schenken, voor onderweg.

 

 

 

(1) Hier sind die Kinder schön und allerliebst, der Markgraf gefällig und unterhaltend, die Markgräfin gesprächig, der Erbprinz in seinen Augenbrauen retranchirt aber gutwillig, die Erbprinzessin sehr passiv am gängelbande der Frau Schwiegermama. Conclusie: Die Langeweile hat sich von Stund zu Stund verstärkt.

(2) Zunächst sprang das Publikum ab, wenn man hier von einem solchen reden kann. Dann versagten die Mittel. Die Behörden unterstützten nur sehr zurückhaltend. Endlich verliefen sich die Künstler. Und nun mit dem kommenden Frühjahr mach ich schluss. Wozu den halbtoten Kadaver noch länger herumschleppen?