Eurowash 2000, een pakketboot in de stad

Pascal Verbeken

Pascal Verbeken

Pascal Verbeken (1965) is journalist, schrijver en documentairemaker. Zijn boek Arm Wallonië (2007) won de M.J. Brusse-prijs voor het Beste Journalistieke Boek van het Nederlands Fonds voor Bijzondere Journalistieke Projecten. Pascal Verbekens nieuwe boek Grand Central Belge. Voetreis door een verdwijnend land verscheen in december 2011.

Close

Charleroi Alle citybooks

Download de ePub-versie Print

Eurowash 2000, een pakketboot in de stad

In Eurowash 2000, een pakketboot in de stad bezoekt Pascal Verbeken een wasserette. ‘Wasserettes zijn de laatste ongesegregeerde plekken in een stad. Bezoekers van alle leeftijden, klasse en origine ontmoeten er elkaar. Het verslag van een dag in Eurowash 2000, de wasserette van de ville basse in Charleroi.’

 


Het zit Pierre al een tijd niet mee. En daar is vannacht geen verandering in gekomen. Onder zijn rechter wenkbrauw zwelt een buil. Een klodder donkerrood bloed ligt gestold op zijn bovenlip. De sporen van een handgemeen voor een verlaten portiek tegenover het hoofdstation Charleroi Sud.

Met twee vingers betast hij de zere plekken, terwijl hij z’n gezicht inspecteert in het glas van de droogtrommel die op spiegelhoogte staat.

Merde …’

Hij herhaalt het drie keer.

‘Een man begon me te schoppen toen ik net ingeslapen was. Ik had ‘m nog nooit eerder gezien. Een wilde. Ongetwijfeld een heroïneverslaafde. Ze worden almaar talrijker en almaar jonger.’

Rond Pierre hangt een zure walm van alcohol die zelfs de javelgeur verjaagt die de schoonmakers van de wasserette gisteravond hebben achtergelaten. In de hoek bij de persmachine staat de rode plastic Carrefour-trolley waarin zijn hele bezit zit samengeperst. Op koude ochtenden, zoals vandaag, is deze wasserette één van zijn vaste haltes. Als de deur om 7 uur opengaat, komt hij zich hier opwarmen.

De val van Pierre begon tien jaar geleden, nadat hij als magazijnier ontslagen werd in een groothandel voor verven. Een jaar later verliet zijn vrouw hem. Nog een jaar later sliep hij als veertiger weer in zijn oude jongenskamer bij zijn ouders. Een slepend alcoholprobleem dreef hem naar de straat.

‘Je kan de mensen opdelen in twee groepen,’ zegt hij. ‘Degenen die hun kleren wassen en degenen die het niet meer doen. Het is het verschil tussen erbij horen en erbuiten staan, tussen alleen zijn en ergens verwacht worden. Ik ken de beide kanten. De dag dat je weer het vuil uit je kleren wast, ben je op de weg terug.’

Rond kwart voor acht zegt Pierre dat hij liever weer vertrekt.

‘Als dakloze leer je jezelf zo onzichtbaar mogelijk maken. Ik wil geen problemen met de uitbater.’

Achter het licht beslagen raam zie ik hem op het trottoir even twijfelen over de richting van zijn wandeling. Tot hij verdwijnt in de richting van de Place Albert I, zijn rode plastic caddy van de Carrefour achter zich aan rollend.

 


Eurowash 2000 is geen hippe Californische wasserette, geen chroompaleis waar modellen in hun ondergoed wachten bij de draaiende trommels op de soundtrack van een Levi Strauss-reclameclip. De inrichting is spartaans en praktisch. De wanden zijn van afwasbaar wit laminaat, de witte tegels laten zich makkelijk schuren. Tegen de linkermuur staan acht Electrolux-wasmachines in één blok naast elkaar. Tegen de rechtermuur staan stoelen naast een jetonwisselaar (4 euro voor een wasbeurt) en een automaat van het juke box-merk Wurlitzer met alle denkbare merken van waspoeders, stijfsels, verzachters en bleekpoeders. Achteraan bevinden zich de droogtrommels en een ouderwetse linnenpers met rubberen rollen. Alles baadt in een hel licht van buislampen.

De wasserette ligt op een snijpunt in de stad. In het zuiden zijn de aangrenzende huizenblokken van de ville basse vervallen en verlaten. Zelfs de nacht- en internetwinkels zijn verdwenen. In de schaarse bewoonde panden woekert de kamerverhuur. Binnenkort gaan alle huizenblokken, inclusief de hoerenbuurt, tegen de grond. Aan noordkant beginnen de drukke winkelstraten die steil oplopen naar de ville haute, een reservaat van de middenstand. In het noordwesten ligt de Boulevard Tirou met zijn appartementen waarin vooral veel bejaarde Carolo’s wonen. Vaak hebben ze in de gouden jaren goed geboerd in een vrij beroep of de industrie. Al deze werelden stromen samen in Eurowash 2000, de buurtwasserette waar iedereen te voet komt bij gebrek aan een parking voor de deur: van student tot prostituee, van foorkramer tot bankbediende in echtscheiding die voor het eerst zelf zijn wasje moet doen. Er zijn de habitués die elke week komen. En de nieuwkomers die net verhuisd zijn of komen voor de tijd dat hun kapotte wasmachine gerepareerd wordt.

Rond half acht komt een luidruchtige delegatie uit de ville basse op bezoek: drie krakers, vergezeld van een blaffende Duitse scheper met een gele bandana. Ze gaan bij de stoelen aan het raam zitten en trekken blikken Cara-pils van een halve liter open. Hoewel ze al ruim voorbij de dertig moeten zijn, zitten ze elkaar te duwen en te porren als nerveuze pubers die met zichzelf geen raad weten.

Intussen waait het lawaai van de ochtendspits naar binnen. In de verte loeien de sirenes van een politiewagen, een geluid dat evenzeer bij deze stad lijkt te horen als het waaien van de wind over de steenkoolbergen.

 


Om de tijd te doden gok ik op het tijdstip waarop de eerste ‘echte’ klant zal binnenkomen, iemand die effectief de wastrommels doet draaien. Iets later dan gedacht stapt om kwart over acht een rijzige, oude man binnen. Recht naar de jetonautomaat. Ongeveer tachtig moet hij zijn, maar nog steeds in vorm en goed te been. Jacques is oud-mijnbouwingenieur van de S.A. des Charbonnages de Monceau-Fontaine in Couillet. Elke week komt hij uit gewoonte zijn witte was doen, ook al is de trommel sinds de dood van zijn vrouw niet meer half gevuld.

‘Ook toen mijn vrouw nog leefde, ging ik zelf naar de wasserette. Het ontspant me om naar dat draaiende wasgoed achter het glas te kijken. Het maakt mijn hoofd vrij. Zoals vissers graag naar een dobber turen, neem ik aan.’

Voor hij bij Monceau-Fontaine terecht kwam, werkte Jacques ook in diverse mijnen van de Franse Nord.

‘We waren altijd klaar om te vertrekken. Dat was eigenlijk een reden om geen wasmachine te kopen. Tijdens een verhuizing is zo’n lomp gevaarte geen cadeau. Bovendien konden we onze was in de mijn laten doen. Maar mijn vrouw wilde er wél graag een. De meeste wasmachines na de oorlog waren van Amerikaanse makelij. En ze adoreerde alles wat uit Amerika kwam.’

Als hij zijn drooggezwierde was uit de trommel haalt, monstert hij het wit van de lakens.

‘Zo wit, dat bestond vroeger niet. En al helemaal niet de kleren van mijnwerkers. Die kreeg je nooit helemaal schoon. Weet u, ik heb geen heimwee naar de goeie ouwe tijd. Die heeft nooit bestaan. Veel Carolo’s geloven nochtans in die illusie omdat ze de werkloosheid en het vuil en de overlast in hun straten beu zijn. Maar was het vroeger dan zo veel beter? Er was meer gemeenschapszin en respect, dat klopt. Maar de fabrieken en de steenkoolmijnen waren moordend. En wie overleefde betaalde een zware prijs. De oudere mijnwerkers werden ondergronds rondgereden op platte wagons omdat ze niet meer uit de voeten konden. De dag dat ze met pensioen gingen hadden ze vaak een bal steenkoolstof ter grootte van een tennisbal in hun longen. Dat is allemaal nog niet zo lang geleden, zeg maar vijftig jaar.’

 


De eerste wasserette in mijn leven was Schietse, aan het Arsenaal in Gent. Ik kwam er regelmatig met mijn grootmoeder, na de maandagse markt. Je kon er zelf de ‘gewone’ was doen en desgewenst het wasgoed voor de ‘droogkuis’ inleveren aan de comptoir. Het cliënteel bestond exclusief uit huisvrouwen uit de buurt die een feilloze routine ontwikkeld hadden in het hanteren van de jetons en waspoederbekers. Tijdens de was gingen ze naast elkaar op een rij stoelen tegen de muur zitten, turend naar de draaiende en zwierende trommels van de machines. Intussen becommentarieerden ze het wel en wee van de wijk. De conclusies gebeurden tijdens het draaien van de droogtrommel, de nabespreking onder het vouwen van het lakens. De wasserette was het belangrijkste informatiecentrum van de buurt.

Mijn enige tastbare souvenir is een eenvoudige houten kapstok waarop in slanke letters ‘Schietse’ gedrukt staat: ‘Wasserij – Ververij – Nieuwkuis, Tel. 23.45.61 (3 lijnen)’. Hoe aandoenlijk, die trotse vermelding van drie telefoons. Het hoorde helemaal bij het moderne imago van de wasserettes in de jaren ’60 en ’70. Ze markeren het tijdperk tussen de dampende houten wastobbe in de achterkeuken en de eerste eigen wasmachine: de jaren van geloof in vooruitgang en welvaart na de Tweede Wereldoorlog.

Ook deze Eurowash 2000 verwijst in zijn naam naar een glorende toekomst in het nieuwe millennium. Voor de streek rond Charleroi waren de magere jaren toen net begonnen, hoewel maar weinigen het toen al onder ogen wilden zien.

De drie krakers en Jacques zijn weer vertrokken. Ik ben alleen met een Braziliaanse jongen die net is binnengekomen. Een woord Frans spreekt hij niet. Of toch, één: ‘travaux’. Hij laat de zwarte randen onder zijn nagels zien. Ergens in de stad moet hij in een container op een bouwwerf verblijven. Charleroi is altijd een stad van werkmansbarakken geweest, alleen de nationaliteit van de bewoners is veranderd. De Italianen en Vlamingen zijn afgelost door Oost-Europeanen en Latijns-Amerikanen.

 


Het is vroege namiddag. Eric en Valérie, de eigenaars van de wasserette, brengen een routinebezoek. De ouders van Valérie – Napolitaanse immigranten van de tweede generatie – openden in het midden van de jaren ’80 de eerste lavoir automatique van Charleroi.

‘Mijn grootouders zijn naar België gekomen zonder schoenen aan hun voeten. Vandaag hebben we drie wasserettes in de stad.’

Valérie ziet elk jaar wel een nieuwe wasserette opengaan in de stad, maar even snel is ze weer gesloten.

‘Nieuwe uitbaters denken dat een wasserette makkelijk geld is: ‘s avonds eens langskomen om de biljetten en munten uit de automaten te halen en verder ben je vrij. Maar je moet de machines goed onderhouden. En als er een probleem opduikt, moet je onmiddellijk ter plaatse zijn. Zeven dagen op zeven. Daar denken die opstarters niet aan. Et ils se cassent la figure.’

In de Rue Dupret is de wasserette één van de weinige handelszaken die overleeft. De leegstand komt gevaarlijk dichtbij.

‘En toch blijft onze klandizie al jaren stijgen,’ stelt Eric vast. ‘Mede dankzij passanten in de stad. Tennisspelers die gedurende een tornooi in het Ibishotel verblijven. Arbeiders van bouwwerven. Routards. Eén keer zag ik een vrachtwagenbestuurder achteraan in de wasserette in zijn zwembroek zitten. Zijn volledige garderobe bestond uit een t-shirt en een jeansbroek die in de machine staken. Meer hebben die mannen vaak niet aan hun lijf. Dan zijn er de jonge koppels die nog geen wasmachine gekocht hebben. Oude Carolo’s die geen nieuwe machine kunnen betalen. Bejaarden die groot woonden en naar een klein appartement verhuisd zijn. Het bezit van een wasmachine volgt de levensfases. Als er een nieuwe klant opduikt, wijst dat op een clash. Ofwel is zijn wasmachine kapot, ofwel is hij net gescheiden.

Je komt hier veel te weten over de mensen, ook de toestand van hun portemonnee. De stijgende armoede zien we tot in de geldlade van onze wisselautomaten. Vanaf de twintigste van de maand ontvangen we vooral munten. De geldbriefjes zijn al uitgegeven.’

Ik besluit een nieuw onderwerp aan te roeren. Love in the launderette. Wasserettes zijn onderschat als plekken waar Cupido op de loer ligt. Eric en Valérie blijken er alles van te weten.

‘In een moeilijke periode zat ik alleen op een appartementje,’ zegt Eric. ‘Ik had alles verloren. Mijn moeder was overleden, mijn vader moest me niet meer. Regelmatig kwam ik hier mijn was doen. Het was de tijd dat Valérie nog permanent aanwezig was bij de pressing. Ik vertelde haar mijn verhalen en zij vertelde me haar verhalen. Et voilà, van het één kwam het andere. Wasserettes zijn plekken waar je makkelijk contact maakt. Makkelijker dan in een café bijvoorbeeld: je hebt raad nodig bij de bediening van de machines, je hebt even een handje hulp nodig bij het plooien van een laken. Dat gaat allemaal heel natuurlijk. En voor je het weet, ben je elkaar je leven aan het vertellen.’

Op het trottoir naast de wasserette ligt een verse hoop glaskorrels van een stukgeslagen autoruit. Op nog twee plekken in straat zijn er sporen van een inbraak. Vanochtend meldde de lokale radio een paar overvallen.

‘De stad is harder geworden,’ vindt Valérie. ‘Soms geef ik oudere klanten de raad om overdag te komen wanneer er nog veel beweging is op straat. In de Rue d’Orléans is één ruit op drie kapot. Vroeger werden ruzies uitgevochten met de vuisten, nu met wapens. Zelfs in de wasserette merken we de toegenomen agressie, onder meer aan de afdrukken van schoenzolen op de wasmachines. Als iets niet werkt, slaan de stoppen meteen door. Er zijn pogingen geweest om de geldlade van de automaten open te breken, een paar keer werd zelfs de was van een klant gestolen. Ze bestaan echt: mensen die andermans wastrommel leeghalen en ermee weglopen.’

 


Madame Volpone, een wekelijkse klant, mengt zich in ons gesprek.

‘Ik heb ooit een politieman gevraagd of hij mij geen bazooka kon leveren. Dan blaas ik alle klaplopers en criminelen voor je weg, zei ik hem. Kijk eens rond hoe de stad er tegenwoordig bij ligt! Druggebruikers hebben de straten overgenomen. Op mijn zevende liep ik alleen over straat, een paar huizenblokken ver. Vandaag kan geen kind dat nog doen.’ Madame Volpone is bijna tachtig, maar heeft nog altijd de looks van een bekoorlijke furie. Ravenzwarte haardos, schietende ogen. Mijn recordertje bevalt haar niet.

‘Luister,’ waarschuwt ze. ‘Als je één verkeerd woord over me schrijft, laat ik je in de Samber gooien. Mijn familie komt uit Napels.’

Ze blijkt een goede bekende van Valérie en Eric. Jarenlang had ze een klerenwinkel recht tegenover de wasserette in de Rue Dupret. Vandaag staat hij leeg. Tegen de ramen hangen affiches van Toto Cutugno. Grijzend, maar nog every inch a ladies man. Volgende week treedt hij op in het Palais des Beaux Arts voor de Italiaanse gemeenschap van Charleroi en zal zijn wereldhit ‘L’Italiano’ te horen zijn tot ver in de buitenwijken.

‘Mijn vader Guido is gestorven toen ik twee was. Ik herinner me alleen dat hij me ooit een rozijn gaf. Da’s alles. Mijn moeder heeft me in de steek gelaten, waarna ik ben geadopteerd door de dochter van een protestantse dominee. Het heeft me een leven lang gekost om te achterhalen waarom een moeder een kind van twee achterlaat. Zeventien jaar lang heb ik in Brussel avondcursussen filosofie en psychologie gevolgd om een antwoord te vinden. Tevergeefs. Aan het eind van mijn leven denk ik er nog vaak aan, zelfs hier, terwijl ik op mijn was zit te wachten. Het is een vraag die ik zal meenemen in mijn graf.

Vader was een uitstekende kleermaker, net als mijn oudste broer die werkelijk kon naaien als een god. Ik heb hun spoor gevolgd. Overdag volgde ik naailessen en ’s nachts werkte ik om de huur te kunnen betalen. De zwarte tijden: ik heb ze gekend, meneer. Ook de herinnering aan mijn broer komt steeds vaker terug. Hij is gestorven op zijn twintigste aan kanker. Tijdens mijn laatste bezoek zei hij: “On meurt seul.” Dat zal ik nooit vergeten.’

Madame Volpone had twaalf jaar een haute couture-winkel in een galerij van de ville haute. Naarmate de crisis eind jaren ’80 steeds harder toesloeg, begon haar cliënteel te krimpen. Ze verhuisde naar de Rue Dupret waar ze bijna een kwarteeuw bleef.

‘De echte haute couture kreeg ik niet meer verkocht, daarvoor was er geen publiek meer. Ik moest me richten op een ‘lager’ publiek. Twee jaar geleden, op mijn zevenzeventigste, had ik er genoeg van. De belastingsinspectie heeft me eens vijf jaar lang opgejaagd om tenslotte te concluderen dat ik met alles in orde was. Intussen werd het klimaat op straat grimmiger. De laatste jaren sloot ik de winkel al om 17 uur, een uur vroeger, omdat er nadien toch alleen nog maar tuig op straat loopt. Ik voelde me niet veilig om nog langer in de winkel te blijven en alleen naar huis te gaan. Ook al was het maar een paar straten ver.

Als couturière van de oude school geloof ik dat de manier waarop we ons kleden veel – zo niet alles – zegt over de tijd waarin we leven. Bekijk eens een oude straatfoto van de jaren ’30, ’40 of ’50. De mensen hadden het niet breed, maar kleedden zich sober en smaakvol. Soms zelfs elegant. Een teken van zelfrespect en respect voor de anderen. Vandaag is vulgariteit is een stijl geworden. Zie maar hoe veel jonge vrouwen gekleed lopen als goedkope prostituees. Misschien denk je dat ik met mijn hoofd liever in het verleden leef, maar dat is niet zo. Ik betreur niets. Dat heeft toch geen zin.’

Valérie en Eric vertrekken. Madame Volpone moet nog naar de dokter. En de wasserette, ze blijft verder draaien.

 


In de namiddag is meer dan de helft van de stoelen bezet. Bij het raam bespreekt een koppel twee kwesties die zo oud zijn als de eerste wasmachine. Eén: worden kleren beter gewassen in een volle of een halfvolle wastrommel? Twee: wijst de aanwezigheid van veel zeepschuim op een betere wasbeurt of doet het er niet toe? De discussie duurt ongeveer een kwartier tot de vrouw een onklopbaar inzicht aanreikt: ‘Ach, alles hangt ervan af hoe vuil je wasgoed in de trommel gaat.’

Taferelen.

Naast de Wurlitzer wacht een Chinees op zijn kookwas, terwijl hij een vogelkooi met twee grasparkieten op de schoot houdt. Achteraan in de wasserette ruziet een zwart koppel tijdens het opvouwen van de lakens. Een tiener die vorige week voor het eerst vader werd, vindt nog een paar overgebleven doosjes suikerbonen in zijn sporttas en deelt ze uit. Een magere jongen met piekhaar stapt binnen met een rood-witte rolkoffer waarop uitdagend het logo van Standard prijkt. Uitgerekend het centrum van Charleroi moet de gevaarlijkste plek ter wereld zijn om met de koffer rond te lopen, maar hij haalt de schouders op. ‘Ik ben ook supporter van Real Madrid,’ vergoelijkt hij. In het Italiaansdolle Charleroi klinkt het als adding insult to injury.

Het is al vooravond wanneer ik bij de droogmachine aan de praat raak met Jeanne die net met de auto gebracht is door een buur. Begin zeventig moet ze zijn, afkomstig uit de oude glasgemeente Dampremy. De was heeft ze thuis al gedaan, ze komt alleen drogen.

‘Ik heb nooit mijn was in de open lucht kunnen drogen omwille van de pollutie,’ legt ze uit. ‘In mijn buurt is er altijd veel zware industrie geweest. Veertig jaar geleden stond er langs de oevers van de Samber in Dampremy en Marchienne een bos van schoorstenen. In de zomer had de zon zelfs ’s middags moeite om door de smog te breken. Nu roken er maar een paar schoorstenen meer.’

Vorige week raakte bekend dat er weer duizend arbeidsplaatsen sneuvelen bij staalfabriek Duferco op de terreinen van La Providence, één van de grootste Europese industriegebieden.

‘Heel mijn familie heeft op La Providence gewerkt,’ zegt Jeanne. ‘Ook mijn man. Eind jaren ’70 begonnen de sluitingen. Het is een langgerekte doodsstrijd. Ook het leven in de wijken ging teloor. Buren werden vreemden. Over een paar jaar hebben we schone lucht omdat er geen enkele fabrieksschouw meer rookt. Dan kunnen we onze was buiten aan de draad hangen, maar dat zal dan betekenen dat het oude Charleroi langs de Samber dood is. Misschien verrijst het elders weer. Mijn zoon werkt op de Aéropole rond de luchthaven.’

 


Het is acht uur. Buiten valt de duisternis. De buislampen van de wasserette werpen hun bleke licht op het natgeregende trottoir.

Er zijn nog vier klanten. Een bejaarde man leest de stadskrant La Gazette. Een meisje zit hoofdknikkend verdiept in de muziek van haar iPod. Een man en een vrouw in een zelfde paarse anorak zitten naast elkaar zwijgend voor zich uit te kijken. Er is geen geluid behalve het draaien en schokken van de wastrommels die een soort repetitieve, ritmische jazz produceren.

Mijn gedachten waaien uit naar een zeegedicht van de Portugees Fernando Pessoa: ‘Pakketboten die ‘s morgens binnenvaren brengen met zich, in mijn ogen, het blijde en trieste mysterie van wie aankomt en vertrekt. Brengen herinneringen aan verre kaden en andere wijze van het hetzelfde mensdom op andere plaatsen.’

Ook deze wasserette is zo’n pakketboot, aangemeerd in de stad. Mensen komen er het vuil van de stad uit hun kleren wassen, ze komen er hun verhalen achterlaten, maar als ze weer vertrekken blijft Charleroi onder hun vel zitten, als een onuitwisbare tatoeage.

Als ik naar het station loop, valt het water met bakken uit de lucht. De Rue Dupret is veranderd in een snelstromende beek die recht naar de Samber loopt. De portieken van de panden langs de Quai de Brabant zijn alweer ingenomen voor de nacht. Over de brug met de beeldengroep van Constantin Meunier spoeden zich de laatste pendelaars naar de treinen. Bij de ingang van een leegstaande bank staat een rode Carrefour-trolley.

Hij zou van Pierre kunnen zijn. Maar misschien ook niet.

 

 

Dit citybook verscheen op 19 mei 2012 in De Standaard. Bekijk hier de pdf, met foto's van het wassalon in Charleroi uit het verhaal door Dieter Tieleman, en lees hier een introductie bij het verhaal door Pascal Verbeken.

 

Download de ePub-versie Print

Eurowash 2000

Dans Eurowash 2000, un paquebot dans la ville, Pascal Verbeken se rend dans une laverie automatique à Charleroi. « Les wasserettes sont les derniers lieux d’une ville qui échappent à la ségrégation. Des visiteurs de tous les âges, de toutes les classes et de toutes les origines s’y rencontrent. Eurowash 2000 est la wasserette de la « ville basse » à Charleroi. »

 


Cela fait pas mal de temps que Pierre ne va pas bien. Et cela ne s’est pas amélioré cette nuit. Sa paupière est enflée sous le sourcil droit. Un petit caillot de sang rouge foncé s’est formé sur sa lèvre supérieure. Les traces d’une bagarre dans un hall d’entrée abandonné, en face de la gare. Il tâte les endroits douloureux de deux doigts tout en inspectant son visage dans le hublot du lave-linge qui se trouve à hauteur de miroir.

- Merde

Il répète le mot trois fois.

- Un homme s’est mis à me donner des coups de pieds alors que je venais juste de m’endormir. Je ne l’avais encore jamais vu. Un sauvage. Sûrement un accro à l’héroïne. Il y en a de plus en plus et ils sont de plus en plus jeunes.

Autour de Pierre flottent des relents aigres d’alcool qui couvrent jusqu’à l’odeur d’eau de Javel laissée par le personnel d’entretien de la wasserette hier soir. Il a poussé dans le coin, près de la calandreuse, le caddy en plastique rouge du Carrefour dans lequel il entasse tout ce qu’il possède. Par les matinées froides, comme aujourd’hui, cette wasserette est l’une de ses haltes fixes. Quand la porte s’ouvre, à sept heures, il vient se chauffer ici.

La décadence de Pierre a commencé il y a dix ans, après qu’il a perdu son travail de magasinier chez un grossiste en couleurs. Un an plus tard, sa femme l’a quitté. L’année suivante, le quadragénaire avait réintégré sa chambre de jeune homme, chez ses parents. Avant qu’un problème d’alcoolisme chronique ne le pousse dans la rue.

- On peut diviser les gens en deux groupes, me dit-il. Ceux qui lavent encore leurs vêtements et ceux qui ne le font plus. C’est la différence entre ‘faire partie de’ et la marginalité, entre être seul ou être attendu quelque part. Je connais les deux côtés. Le jour où on recommence à laver la crasse de ses vêtements, on est sur le chemin du retour.

Vers huit heures moins le quart, Pierre annonce qu’il préfère repartir.

- En tant que sans-abri, on apprend à se faire le plus invisible possible. Je ne veux pas d’ennuis avec l’exploitant.

Derrière la fenêtre légèrement embuée, je le vois hésiter sur la direction à prendre. Puis il disparaît du côté de la place Albert Ier, traînant derrière lui son caddy en plastique rouge de chez Carrefour.

 


Eurowash 2000 n’a rien d’une wasserette californienne à la mode ni d’un palais chromé où des mannequins attendent en sous-vêtements près des machines à laver en marche sur une musique de clip publicitaire pour Levi Strauss. L’endroit est aménagé de façon spartiate et pratique. Les murs sont en stratifié blanc lavable, les carrelages blancs du sol faciles à nettoyer. Le long du mur de gauche, il y a huit lave-linge Electrolux collés l’un à l’autre. Contre le mur de droite, des chaises, un distributeur de jetons (4 euros pièce) et un automate de la marque Wurlitzer (celle des juke-box) qui propose tous les savons, amidons, adoucissants et blanchissants possibles. Derrière, on trouve les sèche-linge et une calandreuse démodée à rouleaux de caoutchouc (50 cents). Tout baigne dans la lumière vive des néons.

La wasserette occupe un endroit « charnière ». Au sud, les blocs de maison attenants de la ville basse sont délabrés et abandonnés. Même les épiceries de nuit et les call-shops ont disparu. Dans les rares bâtiments habités, la location de chambres fait rage. Tous les blocs en question seront prochainement rasés, y compris le quartier des prostituées. Au nord, c’est le début des rues commerçantes fréquentées qui montent en pente raide vers la ville haute, réserve de classes moyennes. Au nord-ouest, il y a le boulevard Tirou, avec ses appartements principalement habités par des Carolos âgés. Dans leur âge d’or, la plupart ont exercé une profession libérale ou travaillé dans l’industrie. Tous ces mondes confluent à Eurowash 2000, la wasserette où l’on vient à pied faute de places de parking devant la porte : de l’étudiant à la prostituée, du forain à l’employé de banque en instance de divorce qui doit pour la première fois faire sa lessive lui-même. Il y a les habitués qui sont là chaque semaine. Et les nouveaux, qui viennent d’emménager dans le quartier ou qui fréquentent la wasserette le temps que leur machine à laver soit réparée.

Vers huit heures, une délégation bruyante de la ville basse fait son entrée : trois squatters escortés par un berger allemand aboyant, portant un bandana jaune. Ils prennent place sur les chaises près de la fenêtre et ouvrent des canettes de bière Cara d’un demi-litre. Bien qu’ils aient tous largement dépassé la trentaine, ils se poussent et se bousculent comme des ados nerveux qui ne savent pas quoi faire de leur carcasse.

Pendant ce temps, le bruit de l’agitation matinale s’introduit dans la wasserette. On entend dans le lointain des sirènes de police, un son qui semble aussi indissociable de cette ville que celui du vent soufflant sur les terrils.

 


Pour tuer le temps, j’ai parié sur l’heure à laquelle arriverait le premier « vrai » client, celui qui ferait effectivement tourner une machine. À huit heures et quart, un peu plus tard que ce que je n’avais prévu, entre un vieil homme élancé qui se dirige droit vers l’automate à jetons. Il doit avoir autour de quatre-vingts ans, mais il tient encore la forme. Jacques est un ancien ingénieur de la S.A. des Charbonnages de Monceau-Fontaine, à Couillet. Il vient chaque semaine laver son linge, par habitude, même si depuis la mort de son épouse, le tambour n’est même plus rempli à moitié.

- Du vivant de ma femme, c’était déjà moi qui venais à la wasserette. Cela me détend de regarder tourner le linge derrière la vitre. Cela me vide l’esprit. Comme les amateurs de pêche à la ligne je suppose.

Avant de venir à Monceau-Fontaine, Jacques a travaillé dans différents sites miniers du nord de la France.

- Nous étions toujours en instance de partir. C’était en fait notre principale raison pour ne pas acheter de machine à laver. Quand on déménage, c’est toujours un objet encombrant. En plus, nous pouvions faire faire notre lessive à la mine. Mais ma femme aurait bien aimé en avoir une. La plupart des machines d’après-guerre étaient fabriquées en Amérique. Et elle adorait tout ce qui venait d’Amérique.

Lorsqu’il retire sa lessive essorée de la machine, il inspecte les draps immaculés.

- Un blanc pareil, ça n’existait pas dans le temps. Certainement pas pour les vêtements des mineurs. On n’arrivait jamais à les nettoyer à fond. Vous savez, je ne regrette pas le bon vieux temps. Il n’a jamais existé. Beaucoup de Carolos ont cette illusion parce qu’ils en ont assez du chômage et des rues sales et encombrées. Mais était-ce tellement mieux avant ? Il y avait plus de sens communautaire et de respect, c’est sûr. Mais les mines et les usines étaient meurtrières. Et ceux qui ont survécu ont payé un lourd tribut. Les mineurs plus âgés étaient véhiculés sous terre sur des wagons plats parce qu’ils ne tenaient plus debout. Le jour où ils partaient à la retraite, ils avaient un amas de poussière de charbon gros comme une balle de tennis dans les poumons. C’était il n’y a pas si longtemps, une cinquantaine d’années, disons.

 


La première wasserette de ma vie, à l’Arsenal de Gand, s’appelait « Schietse ». J’y allais régulièrement avec ma grand-mère, après le marché du lundi. On pouvait y faire sa lessive ordinaire soi-même et, si on le voulait, donner son « nettoyage à sec » au comptoir. La clientèle était exclusivement composée de ménagères du quartier qui, à force d’habitude, avaient développé une technique infaillible de maniement des jetons et des gobelets de poudre à lessiver. Pendant l’opération, elles s’asseyaient en rang contre le mur et fixaient le mouvement des tambours tout en commentant les moindres faits et gestes du quartier. Les conclusions étaient tirées pendant l’essorage, le débriefing intervenait pendant le pliage des draps. La wasserette était le principal centre de renseignement du quartier.

Mon seul souvenir tangible est un portemanteau tout simple en bois sur lequel « Schietse » était imprimé en lettres élancées : « Wasserij – Ververij – Nieuwkuis, Tel. 23.45.61 (3 lijnen) ». C’est touchant, cette mention des trois lignes téléphoniques. Cela correspondait tout à fait à l’image moderne des wasserettes dans les années 1960 et 1970. Elles ont marqué la période de transition entre les bassines en bois fumantes dans l’arrière-cuisine et la première machine à laver individuelle : les années de foi dans le progrès et la prospérité qui ont suivi la Seconde Guerre mondiale. Cet Eurowash 2000 aussi renvoie à un avenir glorieux dans le nouveau millénaire. Pour la région de Charleroi, les années de vaches maigres venaient de commencer, même si à l’époque, beaucoup se refusaient encore à l’admettre.

Les trois squatters et Jacques sont à présent partis. Je reste seul avec un jeune Brésilien qui vient d’entrer. Il ne parle pas un mot de français. Enfin si, juste un : « travaux ». Il me montre les bords noirs autour de ses ongles. Il doit vivre dans un container, sur un chantier, quelque part dans la ville. Charleroi a toujours été une ville de baraques d’ouvriers, seule la nationalité de leurs occupants a changé. Les Italiens et les Flamands ont été relevés par les Européens de l’Est et les Latino-Américains.

 


Nous sommes au début de l’après-midi. Éric et Valérie, les propriétaires de la wasserette, passent pour une visite de routine. Les parents de Valérie – des immigrants napolitains de la deuxième génération – ont ouvert au milieu des années 1980 la première laverie automatique de Charleroi.

- Mes grands-parents sont venus en Belgique sans chaussures à leurs pieds. Aujourd’hui, nous possédons trois wasserettes.

Chaque année, Valérie voit un nouveau commerce de ce type s’ouvrir en ville et refermer ses portes aussi vite.

- Les nouveaux exploitants pensent qu’une wasserette permet de gagner facilement de l’argent : on passe le soir pour retirer les pièces et les billets des automates et le reste du temps, on est libre, croient-ils. Mais les machines doivent être bien entretenues. Et quand un problème surgit, il faut se rendre immédiatement sur place. Sept jours sur sept. Les débutants n’y pensent pas. Et ils se cassent la figure.

Dans la rue Dupret, la wasserette est l’un des rares commerces qui ait survécu. L’inoccupation se propage dangereusement.

- Et pourtant, notre clientèle ne fait qu’augmenter, constate Éric. Notamment grâce aux gens de passage. Les joueurs de tennis qui séjournent à l’hôtel Ibis pendant un tournoi. Les ouvriers des chantiers de construction. Des routards. Une fois, j’ai vu un chauffeur routier en slip de bain à l’arrière de la wasserette. Toute sa garde-robe se composait d’un T-shirt et d’un jeans qui tournaient dans la machine. Ces hommes n’ont pas souvent plus que ça sur le dos. Et puis il y a les jeunes couples qui n’ont pas encore acheté de machine, ou les vieux Carolos qui ne peuvent pas s’en payer une neuve. Des personnes âgées qui avaient une maison et ont emménagé dans un petit appartement. La possession d’une machine à laver suit les phases de la vie. Quand un nouveau client se présente, cela indique souvent un clash. Soit la machine est cassée, soit il vient de divorcer.

Ici, on en apprend beaucoup sur les gens, sur l’état de leur portefeuille. Nous voyons progresser la misère d’après le contenu de nos appareils de change. À partir du vingt du mois, il y a surtout de la monnaie. Les billets ont déjà été dépensés.

Je décide de lancer un autre sujet. Love in the launderette. Les wasserettes sont des lieux de rencontre largement sous-estimés. Éric et Valérie sont bien placés pour le savoir.

- À une période difficile, je me suis retrouvé seul dans un studio, dit Éric. J’avais tout perdu. Ma mère était décédée, mon père ne s’occupait plus de moi. Je venais régulièrement ici faire ma lessive. C’était l’époque où Valérie était encore présente en permanence au pressing. Je lui ai raconté mon histoire et elle m’a raconté la sienne. Et voilà. De fil en aiguille... Les wasserettes sont des endroits où l’on noue facilement contact. Plus facilement que dans un café par exemple : on a besoin de conseils concernant le fonctionnement des machines, on demande un coup de main pour plier un drap… Tout cela se fait très naturellement. Avant même de s’en rendre compte, on est en train de raconter sa vie.

Sur le trottoir, des débris de verre provenant d’une vitre de voiture fraîchement cassée forment un petit tas. Il y a des traces d’effraction à deux autres endroits de la rue. Ce matin, la radio locale a signalé une série de braquages.

- La ville est devenue plus dure, trouve Valérie. Parfois, je conseille aux clients âgés de venir pendant la journée, quand il y a encore du mouvement en rue. Dans la rue d’Orléans, une vitre sur trois a été brisée. Avant, les conflits se réglaient à coups de poing, aujourd’hui, on utilise les armes. Même dans la wasserette, nous remarquons l’agressivité croissante, notamment aux empreintes de semelles sur les machines. Quand ça ne marche pas, les gens cognent immédiatement. On a tenté de forcer les automates et, à quelques reprises, la lessive d’un client a même été volée. Des gens qui vident le tambour d’un autre et s’en vont avec leur linge, ça existe vraiment.

 


Madame Volpone, une cliente hebdomadaire, se mêle à notre conversation.

- Un jour, j’ai demandé à un policier s’il ne pouvait pas me procurer un bazooka. Avec ça, je soufflerais tous les parasites et les criminels, lui ai-je dit. Regardez à quoi la ville ressemble aujourd’hui ! Les toxicomanes sont partout. À sept ans, je me promenais seule en rue, au moins sur quelques blocs. Aujourd’hui plus aucun enfant ne peut s’y risquer.

Madame Volpone n’a pas loin de quatre-vingts ans, mais elle a gardé l’allure d’une séduisante furie. Cheveux noir corbeau, regard de braise. Mon petit enregistreur ne lui plaît pas trop.

Écoutez, prévient-elle, si vous écrivez un mot de travers sur moi, je vous fais balancer dans la Sambre. Ma famille vient de Naples.

Elle semble être une bonne connaissance de Valérie et Éric. Pendant des années, elle a tenu un magasin de vêtements juste en face de la wasserette, dans la rue Dupret. Aujourd’hui il est à l’abandon. Des affiches de Toto Cutugno garnissent l’ancienne vitrine. Grisonnant, mais encore tout ce qu’il faut pour plaire aux femmes. La semaine prochaine, il se produit au palais des Beaux-Arts pour la communauté italienne et son célèbre hit, Sono l’Italiano, résonnera jusque bien loin dans la périphérie.

- Mon père, Guido, est mort quand j’avais deux ans. La seule chose dont je me souvienne, c’est qu’il m’a donné un jour un raisin sec. C’est tout. Ma mère m’a abandonnée et j’ai été adoptée par la fille d’un pasteur. Il m’a fallu toute une vie pour comprendre comment une mère pouvait abandonner un enfant de deux ans. Pendant dix-sept ans, j’ai suivi des cours du soir de philosophie et de psychologie à Bruxelles pour trouver une réponse. En vain. Dans mes vieux jours, j’y repense encore souvent. Même ici, pendant que j’attends ma lessive. C’est une question que j’emmènerai dans ma tombe.

Papa était un excellent tailleur, tout comme mon frère aîné, qui cousait réellement comme un Dieu. J’ai suivi leurs traces. La journée, j’apprenais la couture, la nuit, je travaillais pour payer le loyer. Des années noires, j’en ai connu, Monsieur. À mon frère aussi, je repense souvent. Il est mort d’un cancer à vingt ans. Lors de ma dernière visite, il m’a dit : « On meurt seul. » Je ne l’oublierai jamais.

Madame Volpone a eu pendant douze ans une boutique de luxe dans une galerie de la ville haute. Quand la crise de la fin des années 1980 a commencé à se faire sentir, sa clientèle s’est progressivement réduite. Elle a déménagé vers la rue Dupret, où elle est restée près d’un quart de siècle.

- La véritable haute couture ne se vendait plus, il n’y avait plus de public pour ça. J’ai dû m’adresser à une clientèle plus modeste. Il y a deux ans, à mon septante-septième anniversaire, j’en ai eu assez. L’inspection des finances m’avait poursuivie pendant cinq ans avant de conclure finalement que tout était en ordre. Entre-temps, le climat se dégradait. Les dernières années, je fermais le magasin dès dix-sept heures, avec une heure d’avance, parce que de toute façon, il n’y avait plus que de la crapule en rue. Je ne me sentais pas sûre à l’idée de rester plus tard et de rentrer seule à la maison, même si ce n’était pas très loin.

En tant que couturière de l’ancienne école, je pense que la façon dont nous nous habillons dit tout ou presque sur l’époque où nous vivons. Regardez une photo du quartier dans les années 1930, 1940 ou 1950. Les gens n’étaient pas riches, mais ils s’habillaient sobrement et avec goût. Parfois même élégamment. Un signe de respect de soi et des autres, de cohésion sociale. Aujourd’hui, tout fiche le camp. La vulgarité est devenue un style. Il n’y a qu’à voir le nombre de jeunes femmes habillées comme des prostituées de bas étage. Peut-être êtes-vous en train de vous dire qu’en pensée, je préfère vivre dans le passé, mais ce n’est pas le cas. Je ne regrette rien et de toute façon, ça ne sert à rien.

 


Valérie et Éric s’en vont. Madame Volpone a rendez-vous chez le médecin. La wasserette, elle, continue à tourner. À cette heure-ci, plus de la moitié des chaises sont occupées. Près de la fenêtre, un couple discute de deux questions aussi vieilles que la première machine à laver. Un : les vêtements sont-ils mieux lavés dans un tambour plein ou à moitié plein ? Deux : l’abondance de mousse signifie-t-elle que le linge est mieux lavé, ou cela n’a-t-il pas d’importance ? La discussion dure un quart d’heure environ, avant que la femme ne conclue de manière imparable : « En fait, ça dépend si le linge que l’on met dans le tambour est très sale ou pas. »

Tableaux.

Près du Wurlitzer, un Chinois attend sa lessive avec, sur les genoux, une cage contenant deux perruches. Au fond de la wasserette, un couple d’Africains se dispute en pliant les draps. Un adolescent devenu père pour la première fois la semaine dernière retrouve quelques boîtes de dragées dans son sac de sport et les distribue. Un garçon maigre aux cheveux hérissés entre avec une valise à roulettes rouge et blanche ornée du logo du Standard. Le centre de Charleroi doit être l’endroit le plus dangereux du monde pour trimballer ce genre de valise, mais il hausse les épaules.

- Je suis aussi supporter du Real Madrid, minimise-t-il.

Dans cette ville ô combien italophile, cela ressemble à une nouvelle provocation.

L’après-midi tire déjà sur sa fin lorsque je bavarde avec Jeanne, qu’un voisin vient d’amener en voiture. Elle doit avoir un peu plus de la septantaine et est originaire de la commune verrière de Dampremy. Elle a déjà fait sa lessive à la maison, elle ne vient ici que pour la sécher.

- Je n’ai jamais pu faire sécher ma lessive en plein air à cause de la pollution, explique-t-elle. Là où j’habite, il y a toujours eu beaucoup d’industrie lourde. Il y a quarante ans, les rives de la Sambre à Dampremy et à Marchienne ressemblaient à une forêt de cheminées. L’été, le soleil avait du mal à percer les nuages de fumée, même en plein midi. Il n’en reste que quelques-unes aujourd’hui.

La semaine passée, on a encore appris le licenciement d’un millier de travailleurs aux aciéries Duferco, sur l’ancien site de la Providence, l’un des plus grands zonings industriels d’Europe.

- Toute ma famille a travaillé à la Providence, dit Jeanne. Mon mari aussi. Fin des années 1970, les fermetures ont commencé. Le combat a été long et impitoyable. La vie des quartiers aussi a décliné. Les voisins sont devenus des étrangers. Dans quelques années, nous aurons de l’air pur parce que plus aucune cheminée d’usine ne fumera. Nous pourrons faire sécher notre linge dehors, mais cela signifiera que le vieux Charleroi, le long de la Sambre, est mort. Peut-être ressuscitera-t-il ailleurs. Mon fils travaille à l’Aéropole, près du champ d’aviation.

 


Il est huit heures. Dehors, l’obscurité tombe. Les néons de la wasserette projettent leur lumière blafarde sur le trottoir humide.

Il reste quatre clients. Un homme âgé qui lit la Gazette, un journal local. Une fille absorbée par la musique de son iPod, qui hoche la tête en cadence. Un homme et une femme vêtus d’un anorak mauve identique, assis côte à côte, qui fixent un point devant eux sans rien dire. Pas un bruit si ce n’est celui des tambours qui tournent et tressautent en produisant une sorte de jazz rythmé et répétitif. .

Mes pensées s’évadent vers un poème du Portugais Fernando Pessoa : Les paquebots qui, le matin, franchissent la barre, Apportent avec eux à mon regard Le mystère joyeux et triste de ceux qui arrivent et partent Ils apportent des souvenirs de quais éloignés, d’autres moments, D’autres avatars de la même humanité dans d’autres ports (1).

Cette wasserette est l’un de ces paquebots, amarré au cœur de la cité. Les gens viennent pour faire partir de leurs vêtements la saleté de la ville, ils y laissent leur histoire, mais quand ils repartent, Charleroi reste gravé sur leur peau comme un tatouage indélébile.

Il pleut des cordes tandis que je me rends vers la gare. La rue Dupret s’est transformé en ruisseau rapide qui coule droit vers la Sambre. Les porches des bâtiments le long du quai de Brabant sont à nouveau occupés pour la nuit. Sur le pont où s’élève le groupe sculpté de Constantin Meunier, les derniers navetteurs se hâtent vers les quais. Je remarque dans l’entrée d’une banque vide un caddy rouge du Carrefour.

Ce pourrait être celui de Pierre. Mais pas forcément.

 

 

(1) Dans Échanges intellectuels, littéraires et artistiques dans le monde transatlantique, Actes du Colloque, Bordeaux, 15-16 février 2002, sous la direction de Christian Leret, Maison des Sciences de l’Homme d’Aquitaine, Pessac 2005, ISBN 2-85892-326-4

 

Traduit du néerlandais par Anne-Laure Vignaux

 

Lu à haute voix par Jérôme Collin

 

Download de ePub-versie Print

Eurowash 2000, a packet boat in the city

In Eurowash 2000, A Packet Boat in the City, Pascal Verbeken pays a visit to a launderette. ‘Launderettes are the last unsegregated locations in the city. They’re places where customers of all ages, classes and origins meet. A report of a day at Eurowash 2000, the launderette of the ville basse neighbourhood in Charleroi.’


Pierre’s been down on his luck for a while now. And last night was no exception. A lump is swelling under his right eyebrow. A blob of dark red blood has congealed on his upper lip. Traces of a punch-up in an abandoned doorway opposite Charleroi Sud railway station.

He explores the sore spots with two fingers while inspecting his face in the glass of a dryer at mirror height.

Merde …’ (2)

He repeats it three times.

‘I’d just gone to sleep when a man started kicking me. I’d never seen him before. A complete savage. A heroin addict, I bet. There’s more and more of them around, and they’re getting younger by the day.’

Pierre is surrounded by a sour cloud of alcohol that overpowers even the smell of bleach left by the launderette’s cleaners yesterday evening. In the corner next to the clothes press is a red plastic Carrefour trolley stuffed with all his worldly belongings. On cold mornings like today this launderette is one of his fixed stops. When it opens at seven he comes in to warm up.

Pierre’s descent started ten years ago when he was sacked from his job in the warehouse of a paint wholesalers. A year later his wife left. The year after that he moved back in with his parents. A man in his forties in his teenage bedroom. A drink problem got out of hand, and he ended up on the streets.

‘You can divide people into two groups,’ he says. ‘Those who wash their clothes and those who’ve stopped washing them. It’s the difference between belonging and being an outsider, between being alone and being expected somewhere. I’ve experienced both. The day that you start washing the dirt out of your clothes again, you’re on the way back.’

At about quarter to eight Pierre says he ought to be going.

‘When you’re homeless you learn how to make yourself as invisible as possible. I don’t want any trouble with the people who run the place.’

Through the slight condensation on the window I see him hesitate a little on the pavement, deciding which way to go. I watch till he disappears in the direction of Albert I Square, towing his red plastic supermarket trolley along behind him.


Eurowash 2000 is not a hip Californian-style laundromat, not a palace of chrome where models lounge in their underwear in front of revolving dryers to the soundtrack of a Levi Strauss commercial. The interior is Spartan and practical. The walls are made of washable white laminate, the white tiles are easy to scrub. On the left, eight Electrolux washing machines are ranked alongside one another. On the right, there’s a row of chairs next to the token dispenser for the washing machines (a wash costs €4) and a vending machine made by the firm of Wurlitzer, better known for its jukeboxes, containing every conceivable brand of washing powder, starch, fabric softener and bleach. At the back are the dryers and an old-fashioned clothes press with rubber rollers. Everything is bathed in bright neon light.

The launderette stands at a dividing line in the city. To the south are the dilapidated, derelict housing blocks of the ville basse. Even the convenience stores and the internet cafes have gone. Sub-occupancy is rife in the half-empty buildings. The whole area, including the red light district, is due for demolition. To the north, the busy shopping streets start, rising up sharply to the ville haute (3), a middle-class bastion. To the north-west is Boulevard Tirou, whose apartments are mostly lived in by older Carolos, as the locals are called. Many of them had comfortable careers in industry or one of the professions during the town’s golden age. All these worlds meet in Eurowash 2000; the local launderette, where everyone comes on foot because you can’t park in front of the door. From student to prostitute, from roustabout to the divorced bank employee who is having to do his own washing for the first time. There are the regulars who come every week. And there are the newcomers who have just moved in, or are merely waiting for their washing machine to be repaired.

Around half past seven a noisy delegation from the ville basse arrives: three squatters, accompanied by a barking Alsatian with a yellow bandanna. They sit down next to the window and open half-litre cans of Cara beer. Although they must be well into their thirties, they shove and poke one another like edgy teenagers who don’t know what to do with themselves.

Meanwhile the din of the morning rush hour wafts in. In the distance a police car siren wails, a noise that seems as much part of this city as the sound of the wind blowing over the slag heaps.


To kill time I have a little bet with myself as to when the first ‘real’ customer will come in, i.e. someone who actually uses the machines. A bit later than I thought, at quarter past eight, a tall old man enters and heads straight for the token dispenser. He must be in his eighties, but he’s still in good shape and walks briskly. Jacques used to work as an engineer for the mining company S.A. des Charbonnages de Monceau-Fontaine in Couillet. He still comes in to wash his whites every week, even though he hasn’t been able to muster a half load since his wife died.

‘I used to go to the launderette even when she was still alive. It’s restful watching the washing going round and round. It clears my head. I guess it’s a bit like the feeling fishermen get when they sit watching their lines.’

Before he ended up at Monceau-Fontaine, Jacques worked in various mines in northern France.

‘We were always just about to move on. That was one of the reasons why we didn’t buy a washing machine. You can do without a heavy great thing like that when you move house all the time. Anyway, we could have our washing done on site at the mine. But my wife would have loved to have one. After the war, most of the washing machines were American-made. And she was just crazy about all things American.’

As he gets his tumble-dried laundry out of the machine he inspects the whiteness of the sheets.

‘Things were never that white in the old days. Especially the miners’ clothes. You could never get them really clean. You know, I’m not nostalgic about the past. The good old days never existed. A lot of people here cherish that illusion, because they’re fed up with unemployment and grime and antisocial behaviour. But was it really so much better before? There was a greater sense of community and respect, that’s true. But it was murderous working in the factories and the mines. And those who survived paid a heavy price. The older miners were transported underground on flat trucks because they could no longer stand up. By the time they reached pensionable age they often had a lump of coal dust the size of a tennis ball in their lungs. And that’s not very long ago, perhaps fifty years or so.’


The first launderette in my life was Schietse, in the Arsenaal neighbourhood of Ghent. I used to go there regularly with my grandmother after market on Mondays. You could do your own laundry there and hand in any dry cleaning at the counter. The clientele consisted of local housewives who’d developed a slick routine with tokens and beakers of washing powder. They would sit next to one another in the row of chairs against the wall, peering at the washing as it tumbled around in the machines and keeping up a running commentary on neighbourhood events. Conclusions were reached while the tumble dryers revolved, post-mortems held while the sheets were folded. The laundrette was the neighbourhood’s main information centre.

My only tangible souvenir is a plain wooden coat hanger printed, in spindly letters, with the words ‘Schietse: ‘Washing – Dyeing – Dry cleaning, Tel. 23.45.61 (3 lines)’. How touching, that proud reference to the three telephone lines. It was part and parcel of the modern image of laundrettes in the 1960s and 70s. They represented an era that began with the demise of the steaming wooden washtub in the scullery and ended with privately-owned washing machines: an age of faith in progress and prosperity, just after the Second World War.

The name of this establishment – Eurowash 2000 – reflects a similar optimism, a confidence in the bright prospects held out by the new millennium. The lean years were in fact just beginning for the Charleroi region, though very few were prepared to face this fact.

The three squatters and Jacques have gone. There’s only me and a Brazilian youth who has just come in. He doesn’t speak a word of French. Actually he does; it’s ‘travaux’ (4). He shows me his black fingernails. He must live in a container on a building site somewhere in the city. Charleroi has always been a city of workmen’s barracks, the only thing that’s changed is the nationality of the inhabitants. The Italians and the Flemish have made way for the Eastern Europeans and Latin Americans.


It’s early afternoon. Eric and Valérie, the laundrette’s owners, pay a routine visit. Valérie’s parents – second-generation Neapolitan immigrants – opened Charleroi’s first laundrette in the mid 1980s.

‘When my grandparents came to Belgium they didn’t even have shoes. Now we own three laundrettes.’

Valérie sees new laundrettes open up each year in the city, but they don’t last five minutes.

‘People think that running a laundrette’s easy money: you just drop by in the evening to extract the banknotes and coins from the machines and the rest of the time’s your own. But you need to keep the machines well maintained. And if there’s a problem you have to go there and sort it out straight away. Seven days a week. People don’t take that into account when they start up. 'Et ils se cassent la figure.’ (5)

The laundrette is one of the few businesses to have survived in Rue Dupret. Vacancies are advancing dangerously.

‘Yet our clientele’s been increasing for years now,’ says Eric. ‘Partly thanks to people passing through. Tennis players staying at the Ibis Hotel during a tournament. Construction workers. Routards (6). I once saw a trucker sitting at the back of the laundrette in his swimming trunks. His entire wardrobe consisted of a t-shirt and a pair of jeans that were going round in the machine. That’s about all the clothes many of these men have. Then there are young couples who haven’t yet bought a washing machine. Old people who can’t afford one, or have moved to a small flat. Owning a washing machine reflects the phases of life. A new customer is a sign that something’s gone wrong. Either his washing machine’s bust or he’s just got divorced.

You get to know a lot about people in this job. Including what’s in their wallets. You can see money getting tighter: even the cash drawers of our change machines tell a story. After the twentieth of the month we mainly get coins. The notes have already been spent.’

I decide to touch on a new topic. Love in the launderette. The romantic potential of laundrettes is generally underestimated. Eric and Valérie turn out to be well-placed to know.

‘I went through a bad patch when I was living alone in a small flat,’ Eric tells me. ‘I’d lost everything. My mother had died, my father didn’t want anything more to do with me. I used to come here regularly with my laundry. It was back when Valérie still worked here every day, running the clothes press. I told her about myself and she told me about herself. Et voilà (7), one thing led to another. Laundrettes are places where it’s easy to get chatting. Easier than in cafés, for instance: you need advice on how the machines work, you need a hand folding your sheets. It’s all very natural. And before you know it, you’re telling each other your life history.’

On the pavement outside is a fresh heap of glass from a smashed car window. Two other buildings in the street show signs of a break-in. This morning the local radio reported a couple of armed robberies.

‘The city’s a harder place these days,’ Valérie concludes. ‘I sometimes advise older clients to come during the day when there are more people about. In Rue d’Orléans, one window out of every three has been smashed. Disagreements used to be settled with fists, now it’s with weapons. We even notice more aggression in here – like shoeprints on the washing machines. If something doesn’t work, people instantly see red. They’ve tried to break open the cash drawers of the machines, and on a few occasions customers have even had their laundry stolen. It’s hard to credit, but there really are people who empty out someone else’s washing machine and walk off with the contents.’


Madame Volpone, a weekly customer, gets involved in our conversation.

‘I once asked a policeman whether he couldn’t get hold of a bazooka for me. Then I could just blast away all these scroungers and criminals, I told him. Just look at the state the city’s in! The streets have been taken over by drug addicts. When I was seven I could go out on my own, even for a walk of several blocks. A child certainly couldn’t do that nowadays.’ Madame Volpone is nearly eighty, but she’s still an attractive woman – albeit one you wouldn’t want to mess with. Hair as black as a raven’s wing, fiery eyes. She doesn’t like my little voice recorder one bit.

‘Hey,’ she warns. ‘Write anything bad about me and I’ll have you thrown in the Sambre. My family are from Naples.’

Valérie and Eric turn out to know her well. For years she ran a clothes’ shop right opposite the laundrette in Rue Dupret. It’s empty now. Posters of Toto Cutugno hang in the windows. Greying, but still every inch a ladies’ man. He’ll be performing for the Italian community of Charleroi next week in the Palais des Beaux Arts, and his world hit ‘L’Italiano’ will resonate right into the suburbs.

‘My father Guido died when I was two. The only thing I remember about him is that he once gave me a raisin. That’s it. My mother abandoned me, and I was adopted by the daughter of a Protestant minister. I’ve spent my whole life trying to understand how a mother could just walk out on a two-year-old. For seventeen years I went to philosophy and psychology courses at an evening school in Brussels, searching for an answer. In vain. Now, at the end of my life, I think about it a lot, even here, sitting waiting for my laundry. It’s a question I’ll take with me to my grave.

Father was a gifted tailor. So was my oldest brother – he could sew divinely. I followed in their footsteps. I went to sewing classes during the day and worked nights to pay the rent. I’ve known hard times, I can assure you. And now I find myself thinking more and more about my brother. He died of cancer at the age of twenty. During my last visit he said, “On meurt seul. (8)” That’s something I’ll never forget.’

For twelve years, Madame Volpone ran a haute couture boutique in a shopping gallery in the ville haute. As the crisis began to bite in the late 1980s, her clientele shrank. She moved to Rue Dupret, where she remained for nearly a quarter of a century.

‘I couldn’t sell real haute couture anymore; there just wasn’t the right market. I had to go down market. Two years ago, when I was seventy-seven, I decided I’d had enough. I’d been getting grief from the tax inspectorate – at one stage they hounded me for a full five years, only to conclude that all my affairs were in order. Meanwhile the neighbourhood was getting nastier. In my last years at the shop I would close an hour early, at five o’clock, because after that the only people out and about were up to no good. I didn’t feel safe staying on in the shop and going home alone, even though I only lived a few streets away.

As a couturière of the old school I believe that the way we dress says a lot – if not everything – about the age in which we live. Look at street photos of the 1930s, 40s or 50s. People didn’t have a lot of money, but they dressed soberly and tastefully. Sometimes even elegantly. A sign of self-respect and respect for others. These days vulgarity has become a style. Look at how many young women dress like cheap tarts. You’re probably thinking that I prefer to live in the past, but you’d be mistaken. I don’t have any regrets. What would be the point, anyway?’

Valérie and Eric leave. Madame Volpone has to go too; she has a doctor’s appointment. Meanwhile, business continues at the laundrette.


By the afternoon, over half the chairs are occupied. A couple near the window discuss two issues as old as the first washing machine. One: which washes better – a full load or a half load? Two: does a lot of foam mean a better wash, or doesn’t it make any difference? The discussion goes on for about quarter of an hour until the woman proffers an unassailable insight: ‘Well it all depends on how dirty your laundry is to start with.’

Sights and scenes.

Next to the Wurlitzer a Chinese man waits for his whites. On his lap is a birdcage containing two budgerigars. A black couple bicker as they fold sheets. A teenager who became a father the previous week comes across some stray celebratory boxes of sugared almonds and hands them round. A skinny lad with spiky hair comes in, pulling a red and white wheeled suitcase that provocatively bears the logo of Standard, the football club of Liège. This is possibly the most dangerous spot on earth to be walking around with a suitcase like that, but he shrugs. ‘I support Real Madrid too,’ he says, by way of softening the blow. In Italophile Charleroi this is adding insult to injury.

It’s early evening by the time I get chatting with Jeanne, next to the dryer. A neighbour just dropped her off. She must be in her early seventies, and comes from the Dampremy neighbourhood, formerly famous for its glassworks. She’s already done the washing at home, she’s just come to dry her laundry.

‘I’ve never been able to dry my washing on the line because of the pollution,’ she explains. ‘There’s always been a lot of heavy industry where I live. Forty years ago, there was a whole forest of chimneys along the banks of the Sambre at Dampremy and Marchienne. In summer the sun could hardly break through the smog. Now there’s only a few smoking chimneys left.’

The news was announced last week of the loss of yet another thousand jobs at the Duferco steelworks at La Providence, one of Europe’s largest industrial areas.

‘Everyone in my family worked at La Providence,’ Jeanne tells me. ‘Including my husband. The closures started in the late 1970s. The beginning of a long, lingering death. When the factories died, the neighbourhoods died too. People didn’t know their neighbours anymore. In a few years’ time the last chimney will be snuffed out and we’ll have clean air. We’ll be able to hang our washing out again, but it will mean that the old Charleroi on the banks of the Sambre is no more. Perhaps it will start up again somewhere else. My son works at the new Aéropole business park, near the airport.’


It’s eight o’clock. Dusk is falling. The neon lights of the laundrette cast their pale light on the rainy pavement.

Four customers remain. An elderly man leafs through La Gazette, the local paper. A girl bobs her head to the beat of her iPod. A man and a woman in matching purple anoraks sit next to another, staring silently ahead. Nothing can be heard except the revolving and vibrating washing machines, which produce a sort of repetitive, rhythmical jazz.

My thoughts drift to something the Portuguese poet Fernando Pessoa wrote about the sea: ‘Packet boats entering port in the morning bring with them, it seems to me, the joyous and melancholy mystery of those who arrive and depart. They bring memories of distant quaysides, of different ways of life, led in different places, by the same humanity.’


This laundrette is itself like one of those packet boats, moored in the city. People come here to wash the dirt of the city out of their clothes, they come to leave their stories behind, but when they leave again Charleroi stays under their skin, ineradicable, like a tattoo.

The rain pours down as I walk to the station. Rue Dupret has become a fast-flowing stream heading straight for the Sambre. The doorways of the buildings along Quai de Brabant have been re-occupied for the night. The last commuters hurry over the bridge, past Constantin Meunier’s great bronze statues of workers, heading for the trains. Outside the entrance to a deserted bank I spot a red Carrefour trolley.

It might be Pierre’s. But then again it might not be.

 

 

(1) Lower town
(2) Shit
(3) Upper town
(4) Work
(5) And they fall on their faces
(6) Travellers
(7) So ...
(8) One dies alone

 

Translated from Dutch by Jane Hedley-Prole

Podcast read by Jeremy Killick

 

Jane Hedley-Prole studied German and Dutch at the University of Liverpool, after which she settled in the Netherlands. Alongside her job at the Ministry of Foreign Affairs she works as a freelance translator. Since her accreditation as a literary translator by the Dutch Foundation for Literature she has translated Diaghilev; A Life by Sjeng Scheijen (together with S.J. Leinbach), The Fetish Room by Rudi Rotthier, We Are Our Brains by Dick Swaab and What About Me? by Paul Verhaeghe.