Engelen in Jakarta

Annelies Verbeke

Annelies Verbeke

Annelies Verbeke (België, 1976) debuteerde in 2003 met Slaap! Daarna volgden o.a. de romans Reus en Vissen redden en de verhalenbundel Groener gras. Haar meest recente boeken zijn de verhalenbundel of 'roman-in-verhalen' Veronderstellingen (2012) en samen met tekenaar Klaas Verplancke de novelle Tirol inferno, die ze schreef in jambische pentameters en rijm. Voor deBuren schreef Annelies Verbeke eerder al het Radioboek Het bestaat.

Close

Jakarta Alle citybooks

Download de ePub-versie Print

Engelen in Jakarta

Annelies Verbeke schreef naast dit citybook over Jakarta ook een citybook over haar thuisstad Gent, Woonplaats.


Voor Soni


Ik wandel door een verlichte straat in Centraal Jakarta, dicht bij mijn hotel. De vorige avond maakte ik al kennis met het getoeter en geronk, de zwermen brommers die in alle richtingen tussen de getolereerde chaos rijden. Overdag ontmoette ik de mensen van het Erasmus Taalcentrum. Nederlands leren wordt populair in Indonesië. Tino leidde me door de Oude Stad. Als kind werd hij door Nederlanders geadopteerd, op zijn achtentwintigste ging hij weer in Jakarta wonen. Het gedeelde verhaal is er ook een van adoptie. Ik bekeek koloniaal erfgoed, zat in een bajaj en dronk zoete soep in Café Batavia. Ik sprak uitsluitend Nederlands.

Dit is mijn eerste zelfstandige ontdekkingstocht langs neon en nieuwe geuren, het ‘Where are you from?’ van een groepje Afrikanen. Ik voel me een abnormaal grote vrouw met abnormaal grote borsten en bedenk dat ik de dienstregeling van de Transjakarta moet bestuderen, een buslijn met een aparte rijstrook, schijnbaar mijn enige kans om dit verkeer te trotseren. Maar nu moet ik eten.

Als ik van een kleine steeg een grote straat in loop, staat hij me op te wachten. Hij heeft mijn leeftijd en een brommer, hij kan mijn gids zijn, als ik wil. Een mannenkoor, aangevoerd door mijn vader, heft een krachtig ‘Niet doen!’ aan in mijn hoofd, en ik zeg: ‘Okay.’ In zijn ogen meen ik te lezen dat alles goed zal komen. Alles komt goed. Hij heet Soni.

Later zal ik me herinneren dat de straat op dit moment voor één keer leeg is. Soni zal getuigen van het eigenaardige gevoel dat hem bevangt: alsof we geheim agenten zijn, die elkaar treffen voor een missie.

We rijden door de slapeloze metropool, wind langs mijn kleren, mijn armen om zijn middel, opnieuw naar de Oude Stad, langs een Portugese kerk, de grootste moskee van Zuidoost Azië, door een straat met de naam Harmoni. Hij toont me een brug die open kon toen de Nederlanders hier nog waren, kleine boten voeren vanuit de haven de stad in. ‘Deze rivier zou zoals de Donau kunnen zijn,’ zegt hij. ‘Maar ze is vuil. Dit is Indonesië.’ Wat verderop staan prostituees te tippelen.

Over de opeenvolgende kolonisatoren besluit hij dat ze tot het verleden behoren. Als we voorbij de Holland Bakery rijden, met een windmolentje op het dak, schreeuwt hij boven de motor uit: 'Is crazy that Holland people were here. Is my country! Why they come? Hahahahaha!'

We eten iets en drinken iets en hij vertelt me over zijn leven. In zijn vroegste herinneringen is hij zes en woont hij zonder ouders in een station. Hij poetste schoenen, droeg kranten rond, speelde wat gitaar. Op zijn zeventiende ging het mis toen zijn schoenpoetsspullen en zijn geld werden gestolen. Het kwam tot een gevecht en een gevangenisstraf. Eerst wilde hij niet meer leven, en toen weer wel, met het voornemen nooit meer te vechten. Hij leerde zichzelf lezen, schrijven en Engels uit boeken. Tegenwoordig ook wat Japans, mensen moeten stoppen met boos zijn op de Japanners. Het blijft moeilijk zonder diploma. Er zijn velen als hij, mensen om wie het land niets geeft. Hij huurde een houten huisje bij de rivier, tot het veertien dagen geleden overstroomde, samen met zijn kippen, zijn laptop en zijn tv. Er rest hem enkel een gsm en een brommer die hij nog drie jaar moet afbetalen. Zijn meest haalbare droom is t-shirts verkopen in een kraam. Hij bedenkt er slogans voor. Voorlopig heeft hij een handeltje in stickers. Hij leest graag biografieën, onlangs nog die van Ronald Reagan, en ook boeken over biologie, planten en bomen. Het beste moment van zijn leven was toen hij een man die door Nederlanders werd geadopteerd zijn Indonesische ouders hielp terug te vinden. Toen voelde hij zich even een engel. Zijn eigen ouders heeft hij ook ooit teruggevonden, maar dat verhaal wil hij niet vertellen. Hij kust het geld dat ik hem geef, bedankt me uitvoerig. We maken een afspraak voor de volgende dag. Dit alles had ik niet verwacht.


*


Kuifje slaapt slecht. Vanaf vier uur houdt een uiterst bezield gebed me wakker, daarna breekt een hels onweer los. Vier kinderen van Soni’s buren zijn door de overstroming meegesleurd, drie ervan dood terug gevonden. Hij wil geen kinderen voor hij een herhaling van zijn eigen jeugd kan uitsluiten. De vrouw van zijn leven verliet hem acht jaar geleden. Om tien uur staat hij me op te wachten voor het hotel. Hij heeft een plastic regenjasje voor me gekocht.

We rijden naar de ondergelopen huizen en de tenten, die de regering er heeft neergezet. Er zijn te weinig wc’s voor driehonderdvijftig mensen. Om te douchen kan hij in een hotel terecht.

Enkele mannen houden de wacht op een dak, trekken nu en dan door de huizen om diefstal te voorkomen. Volgende week is het Soni's beurt. Er staat volk te kijken, een televisieploeg maakt een reportage. Veel mensen groeten hem.

Na de kippensoep neemt hij me mee naar een vogelmarkt, naar de hanen. Een mogelijke koper test een vechthaan. Hoe ze tegen elkaar opspringen met opstaande nekveren en in elkaar gehaakte tenen. De haan die vlucht verliest. Politiemannen houden er ook van.

Soni toont me het schooltje waar Obama als kind heeft gezeten; hij woonde hier met zijn Indonesische stiefvader, heeft de plek ook als president bezocht. Er staat een aandoenlijk standbeeld van een kleine Obama met een vlinder op zijn vinger.

Daarna gaan we naar een gebouw waar in zeven brede verdiepingen op elkaar edelstenen worden geslepen en verkocht. 'I show you Voodoostuff. I don't believe paranormal. I sometimes believe paranoia. Hahahahaha!' Ik begrijp het volkomen.

In Chinatown betreden we de grootste Chinese tempel in Jakarta, die veertien dagen geleden ook overstroomde. Ik zie mensen zwemmen in een steeg, twee hoofdjes boven water. Met een brommerzwerm rijden we door diepe plassen. Het krankzinnige verkeer, voetgangers die over wielen en bumpers klimmen, mannen die speelgoedvliegtuigen verkopen tussen stilstaande auto's. Mensen keren terug van een demonstratie tegen de verkeerschaos, maar misschien worden ze daarvoor betaald. Iedereen kijkt me verwonderd aan. Ik ben de rare bij in de zwerm.

Net op tijd verhindert hij dat een kind van een brommer valt, hij krijgt de stilgevallen motor van een Chinees weer aan de praat, geeft geld aan alle bedelaars. Een engel. Plots zit hij op de grond mijn broekspijp op te rollen zodat die niet nat wordt. Ik zeg hem dat hij de held van mijn verhaal is. Dat vindt hij goed. En het Jakarta dat hij me toont, daar moet ik ook over schrijven.

De Chinezen, Chinese Indonesiërs, kwamen hier in verschillende migratiegolven. Het gaat om vijf procent van de bevolking, die de handel in handen heeft. Op een Chinese markt zie ik levende kikkers en vogels aan elkaar gebonden als knoflookbollen, babyvogeltjessoep, bakken vol kleine palingen en grote schildpadden. Honger krijg ik er niet van.


*


Ik rook kruidnagelsigaretten; ze houden de insecten op een afstand en brengen me in contact met mensen. Zoals Vina, bij de Seven Eleven naast het hotel, een mooi opgemaakte vrouw van vijfenveertig met de Union Jack op haar trui. Ze steekt van wal over de korupsi, een woord dat ook voortdurend valt in gesprekken met Soni. Terwijl ze het geld voor het eindexamen van haar jongste zoon niet bij elkaar krijgt, kopen die rijkelui er nog een auto bij. 'Sorry, sorry, Annelies, it makes me too angry. Hahaha!' Ze gelooft niet dat de situasi zal verbeteren als er in april een nieuwe president wordt verkozen.

Opnieuw krijg ik een levensverhaal te horen. Ze groeide op in Aceh, ten noorden van Sumatra. Ze was zestien en hoogzwanger toen ze erachter kwam dat haar echtgenoot nog twee vrouwen had. Hij was immer oververmoeid en kreeg een hartaanval. Dat gebeurt als je drie vrouwen wil! Ze schaterlacht. Ach. Geen slechte kerel, al bij al.

Dacht ze nooit aan hertrouwen? Jawel. Bij de tsunami van 2004 was Aceh een van de zwaarst getroffen gebieden. Ze verhuisde met haar zonen naar Jakarta. De jongste en haar moeder wonen nog bij haar in. Ze kwam aan de kost als masseuse. Ze wacht 's avonds op straat voor hotels en spreekt mannen aan, niets erotisch. Veel verdient ze er niet mee.

Bijna drie jaar geleden kreeg ze een relatie met een goede klant. Een mooie Japanse man. Nooit getrouwd, zo’n goed hart, een droom. Hij stuurde geld op waar ze het hele gezin mee kon onderhouden, bezocht haar zo vaak hij kon en sms’te tussendoor de liefste woorden. Haar moeder en zijn familie stemden in met een huwelijk. En dan, na enkele maanden vol verlangend vooruitzien: niets meer. Uiteindelijk was het zijn broer die zijn telefoon opnam: 'Dear Vina, don't be sad.' Haar aanstaande raakte op zijn werk onder puin bedolven, liep een zware hoofdwond op. Voor de Seven Eleven beleeft ze het opnieuw. 'An explosion in my heart! An explosion!' Hij raakte in een coma en toen ging hij dood. Ze heeft zijn foto uit haar portefeuille gehaald, we kijken er samen naar. Het was haar jongste zoon die haar smeekte om weer blij en sterk te zijn, weer te werken, zodat hij zijn eindexamen kan doen. Die lieve, slimme jongen kan haar aan het lachen maken. Als we ons gesprek beëindigen, vraagt ze, stiller: 'Annelies, do you want massage?' Ik beloof het haar. Morgen. Een verjaardagsmassage van Vina.


*


De overleden Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer is eveneens op zes februari geboren. In de roman die ik van hem lees, heet een belangrijk personage Annelies.

‘Oh! Is your birthday, Annolisié! I find guitar! I make song for you!’ Soni noemt me nog Annolisié.

We kijken naar de persfotocollectie in de Antara Gallery. Een Nederlandse vrouw die saxofoon speelt in 1949, het jaar van de onafhankelijkheid volgens de Nederlanders. Een uitvergrote bladzijde uit het tijdschrift Actueel wereldnieuws, jaargang 1933. Bij feestdagen, lees ik, lokt de vrijgevigheid van de gelovigen de bedelaars naar de moskee. Ook in de Chinese tempel die ik bezocht was dat het geval, zo kort na Chinees Nieuwjaar.

Wat voor vruchten zijn dat aan die boom aan de overkant? Soni zegt dat ze op koldi lijken. En dan, met een gezicht dat plots sterk lijkt te twijfelen aan mijn intelligentie: “‘Koldi'? Adam and Eve? Garden of Eden?” Dat het bij ons een appel is, vindt hij hilarisch. ‘Koldi’, bevestigt een museummedewerker met dezelfde geamuseerde, wat ongelovige blik op mij, de vreemde bij.

Ik vind Vina’s verjaardagsmassage toch op het randje van erotisch. Maar dat mag. Ik ben jarig.


*


Soni haalt me om half zes 's ochtends op om op tijd bij treinstation Senen te zijn. Daar hebben we de vorige avond tickets gekocht naar Yogyakarta, op de zwarte markt, omdat die aan het loket op waren. Omdat Vina denkt dat ik om half vijf moet vertrekken, belt ze me om vier uur uit bed. 'Sorry, Annelies!' Ze heeft al eerder moederlijke bezorgdheid en bijhorende bemoeizucht laten blijken. Zoals: 'You with your tomboy clothes, didn't you bring a nice dress?'

De drukte in het station illustreert wat haast overal geldt: de grootstad als magneet voor plattelandsbewoners, die hopen op snel geld. Een man wil met een zangvogel in een kartonnen doos de trein op, maar dat mag niet meer. Soni herinnert zich hoe de treinen tot een tiental jaar geleden afgeladen vol waren met dieren. En hoe hij vroeger naar het treindak klauterde om te reizen zonder te betalen.

Als we Jakarta uitrijden zie ik mensen die naast, bijna op de sporen wonen, in krotten tussen vuilnishopen. Het is angstaanjagend, die kinderen vlakbij de rijdende trein. Daarna zijn er de eindeloze rijstvelden, de prachtige wouden, de dorpen, de bergen in de verte.

Tussen Soni en mij verloopt alles uitzonderlijk harmonisch. We ontdekken dat we een dwangneurose delen, zoals dat voor mij heet, maar hij noemt het karakter. Dat we vrienden worden is fijn en verwarrend. We hebben veel gelijkenissen, maar ik ben in elk opzicht bevoordeeld; economisch, en omdat er thuis een geliefde op me wacht.

In een restaurant in Yogyakarta neemt hij een gitaar van de muur. Met vochtige ogen zingen we 'Imagine’. Ik blijk een sprakeloze hippie te zijn.

Op een gehuurde brommer rijden we langs de grootste universiteit van Azië. Bij het schaduwtheater giechelen we om het inslapende publiek. Onderhouden koloniaal erfgoed, standbeelden ter herdenking van de onafhankelijkheid, protestposters voor de vermoorde journalist Udin, kleurrijk verlichte wagentjes, het paleis van de Sultan, mensen die geblinddoekt tussen twee pilaren trachten te wandelen maar steeds van hun koers afwijken door 'een kracht' die daar hangt. En nooit moet ik nadenken over de weg of moet ik iets regelen, Soni laat me door dit land zweven. Hij blijkt 'Broeder Jacob' te kennen, zingt dan 'Leaving on a jetplane'. Ik zit achterop, en in het moment, dat ik tegelijk tussen mijn vingers voel glijden.

Nadat we een biertje hebben gedronken in een café met een luide coverband, krijgt Soni een aanval van verlatingsangst. Het is waar. Dit is geen sprookje. Hij zegt dat hij een engel vond, en dat die snel weer zal verdwijnen. En dat ik verdomme niet denk dat hij dat zegt om mijn geld, of om mij in bed te krijgen. We slapen in aanpalende kamers met de realiteit als een tumor tussen ons in.

's Ochtends zeg ik dat het mijn hart zou breken als hij er spijt van heeft dat we elkaar ontmoetten en ik vraag het hem: heeft hij er spijt van? Hij weet niet wat hij daarop moet antwoorden en wat wil ik: 'Happy or honest?' en ik zeg 'Both.' Onze boeddhistische sympathieën ten spijt, beklimmen we de Borobudurtempel met loden benen. Hij wordt weer de gids en hij stelt mij een vraag. Als er iets op de bodem van een diepe put ligt dat ik wil hebben, maar ik kan er niet bij, denk ik dan dat mijn arm te kort is of dat de put te diep is? Mijn arm is te kort. Een antwoord dat boeddhisten bevalt. Hij kent die van het halfvolle of halflege glas niet. Het glas is halfvol. Ik besluit dat we dan toch positief ingesteld zijn. Daar moet hij om lachen. Aansluitend biecht hij op dat hij zich, ondanks de moed en de zelfontwikkeling, vaak bitter en uitgeput voelt, maar hij zegt bitterheid en uitputting te verkiezen boven brutaliteit.

We gaan naar het Affandi Museum, schilderijen en beeldhouwwerken van een bekende Indonesische kunstenaar, bezoeken de hindoetempel Prambanan. En we lachen weer, maken praatjes met mensen die in de rijstvelden werken. Overal zijn boomgaarden, fruitstalletjes, bloemen. De rijke bodem, de overvloed. Op een van Soni’s stickers staat de slogan 'Mati karena Sakaw nasi / di negeri yang kaya padi.' Smachten naar rijst in een land rijk aan rijst. In zijn e-mailadres eronder staat 'sakaw duit'. 'Craving money' vertaalt hij. Doe-it. Duit.

In een voorstelling van het Ramayana Ballet zie ik meisjes met kleurrijke baarden, ze spelen aapje, denk ik. De nadruk die hier ligt op handen.

De volgende ochtend in de trein eten we rambutan en salak, fruit dat ik niet kende. We rijden Jakarta binnen langs de industriezone, een gevangenis, wat verder weer de spoorbewoners. Ongeveer zestien miljoen mensen leven hier nu.

Ik heb net de tijd voor een douche, neem dan een taxi naar het huis van Kees, de directeur van het Taalcentrum, die me heeft uitgenodigd bij hem te komen eten. Al wat hip is, verhuisde naar het zuidelijke deel van de stad. Kees en zijn vriend Wawan hebben een tuin vol vogels, er zijn kaketoes die zich behaagziek laten aaien. We eten in een ruim restaurant met een Belgische eigenaar. Dat niet alle Indonesiërs arm zijn, wordt hier wel duidelijk. In de bovenlaag worden tegenwoordig Poolse kinderen geadopteerd.

Door het raam van de taxi die me weer naar het hotel brengt, zie ik de blinkende buildings, de bouwvakkers, de bruggen. Hoe veel. Hoe verschillend. Dit verhaal schrijft mij.


*


In een vakantieoord in het Noorden van Jakarta lopen Soni en ik voorbij prachtige bomen langs een cirkelvormig houten ponton over zee. Terwijl we een Vietnamese koffie drinken, klinken The Beatles uit de boxen. De hippie is daar, dacht het personeel wellicht. ‘Jaj gu-ru-hu deva om’, het kan niet op. We praten over hoe de mensen zijn, kijken van op een ander ponton naar een jachthaven voor een rij onwaarschijnlijke villa's.

We eindigen de dag in het grote park rond het Nationaal Monument, opgericht door Soekarno. De bomen hier is men in de dorpen gaan halen, zodat het meteen een echt park werd, geen verzameling babybomen. Boven de trotse kruinen komt de volle maan tevoorschijn.

Het goedkope voedsel is gezond, fast food is duur, dus de meeste mensen eten gezond. De werknemers van KFC – een sterk vertegenwoordigde keten – eten zelf ook in de goedkopere Indonesische eetgelegenheden. Ik kan de naam van het gerecht met tofu, tempeh en pindasaus niet onthouden, spreek intussen een miserabel Engels met een Belgisch accent en een licht Aziatische intonatie.


*


Het Museum Nasional – het Olifant Museum voor inwoners van Jakarta - kent zijn oorsprong in de collectie van het achttiende-eeuwse Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. Het herbergt een waardevolle collectie, maar suppoosten werden omgekocht, veel werd gestolen. Beelden uit de dertiende eeuw voor Christus van goden en godinnen die nog steeds worden aanbeden. Veel figuren met monden als strepen en armen om opgetrokken knieën. Soni oefent zijn Japans met een bezoeker. Daarna raken we vertederd door een figuurtje op een dakornament, dat als enige stuk niet is voorzien van informatie. We noemen hem de Punkbaby.

In het Zuiden stap ik als een cowboy op de Zoo af. Zadelpijn. Als mijn gids uitgelachen is, vertelt hij me dat alle Japanse toeristen die hij achterop zijn motor had, hetzelfde vragen: eerst willen ze naar de komodovaranen in de dierentuin kijken, dan willen ze een peniskoker uit Papoea-Nieuw-Guinea kopen.

Mensen maken foto's van de dieren. Een jonge vrouw vraagt of ze er een mag maken van mij. 'Because you are a longnose,' zegt Soni. Dat wist ik al: 'blanken' zijn geen 'rondogen', maar 'langneuzen' voor Aziaten.

In mijn hotelkamer kijk ik naar BBC World. Aanhoudende onlusten in Thailand, een uit de hand gelopen betoging in Cambodja, een historisch gesprek tussen China en Taiwan, een handdruk in slow motion. In Groot-Brittannië doet de Thames grote gebieden overstromen.


*


Op het plein tussen de malls in Centraal Jakarta staat een groep metaalarbeiders te betogen voor minimumlonen. Wie geen werkuniform draagt bij het demonstreren, haalt de verdenking op zich een ondergrondse communist te zijn. Er lijkt wel elke dag een demonstratie aan de gang. Moslims van het strengere soort heb ik hier ook al zien samenscholen.

In de Chinese groothandel Tanah Abang rusten dragers uit op grote witte zakken met kleren. Tot vijf jaar geleden verschaften Indonesische textielbedrijven in West-Java werk. De Chinezen voeren echter hun eigen arbeiders in, uit China. Tegen hun spotprijzen kan niemand op. Ik mag niet denken dat Soni Chinezen haat. Maar er moet wel dringend iets gebeuren om hun economische dominantie leefbaar te maken voor de rest van de bevolking.

Hoe duurder de kleren, hoe hoger de airco en hoe zachter de muziek in de mall. Na een bibberende tocht voorbij etalages met Versace en Rolex, gaan we naar een warenhuis met in Indonesië gemaakte kleren. Dat merk: 'Peter says Denim'. Moet dat dan niet zijn 'Peter says TO Denim'? En wat zegt Peter dan tegen Denim? Ik leg Soni uit dat denim jeans betekent. 'But who is the Peter?' Naast een van de winkeltjes staat een kartonnen man met daarboven 'Denim'. Hij bestaat dus wel.

Pasar Raja betekent een klim op de sociale ladder: chique Arabische kleren op de benedenverdieping, dure batik erboven. Soni heeft tatoeages met batikpatronen rond zijn bovenarmen.

In een boekenwinkel wordt verf van het merk Rembrandt verkocht. De meeste boeken hebben Engelse titels, hoewel ze in het Indonesisch zijn geschreven.


*


Mijn lezing aan de universiteit in Depok verloopt vlot. Soeharto verplaatste de enorme campus Jakarta uit. Als de studenten opstandig worden, heeft niemand er veel last van. Op dit terrein stonden vroeger drie dorpen. Enkele rubberbomen herinneren aan de plantage van Meneer Cornelis. Een docent vertelt me over zijn onderzoek naar de taalsituatie in Brussel. Op de terugweg zie ik een restaurant met de naam 'Gebraak' en de 'Kaka Laundry'.

In wat nog rest van de namiddag neemt Soni me mee naar de haven. We zijn hier eerder geweest. Een soort schepen dat ik niet ken, zakken rijst die worden uitgeladen, jongetjes die van een boot in het water springen. Containers zijn overal hetzelfde. Nu bekijken we de haven vanuit het Bahari Museum, van waaruit ook de Nederlandse kolonisatoren haar overschouwden, tot de Japanners er een militaire uitkijkpost van maakten.

'Look at the fat cats,' zegt Soni bij de visveiling verderop, en dat klopt: ik heb hier al veel scharminkels gezien, maar nu zijn we in het Walhalla der poezen aanbeland. Even later: een prachtig uitzicht over de skyline vanaf een stinkende plek. ‘This is Indonesia!’

Zijn gitaarspelende vrienden bezingen mijn verjaardag in het Indonesisch. Acht enthousiaste mannen en een verwende langneus. We zingen ook samen. Een tweeëntachtigjarige man komt langs. Hij heeft een prachtige stem. Ik krijg een armband. Voortdurend wordt het kleine glaasje in mijn hand bijgevuld. Ik zie er volgens Soni niet dronken uit als hij me bij mijn hotel afzet, maar mijn hoofd en maag denken daar ’s ochtends volstrekt anders over. Niet alleen aan de haven dikke katers.

Ik denk niet dat de Belgische ambassadeur en zijn twee medewerkers, met wie ik in het Grand Indonesia lunch, er iets van merken. De ambassadeur mist de tijd waarin hij alleen een fiets had, en een paar platen van The Beatles.


*


Soni toont me zijn nieuwe woonst. Ik verwacht een hok, en dat is het ook. 'Het is voorlopig,' zegt hij. 'Het is beter dan de rivier,' zeg ik. Jammer dat hij hier geen kippen kan kweken. Hij betreurt dat Hitler, een van zijn kippen, verdronk.

Ik heb een tweedehands laptop en een modem voor hem gekocht. Tranen en omhelzingen. Een beetje stoned van het naderende afscheid gaan we babykleren kopen voor Atifah, het dochtertje van zijn vriend Liontin. Ze is anderhalf en slaapt bij het station, waar ook haar jonge, depressieve vader opgroeide. Soni heeft hem altijd proberen te beschermen, had het hem nog zo vaak gezegd: geen kinderen, Liontin. Atifa bestaat officieel niet, heeft geen geboortecertificaat.

Er zijn Indonesiërs van Jakarta die immigranten worden genoemd. Ze hebben geen papieren, want die kosten geld. Er zijn mensen die het ene na het andere kind aan de straat toevoegen, en weggeven, de laatste baby gebruiken bij het bedelen. Het straatleven is niet enkel gezellig samen zingen, uiteraard. Al is het dat ook. Soni wil Atifah ooit kunnen adopteren, haar naar school sturen.

We rijden naar het park waar Obama ooit speelde, in een straat met huizen van generaals. Kinderen nemen foto's van elkaar met hun tablets. Een ambassademedewerkster vertelde me dat ze met iemand had gepraat die hier met Obama op school had gezeten. Hij zei dat ze de kleine Barack enorm pestten, om zijn kleur. 'If only we had known,' had hij gezegd.


*


Vina geeft me een afscheidsmassage. Vina. In haar sms-en schrijft ze altijd 'hahaha'. Dat het zo jammer is dat ik moet gaan, want dat haar moeder ook al zei: dat ze eens bij ons komt eten. En dat ze de afgelopen twee nachten geen enkele klant heeft gehad.

Met Soni trek ik de nacht in, naar een café met Indonesische vrouwen die 'Welcome to the Jungle' zingen, en veel langneuzen.

De volgende ochtend spring ik nog een laatste keer achterop. Koffie. Sapje. Beiden zwaar en dichtbij.

Vervolgens neem ik afscheid van Kees tussen de vogels. Ik praat er met Tino. Soni kent hem van tv. De zoektocht naar zijn biologische ouders kreeg wat te veel aandacht, wat Tino betreft. Hij heeft voor zichzelf uitgemaakt dat het gaat om wie verantwoordelijkheid voor je draagt.

Ik arriveer laat in de luchthaven. We vinden elkaar meteen. Hij heeft voor me uitgezocht waar ik moet zijn. Het is te abrupt. Sterk zijn. Schrijven. Send my love to Denim. Yogyakarta ligt bedolven onder vulkaanas. Jakarta raast onverminderd verder. Onze omhelzing wordt omvergelopen. Zwaaien achter een raam. En weg. Bij de gate komen de tranen, dik als de regen hier. 'Are you ok?' vraagt een langneus. Toen ik in Amsterdam vertrok, zag ik zelf iemand zo.

Boarding.

Wie verantwoordelijkheid voor je draagt.

Soni.

 

Download de ePub-versie Print

Malaikat di Jakarta


Buat Soni


Aku melewati jalan yang diterangi lampu di Jakarta Pusat, dekat hotelku. Malam sebelumnya aku sudah berkenalan dengan klakson dan gemuruh, kerumunan sepeda motor yang berseliweran ke segala arah antara kekacauan yang terbiarkan. Siangnya, aku bertemu orang-orang dari Pusat Bahasa Erasmus. Belajar bahasa Belanda menjadi populer di Indonesia. Tino menemani aku mengunjungi Kota Tua. Ketika kecil ia diadopsi oleh orang Belanda, saat berusia dua puluh delapan tahun ia kembali tinggal di Jakarta. Kisah adopsi adalah juga kisah bersama. Aku melihat-lihat warisan budaya kolonial, duduk dalam bajaj dan minum minuman manis di Café Batavia. Aku hanya bicara dalam bahasa Belanda.

Ini adalah perjalanan penjelajahan pertama yang kulakukan seorang diri menyusuri lampu neon dan aroma-aroma baru, dan pertanyaan “Kamu dari mana?” dari sekelompok orang Afrika. Aku merasa seorang perempuan bertubuh sangat besar dengan payudara berukuran di atas normal dan ingat bahwa aku perlu mempelajari jadwal Trans Jakarta—bus dengan jalur tersendiri dan itu tampaknya satu-satunya kesempatanku untuk menghadapi lalu lintas. Tapi sekarang aku harus makan.

Ketika aku keluar dari gang sempit ke jalan besar, ia menungguku. Ia seusia aku dan punya sepeda motor. Ia bisa menjadi pemanduku, kalau aku mau. Sebuah paduan suara lelaki, dipimpin oleh ayahku, mulai menyanyi “Jangan!” di kepalaku, dan aku berkata, “Oke.” Di matanya sepertinya aku membaca pesan bahwa semua akan beres. Semuanya baik-baik saja. Namanya Soni.

Di kemudian hari aku akan mengingat bahwa selama satu detik itu jalan kosong. Soni kelak akan bercerita tentang perasaan aneh yang melandanya: seakan kami agen rahasia yang bertemu untuk sebuah misi.

Kami jalan melalui Kota Metropolitan yang tak pernah tidur, angin menerpa pakaianku, lenganku memeluk pinggangnya, ke Kota Tua lagi, melewati gereja Portugis, masjid terbesar di Asia Tenggara, jalan bernama Harmoni. Ia menunjukkan kepadaku jembatan yang bisa diangkat ketika orang Belanda masih di sini dan kapal-kapal kecil masuk kota dari pelabuhan. “Sungai ini bisa saja Sungai Donau,” katanya. “Tapi kotor. Ini Indonesia.” Tak jauh dari tempat itu beberapa pekerja seks melakukan pekerjaan mereka.

Mengenai para penjajah yang berturut-turut menguasai negerinya, ia memutuskan bahwa mereka merupakan masa lalu. Ketika kami melewati Holland Bakery dengan kincir angin di atap, ia berteriak lebih keras daripada deru motornya: “Is crazy that Holland people were here. Is my country! Why they come? Hahahahaha!”

Kami makan dan minum sedikit dan ia bercerita mengenai hidupnya. Dalam ingatannya yang paling awal ia berusia enam tahun dan tinggal tanpa orangtua di sebuah stasiun. Ia menyemir sepatu, menjual koran, main gitar sedikit. Ketika ia tujuh belas tahun, sebuah malapetaka terjadi. Peralatan semir sepatu dan uangnya dicuri. Ia berkelahi dan dipenjara. Awalnya ia tidak ingin hidup lagi, kemudian mau lagi, dengan tekad tak akan berkelahi lagi. Ia belajar membaca, menulis, dan berbicara bahasa Inggris sendiri dari buku. Kini ia juga belajar bahasa Jepang, orang harus berhenti marah kepada orang Jepang. Tetap sulit tanpa ijazah. Banyak orang seperti ia, orang yang diabaikan negara. Ia menyewa bilik kayu di tepi sungai, sampai dua minggu yang lalu kebanjiran, begitu juga ayam-ayamnya, laptopnya, dan televisinya. Sekarang tinggal telepon genggam dan sepeda motor yang masih harus dilunasi dalam tiga tahun mendatang. Mimpinya yang masih paling terjangkau adalah menjual baju kaos di sebuah kios. Ia mengarang slogan-slogan untuk baju kaosnya. Untuk sementara ini dia berdagang stiker. Ia gemar membaca biografi, baru-baru ini ia menyelesaikan membaca biografi Ronald Reagan, dan juga buku mengenai biologi, tanaman dan pohon. Saat terbaik dalam hidupnya adalah ketika ia menolong seorang lelaki Indonesia yang diadopsi oleh orang Belanda menemukan orangtua biologisnya. Untuk beberapa saat ia merasa dirinya malaikat. Ia sendiri juga pernah menemukan kembali orangtuanya, tapi ia tak mau menceritakan kisah itu. Ia mencium uang yang kuberikan, mengucapkan terima kasih panjang lebar. Kami membuat janji untuk bertemu hari berikutnya. Aku tidak menduga semuanya ini akan terjadi.


*


Tintin tidak bisa tidur pulas. Mulai pukul empat pagi doa yang terlalu bersemangat mencegahku kembali tidur, setelah itu hujan badai mengerikan turun. Empat anak tetangga Soni tersapu banjir, tiga dari mereka ditemukan tewas. Ia tidak ingin mempunyai anak sebelum ia dapat memastikan masa kecilnya tidak terulang. Perempuan idamannya meninggalkannya delapan tahun yang lalu. Pukul sepuluh ia menunggu aku di depan hotel. Ia sudah membeli jas hujan plastik untuk aku.

Kami berkendara ke rumah-rumah yang kebanjiran dan tenda-tenda yang dipasang oleh pemerintah. Terlalu sedikit toilet untuk tiga ratus lima puluh orang. Kalau ingin mandi, ia bisa ke hotel.

Beberapa lelaki berjaga-jaga di atas atap, sekali-sekali mereka berjalan menyusuri rumah-rumah untuk mencegah pencurian. Minggu depan giliran Soni. Orang menonton wartawan televisi yang membuat reportase. Banyak orang menyapa Soni.

Setelah makan soto ayam, ia mengajakku ke pasar burung, melihat ayam jago. Seorang calon pembeli mengetes jago tarung. Jago-jago saling menubruk dengan bulu leher yang berdiri dan cakar yang saling mengait. Jago yang lari dinyatakan kalah. Polisi juga menggemari adu ayam.

Soni menunjukkan sekolah tempat Obama belajar ketika masih kanak-kanak; ia tinggal di kota ini dengan ayah tirinya yang warga negara Indonesia dan ia juga mengunjungi tempat ini setelah menjadi presiden. Ada patung Obama kecil yang mengharukan, dengan kupu-kupu di jarinya.

Setelah itu kami ke gedung bertingkat tujuh di mana orang mengasah dan menjual batu akik. “I show you Voodoostuff. I don't believe paranormal. I sometimes believe paranoia. Hahahahaha!” Aku paham sepenuhnya.

Di Pecinan kami masuk kelenteng terbesar di Jakarta, yang empat belas hari lalu juga kebanjiran. Aku melihat orang berenang di sebuah gang, dua kepala di atas air. Bersama sekelompok pengendara sepeda, motor kami menembus genangan air yang dalam. Lalu lintas yang gila, pejalan kaki yang naik di atas roda dan bumper mobil, orang yang menjual pesawat terbang mainan antara mobil-mobil yang berhenti. Orang kembali dari sebuah demonstrasi melawan kekacauan lalu lintas, tapi mungkin mereka diupah. Semua orang memandangku heran. Aku adalah lebah yang ganjil dalam gerombolannya.

Tepat pada waktunya, ia mencegah seorang anak jatuh dari sepeda motor, ia membuat mesin mogok seorang Tionghoa hidup kembali, memberikan uang kepada semua pengemis. Malaikat. Tiba-tiba ia duduk di tanah, menggulung celanaku agar tidak basah. Aku mengatakan kepadanya bahwa ia adalah pahlawan ceritaku. Ia tidak keberatan. Dan Jakarta yang ditunjukkannya kepadaku, aku harus juga menulis tentang itu.

Orang Tionghoa, orang Indonesia keturunan Tionghoa, datang ke sini dalam beberapa gelombang migrasi. Mereka lima persen dari penduduk, dan mereka menguasai perdagangan. Di pasar China aku melihat kodok dan burung hidup diikat seperti bawang putih, sup anak burung, bak-bak penuh belut kecil dan penyu besar. Mereka tidak membuat aku lapar.

Aku mencium bau rokok cengkeh; rokok itu membuat serangga menjauh dan menghubungkan aku dengan orang lain. Seperti Vina, di Seven Eleven sebelah hotel, perempuan dengan dandanan cantik, berusia empat puluh lima tahun dengan bendera Union Jack di kausnya. Ia mulai berbicara mengenai korupsi, sebuah kata yang juga senantiasa disebut dalam percakapan dengan Soni. Sementara ia tidak bisa mengumpulkan uang untuk ujian akhir anaknya yang bungsu, orang-orang kaya masih membeli satu mobil tambahan. “Sorry, sorry, Annelies, it makes me too angry. Hahaha!” Ia tidak percaya situasi akan membaik kalau presiden baru dipilih bulan April nanti.

Lagi-lagi aku mendengar sebuah kisah kehidupan. Ia tumbuh besar di Aceh. Ia berusia enam belas tahun dan hamil tua ketika ia mengetahui bahwa suaminya mempunyai dua orang istri lagi. Suaminya selalu kelewat letih dan kena serangan jantung. Itulah yang terjadi kalau seorang laki ingin mempunyai tiga orang istri! Ia tertawa lepas. Ah, sebenarnya ia bukan lelaki yang jahat.

Apakah ia tak pernah berencana menikah lagi? Ya, benar. Waktu tsunami 2004, Aceh adalah salah satu daerah yang terkena paling parah. Ia pindah ke Jakarta dengan kedua anak lelakinya. Anaknya yang bungsu dan ibunya sampai sekarang masih tinggal bersamanya. Ia mendapatkan uang sebagai tukang pijat. Malam-malam ia menunggu di depan hotel dan menyapa orang laki-laki, jauh dari maksud erotis. Penghasilannya tidak banyak.

Hampir tiga tahun yang lalu ia berkenalan dengan pelanggan yang baik. Pria Jepang yang tampan. Belum pernah menikah, berhati baik, sebuah mimpi. Ia mengirim uang dan dari uang itu Vina bisa menafkahi keluarga, ia mengunjungi Vina sesering mungkin dan mengirim SMS dengan kata-kata manis. Ibunya dan keluarganya setuju mereka menikah. Lalu, setelah beberapa bulan penantian penuh rindu: tidak ada sapa-apa lagi. Akhirnya kakak laki-lakinya yang menerima telepon mengatakan, “Dear Vina, don’t be sad.” Tunangannya kecelakaan, tertimbun di tempat kerjanya, terluka parah di kepala. Di depan Seven Eleven ia mengalaminya lagi: “An explosion in my heart! An explosion!” Tunangannya koma dan meninggal. Vina mengeluarkan fotonya dari dompet, kami melihatnya bersama. Putra bungsunyalah yang memohonnya agar ceria dan tegar kembali, bekerja lagi, agar ia bisa menempuh ujian akhir. Anak manis dan pintar itu bisa membuatnya tertawa. Saat kami mengakhiri obrolan kami, ia tanya, lebih pelan: “Annelies, do you want massage?” Aku berjanji. Besok pagi. Pijat ulang tahun dari Vina.


*


Penulis Indonesia yang telah meninggal, Pramoedya Ananta Toer, juga lahir tanggal enam Februari. Di novelnya yang kubaca, tokoh pentingnya bernama Annelies.

Oh! Is your birthday, Annolisié! I find guitar! I make song for you!” Soni masih memanggilku Annolisié.

Kami melihat-lihat koleksi foto pers di Galeri Foto Jurnalistik Antara. Seorang perempuan Belanda yang bermain saksofon di tahun 1949, tahun kemerdekaan Indonesia menurut orang Belanda. Halaman yang diperbesar dari majalah Actueel Wereldnieuws, tahun 1933. Pada hari-hari besar, begitu aku baca, kemurahan hati jemaah menarik pengemis ke masjid. Di kelenteng Tionghoa yang kukunjungi pun begitu, tak lama setelah Tahun Baru Imlek.

Buah apa di pohon di seberang jalan? Soni mengatakan buah itu mirip koldi. Lalu, dengan wajah yang tiba-tiba meragukan kecerdasanku: “Koldi? Adam and Eve? Garden of Eden?” Ia menganggap hal yang sangat lucu bahwa kami, orang Belanda, menamakannya apel. “Koldi,” tegas seorang karyawan museum dengan pandangan yang juga geli, sedikit tidak percaya kepadaku, lebah yang ganjil.

Menurutku pijat ulang tahun yang kudapat dari Vina nyaris erotis. Boleh-boleh saja. Hari ini aku ulang tahun.


*


Soni menjemputku pukul setengah enam pagi supaya bisa berada tepat waktu di Stasiun Senen. Malam sebelumnya kami membeli karcis ke Yogyakarta di situ, dari calo, sebab di loket sudah tidak dijual lagi. Karena Vina berpikir aku harus berangkat pukul setengah lima, ia meneleponku jam empat. “Sorry, Annelies!” Sebelumnya, ia sudah menunjukkan kekuatiran layaknya seorang ibu, diiringi kecenderungan ikut campur urusan orang lain. Misalnya: “You with your tomboy clothes, didn’t you bring a nice dress?

Kesibukan di stasiun menunjukkan sebuah tren yang terlihat di mana-mana: Kota Metropolitan merupakan magnet untuk penduduk dari daerah, yang mengharapkan bisa mendapatkan uang dengan cepat. Seorang laki-laki yang membawa burung dalam dus karton mau masuk kereta, tetapi hal itu tidak diperkenankan lagi. Soni mengingat bagaimana kereta sampai kira-kira sepuluh tahun yang lalu penuh sesak dengan hewan. Dan bagaimana ia dulu naik ke atap kereta untuk bisa ikut gratis.

Ketika keluar dari Jakarta aku melihat orang-orang yang tinggal di samping, bahkan hampir di atas rel, dalam gubuk-gubuk antara tumpukan sampah. Mengerikan, anak-anak begitu dekat kereta yang berjalan. Setelah itu sawah tanpa akhir, hutan-hutan indah, desa-desa, gunung-gunung di kejauhan.

Antara Soni dan aku semuanya berjalan luar biasa serasi. Ternyata kami mempunyai gangguan obsesif-kompulsif yang sama, begitu aku menamakannya, tapi dia menyebutnya kepribadian. Pertemanan kami menyenangkan dan membingungkan. Banyak persamaan, tapi dilihat dari semua segi aku lebih beruntung: secara finansial, dan karena di rumah seorang kekasih menungguku.

Di sebuah restoran di Yogyakarta ia mengambil sebuah gitar dari tembok. Dengan mata berkaca-kaca kami bernyanyi Imagine. Aku ternyata seorang hippy tanpa suara.

Kami naik sepeda motor sewaan melewati universitas terbesar di Asia. Di teater wayang kami cekikikan melihat penonton yang hampir tertidur. Warisan budaya kolonial yang terawat, patung-patung untuk memperingati kemerdekaan, poster protes untuk jurnalis yang dibunuh—Udin, kereta-kereta dengan lampu warna-warni, istana Sultan, orang-orang yang berusaha berjalan antara dua pilar, mata ditutup kain, tetapi terus saja berjalan mencong karena ada ‘kekuatan’ yang menggantung di sana. Dan tak pernah aku harus berpikir mengenai jalan atau harus mengatur apa-apa. Soni membawa aku melayang-layang di negeri ini. Ia bisa menyanyi Bapak Yakub, lalu menyanyi Leaving on a Jetplane. Aku membonceng dan aku berada dalam momen itu, yang pada saat yang sama kurasakan meluncur antara jari-jariku.

Setelah kami minum bir di sebuah kafe dengan band yang bermain keras, Soni mendapat serangan takut berpisah. Ini benar-benar terjadi. Ini bukan dongeng. Ia mengatakan telah menemukan malaikat dan malaikat itu akan segera hilang lagi. Dan bahwa aku tidak usah berpikir bahwa ia mengatakannya karena uangku, atau untuk bisa berbagi ranjang dengan aku. Kami tidur di dua kamar yang bersebelahan dengan realitas seperti sebuah tumor di antara kami.

Keesokan harinya aku mengatakan bahwa hatiku hancur kalau ia menyesal kami telah bertemu dan aku tanya kepadanya: menyesalkah ia? Ia tak tahu harus menjawab apa dan apa mauku: “Happy or honest?” dan aku bilang: “Both.” Meskipun kami bersimpati pada Buddhisme, kami menaiki tangga Candi Borobudur dengan langkah berat. Ia kembali menjadi pemandu dan ia bertanya. Jika ada sesuatu yang aku inginkan di dasar sebuah sumur, tapi aku tak bisa meraihnya, apakah aku berpikir bahwa lenganku terlalu pendek atau sumurnya terlalu dalam? Lenganku terlalu pendek. Jawaban yang disukai orang Buddhis. Dia belum kenal pertanyaan mengenai gelas yang setengah penuh atau setengah kosong. Gelas itu setengah penuh. Aku memutuskan ternyata kami bersikap positif juga. Ia tertawa. Selanjutnya ia mengakui bahwa ia, meskipun memiliki keberanian dan telah mengembangkan diri, sering kali merasa kecewa dan letih, tetapi ia mengatakan memilih kekecewaan dan keletihan di atas kekurangajaran.

Kami ke Museum Affandi, lukisan dan patung karya seniman Indonesia terkenal, mengunjungi candi Hindu, Prambanan. Dan kami tertawa lagi, mengobrol dengan orang-orang yang bekerja di sawah. Di mana-mana ada pohon buah, warung yang menjual buah, bunga. Tanah yang subur, kelimpahan. Pada sebuah stiker Soni terbaca slogan: ‘Mati karena sakaw nasi / di negeri yang kaya padi.’ Di alamat e-mail di bawahnya tertulis ‘sakaw duit’. ‘Craving money’ terjemahannya. Do-it. Duit.

Di pagelaran balet Ramayana aku melihat anak-anak perempuan memakai janggut berwarna, mereka berperan sebagai monyet, mungkin. Titik berat terletak pada tangan.

Pagi berikutnya di kereta kami makan rambutan dan salak, buah yang tidak kukenal sebelumnya. Kami masuk Jakarta melalui kawasan industri, sebuah penjara, selanjutnya pemukim rel lagi. Lebih kurang enam belas juta orang tinggal di sini sekarang.

Aku masih punya waktu untuk mandi sebentar, lalu naik taksi ke rumah Kees, direktur Pusat Bahasa, yang mengundangku makan. Semua yang modis, pindah ke daerah selatan Kota Jakarta. Kees dan sahabatnya Wawan mempunyai kebun penuh burung, ada burung kakatua yang dengan manjanya minta dibelai. Kami makan di sebuah restoran luas, pemiliknya orang Belgia. Tidak semua orang Indonesia miskin, hal itu menjadi jelas di sini. Masyarakat lapisan atas sekarang mengadopsi anak-anak Polandia.

Lewat jendela taksi yang mengantarku kembali ke hotel, aku melihat bangunan mengilap, pekerja bangunan, jembatan. Betapa banyaknya. Betapa bedanya. Cerita ini mengisahkan aku.


*


Di sebuah tempat berlibur di utara Jakarta, Soni dan aku berjalan melalui pohon-pohon yang mengitari ponton kayu berbentuk lingkaran di atas laut. Sementara kami minum kopi Vietnam, suara The Beatles keluar dari kotak pengeras suara. Itu dia sang hippy datang, mungkin itu yang dipikirkan pelayan-pelayannya. “Jaj gu-ru-hu deva om”, begitu seterusnya. Kami mengobrol mengenai sifat orang, melihat dari atas ponton yang lain ke dermaga kapal di depan sederetan vila yang sangat fantastis.

Kami mengakhiri hari itu di taman luas sekitar Monumen Nasional, didirikan untuk Soekarno. Pohon-pohon di sini diambil dari desa-desa, sehingga langsung menjadi taman sejati, bukan kumpulan pohon bayi. Di atas puncak-puncak pohon yang angkuh muncullah bulan purnama.

Makanan yang murah itu sehat, fast food mahal, jadi kebanyakan orang makan sehat. Karyawan KFC–restoran waralaba yang banyak cabangnya–juga makan di tempat makan Indonesia yang lebih murah. Aku tak bisa mengingat nama masakan yang mengandung tahu, tempe, dan sambal kacang, sekarang bicaraku bahasa Inggris menyedihkan dengan logat Belgia dan intonasi yang sedikit Asia.


*


Museum Nasional–Museum Gajah untuk penduduk Jakarta–berasal dari koleksi Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen dari abad kedelapan belas. Koleksinya bernilai tinggi, tetapi penjaga disuap, banyak yang dicuri. Patung-patung dewa dan dewi dari abad ketiga belas sebelum Masehi masih saja disembah. Banyak patung dengan mulut berbentuk garis dan lengan memeluk lutut. Soni berlatih bahasa Jepang dengan seorang pengunjung. Hati kami tersentuh oleh sosok kecil di hiasan atap, satu-satunya yang tidak diberi keterangan. Kami menamakannya Baby Punk.

Di Jakarta Selatan aku berjalan dengan gaya koboi ke Kebun Binatang. Sakit karena terlalu lama duduk di jok motor. Setelah pemanduku selesai tertawa, ia bercerita bahwa semua turis Jepang yang memboncengnya mempunyai permintaan yang sama: pertama mereka mau melihat komodo di kebun binatang, sesudah itu mereka mau membeli koteka.

Orang-orang membuat foto binatang-binatang. Seorang perempuan muda bertanya apakah ia boleh memotretku. “Because you are a longnose,” kata Soni. Aku sudah tahu itu: ‘orang kulit putih’ tidak disebut ‘mata bundar’ tetapi ‘hidung panjang’ oleh orang Asia.

Di kamar hotel aku menonton BBC World. Kerusuhan terus-menerus di Thailand, sebuah demonstrasi tak terkendali di Kamboja, pembicaraan bersejarah antara Tiongkok dan Taiwan, sebuah jabat tangan dalam gerak lambat. Banjir di Inggris karena luapan Sungai Thames.


*


Di lapangan antara mal-mal di Jakarta Pusat, sekelompok buruh pabrik baja berunjuk rasa untuk mendapatkan upah minimum. Yang tidak memakai seragam kerja ketika berdemonstrasi, bisa dicurigai sebagai komunis di bawah tanah. Sepertinya setiap hari ada demo. Aku juga sudah melihat orang Muslim dari jenis yang lebih keras bergerombol.

Di pedagang grosir di Tanah Abang para pekerja beristirahat di atas karung-karung putih penuh pakaian. Sampai lima tahun yang lalu perusahaan kain Indonesia di Jawa Barat menyediakan lapangan pekerjaan. Tetapi orang China sekarang membawa buruh mereka sendiri, dari Tiongkok. Tak ada yang bisa bersaing dengan harga-harga rendah mereka. Aku tak boleh berpikir bahwa Soni membenci orang China. Tetapi harus diambil langkah-langkah segera supaya dominansi ekonomi mereka tidak mengganggu kehidupan penduduk lain.

Makin mahal pakaian, makin dingin AC dan makin lembut bunyi musik di mal. Setelah berjalan sambil menggigil melewati etalasi Versace dan Rolex, kami ke toserba dengan pakaian yang dibuat di Indonesia. Merek: ‘Peter says Denim’. Apakah tidak seharusnya ‘Peter says TO Denim’? Dan apa yang dikatakan Peter kepada Denim? Aku menjelaskan kepada Soni bahwa denim berarti kain jin. ‘But who is the Peter?’ Di sebelah sebuah toko kecil berdiri sosok laki-laki dari bahan karton dengan tulisan di atasnya: ‘Denim’. Jadi, ia memang ada.

Pasaraya berarti naik tangga sosial: pakaian Arab anggun di lantai dasar, batik mahal di lantai di atasnya. Soni mempunyai tato berpola batik di lengan atasnya.

Di sebuah toko buku dijual cat bermerek Rembrandt. Kebanyakan buku berjudul Inggris, padahal ditulis dalam bahasa Indonesia.


*


Presentasiku di Universitas Indonesia di Depok berjalan lancar. Soeharto memindahkan kampus yang luar biasa besarnya itu ke luar Jakarta. Tidak ada yang terganggu kalau para mahasiswa memberontak. Di daerah ini dulu ada tiga desa. Beberapa pohon karet mengingatkan pada perkebunan Meneer Cornelis. Seorang dosen bercerita kepadaku mengenai penelitiannya tentang situasi bahasa di Brussel. Di jalan kembali aku melihat restoran dengan nama ‘Gebraak’ dan ‘Kaka Laundry’.

Di sore yang masih tersisa Soni mengajakku ke pelabuhan. Kami sudah pernah ke sini sebelumnya. Jenis kapal yang tidak aku kenal, karung-karung beras yang diturunkan, anak-anak lelaki yang meloncat ke laut dari kapal. Peti kemas di mana-mana sama saja. Sekarang kami melihat pelabuhan dari Museum Bahari. Dari tempat itu kolonialis Belanda juga memandangi pelabuhan, sampai orang Jepang menjadikan titik itu pos penjagaan militer.

Look at the fat cats,” kata Soni di pelelangan ikan yang letaknya agak jauh, dan memang benar: aku sudah melihat banyak kucing kurus kering, tapi sekarang kami tiba di surga kucing. Sebentar kemudian: pemandangan indah dari skyline Jakarta dari tempat yang baunya tidak keruan. “This is Indonesia!

Teman-temannya yang bermain gitar menyanyi dalam bahasa Belanda meramaikan ulang tahunku. Delapan orang lelaki bersemangat dan seorang hidung panjang yang manja. Kami juga bernyanyi bersama. Seorang lelaki berusia delapan puluh dua juga mampir. Suaranya indah. Aku mendapat gelang. Gelas kecil di tanganku terus-menerus diisi. Menurut Soni aku tidak tampak mabuk ketika ia mengantarku ke hotel, tetapi kepalaku dan lambungku sama sekali tidak setuju. Tidak hanya di pelabuhan ada kucing mabuk.

Menurutku, duta besar Belgia dan kedua stafnya, yang mengajakku makan siang di Grand Indonesia, tidak melihat aku mabuk. Duta besar merindukan zaman ketika ia hanya punya sepeda dan beberapa piringan hitam The Beatles.


*


Soni memperlihatkan tempat tinggalnya yang baru. Aku menduga rupanya seperti kandang, dan aku benar. “Untuk sementara,” katanya. “Lebih baik daripada sungai,” kataku. Sayang ia tidak bisa memelihara ayam di sini. Ia bersedih hati karena ayamnya yang tenggelam, Hitler.

Aku telah membelikan laptop bekas dan sebuah modem untuknya. Air mata dan pelukan. Sedikit high karena perpisahan yang mendekat, kami membeli pakaian bayi untuk Atifah, anak perempuan temannya, Liontin. Ia berumur satu setengah tahun dan tidur di stasiun, tempat ayahnya yang muda dan depresif juga tumbuh besar. Soni selalu mencoba melindunginya, sudah mengingatkan: jangan punya anak, Liontin. Secara resmi Atifah tidak ada, ia tidak mempunyai surat lahir.

Ada orang Indonesia dari Jakarta yang disebut imigran. Mereka tidak punya surat-surat, karena surat itu mahal. Ada orang yang menambahkan anak-anak di jalan, dan memberikan anak-anak itu kepada orang lain, bayi terakhir mereka pakai untuk mengemis. Kehidupan di jalan tentu saja tidak hanya bersenang-senang menyanyi bersama. Meskipun itu juga. Satu saat Soni mau mengadopsi Atifah, menyekolahkannya.

Kami ke taman tempat Obama pernah bermain, di sebuah jalan yang diapit oleh rumah-rumah jenderal. Anak-anak saling membuat foto dengan tablet. Seorang staf kedutaan bercerita kepadaku bahwa ia pernah berbicara dengan orang yang bersekolah dengan Obama. Ia mengatakan bahwa Barack kecil diejek terus karena warna kulitnya. “If only we had known,” katanya.


*


Vina menghadiahi aku pijat perpisahan. Di SMS-nya ia selalu mengetik “hahaha”. Sayang sekali aku harus pergi, katanya, karena ibunya juga sudah mengatakan: bahwa ia akan datang makan. Dan bahwa ia selama dua malam terakhir tidak menerima pelanggan.

Aku memasuki malam dengan Soni, ke sebuah kafe dengan perempuan Indonesia yang menyanyikan Welcome to the Jungle, dan banyak hidung panjang.

Pagi berikut aku membonceng terakhir kalinya. Kopi. Jus. Keduanya berat dan dekat.

Kemudian aku berpisah dari Kees di antara burung-burung. Aku berbicara dengan Tino. Soni mengenalnya dari televisi. Pencarian orangtua kandungnya terlalu banyak mencuri perhatian, menurut Tino. Ia sudah memutuskan bahwa yang penting adalah siapa yang memikul tanggung jawab untuk dirimu.

Aku lambat tiba di bandara. Kami langsung saling menemukan. Ia sudah mencarikan info aku harus ke mana. Terlalu mendadak. Harus kuat. Menulis: “Send my love to Denim.” Yogyakarta terkubur abu vulkanis. Deru Jakarta tak berkurang. Pelukan kami ditabrak orang. Melambai tangan dari balik jendela. Berangkat. Di pintu, air mata meleleh, deras seperti hujan di sini. “Are you OK?” tanya seorang hidung panjang. Ketika aku berangkat dari Amsterdam, aku sendiri melihat orang seperti aku.

Boarding.

Siapa yang memikul tanggung jawab untuk dirimu.

Soni.

 

 

 

Diterjemahkan dari bahasa Belanda oleh Widjajanti Dharmowijono


Widjajanti (Inge) Dharmowijono lahir dan besar di Semarang. Ia melanjutkan studi di Leuven dan Amsterdam dan bekerja sebagai dosen bahasa Belanda dan penerjemah sastra. Yayasan Budaya Widya Mitra yang diketuainya mengadakan berbagai kegiatan budaya di samping mengelola sebuah perpustakaan dan mengadakan kursus bahasa Belanda. Warisan budaya sangat berarti baginya.

 

Download de ePub-versie Print

Des anges à Jakarta

Lire aussi son citybook Domicile sur Gand.


Pour Soni


Je me promène dans une rue éclairée du centre de Jakarta, près de mon hôtel. J’avais été initiée dès la veille au concert de klaxons et de vrombissements, aux essaims de scooters qui se faufilent dans tous les sens à travers le chaos toléré. Plus tôt dans la journée, j’ai rencontré les gens du Erasmus Taalcentrum (1). L’apprentissage du néerlandais devient très populaire en Indonésie. Tino m’a fait visiter la Oude Stad (2). Il a été adopté par des Hollandais quand il était gosse et il est revenu vivre à Jakarta à l’âge de vingt-huit ans. Le récit partagé est aussi un récit d’adoption. J’ai regardé des bouts de patrimoine colonial, j’ai pris place dans un Bajaj et j’ai bu de la soupe douce au Café Batavia. Je n’ai parlé que le néerlandais.

Ceci est ma première exploration autonome dans un univers de néons et de nouvelles odeurs, avec un ‘Where are you from ?’ d’un petit groupe d’Africains. Je me sens une femme anormalement grande avec des seins anormalement grands et je songe que je devrais étudier l’horaire du Transjakarta, une ligne de bus en couloir, apparemment ma seule chance d’affronter ce trafic. Mais pour l’instant, j’ai besoin de manger.

Quand je débouche d’une ruelle dans une rue plus importante, il m’attend. Il a mon âge et un scooter, il pourrait être mon guide si j’en décide ainsi. Dans ma tête, un puissant chœur d’hommes sous la direction de mon père entonne un ‘Non !’ tonitruant. Mais je dis : « O.K. ». Je crois lire dans son regard que tout ira bien. Tout va bien. Il s’appelle Soni.

Plus tard, je me souviendrai que pour une fois, la rue était vide à ce moment-là. Soni témoignera de ce sentiment bizarre qui l’a envahi : comme si nous étions des agents secrets se rencontrant pour une mission.

Nous roulons par la métropole endormie, le vent dans mes vêtements, mes bras enlaçant sa taille, retournant vers la Oude Stad, passant devant une église portugaise, devant la plus grande mosquée de l’Asie du Sud-Est, par une rue qui s’appelle Harmoni. Il me montre un pont qui se levait à l’époque des Hollandais pour laisser passer des embarcations venant du port qui voulaient se rendre en ville.

- Cette rivière pourrait être comme le Danube, dit-il. Mais elle est polluée. C’est l’Indonésie.

Un peu plus loin, des prostituées font le trottoir.

Au sujet des colonisateurs successifs, il décide qu’ils appartiennent au passé. En passant devant la Holland Bakery, avec un petit moulin à vent sur le toit, il hurle par-dessus le bruit du moteur :

- Is crazy that Holland people were here. Is my country! Why they come? Hahahahaha!

Nous mangeons un morceau et buvons un verre et il me parle de sa vie. Dans ses souvenirs les plus anciens, il a six ans et il habite sans parents dans une gare. Il cire des chaussures, porte des journaux à domicile, joue un peu de guitare. Sa vie bascule à l’âge de dix-sept ans, lorsqu’il se fait voler ses affaires de cirage et son argent. Il s’en est suivi une bagarre avec une peine de prison à la clé. Dans un premier temps, il en a eu marre de vivre, mais plus tard il y a repris goût en se promettant de ne plus jamais se battre. Il a appris tout seul à lire et à écrire et a étudié l’anglais dans les livres. Actuellement, il y ajoute aussi un peu de japonais, il est temps que les gens cessent d’être en colère contre les Japonais. Mais sans diplôme, ça reste difficile. Il y en a beaucoup comme lui, des gens dont le pays n’a rien à f…. Il a loué une cabane en bois près de la rivière, mais elle a été inondée il y a quinze jours, de même que ses poules, son ordinateur portable et sa télé. Il n’a plus qu’un GSM et un scooter pour lequel il lui reste trois années d’échéances à payer. Son rêve le plus accessible est de devenir vendeur de tee-shirts dans un étal. Il s’invente déjà des textes décoratifs. Il a provisoirement un petit commerce d’autocollants. Il adore lire des biographies, comme récemment celle de Ronald Reagan, et des livres de biologie, sur les plantes et les arbres. Le plus beau moment de sa vie a été celui où il a aidé un homme qui avait été adopté par des Hollandais à retrouver ses parents indonésiens. Pendant un bref instant, il s’est senti un ange. Lui aussi a retrouvé ses parents un jour, mais il refuse de raconter cette histoire. Il appuie ses lèvres sur l’argent que je lui donne, il me remercie mille fois. Je ne m’étais pas attendue à tout ça.


*


Tintin reporter dort mal. Dès quatre heures du matin, mon sommeil abandonne la partie face à la ferveur d’une prière à laquelle succède un orage infernal. Quatre enfants des voisins de Soni ont été emportés par les eaux, trois d’entre eux ont été retrouvés morts. Lui ne veut pas d’enfants avant qu’il ne soit absolument sûr de pouvoir leur éviter une répétition de sa propre enfance. La femme de sa vie l’a quitté il y a huit ans. À dix heures, il m’attend devant l’hôtel. Il m’a acheté un léger imperméable en plastique.

Nous nous dirigeons en scooter vers les maisons inondées et les tentes que le gouvernement y a fait dresser. Ça manque cruellement de toilettes pour trois cent cinquante personnes. Soni peut prendre sa douche dans un hôtel.

Quelques hommes montent la garde sur un toit et passent de temps à autre parmi les maisons pour éviter les pillages. La semaine prochaine, ce sera le tour de Soni. Il n’y a pas mal de monde pour regarder, une équipe de télévision tourne un reportage. Beaucoup de gens le saluent.

Après un bouillon de poulet, il m’emmène vers un marché aux oiseaux pour voir les coqs. Un acheteur potentiel teste un coq de combat. La façon dont les bêtes se sautent dessus, les plumes du cou gonflées, les ergots emmêlés. Le premier coq qui fuit perd la partie. Certains policiers aussi sont friands de ces combats.

Soni me montre la petite école qu’a fréquentée Obama enfant ; il a habité ici avec son beau-père indonésien et il est même revenu visiter l’endroit quand il était déjà président. Il s’y trouve une statue émouvante du petit Obama avec un papillon sur son doigt.

Nous nous rendons ensuite dans un bâtiment dont les sept vastes étages n’abritent que des ateliers où sont polies et vendues des pierres précieuses.

- I show you Voodoostuff. I don’t believe paranormal. I sometimes believe paranoia. Hahahahaha !

Je comprends parfaitement.

À Chinatown, nous pénétrons dans le plus grand temple chinois de Jakarta, qui n’a pas échappé aux inondations d’il y a quinze jours. Je vois nager des gens dans une ruelle, deux petites têtes dépassant de l’eau. Entourés d’un essaim de scooters, nous traversons des flaques profondes. Circulation démentielle, piétons enjambant des roues et des pare-chocs, vendeurs de petits avions se faufilant entre les voitures à l’arrêt. Des gens reviennent d’une manifestation contre le trafic chaotique, mais peut-être ont-ils été payés pour y participer. Tout le monde me regarde d’un œil étonné. Je suis l’abeille excentrique dans l’essaim.

Il réagit juste à temps pour empêcher un enfant de tomber d’un scooter, il arrive à remettre en marche le moteur d’un Chinois tombé en panne, il donne des sous à tous les mendiants. Un ange. Soudain, il se trouve accroupi à mes pieds pour rouler les jambes de mon pantalon afin d’éviter qu’il ne se mouille. Je lui dis qu’il est le héros dans mon histoire. Il acquiesce. Et la Jakarta qu’il me montre, elle aussi doit jouer un rôle dans ce que j’écris.

Les Chinois, des Indonésiens chinois, sont arrivées ici par vagues de migration successives. Il s’agit de cinq pourcent de la population qui tient en mains tout le commerce. Dans un marché chinois, j’aperçois des grenouilles et des oiseaux vivants attachés en grappes comme des têtes d’ail, de la soupe aux oisillons, des bacs pleins de petites anguilles et de grosses tortues. Pas vraiment de quoi m’aiguiser l’appétit.


*


Je fume aussi des cigarettes aux clous de girofle ; elles tiennent les insectes à distance et me rapprochent des autres humains. De Vina, par exemple, près du Seven Eleven à côté de l’hôtel, une belle élégante de quarante-cinq ans avec le Union Jack sur son pull. Elle aborde d’emblée le sujet de la korupsi (corruption), un terme tout aussi récurrent dans les conversations avec Soni. Tandis qu’elle ne réussit pas à trouver l’argent nécessaire pour permettre à son cadet de passer son examen de fin d’études, les riches autour d’elles s’achètent une autre voiture supplémentaire.

- Sorry, sorry, Annelies, it makes me too angry. Hahaha !

Elle ne croit pas que la situasi s’améliorera avec l’élection d’un nouveau président en avril.

Elle aussi me raconte l’histoire de sa vie. Elle a grandi à Aceh, à Sumatra. À seize ans, enceinte jusqu’aux yeux, elle découvrit que son mari avait encore deux autres femmes. Peu après, il a été terrassé par une crise cardiaque : surmenage. Pas étonnant quand on veut s’occuper de trois femmes ! Elle éclate de rire. Bah, tout compte fait, ce n’était pas un mauvais bougre.

A-t-elle jamais songé à se remarier ? Oui, bien sûr. Lors du tsunami de 2004, Aceh a été une des régions les plus durement frappées. Elle a déménagé avec ses fils à Jakarta. Son cadet et sa propre mère vivent toujours avec elle. Elle gagne sa vie comme masseuse. Elle attend le soir dans la rue devant les hôtels et interpelle les hommes. Rien d’érotique. Pas de quoi gagner des fortunes.

Il y a à peu près trois ans, elle a entamé une relation avec un bon client. Un beau monsieur japonais. Célibataire depuis toujours, un cœur d’or, un rêve. Il lui envoyait suffisamment d’argent pour entretenir sa famille entière, lui rendait visite le plus souvent possible et envoyait sinon plein de textos avec des mots d’amour attendrissants. Sa mère et sa famille acceptèrent de la voir se remarier. Et puis, après quelques mois d’attente joyeuse et impatiente, plus rien. Finalement, ce fut son frère qui décrocha son téléphone.

- Dear Vina, don’t be sad

Son futur avait été victime d’un accident au travail : écrasé sous un tas de décombres, il avait été sorti avec une blessure grave à la tête. Devant le Seven Eleven, elle revit cet instant :

- An explosion in my heart! An explosion!

Il sombra dans le coma et décéda un peu plus tard. Elle a sorti sa photo de son portefeuille, on la regarde ensemble. C’est son fils cadet qui l’a implorée de se montrer à nouveau joyeuse et forte, de reprendre le travail afin qu’il puisse terminer ses études. Avec sa gentillesse et son intelligence, ce garçon arrive à la faire rire. Au moment de conclure notre conversation, elle demande, plus discrètement :

- Annelies, do you want massage ?

Je le lui promets. Demain. Un massage de Vina pour mon anniversaire.


*


Feu l’écrivain indonésien Pramoedya Ananta Toer est né lui aussi un six février. Dans son roman que je suis en train de lire, un des personnages importants s’appelle Annelies.

- Oh ! Is your birthday, Annolisié! I find guitar! I make song for you!

Soni m’appelle encore Annolisié.

Nous regardons la collection de photos de presse dans la Antara Gallery. Une femme hollandaise qui joue du saxophone en 1949, l’année de l’indépendance d’après les Hollandais. L’agrandissement d’une page du magazine Actueel Wereldnieuws de l’année 1933. Les jours de fête, lis-je, la générosité des croyants attire les mendiants vers la mosquée. Si peu de temps après le Nouvel An chinois, c’était également le cas dans le temple chinois que j’ai visité.

- C’est quoi ces fruits, là, dans l’arbre de l’autre côté de la rue ?

Soni me dit qu’ils ressemblent à des koldi. Et puis, d’un air qui semble soudain douter très fort de mon intelligence :

- Koldi ? Adam and Eve? Garden of Eden?

Il trouve hilarant que chez nous, il s’agisse d’une pomme.

- Des koldi, confirme un collaborateur du musée en m’adressant un sourire amusé, empreint d’incrédulité envers cette abeille excentrique.

Je trouve le massage d’anniversaire de Vina à la limite de l’érotisme. Mais pourquoi pas ? C’est mon anniversaire.


*


Soni vient me chercher à cinq heures et demie du matin pour arriver à temps à la gare de Senen. La veille, nous y avons acheté des billets pour Yogyakarta sur le marché noir parce qu’il n’y en avait plus au guichet. Comme Vina pense que je dois partir à quatre heures et demie, elle m’appelle à quatre heures pour me réveiller.

- Sorry, Annelies!

Ce n’est pas la première fois qu’elle fait preuve de préoccupation maternelle et de l’ingérence concomitante à mon égard. Comme :

- You with your tomboy clothes, didn’t you bring a nice dress?

L’agitation dans la gare illustre parfaitement une vérité presque universelle : la métropole agit comme un aimant pour les gens de la campagne qui espèrent y gagner un argent rapide. Un homme veut monter dans le train avec un oiseau chanteur dans une boîte en carton, mais ce n’est plus autorisé. Soni se souvient qu’il y a à peine dix ans, les trains étaient bondés d’animaux. Et que lui-même montait autrefois sur le toit des wagons pour voyager sans payer.

En quittant Jakarta, j’aperçois des gens qui habitent presque sur les voies, dans des taudis entre des tas d’ordures. C’est une image terrifiante, ces enfants que frôlent des trains en mouvement. Après, il y a les rizières interminables, les superbes forêts, les villages et les montagnes au loin.

Entre Soni et moi, les choses se passent d’une façon exceptionnellement harmonieuse. Nous nous découvrons, selon ma terminologie à moi, une névrose obsessionnelle commune mais lui appelle ça ‘un trait de caractère’. Cette amitié naissante est agréable mais troublante. Si on n’a pas mal de ressemblances, je suis néanmoins en tous points la privilégiée : économiquement, mais aussi parce que je suis attendue à la maison par un être aimé.

Dans un restaurant à Yogyakarta, il décroche une guitare du mur. Les yeux humides, nous chantons ‘Imagine’. J’en demeure sans voix, une hippie surannée.

Sur un scooter de location, nous passons devant la plus grande université d’Asie. Près du théâtre d’ombres, nous gloussons en observant un public en train de s’endormir. Patrimoine colonial entretenu, statues commémorant l’indépendance, posters de protestation en faveur d’Udin, le journaliste assassiné, voiturettes à éclairage bariolé, le palais du sultan, des gens tentant de marcher les yeux bandés entre deux piliers mais déviant à chaque tentative de leur course à cause d’une ‘force’ présente en ces lieux. Jamais, il ne me faut réfléchir au chemin à prendre ou à un problème pratique à régler, Soni me fait planer à travers ce pays. Il connaît apparemment ‘Frère Jacques’ en néerlandais, entonne ensuite ‘Leaving On A Jet Plane’. Moi, je suis derrière et dans l’instant, cet instant que je sens en même temps glisser entre mes doigts.

Après avoir bu une bière dans un café où un groupe trop bruyant joue des reprises, Soni est submergé par une vague de peur de l’abandon. C’est vrai, ceci n’est pas un conte de fées. Il dit qu’il a trouvé un ange, mais c’en est un qui disparaîtra très vite. Et qu’il ne faut pas, sacrebleu, que je pense qu’il dit ça pour mon argent ou pour m’attirer dans son lit. Nous dormons dans des chambres contiguës avec la réalité comme une tumeur entre nous.

Le lendemain matin, je lui dis que ça me briserait le cœur s’il devait regretter de m’avoir rencontrée et je lui pose la question : regrette-t-il ? Il ne sait que répondre ni ce que je veux : « Happy or honest? » et je lui dis « Both! » Malgré nos sympathies bouddhistes, nous avons du plomb dans les jambes en escaladant le temple de Borobudur. Il redevient le guide et me pose une question. Si je veux mettre la main sur une chose tout au fond d’un puits et que je n’arrive pas à l’atteindre, est-ce que je pense alors que j’ai le bras trop court ou que le puits est trop profond ? J’ai le bras trop court. Une réponse qui plaît aux bouddhistes. Il ne connaît pas celle du verre à moitié plein ou à moitié vide. Le verre est à moitié plein. Je conclus que nous avons malgré tout une attitude positive. Ce qui le fait rire. Dans la foulée, il admet que, malgré le courage et le développement personnel, il se sent souvent amer et épuisé, mais il dit préférer l’amertume et l’épuisement à la brutalité.

Nous nous rendons au Musée Affandi, tableaux et sculptures d’un célèbre artiste indonésien, nous visitons le temple hindou de Prambanan. Et nous rions de nouveau, nous bavardons avec des gens qui travaillent dans les rizières. Il y a partout des vergers, des étals de fruits, des fleurs. Le sol fertile, l’abondance. Sur un des autocollants de Soni, on lit : ‘Mata karena Sakaw nasi / di negeri yang kaya padi.’ Avoir faim de riz dans un pays riche en riz. Dans son adresse électronique en-dessous figure ‘sakaw duit’.

- Faim d’argent, traduit-il.

Dans un spectacle du ballet Ramayana, je vois des jeunes filles avec des barbes bariolées. Je pense qu’elles miment des singes. Le rôle de premier plan des mains.

Le lendemain matin dans le train, nous mangeons des salaks et des ramboutans, des fruits que je ne connaissais pas jusque-là. Nous rentrons à Jakarta par la zone industrielle, une prison et un peu plus loin de nouveau les habitants des rails. Ils sont quelque seize millions à vivre dans cette ville.

J’ai juste le temps de passer sous la douche avant de prendre un taxi pour me rendre chez Kees, le directeur du Taalcentrum, qui m’a invitée à sa table. Toute la classe de gens branchés a déménagé dans la partie sud de la ville. Kees et son ami Wawan ont un jardin plein d’oiseaux, il y a des cacatoès qui se laissent coquettement caresser. Nous déjeunons dans un restaurant spacieux tenu par un propriétaire belge. S’il fallait une preuve qu’il n’existe pas seulement des Indonésiens pauvres, c’est bien ici qu’on la trouve. Dans la classe dominante, le dernier chic est d’adopter des enfants polonais.

Par la fenêtre du taxi qui me ramène à l’hôtel, j’observe les buildings rutilants, les ouvriers du bâtiment, les ponts. Tant. Si différents. Cette histoire me raconte, moi.


*


Dans un lieu de villégiature dans le nord de Jakarta, Soni et moi passons devant des arbres superbes et longeons un ponton circulaire sur la mer. Tandis que nous sirotons un café vietnamien, The Beatles ressuscitent dans les enceintes. Voilà la hippie, a dû se dire le personnel. ‘Jaj Guru Deva om’, ça n’arrête pas. Nous parlons de la manière dont les gens vivent leur vie, nous contemplons à partir d’un autre ponton un port de plaisance devant une rangée de villas inimaginables.

Nous terminons la journée dans le grand parc entourant le Monument national, érigé par Sukarno. Les arbres, on est allé les chercher dans les villages de manière à obtenir instantanément un vrai parc et non une collection de bébés arbres. Par-dessus leurs sommets altiers monte lentement la pleine lune.

La nourriture saine est bon marché, le fastfood est cher, donc la plupart des gens mangent sain. Même les employés de KFC – une chaîne fortement implantée par ici – mangent dans les petits restos indonésiens moins chers. Je n’arrive pas à retenir le nom du plat avec le tofu, le tempeh et la sauce aux cacahuètes, entre-temps je me suis mise à parler un anglais lamentable avec un accent belge et une intonation légèrement asiatique.


*


Le Museum Nasional – le Musée Éléphant pour les Jakartiens autochtones – doit son existence à la collection de la Bataviaasch Genootschap van Kunsten en wetenschappen (3) du dix-huitième siècle. Il abrite une collection précieuse, mais comme des gardiens étaient achetés, beaucoup a disparu. Représentations datant du treizième siècle avant Jésus-Christ de dieux et déesses qu’on prie toujours. De nombreuses figures aux bouches comme des traits et aux bras entourant les genoux relevés. Soni pratique son japonais avec un visiteur. Ensuite, nous nous attendrissons devant une figurine sur une décoration de toit, la seule à ne pas être pourvue d’une notice explicative. Nous la baptisons le bébé punk.

Dans le sud, je me dirige avec une démarche de cowboy vers le jardin zoologique. Mal aux fesses. Lorsque mon guide parvient à maîtriser son rire, il me raconte que les touristes japonais qu’il a transportés sur son scooter jusqu’ici veulent tous la même chose : d’abord aller regarder les varans de Komodo au zoo, ensuite acheter un étui pénien de Papouasie-Nouvelle-Guinée.

Des gens photographient des animaux. Une jeune femme me demande si elle peut me prendre en photo.

- Because you’re a long nose, dit Soni.

Ça, je le savais déjà. Pour les Asiatiques, les ‘blancs’ ne sont pas des ‘yeux ronds’ mais des ‘nez longs’.

Dans ma chambre d’hôtel, je regarde BBC World. Émeutes incessantes en Thaïlande, une manifestation a dégénéré au Cambodge, une rencontre historique entre la Chine et Taïwan, poignée de main au ralenti. En Grande-Bretagne, la Tamise provoque de très graves inondations.


*


Sur la place entre les galeries marchandes, un groupe d’ouvriers métallurgistes manifestent pour obtenir des salaires minimums garantis. Il suffit de ne pas porter de bleu de travail pour se voir soupçonné d’être un communiste clandestin. On a l’impression qu’il ne passe pas un jour sans manifestation. J’ai déjà aperçu aussi des attroupements de musulmans orthodoxes.

Dans le commerce chinois en gros Tanah Abang, des porteurs se reposent sur de grands sacs blancs remplis de vêtements. Il y a à peine cinq ans, des entreprises textiles indonésiennes fournissaient encore du travail au Java occidental. Mais les Chinois importent leur propre main d’œuvre, de Chine. Personne n’est de taille à s’opposer à ces prix défiant toute concurrence. Je n’ai pas le droit de penser que Soni déteste les Chinois. Mais il est absolument nécessaire que des mesures soient prises pour que leur domination économique demeure tant soit peu vivable pour le reste de la population.

Plus les fringues sont chères, plus la clim marche bien et plus la musique est douce dans la galerie marchande. Après un itinéraire frissonnant le long des étalages de Versace et Rolex, nous nous rendons dans un grand magasin avec des vêtements fabriqués en Indonésie. Cette marque ‘Peter says Denim’. Ne devrait-ce pas être ‘Peter says TO Denim ?’ Et qu’est-ce que Peter pourrait bien raconter à Denim ? J’explique à Soni que denim signifie jeans.

- But who is Peter?

À côté d’une des échoppes se trouve une figure en carton surmontée du nom ‘Denim’. Il existe donc vraiment.

Pasar Raja fait monter quelques degrés sur l’échelle sociale : des fringues arabes très chic au rez-de-chaussée, du batik coûteux au-dessus. Soni porte des tatouages avec des motifs batik qui font le tour de ses bras.

Dans une librairie on vend des couleurs de la marque Rembrandt. La plupart des livres ont des titres anglais bien qu’ils soient écrits en indonésien.


*


Ma conférence à l’université à Depok se déroule bien. C’est Suharto qui a fait déménager l’énorme campus universitaire pour le sortir de Jakarta. Si jamais les étudiants font du grabuge, ils ne gêneront pas trop de monde. Avant, il y avait trois villages sur ces terrains. Seuls quelques caoutchoutiers épars rappellent la plantation de Meneer Cornelis. Un enseignant me parle de ses recherches sur la situation linguistique à Bruxelles. Sur le chemin de retour, j’aperçois un restaurant qui s’appelle ‘Gebraak’ (4) et une ‘Kaka Laundry’.

Pour le temps qui reste de l’après-midi, Soni m’entraîne vers le port. Nous sommes déjà passés par ici. Il y a un genre de bateaux que je ne connais pas, des sacs de riz qu’on décharge, des gamins qui se jettent à l’eau à partir d’un bateau. Les conteneurs sont partout les mêmes. Maintenant, nous regardons le port à partir du Musée Bahari, c’est de là aussi que les colons hollandais le regardaient, jusqu’à ce que les Japonais le transforment en poste d’observation militaire.

- Look at the fat cats, me dit Soni à la criée de poisson un peu plus loin.

Et c’est vrai. La plupart des chats aperçus jusqu’ici n’avaient que la peau sur les os, mais ici, on se retrouve dans le Walhalla des matous. Encore un peu plus loin : une vue magnifique sur la ligne d’horizon à partir d’un endroit puant.

- This is Indonesia!

Ses copains à la guitare célèbrent mon anniversaire en chantant… en indonésien. Huit hommes enthousiastes et une ‘nez long’ gâtée. Nous chantons aussi ensemble. Passe un homme de quatre-vingt-deux ans. Il a une voix superbe. On m’offre un bracelet. Le petit verre dans ma main ne cesse de se remplir comme par enchantement. D’après Soni, je n’ai pas l’air ivre quand il me dépose à l’hôtel, mais ma tête et mon estomac ne partagent absolument pas son avis le lendemain matin. La gueule de bois s’attrape partout.

Je ne pense pas que l’ambassadeur de Belgique et ses deux collaborateurs avec lesquels je déjeune au Grand Indonesia un peu plus tard soupçonnent quelque chose. L’ambassadeur regrette l’époque où il ne possédait qu’une bicyclette… et quelques disques des Beatles.


*


Soni me montre sa nouvelle habitation. Je m’attends à un cagibi et tel est bien le cas.

- C’est du provisoire, dit-il.

- C’est mieux que la rivière, lui dis-je.

Dommage qu’il ne puisse pas élever des poules ici. Il regrette encore qu’Hitler, une de ses poules, se soit noyée.

Je lui ai payé un portable d’occasion et un modem. Larmes et embrassades. Un peu camés par les adieux qui s’annoncent, nous allons acheter des vêtements de bébé pour Atifah, la petite fille de son ami Liontin. Elle a un an et demi et elle dort près de la gare, où a également grandi son tout jeune papa dépressif. Soni a toujours essayé de le protéger et il l’a si souvent mis en garde : surtout pas d’enfants, Liontin. Officiellement, Atifah n’existe pas, elle n’a pas de certificat de naissance.

Il existe des Indonésiens de Jakarta qu’on appelle des immigrés. Ils ne possèdent pas de papiers parce que c’est trop cher. Il y a des gens qui ajoutent sans cesse des enfants à la rue, l’un après l’autre, qui les donnent, et ne gardent que le petit dernier pour faire la manche. La vie dans la rue, ce n’est pas seulement de la convivialité, de bons moments passés à chanter ensemble, évidemment. Bien que ce soit ça aussi. Soni voudrait pouvoir un jour adopter Atifah et l’envoyer à l’école.

Nous nous rendons en scooter au parc où a joué jadis Obama, dans une rue avec des maisons de généraux. Des enfants se prennent en photo avec leurs tablettes. Une collaboratrice de l’ambassade m’a raconté qu’elle s’était entretenue avec quelqu’un qui avait été à l’école avec Obama, ici. Il lui a dit que les enfants s’en prenaient très souvent au petit Barack, à cause de sa couleur de peau.

- If only we had known, avait-il ajouté.


*


Vina me fait un massage d’adieu. Vina. Dans ses textos, elle ne peut s’empêcher d’écrire ‘hahaha’. Qu’elle regrette tant que je sois obligée de partir, même que sa mère venait de lui dire : amène-la à dîner chez nous un de ces jours. Et qu’elle n’a pas eu le moindre client ces deux dernières nuits.

Avec Soni, je plonge dans la nuit, on entre dans un café avec des femmes indonésiennes qui chantent Welcome to the Jungle et beaucoup de nez longs.

Le lendemain matin, je m’installe une dernière fois derrière lui sur son scooter. Café. Jus. Tous deux lourds et proches.

Ensuite, je fais mes adieux à Kees parmi ses oiseaux. J’y retrouve aussi Tino. Soni le connaît pour l’avoir vu à la télé. En ce qui le concerne, sa quête pour retrouver ses parents biologiques a été entourée d’un peu trop de publicité. Il en est venu à la conclusion que pour lui, la question est de savoir qui assume les responsabilités pour l’enfant.

J’arrive en retard à l’aéroport. Mais on se retrouve tout de suite. Il s’est débrouillé pour savoir où je devais me rendre. C’est trop soudain. Être forte. Écrire. Send my love to Denim. Yogyakarta est recouverte d’une couche de cendres volcaniques. Jakarta gronde invariablement. Notre étreinte est bousculée. Signes d’adieu derrière une vitre. Départ. Près de la porte viennent les larmes, grosses comme les gouttes de pluie d’ici.

- Are you okay? demande un nez long.

Au moment de mon départ d’Amsterdam, j’avais vu moi-même quelqu’un dans cet état.

Embarquement.

Assumer les responsabilités pour l’autre.

Soni.

 

 

Notes
(1) Centre linguistique néerlandais.
(2) La vieille ville ou centre historique.
(3) Association batave des Sciences et des Arts.
(4) Vomissement.

 

Traduit du néerlandais par Michel Perquy.

Podcast lu à haute voix par Béatrice Marlier

 

Michel Perquy traduit du et vers le français. Il est né à Bruges (1943) et a étudié les langues romanes à la KULeuven, après ses humanités gréco-latines. En tant que professeur de français, il était très actif dans le théâtre de son école et, dans cette optique, il a commencé à traduire (Boris Vian, Molière, Giraudoux, René Girard). Ensuite, il a été nommé directeur adjoint de la Maison des Etudiants belges à Paris et il a continué à développer ses activités de traduction (www.perquy.net). Actuellement, il habite à Bruxelles. Traduire et peindre (www.oparijs.eu) sont ses activités principales.

 

Download de ePub-versie Print

Angels in Jakarta

The audio recording of Annelies Verbekes citybook about Jakarta is coming soon. In the meantime you can listen to her citybook on Ghent, Home Town.


For Soni


I’m walking along a lighted street in Central Jakarta, close to my hotel. Last night I was introduced to all the tooting and droning, the swarming mopeds that drive through the tolerated chaos in all directions. Earlier in the day I met the people at the Erasmus Language Centre. Learning Dutch is becoming popular in Indonesia. Tino guided me through the Old City. As a child he was adopted by a Dutch couple and at twenty-eight he came back to live in Jakarta. The shared story is about adoption, too. I looked at the relics of colonialism, sat in a bajaj and ate sweet soup in Café Batavia. I spoke nothing but Dutch.

This is my first independent voyage of discovery through neon and new smells, through the ‘Where are you from?’ of a group of Africans. I feel like an abnormally large woman with abnormally large breasts and it strikes me I’ll have to study the timetable of Transjakarta, a bus service with a lane to itself, apparently my only way of braving this traffic. But now I need to eat.

When I walk out of a small alleyway and into a big street he’s waiting for me. He’s my age and he’s got a moped; he can be my guide if I’d like. A choir of men’s voices led by my father strikes up a powerful ‘Don’t do it!’ in my head and I say: ‘Okay.’ I feel I can read in his eyes that everything is going to be fine. It’ll be fine. His name is Soni.

Later I’ll remember that the street was empty for once at that moment. Soni will testify to the odd feeling that came over him: as if we’re secret agents, meeting up for a mission.

We ride through the sleepless metropolis, the wind on my clothes, my arms round his waist, again to the Old City, past a Portuguese church, past the largest mosque in South East Asia, along a street called Harmoni. He shows me a bridge that used to open when the Dutch were still here. Little boats come into the city from the harbour. ‘This could be river like Danube,’ he says. ‘But it’s filthy. This is Indonesia.’ A short distance away, prostitutes are soliciting.

As for the succession of colonizers, he’s decided they belong to the past. We ride past the Holland Bakery, with a little windmill on the roof, and he shouts above the engine: ‘Is crazy that Holland people were here. Is my country! Why they come? Hahahahaha!’

We have something to eat and something to drink and he tells me about his life. In his earliest memories he is six and living without parents in a railway station. He polished shoes, delivered newspapers, played guitar a little. At seventeen it all went wrong when his shoe-polishing kit and his money were stolen. That led to a fight and a prison term. At first he didn’t want to live any more, then he did, and resolved never to fight again. He taught himself to read and write, and to speak English, from books. Recently a bit of Japanese; people need to stop being angry with the Japanese. It’s still difficult without a diploma. There are many like him, people the country doesn’t care about. He rented a little wooden house by the river, until it flooded a fortnight ago, along with his chickens, his laptop and his TV. All he has now is a mobile phone and a moped that will take him another three years to pay off. His most realistic dream is to sell T-shirts from a stall. He makes up slogans to put on them. For the time being he trades in stickers. He likes reading biographies, recently Ronald Reagan’s, as well as books about biology, plants and trees. The best time of his life was when he helped a man who’d been adopted by a Dutch couple to trace his Indonesian parents. For a moment he had felt like an angel, then. He once tracked down his own parents, but that’s a story he doesn’t want to tell. He kisses the money I give him and thanks me effusively. We arrange to meet up the following day. I hadn’t expected any of this.


*


Tintin sleeps badly. From four o’clock onwards impassioned praying keeps me awake, then a hellish thunderstorm is unleashed. The flood carried four children who lived next door to Soni away, three were later found dead. He doesn’t want to have children until he can rule out a repeat of his own childhood. The love of his life left him eight years ago. At ten o’clock he’s waiting in front of the hotel. He’s bought a little plastic raincoat for me.

We ride to the flooded houses and the tents the government has erected. There are too few toilets for three hundred and fifty people. He can shower in a hotel.

Several men stand guard on a roof, moving through the houses now and then to prevent theft. Next week it’s Soni’s turn. A crowd has come to look; a TV crew is making a news report. Many people greet him.

After the chicken soup he takes me to a bird market, to the cocks. A prospective buyer tests a fighting cock. They jump at each other, hackles raised and toes locked together. The cock that runs away loses. Policemen are keen on it too.

Soni shows me the school that Obama attended as a child. He lived here with his Indonesian stepfather and came back to visit as president. There’s a touching statue of a little Obama with a butterfly on his finger.

Then we go to a building where in seven broad storeys precious stones are cut, polished and sold. ‘I show you Voodoo stuff. I don’t believe paranormal. I sometimes believe paranoia. Hahahahaha!’ I understand completely.

In Chinatown we go inside the largest Chinese temple in Jakarta. It flooded a fortnight ago as well. I see people swimming in an alleyway, two little heads above the water. We ride through deep puddles in a moped swarm. The insane traffic, pedestrians climbing over wheels and bumpers, men selling toy aeroplanes between stationary cars. People are returning from a demonstration against traffic chaos, but perhaps they’ve been paid to attend. Everyone looks at me in amazement. I’m the one odd bee in the swarm.

Just in time he manages to stop a child falling off a moped; he gets a Chinese person’s stalled engine going again; he gives money to all the beggars. An angel. Suddenly he’s sitting on the ground rolling up my trouser leg so that it won’t get wet. I tell him he’s the hero of my story. That’s fine by him. And the Jakarta he’s showing me – I must write about that as well.

The Chinese, Chinese Indonesians, came here in several waves of immigration. They make up five per cent of the population and trade is in their hands. At a Chinese market I see live frogs and birds tied together like cloves of garlic, baby-bird soup, tubs filled with small eels and big turtles. I’m not hungry.


*


I smoke clove cigarettes; they keep the insects away and bring me into contact with people. Such as Vina, at the Seven Eleven next to the hotel, a beautifully made-up woman of forty-five with a Union Jack on her sweater. She starts on about korupsi, a word that frequently occurs in conversations with Soni. She can’t get hold of enough money for her youngest son’s school leaving exam. Meanwhile rich people buy yet another car. ‘Sorry, sorry, Annelies, it makes me too angry. Hahaha!’ She doesn’t believe the situasi will improve when a new president is elected in April.

Again I’m told a life’s story. She grew up in Aceh, on Sumatra. She was sixteen and heavily pregnant when she found out that her husband had two other wives. He was always exhausted and he had a heart attack. That’s what happens if you want three wives! She roars with laughter. Oh well. Not a bad guy, all things considered.

Didn’t she ever think about remarrying? Yes. Aceh was one of the places hardest hit by the tsunami in 2004. She moved to Jakarta with her sons. The youngest and her mother still live with her. She makes ends meet as a masseuse. She stands outside hotels at night and approaches men, nothing erotic. She doesn’t earn very much money with it.

Almost three years ago she started a relationship with a good client. A beautiful Japanese man: never been married, such a good heart, a dream. He sent money that she and the whole family were able to live on, visited her as often as he could and texted the most loving of words when he was away. Her mother and his family agreed to a wedding. And then, after months of eager anticipation: nothing. In the end it was her brother who picked up the phone: ‘Dear Vina, don’t be sad.’ Her fiancé had been buried under rubble at work and suffered a bad head wound. In front of the Seven Eleven she experiences it afresh: ‘An explosion in my heart! An explosion!’ He fell into a coma, then he died. She takes his photo out of her wallet. We look at it together. It was her youngest son who begged her to be happy and strong, to work again, so that he could get his high school diploma. That sweet, clever boy can make her laugh. As we end our conversation she asks, in a quieter voice: ‘Annelies, do you want massage?’ I promise I will. Tomorrow. A birthday massage from Vina.


*


The deceased Indonesian writer Pramoedya Ananta Toer was also born on the sixth of February. In the novel of his that I’m reading, one of the main characters is called Annelies.

‘Oh! Is your birthday, Annolisié! I find guitar! I make song for you!’ Soni still calls me Annolisié.

We look at a collection of press photographs at the Antara Gallery. A Dutch woman playing saxophone in 1949, the year of independence according to the Dutch. A blown-up page from the magazine Actueel wereldnieuws in 1933. On feast days, I read, the generosity of the faithful draws the beggars to the mosque. In the Chinese temple I visited it was the same, so soon after Chinese New Year.

What kind of fruit are those on the tree across the street? Soni says they look like koldi. And then, with a face that suddenly seems to have serious doubts about my intelligence: ‘Koldi? Adam and Eve? Garden of Eden?’ He finds it hilarious that where I come from the story is about an apple. ‘Koldi,’ one of the museum staff confirms, with the same amused, slightly disbelieving look at me, the strange bee.

I find Vina’s birthday massage borderline erotic after all. But that’s okay. It’s my birthday.


*


Soni picks me up at five-thirty in the morning to make sure I’ll be at the Senen railway station in time. Last night we bought tickets there for Yogyakarta, on the black market because at the ticket window they’d run out. Vina thought I was supposed to leave at four-thirty, so she rang me at four. ‘Sorry, Annelies!’ It’s not the first time she’s shown motherly concern and the meddlesomeness that goes with it. Such as: ‘You with your tomboy clothes. Didn’t you bring a nice dress?’

The overcrowding in the station illustrates something that applies almost everywhere: the big city is a magnet for country people hoping to make some quick money. A man is trying to get onto the train with a songbird in a cardboard box but that’s no longer allowed. Soni remembers how until a decade or so ago the trains were stuffed full with animals. And how he used to climb onto the train roof to travel without paying.

As we ride out of Jakarta I see people living next to the tracks, almost on top of them, in hovels between rubbish heaps. It’s terrifying, those children right next to the moving train. After that come endless rice paddies, the beautiful forests, the villages, the mountains in the distance.

Between Soni and me everything happens in extraordinary harmony. We discover we share an obsessional neurosis, as I would call it, but he calls it character. The fact we’re becoming friends is great and confusing. We have a lot in common, but I’m privileged in every way: economically, and because I have someone who loves me waiting at home.

In a restaurant in Yogyakarta he takes a guitar off the wall. Damp-eyed, we sing ‘Imagine’. I turn out to be a speechless hippie.

On a hired moped we ride past the biggest university in Asia. At the shadow theatre we giggle at the audience nodding off. Preserved colonial legacy, statues commemorating independence, protest posters for murdered journalist Udin, colourfully lit carts, the Sultan’s palace, blindfolded people trying to walk between two pillars who are continually pushed aside by ‘a force’ hanging there – and not once do I have to think about directions or arrange anything; Soni makes me float through this country. He turns out to know ‘Brother Jacob’ in Dutch and then he sings ‘Leaving on a Jet Plane’. I’m sitting on the back and I’m right in the moment, which, at the same time, I can feel slipping through my fingers.

After we’ve drunk a beer in a bar with a loud cover band, Soni has an attack of separation anxiety. It’s true. This is not a fairytale. He says he’s found an angel and that angel is going to disappear again soon. And that I – for God’s sake – mustn’t think he’s saying this because he wants my money, or wants to get me into bed. We sleep in adjacent rooms with reality between us like a tumour.

In the morning I say it would break my heart if he regretted we’d ever met and I ask him: do you regret it? He doesn’t know what to answer, and what do I want: ‘Happy or honest?’ I say ‘Both’. Despite our Buddhist sympathies we climb the Borobudur Temple with leaden legs. He becomes the guide again and he asks me a question. If there’s something at the bottom of a deep well that I want to have and I can’t reach it, do I think my arm is too short or the well too deep? My arm is too short. An answer that pleases Buddhists. He doesn’t know the one about the glass half full or half empty. The glass is half full. I conclude that we have a positive attitude after all. That makes him laugh. Next he confesses that, despite courage and self-improvement, he often feels bitter and exhausted, but he says he prefers bitterness and exhaustion to brutality.

We go to the Affandi Museum, with paintings and sculptures by a famous Indonesian artist, and visit the Hindu temple of Prambanan. And we’re smiling again, chatting with people who work in the rice paddies. Everywhere are orchards, fruit stalls, flowers. The rich soil, the abundance. One of Soni’s stickers has the slogan ‘Mati karena Sakaw nasi / di negeri yang kaya padi.’ Yearning for rice in a country rich in rice. In his email address at the bottom it says ‘sakaw duit’. He translates: ‘Craving cash.’

In a performance by the Ramayana Ballet I see girls with coloured beards. They’re playing monkeys, I think. The emphasis here is on hands.

Next morning in the train we eat rambutan and salak, fruits I’ve not tasted before. We ride into Jakarta past the industrial zone, a prison, then the trackside residents again. Around sixteen million people now live here.

I just have time for a shower before taking a taxi to see Kees, director of the Language Centre, who has invited me to dinner. Everything fashionable has moved to the southern district of the city. Kees and his friend Wawan have a garden full of birds; there are cockatoos that flirtatiously let people stroke them. We eat in a spacious restaurant that has a Belgian owner. Here it becomes clear that not all Indonesians are poor. The upper classes nowadays adopt Polish children.

Through the window of the taxi taking me back to the hotel I see the glittering buildings, the construction workers, the bridges. So much. So different. This story is writing me.


*


In a holiday resort in the north of Jakarta, Soni and I walk past beautiful trees and out over the sea on a circular wooden pontoon. As we drink Vietnamese coffee, The Beatles blare from the speakers. There’s the hippie, the staff must have thought. ‘Jai gu-ru-hu deva om,’ there’s no end to it. We talk about what the people are like and look out from another pontoon at a marina with a row of unlikely mansions beyond it.

We end the day in the large park around the National Monument, erected by Sukarno. The trees here were fetched from the villages, so that it became a real park straight away, not a collection of baby trees. Above their proud crowns the full moon appears.

The cheap food is healthy, fast food expensive, so most people eat healthily. The staff at KFC – a chain well represented here – eat at the cheaper Indonesian places themselves. I can’t remember the name of that dish with tofu, tempeh and peanut sauce, and I’ve started speaking appalling English with a Belgian accent and a slightly Asian intonation.


*


The Museum Nasional – known to Jakartans as Elephant Building – has its origins in the collection of the eighteenth-century Royal Batavian Society of Arts and Sciences. It houses valuable items, but attendants were bribed and a great deal was stolen. It has statues from the thirteenth century BC of gods and goddesses that are still worshipped today. Many figures with straight lines for mouths and arms round raised knees. Soni practices his Japanese on a visitor. Then we find ourselves deeply moved by a little figurine on a roof ornament, the only work for which no information is provided. We call it the Punk Baby.

In the south I step into the Zoo like a cowboy. Saddle sore. When my guide has finished laughing he tells me that all the Japanese tourists he’s had on the back of his moped ask for the same thing: first they want to see the Komodo dragons in the zoo, then they want to buy a penis gourd from Papua New Guinea.

People take pictures of the animals. A young woman asks whether she can take one of me. ‘Because you are a long-nose,’ says Soni. I knew that already: ‘whites’ aren’t ‘round-eyes’ to Asians but ‘long-noses’.

In my hotel room I watch BBC World. Ongoing riots in Thailand, a demonstration in Cambodia that has got out of hand, historic talks between China and Taiwan, a handshake in slow motion. In Britain the Thames is causing widespread flooding.


*


On the square between the malls in Central Jakarta, metalworkers are demonstrating for minimum wages. Anyone who doesn’t wear a work uniform when demonstrating invites suspicion that he’s an underground communist. There seems to be a demonstration every single day. I’ve seen Muslims of the stricter variety assemble here too.

In the Chinese wholesaler’s, Tanah Abang, carriers rest on big white bags of clothes. Until five years ago Indonesian textile factories in West Java provided work, but the Chinese import their own workers, from China. No one can compete with their bargain prices. I’m not to think that Soni hates the Chinese. But something has to happen urgently to make their economic dominance bearable for the rest of the population.

The more expensive the clothes, the higher the air conditioning and the softer the music in the mall. After a shivering trek past displays of Versace and Rolex we go to a department store selling clothes made in Indonesia. That brand: ‘Peter says Denim’. Shouldn’t it be ‘Peter says to Denim?’ And what does Peter say to Denim, then? I explain to Soni that denim means jeans. ‘But who is this Peter?’ Near one of the shops is a cardboard figure with ‘Denim’ written above him. So he does exist.

Pasar Raja represents a climb up the social ladder: chic Arab clothing on the ground floor, expensive batik on the floor above. Soni has tattoos with batik patterns around his upper arms.

A bookshop sells paint with the brand name Rembrandt. Most of the books have English titles, even though they’re in Indonesian.


*


My talk at the university in Depok goes smoothly. Suharto moved the huge campus out of Jakarta. If the students revolt, no one will be particularly inconvenienced. On this land there used to be three villages. A few rubber trees recall the plantation belonging to Mr Cornelis. A lecturer tells me about his research on the language situation in Brussels. On the way back I see a restaurant called ‘Gebraak’ (‘vomit’ in Dutch) and the ‘Kaka Laundry’.

In what remains of the afternoon, Soni takes me to the seaport. We had been here before. Unfamiliar ships; sacks of rice being unloaded; little boys jumping from a boat into the water. Containers are the same everywhere. Now we’re looking at the harbour from the Bahari Museum, where Dutch colonizers stood and surveyed the docks, until the Japanese turned it into a military observation post.

‘Look at the fat cats,’ says Soni when we get to the fish auction, and he’s right. I’ve seen a great many scrawny ones here, but now we’ve reached feline Walhalla. A little later: a stunning view of the skyline from a place that stinks. ‘This is Indonesia!’

His guitar-playing friends sing happy birthday to me in Indonesian – eight enthusiastic men and one pampered long-nose. We sing together as well. A man of eighty-two happens along. He has a beautiful voice. I’m given an armband. The small glass in my hand is continually topped up. Soni says I don’t look drunk when he drops me at my hotel, but the next morning my head and stomach think very differently about that. I’m like something those fat cats dragged in.

I don’t believe the Belgian ambassador and his two assistants, with whom I have lunch in the Grand Indonesia, notice anything. The ambassador pines for the time when he owned nothing besides a bicycle, and a few Beatles records.


*


Soni shows me his new dwelling. I’m expecting a hovel and it’s exactly that. ‘Is only for now,’ he says. ‘It’s better than the river,’ I say. A pity he can’t breed chickens here. He’s sad that Hitler, one of his chickens, drowned.

I’ve bought him a secondhand laptop and a modem. Tears and hugs. Slightly stoned from the approaching farewell we go to buy baby clothes for Atifah, his friend Liontin’s daughter. She’s eighteen months old and sleeps at the station, where her young, depressive father grew up. Soni has always tried to protect him, so often saying to him: no children, Liontin. Officially Atifah doesn’t exist; she doesn’t have a birth certificate.

There are Indonesians in Jakarta who are called immigrants. They haven’t got any papers, because that costs money. There are people who add child after child to the streets, and then give each one away. The newest baby is used for begging. Street life isn’t just having a fun singsong together, of course. Even if it’s also that. Soni wants to be able to adopt Atifah one day and send her to school.

We ride to the park where Obama once played, in a street with houses belonging to generals. Children take photos of each other with their tablets. One of the embassy staff told me she’d talked to someone who went to school with Obama here. He told her they bullied little Barack mercilessly, because of his colour. ‘If only we’d known,’ he said.


*


Vina gives me a goodbye massage. Vina. When she texts me she always writes ‘hahaha’. It’s such a shame I have to leave; her mother’s already said I should come to dinner some time; she hasn’t had a single client the past two nights.

I go for a night out with Soni, to a café with Indonesian women who sing ‘Welcome to the Jungle’, and a lot of long-noses.

Next morning I jump on the back one last time. Coffee. Juice. In both cases full-bodied and close by.

Then I take my leave of Kees among the birds. I chat with Tino. Soni knows him from TV. The search for his biological parents brought him a bit too much attention as far as Tino is concerned. He concluded that it’s a question of who takes responsibility for you.

I arrive at the airport late. We spot each other immediately. He’s found out where I need to be. It’s too abrupt. Be strong. Write. Give my love to Denim. Yogyakarta is buried by volcanoes. Jakarta hurtles on unabated. Our embrace is bowled over. Waving farewell through a window. And away. At the gate the tears come, fat as the raindrops here. ‘Are you okay?’ asks a long-nose. As I was leaving Amsterdam I saw someone just like this myself.

Boarding.

Who takes responsibility for you.

Soni.

 

 

Translated from Dutch by Liz Waters

Podcast read by Cathy Smith


Liz Waters (1960) translates literary fiction and quality nonfiction from Dutch into English. She has translated books by, among others, Fik Meijer, Lieve Joris, Paul Scheffer, Luuk van Middelaar, Jaap Scholten and Douwe Draaisma, and is currently working on a translation of Reizen zonder John. Op zoek naar Amerika by Geert Mak for Harvill Secker in London. She lives in Amsterdam.