Een groot heimwee

Sus Van Elzen

Sus Van Elzen

Sus Van Elzen (Antwerpen, 1945) studeerde Germaanse talen aan de Rijksuniversiteit Gent. Tussen 1973 en 2004 schreef hij als journalist en buitenlandredacteur voor het Belgische weekblad Knack over internationale politiek maar ook over cultuur en literatuur. Van Elzen bezocht Portugal voor het eerst in de periode van de Anjerrevolutie in 1974 en schreef sindsdien regelmatig over Portugese politiek en cultuur. In de loop der jaren specialiseerde hij zich in China, het Palestijns-Israëlische conflict, waarover hij vier boeken publiceerde, en de Islamitische wereld. In 2008 publiceerde hij De draak en de rozentuin, een essay over het politieke en culturele conflict tussen de Chinese artistieke wereld en het politieke regime. Van Elzen schreef eerder voor deBuren het Radioboek Witte vlekken verloren in de vlakte.

Close

Lissabon Alle citybooks

Download de ePub-versie Print

Een groot heimwee


De dokter


De dokter had zijn praktijk in de Rua Ivens, vijftig meter boven de Fnac van de Rua do Carmo, de Fnac die er toen nog niet was. Wèl was er de juwelierszaak Eloy do Jesus, waar hij tegen de middag aan gaarne een praatje ging maken. Die is er nu niet meer. Een paar huizen verder zat de Gremio Literario, een venerabel instituut waarvan hij altijd wel lid had willen zijn maar hij was nu eenmaal een dokter.


De dokter bewaarde in zijn hart een groot heimwee naar de ambities van zijn jeugd. Hij flaneerde over de Chiado als een ander man in een ander land, in Rio, Londen of Lourenço Marques, centra van Portugese stijl en chic. Hij liep graag door Lissabon, zijn zeven steile heuvels op en af, hij doorkruiste het in zijn automobiel zoals hij Europa doorkruist had. Zijn Lissabon was groot en hij kende het van binnen en van buiten.


Af en toe in voorbije jaren nam hij me na zijn dienst in het ziekenhuis gaarne mee de stad bekijken in zijn grote auto, en dan vertelde hij van zijn grootvader die boven in Lumiar een domein bezat, en die een soort boef zou geweest zijn, een avonturier en een internationale vrouwenloper. Lumiar leek mij toen heel ver weg, een wijk aan de noordkant van Lissabon, achter de rand van de stad.

 


Marleen


Marleen was rond en mollig en behoorlijk zwart, met een brede witte glimlach. Zij kwam uit Brazilië en had uit São Paulo samen met een hoofd vol recepten een fervent evangelistisch geloof meegebracht. Dat voerde haar op woensdagavond naar de dienst in een tot tempel omgebouwde garage nog een eind voorbij Lumiar. Het was door met haar mee te rijden bij valavond, steeds verder naar de rand van die stad die eindeloos werd, door het kijken naar de geleidelijk verschijnende lichtjes van de stad, voorbijglijdende rijen straatlantaarns, reclameneon, zwak huiskamerlicht in donkerder vlekken. Het gaf het gevoel eruit weg te rijden als uit een enorm soepbord, en van hoog op de rand van het bord in de diepte de stad te zien liggen, de echte, de verlichte, het was door dit alles dus dat ik de dokter begon te verstaan, zijn heimwee naar de onschuld van Lumiar – dat wij met Marleen al lang voorbijgereden waren, op weg naar de donkere wijken, de onveilige rand van Lissabon, waar ons evangelische donkere dikkertje wel mocht komen maar wij niet. Wij waren van de rand der stad afgereden. Waar we gingen neerkomen mocht de duivel weten – de duivel, in wiens macht en kracht Marleen rotsvast geloofde.


De dokter geloofde wellicht nog alles wat hij op school had geleerd. Een beminnelijk man die altijd klaarstond om me uit de zotste problemen te helpen – verstuikte poot, verdwaalde bagage, niercrisis, brandende auto ... – en nooit gelegenheid gaf om bedankt te worden. Hij was diep katholiek zoals iedereen in zijn jeugd diep katholiek was, en bereid om, als dat nodig zou zijn, te voet naar Fatima te gaan al hoefde dat voorlopig goddank niet. Met de duivel had hij alle dagen te maken, vond hij, maar heel zijn leven was hij rechtlijnig geweest en ook in de leer. Nog steeds. Goedaardig en ijdel, streng in zijn opvattingen, zijn familie getrouw en het gouvernement gehoorzaam, zoals Paulus het voorschreef in zijn brieven.

Ook nu was hij niet ontevreden met zijn nog steeds mooie vrouw en zijn katholieke dochter in deze moeilijke, gezegende stad die, weliswaar, aan haar randen minder afgetekend scherp werd dan vroeger als hij zich haar probeerde voor te stellen, als met een waas van nevel eroverheen, neblina, zoals die in Lissabon vaak stil uit zee komt overwaaien.

 


De palmboom


Huizen in de oudere wijken op en om de heuvels in Lissabon zijn totaal onvoorspelbaar. Zelden kun je aan hun gevel aflezen wat je erachter zult aantreffen. Een hoge gevel kan voor een krot staan, een lage, nietszeggende façade met een groene deur tussen twee raampjes kan een gigantisch, de heuvel af gebouwd huis verbergen, met een grote tuin erachter en in die tuin een honderd meters hoge palmboom die de halve wijk beschaduwt. Zo is dat in Lapa. Vanuit een welgekozen hoog gelegen raam boven op Lapa kijk je uit op de Taag en zijn schepen en je ziet auto’s en treinen over de brug rijden. ’s Nachts rollen lichtjes over de stroom, een eindeloze, onafgebroken bewegende rij lichtjes.


Daar stond een palmboom waar je je armen niet rond gekregen had als je daar al kandidaat voor was. Gemakkelijk honderd jaar oud had hij generaties schaduw gegeven met zijn grote blaren, die nu vuilgrijs en dood neerhingen, dodepalmdroog in de zomer, rottend in de winter, wiegend in de wind. Een grijze baard boven in de lucht. Had de dokter de boom ooit zien staan? Hij kende veel huizen in Lissabon, was in veel tuinen geweest, had onder veel bomen geschuild. Maar deze? Die stond zomaar hoog te wezen achter een rijhuis in de Rua de Sant’Ana a Lapa, een lange donkere gang tussen hem en de straat. Hij stond daar wellicht al vooraleer het huis gebouwd werd. Of anders had de eerste eigenaar, na zo’n dagdroom van schaduw ’s middags in de zomer als de zon hoog boven van jet geeft, hem als stek met twee blaren in een pot binnengedragen, voorzichtig om het dingetje niet te kneuzen, en had zich daarna te wachten gezet.


Hoe dan ook, toen de dokter die middag in mei de Rua de Sant’Ana a Lapa overstak vond hij aan de overkant een open vrachtwagen zijn weg naar het trottoir versperren. Het was een kleine, grijs bestofte vrachtwagen die met zijn laadbak voor de open deur stond van een hoog, hem misschien bekend voorkomend huis. Op het voetpad tussen laadbak en deur rolden mannen massieve schijven uit de donkere gang, die dan op de vrachtwagen gehesen werden. De dokter bleef er even naar staan kijken, het waren stukken van bijna een meter diameter, dertig centimeter dik met ruwe randen, als schijven van een reusachtige ananas. Hij loerde even in de laadbak, waarin al groen lag dat met een kleine inspanning voor enorme ananasblaren kon doorgaan. Peinzend keek hij de gang in, maar moest bijna wegspringen voor nieuwe schijven die daar aangerold kwamen, zodat hij zijn observatie maar onderbrak en voortliep. Natuurlijk waren dat geen schijven ananas. Natuurlijk was dat zo’n palmboom die ze in rondellen gezaagd hadden om hem buiten te krijgen. Misschien had hij hem wel gekend? Hoewel, zelfs hij kon niet alle palmbomen van Lissabon kennen, hij moest niet kinderachtig doen. Maar ook zo stemde het hem een beetje verdrietig, alsof hier weer een kameraad van hem afgevoerd werd. Hij schudde het hoofd, nee, en liep door.

 


Marleen


Het woensdagavondtempeltje van Marleen was een recent omgebouwd onding, witgepleisterd en behangen met vlaggen van de vele landen waaruit de kerkgangers kwamen: Brazilië en Portugal naast Spanje en Polen, Oekraïene, Marokko. Vooraan was een trede met luidsprekers, een drumstel, elektrische gitaren, een spreekstoel met een microfoon, en daarachter stoelen voor de predikanten. Aan de luister- en meezingkant wachtten rijen vouwstoelen. Er waren drie predikanten voorzien plus één in reserve, en toen die goed en wel aan het prediken waren – met veel broeders en zusters en liefde van Jezus, uithalen in de hoogte en kreten van Halleluja! uit de gemeente, het zweet en de tranen die later kwamen met gekus en omhelzingen in de breedte – zat de kerk al mooi vol.

Het was maar gewauwel wat die drie heren daar lieten horen, en of ze daarvoor uit São Paulo moesten overkomen was de vraag, maar de muziek was waarlijk oorverdovend, en daarvoor kwam Marleen toch eigenlijk. Voor de muziek van het samenzijn, de warmte van de gelovigen ondereen en de omhelzing op het einde, samen opgaan in Jezus. Pijnlijk was misschien, niet dat die drie snuiters uit Brazilië gekomen waren want men kon vermoeden dat zij daaraan veel genoegen beleefden, maar wel dat Marleen van zo ver gekomen was door straten die zij voor ons onveilig vond, en nu in het donker terug zou moeten, en dat het maar dààrvoor was.

Dat dit alles was, het grote wonder zogenaamd. Zweet, lawaai en leugens. Goedkope oplichterij. Maar enfin.


Deze straten aan de Marleenkant hebben niet veel gemeen met de straten in de oude stad, hoewel daar ook best lugubere hoeken zijn en plekken waar ik alleen niet graag zou komen – maar hoe verlopen ook, de hoge ouderdom van de antieke kasseien verdringt daar gemakkelijk het gevoel dat je in een rampgebied verzeild bent. Er ligt niet zo gauw gebroken glas op straat al groeit er gras op de daken en zien de meeste voorbijgangers er gekneusd uit. Neen, hier bij Marleen prijken zoals overal hedendaags lelijke kapperszaken, garages en supermarktfilialen met stalen rolluiken in wijde rouwringen rond het schone gezicht van de stad, en bloemen, goed noem het onkruid, groeien er niet tussen de dakpannen zoals in Madragoa. Hier ergens woont Marleen in een flatje of zijn het kamers boven een lotjeswinkel of een bloemenzaak. In haar keukentje bereidt ze taarten en gebak voor een gestaag uitdeinend netwerk van klanten die bestellingen plaatsen. Per telefoon, want haar adres verklapt ze niet. Lissabon is een gemengde stad met zwarte wijken waar klassiek geaarde witte Portugezen niet op hun gemak zijn, en waar Marleen ook niet voor hun veiligheid wil instaan, zij heeft al genoeg verantwoordelijkheden. The Empire Strikes Back zeg maar, en dit zal nu net haar zorg niet zijn. In de rouwranden rond Lissabon gaat het van ieder voor z’n eigen.

 


Dochter


De dochter, groot en slank, maakt zich zorgen over haar pa. Al gauw wordt het avond en weer is hij de deur uit. Dat had hij kunnen laten vandaag want hij is jarig en zijn twee vrouwen hebben een minifeestje op touw gezet. De hemel is betrokken, het ziet er naar uit dat het gaat regenen. Dan worden de gepolijste witte steentjes van de hellende voetpaden in Lapa glad. Zal hij niet uitglijden, hij let nergens op en trapt toch al in zeven drollen tegelijk?

‘Hij is buitengegaan,’ zegt ze tegen haar moeder. ‘En het gaat regenen.’

‘O. Heeft hij een jas aan?’

‘Straks ga ik hem zoeken. Hij gaat altijd dezelfde kant uit. Hij zoekt de benedenstad.’

‘De Chiado, zijn oude plek. Hij blijft het proberen.’

‘Zo te lopen zoeken,’ zegt de dochter, ‘en niet meer vinden wat zo vertrouwd is geweest. Maakt hem dat niet triest?’

‘Ik weet er niets van,’ zegt haar moeder. ‘Ik weet al lang niet meer wat er in zijn hoofd omgaat. Als er al iets in omgaat.’

‘Je bent te hard. Nee, weer niet wenen nu.’

 


De dokter


Het regende nog niet en de dokter was de Rua das Trinas afgelopen die van Lapa bijna tot aan de kade afdaalt. Vandaar kon hij het water al ruiken. Hij was hier vroeger vaak geweest. Onder de bomen voorbij het museum zaten steevast ouwe snuiters met hun rug naar een grandioos uitzicht op de Taag. Die hadden al hun aandacht bij hun kaartspel nodig. Ja, hij kende dit alles als zijn linker elleboog. Alleen, als dokter kon hij niet bij de kaarters neerzitten en eventueel een rondje meespelen. Dat zouden die ook niet willen. Ha! Stonden op hun strepen, die ouwelui.

Wat hij zou doen was naar de Chiado doorsteken, kopje koffie drinken in het oude café. Zien of de makkers daar nog kwamen. Ook al ouwe knarren nu. Hij nam de straat naar links, zo had hij de stroom maar te volgen. Hij zette er de pas in. Toen hij jong was liep hij helemaal tot in Lumiar. Geen probleem, kleintje koffie, hij kwam eraan!

 


Marleen


De dienst was vroeg gedaan vanavond, de predikanten hadden zich snel in het zweet gewerkt met gejubel, zang en predicatie, en waren al gauw moe. Voor Marleen kwam dat goed uit, want zij had nog een verjaardagstaart af te leveren, een mooie, met chocola en marsepein en de kaarsjes apart, de vierkante taartendoos in een roze plastic zak. Goedgemutst ging ze er vandoor, het leek te zullen gaan regenen. Geen Braziliaanse stortbui hier, zo’n Europees motregentje zou het wel worden. Ze liep naar de halte met haar pak en paraplu en wipte een bus op naar Lapa.

Nu was het niet zo dat Marleen de hele tijd met het Bloed van Christus bezig was. Ze was vrolijk en braaf en als ze ergens een medemens kon helpen zou ze dat niet laten, maar om het Evangelie te gaan uitdragen met al zijn mysteries en zijn zwaarte, dat liet ze liever aan de broeders predikanten over. Blij zingen was beter dan vragen stellen over het verdriet in de wereld. Veel was dat niet, maar God zou de rest wel doen. God waakte over hen, zusters en broeders in de puinhoop tegader, toch.

 


Lapa


Nog voor het begon te regenen was het kiepbakje in de Rua de Sant’Ana a Lapa meer dan volgeladen, het was al lang vijf uur geweest, terwijl er nog een hele lading palmboom overbleef. Zelfs de laatste drie rondellen die de werklui buiten hadden geduwd wilde de chauffeur niet meer meenemen.

‘Die rollen eraf bij de eerste schok, dat kan een kind zien, waarom jullie niet?’

Ze stapelden ze schots en scheef op het voetpad, de vrachtwagen liet een plek met stof en splinters achter, de mannen trokken de deur dicht en verdwenen om de hoek.

 


Dochter


‘Kijk, het regent al,’ zei ze. ‘Ik ga hem zoeken.’

Haar moeder stond een hemd te strijken.

‘Doe maar.’ Ze was met een kraag bezig, zijn kraag. Voorzichtig, vol ongeduld haalde ze de strijkbout langs de knoopjes.

‘Waarom loopt hij altijd buiten? Waarom is hij zo ongedurig?’

Wat zocht hij op straat? Als zij zelf buitenliep volgde hij haar als een hondje aan de lijn. Dan zocht hij blijkbaar niets. Vroeg ze wat er scheelde dan antwoordde hij niet. Spreken deed hij niet meer. Niet tegen haar. Een knoopje bleef haken in het strijkijzer en schoot los. Ze hoorden het over de vloer verloren rollen.

‘Alsof ik met een zombie achter me aan loop.’

Ze zette haar ijzer neer en bleef door het raam staren.


‘Eigenlijk is hij al dood,’ zei de dochter. Ze trok een lichte regenjas aan en pakte een rood parapluutje.

‘Kom, ik ga hem halen.’

Ze deed haar paraplu niet direct open toen ze buiten stapte, de regen was fris en deed haar gezicht goed. Moest ze tegen haar moeder zeggen dat ze niet zo mocht grienen? Zonder zelf te beginnen huilen? Dan beter een natte snuit van de regen. Vooruit. Naar de Rua das Trinas maar, daar liep hij altijd naartoe, Joost mocht weten waarom.

 


De dokter


Het spreken had de dokter eraan gegeven. Al even praatte hij niet eens meer met zichzelf. De innerlijke stilte die dat met zich meebracht vond hij niet onaangenaam. De oorzaak ervoor hinderde misschien wel wat, maar die drukte hij weg in een hoekje. Nu niet: nu voelde hij zich even prima. De oorzaak, bedacht hij terwijl hij links de Rua da Esperança insloeg, naar boven, was dat de woorden hem ontsnapten. Dat hij, eigenlijk, begonnen was zijn woorden te verliezen. Elke keer dat hij iets wou zeggen moest hij langer zoeken eer hij ze terugvond, of geschikte vervangers ervoor. Zo was dat, dacht hij, en hij was dokter genoeg om te voelen dat dit niet alleen met vergeetachtigheid te maken had. Daar ging hij nu even niet op in. Nu ging het naar de Chiado. Hij zag de eerste regendruppels ronde vlekjes maken op het voetpad.


Maar de Rua da Esperança leidt nu eenmaal niet naar de Chiado maar, in het geval van de dokter, langs hoeken en labyrintijnse kanten, opnieuw naar de Rua das Trinas. Hij had het al zo vaak geprobeerd dat hij het had kunnen weten. Wilde hij naar de Chiado dan had hij van de Avenida ... Nu ja. Wilde hij wel naar de Chiado? En niet, bijvoorbeeld, naar de hoeve van zijn grootvader, de boef in Lumiar toen hij klein en Lissabon groot was, nog niet gevangen in die drie beregende straten waar hij alsmaar bleef rondjes draaien?

Zo groot, Lissabon toen ... Als ze naar de stad gingen leek het of de zon daar heller scheen, het licht weerkaatste op de witte gepolijste steentjes, zo fel dat zelfs hij, het jonge geweld, zijn ogen half dicht moest knijpen. In die tijd wilde hij nog parachutist worden, de medicijnen waren later gekomen, medicijnman, ha! Hij droomde ervan uit een vliegtuig te springen, heel hoog boven de stad die wit en groen en roze in de arm van de blauwe rivier lag te prijken, het was nog voor ze de meedogenloze Christus er als opperste politieman boven hadden gezet, en traag wiegend naar links en naar rechts neer te dalen onder een witte parachute die hem elegant zou neerzetten op de steentjes van het Rossio. Wat een stad was dat! De politie had er witte handschoenen aan en regenen deed het alleen in de winter. Het beeld had hem nooit echt verlaten, de jongste jaren was het zelfs sterker geworden, zij het met hier en daar gaten erin. In dat beeld waren Lisboëten nog blank, negers woonden in overzeese gebieden en Spanjaarden waren er al helemaal niet. Met één blik kon hij het allemaal overzien. Hij, hij woonde daar. Van de kleuren van de stad had hij gehouden en van het licht. Groen, van de bomen overal, rood van de pannendaken, oudroze als hij schuins naar de gevels keek. Een beetje gek dat juist kazernes en militaire gebouwen altijd roze gevels hadden, terwijl roze naar zijn gevoel toch niet zo’n viriele kleur was. Maar zo was dat nu eenmaal, de stad was wijzer dan zijn inwoners, dat moest hij maar voor lief nemen.

Stilaan, dacht hij terwijl hij traag de heuvel op sjokte en iets in zijn hoofd hem de zwartgrijze dwarsboorden van de aflopen deed tellen die het wit van het voetpad onderbraken, onmerkbaar, slinks, was dat allemaal verdwenen. Niet met een klap of met sirenes, nee, meer alsof het hem niet meer interesseerde, en hij het daardoor verloor. De kleuren waren verbleekt, naar Lumiar ging hij niet meer. De stad had zich teruggetrokken binnen steeds kleinere cirkels, haar licht was verfletst en het beeld van zijn jeugd was grauw, onscherp geworden, als een oude bewogen foto zonder belang. Wanneer was dat gebeurd? Hij had al zestien dwarsboorden geteld toen hij aan de Rua das Trinas kwam. Wat had hij daar nu weer verloren, hier was de Chiado dus niet?

Wat trok hem toch naar de Rua das Trinas? Was hij hier naar school geweest, had hij er een meisje gekend? Wat was er met hem gebeurd in deze hoogst onmerkwaardige straat? Was hier misschien zijn afspraak met de Engel? Daar glimlachte hij bij. Zou nogal een kop trekken, die engel, als hij dat lege hoofd van hem zag. Hij dacht er nooit veel aan, aan de Engel. Waarom wel als hij in de Rua das Trinas was? Wie wist dat?


Op een hoek liep hij haast een negerinnetje tegen het lijf, een kleine dikkerd die zwaaiend met een roze plastic zak uit een steegje gesprongen kwam en Oo zei.

‘Excuseer mij,’ zei hij, ‘bent u de engel?’

‘Zie ik er zo uit?’ vroeg zij, ‘en hebt u geen paraplu bij?’

‘Nee,’ zei hij, ‘het regende nog niet toen ik van huis ging.’

‘Ja,’ zei zij, ‘het komt altijd sneller dan je denkt. Zullen we samen wat oplopen onder mijn paraplu? Pas op, het wordt hier glad. Nee u hoeft niet te denken wat u nu denkt, van dat vak ben ik niet.’

‘Dat dacht ik ook niet,’ zei de dokter. ‘Maar eigenlijk dacht ik aan iets anders. Dat is uitzonderlijk mag u wel zeggen, want ik denk namelijk steeds minder. En spreken doe ik ook niet meer.’

‘In dat geval,’ zei Marleen, ‘had ik u wel eens willen horen toen u nog wel sprak.’

‘Wat kan ik u vertellen,’ zei de dokter, ‘ik ben arts geweest en ik ben van alles geweest, en ik heb deze stad gekend toen ze nog groot was.’

‘Groot?’ vroeg Marleen. ‘De meeste mensen zeggen dan klein. En u zoekt de engel? Hier, of meer in het algemeen?’

‘Dat is iets dat ik eigenlijk niet weet,’ zei de dokter. ‘Misschien is dat ook beter. Wat ik weet vergeet ik toch onmiddellijk weer.’

‘Ah,’ zei Marleen, ‘dié engel.’

Zo liepen zij samen omhoog, een bezorgde kleine met haar paraplu hoog geheven boven een beleefd maar onhandig vooroverbuigende grote. Praten ging hem nu gemakkelijk af, zodat ze vertrouwelijk keuvelend de helling op vorderden.

‘Wat het is,’ zei hij, ‘deze stad is van mij, maar wat ik ervan overhoud wordt steeds kleiner. Ze pakken haar af. Als een focus is het: je verliest wat er rond zit, en al wat ik nu soms nog vind zijn deze drie straten.’

‘Deze?’ vroeg Marleen.

‘Waar ik ook naartoe wil,’ zei hij, ‘altijd kom ik uit in de Rua das Trinas. Ik wou naar de Chiado, kopje koffie drinken in dat café, maar, tegen u kan ik dat wel zeggen, ik ben vergeten hoe ik daar kom. Er is vast iets anders dat ik zoek, hier misschien, maar ik kan er niet meer opkomen wat het is. Nu ga ik maar mijn huis zoeken, ergens hier in de buurt.’

Bovenaan de straat, waar ze de Rua da Lapa al zagen, liep een vrouw in een lichte regenjas voorbij, half verborgen achter een rode paraplu.

‘Doet me aan iemand denken,’ zei de dokter. ‘’t Zou mijn dochter kunnen zijn.’

‘Uw dochter,’ vroeg Marleen. ‘Hebt u zonen ook?’

‘Nee,’ zei de dokter, ‘alleen, alleen, mijn dochter.’

‘Hoe heet ze?’ vroeg Marleen.

‘Ik zal het u dadelijk zeggen,’ zei de dokter.

‘Pas op,’ zei Marleen, ‘’t is hier spekglad.’ Ze kwamen uit de Rua das Trinas, en op het pleintje bij de Sant’Anakerk joeg de wind hun de motregen in hun gezicht.

‘Boe, ’t is hier wel nat,’ zei Marleen, ‘laat ons gauw de hoek om gaan.’

Zo kwamen ze aan in de Rua de Sant’Ana a Lapa, waar ze uit de wind waren maar de regendruppels harder van de huizen neerkwamen.

‘Ik zei nog tegen mijn dochter,’ zei de dokter, ‘ik maak me zorgen om je moeder, die is zo triest en die loopt maar te wenen en ik heb er geen idee van waarom, en als ik het haar vraag antwoordt ze niet.’

‘Dat kan ze toch niet,’ zei Marleen.

‘Pas op,’ zei hij, ‘hier ligt een, een obstakel!’

Maar zijn waarschuwing kwam te laat, Marleen zag de palmboomschijf niet en stootte haar scheen.

‘Au,’ schrok Marleen, ze gleed uit op de blinkend natte straatsteentjes en viel. De dokter trachtte haar recht te houden maar gleed ook weg en kwam gelukkig op iets zachts terecht dat zijn val brak, maar kreeg zelf Marleen over zich heen. Beduusd en vol gêne over de ongewilde intimiteit zaten ze op de stoep uit hun verwarring te komen.

‘Heb je je bezeerd?’ vroeg de dokter.

‘Mijn enkel verzwikt denk ik,’ zei Marleen.

Met moeite kwam ze recht op één been en zat neer op een schijf palmboom.

‘Laat eens kijken,’ zei de dokter van beneden met een opborrelend restant artsenmentaliteit, hij pakte haar enkel op en kneep erin.

‘Au,’ zei Marleen.

‘U moet morgen maar een foto van die enkel laten nemen, maar u bent wel veel te dik, die enkels kunnen u niet dragen. U moet dringend afvallen.’

‘Jaja,’ zei Marleen, ‘in mijn vak is dat niet eenvoudig.’

‘In geen enkel vak,’ zei de dokter.

‘Santa Maria,’ zei Marleen, ‘waar is mijn taart?’

‘Taart?’ vroeg de dokter.

‘De verjaardagstaart!’


En hoe dat kwam, door het meegevende zachte aan zijn zitvlak, een dikke druppel die in zijn nek viel, of door de schim van zijn dochter die op hen af stormde als een rode geest uit de hoogte, of toch dan door de stem van Marleen die zacht jammerde dat hij met zijn kont op haar taart zat, haar mooie kunstige taart met chocola en marsepein, en het stuk roze plastic dat hij onder zich zag uitsteken, ineens besefte de dokter dat hij zijn verjaardag vergeten was en dat zijn zo geduldige vrouw hem thuis verwachtte met zijn lievelingsgerecht, speciaal voor de gelegenheid, terwijl hij zo goed als zeker op zijn eigen taart zat. Als door een emmer koud water werd hij eensklaps overstroomd door een ijskoud, intriest en bodemloos schuldgevoel. Zijn dochter, die nu boven hem torende en haar wanhopige hand op zijn schouder legde en ‘papa’ zei, kon hij niet aankijken.

‘Papa ben je in orde? Mama wacht op je.’

‘Jaja ik weet het nu weer,’ zei hij, en hij lachte heel kort. ‘Maar ik zit op mijn taart, en wat kan ik tegen mama zeggen?’

‘Zeg maar niets, mama weet het wel.’ Ze trok aan zijn arm en probeerde hem rechtop te helpen. Maar hij keek op naar Marleen, op haar palmboomschijf.

‘Het spijt me,’ zei hij, ‘maar nu kan ik u niet meer helpen.’

‘Nee,’ zei Marleen, ‘ik kan ù niet helpen.’ En dan weende ze een beetje voor zich uit.

 

Sus van Elzen fecit, Antwerpen, 15 IX 2013

 

Download de ePub-versie Print

Uma grande saudade


O médico


O médico tinha consultório na Rua Ivens, cinquenta metros acima da Fnac da Rua do Carmo, a Fnac que naquela altura ainda não existia. O que existia era a Ourivesaria Eloy de Jesus, onde ele gostava de ir por volta do meio-dia dar dois dedos de conversa. Agora já não existe. Uns edifícios mais adiante ficava o Grémio Literário, instituição venerável da qual sempre quisera ser sócio, mas, enfim, era médico.


O médico albergava no coração uma grande saudade das suas ambições de juventude. Passeava-se pelo Chiado como um outro homem num outro país, no Rio, em Londres ou em Lourenço Marques, centros do estilo e do requinte para os portugueses. Gostava de andar por Lisboa, subindo e descendo as suas sete colinas íngremes, e cruzava-a no seu automóvel tal como havia cruzado a Europa. A sua Lisboa era grande e ele conhecia-a de cor e salteado.


De vez em quando, em anos passados, depois de terminar o serviço no hospital, ele gostava de me levar consigo a ver a cidade no seu carro grande e, então, falava sobre o avô, que tinha uma propriedade lá em cima, no Lumiar, e que teria sido uma espécie de bandido, um aventureiro e um mulherengo de gabarito internacional. Naquela época, o Lumiar parecia-me muito longe, um bairro na zona norte de Lisboa, para lá dos limites da cidade.

 


Marlene


Marlene era roliça e rechonchuda, bem negra, e tinha um sorriso branco rasgado. Brasileira, trouxera de São Paulo, para além da cabeça cheia de receitas, uma fé evangélica fervorosa, que a levava, à quarta-feira à noite, a assistir ao serviço religioso numa garagem transformada em templo, ainda um bom pedaço para lá do Lumiar. Foi por andar de carro com ela ao cair da noite, cada vez mais longe, até aos limites daquela cidade que se tornava infinita, por olhar as luzes que iam surgindo, fileiras de candeeiros deslizando à passagem, o néon da publicidade, a luz ténue no interior das casas em salpicos mais escuros. Dava a sensação de que dali se saía como de um prato de sopa enorme e, de lá de cima da beira do prato, via-se no fundo a cidade estendida, a genuína, a iluminada. Foi, portanto, por tudo isto que comecei a compreender o médico, a saudade que ele tinha da inocência do Lumiar – que passáramos há muito, com Marlene, a caminho dos bairros escuros, a orla insegura de Lisboa, onde a nossa gordinha, escurinha e evangélica podia ir, mas nós não. Descíamos para lá da beira da cidade. Sabia-se lá onde iríamos parar, ou talvez soubesse o diabo – o diabo em cujo poder e força Marlene acreditava piamente.


Possivelmente, o médico ainda acreditava em tudo o que aprendera na escola. Um homem afável, sempre pronto a ajudar-me a resolver os problemas mais absurdos – uma entorse, bagagem extraviada, crise renal, carro a arder… – e nunca deixava que lhe agradecessem. Era profundamente católico, tal como todos na sua juventude eram profundamente católicos, e estava disposto a ir a Fátima a pé se fosse preciso, mas para já não era preciso, graças a Deus. Todos os dias enfrentava o diabo, assim acreditava, mas toda a vida fora consistente, incluindo na doutrina. Ainda hoje. Bondoso e orgulhoso, firme nas suas ideias, fiel à família e obediente ao governo, tal como São Paulo pregava nas suas epístolas.


Mesmo agora, não estava insatisfeito com a sua mulher, ainda bonita, e com a sua filha católica nesta difícil e abençoada cidade, cujos contornos, é certo, se tornavam menos nítidos do que antes quando tentava imaginá-la, como se pairasse sobre ela um manto de neblina, idêntico ao que muitas vezes vem cobrir Lisboa, chegando em silêncio do mar.

 


A palmeira


As casas dos bairros antigos em cima e em torno das colinas de Lisboa são totalmente imprevisíveis. Raramente se consegue adivinhar pela frontaria o que por trás se encontra. Uma fachada alta pode esconder um casebre, uma fachada baixa e insignificante, com uma porta verde entre duas janelinhas, pode ocultar uma casa colossal, construída pela encosta abaixo, com um grande jardim nas traseiras e, nesse jardim, uma palmeira de cem metros que sombreia metade do bairro. É assim na Lapa. De uma janela elevada, bem escolhida lá no alto da Lapa, vê-se o Tejo e os seus navios, os carros e os comboios circulando sobre a ponte. À noite, luzinhas deslizam sobre o rio, uma fila interminável de luzinhas em movimento contínuo.


Ali erguia-se uma palmeira que um abraço, por mais que se tentasse, não conseguiria envolver. Teria facilmente cem anos, dando sombra a gerações com as suas folhas grandes, que agora pendiam grisalhas e mortas, ressequidas no verão, apodrecendo no inverno, oscilando ao vento. Uma barba cinzenta a pairar no ar. Teria o médico alguma vez visto a árvore ali? Ele conhecia muitas casas em Lisboa, visitara muitos jardins, abrigara-se debaixo de muitas árvores. Mas esta? Esta estava simplesmente ali ao alto, atrás de uma das casas em banda na Rua de Sant’Ana à Lapa, um corredor longo e escuro entre ela e a rua. É possível que já ali estivesse antes de construírem a casa. Ou então, o primeiro proprietário, ao sonhar acordado um dia com a ideia de sombra, em pleno verão, quando o sol do meio-dia raiava com toda a intensidade lá no alto, levou-a para dentro, uma estaca com duas folhas num vaso, com cuidado para não a danificar, e deixou-se ficar à espera.


Seja como for, naquela tarde de maio, quando o médico atravessou a Rua de Sant’Ana à Lapa, deparou-se do outro lado com uma camioneta aberta que lhe barrava o caminho para o passeio. Era uma camioneta pequena, cinzenta de pó, com a caixa de carga virada para a porta aberta de uma casa alta que talvez lhe fosse familiar. No passeio, entre a caixa da camioneta e a porta, uns homens traziam do corredor escuro umas rodas enormes, que vinham rolando e eram depois içadas para o veículo. O médico parou por momentos a observar: eram peças de quase um metro de diâmetro, trinta centímetros de espessura, com beiras ásperas, pareciam rodelas de um ananás gigantesco. Espreitou para dentro do contentor, onde jaziam uns verdes que, com alguma imaginação, podiam passar por enormes folhas de ananás. Lançou um olhar pensativo para o interior do corredor, mas quase se viu obrigado a dar um salto para se desviar de novas rodelas que por ali vinham a rolar, e assim interrompeu a sua observação e continuou a andar. É claro que não eram rodelas de ananás. É claro que era uma daquelas palmeiras, serrada em rodelas para poder ser transportada. Se calhar ele até a tinha conhecido. Se bem que nem mesmo ele podia conhecer todas as palmeiras de Lisboa, que infantilidade a sua! Mesmo assim, entristecia-o um pouco, como se estivessem a levar mais um camarada seu. Abanou a cabeça, não, e prosseguiu a marcha.

 


Marlene


O pequeno templo das quartas-feiras à noite de Marlene era um mamarracho recentemente modificado, estucado de branco e revestido com bandeiras dos muitos países de origem dos fiéis: Brasil e Portugal, mas também Espanha e Polónia, Ucrânia e Marrocos. Ao fundo havia um estrado com colunas de som, uma bateria, guitarras elétricas, uma tribuna com microfone e, atrás, cadeiras para os pastores. Na plateia, onde se escutava e cantava, aguardavam filas de cadeiras dobráveis. Estavam previstos três pastores, mais um de reserva, e quando iam bem lançados no seu sermão – com muitos irmãos e irmãs e o amor de Jesus, a comunidade bradando aos céus e gritando Aleluia!, o suor e as lágrimas que se seguiam, com beijos e abraços em abundância – já a igreja estava bem cheia.


Não passava de palavreado, o que aqueles três senhores para lá entoavam, e a questão era se precisavam de vir de São Paulo para aquilo, mas a música era verdadeiramente ensurdecedora e, afinal de contas, era por isso que Marlene vinha. Pela música do convívio, o calor dos crentes em rebuliço e os abraços a rematar, juntos absortos em Jesus. O que custava, talvez, não era que os três sujeitos tivessem vindo do Brasil, pois pressupunha-se que o faziam de muito bom grado, mas sim que Marlene tivesse vindo de tão longe, por ruas que ela considerava inseguras para nós, e que tivesse agora de regressar no escuro, e só para aquilo.
Que aquilo era tudo, o grande milagre, segundo diziam. Suor, ruído e mentiras. Vigarice barata. Mas enfim.


Estas ruas para os lados de Marlene pouco têm em comum com as ruas na cidade antiga – embora também aí haja uns recantos lúgubres e lugares aonde eu não gostaria de ir só. Por muito avançada que esteja, a idade das pedrinhas antigas da calçada facilmente suplanta o sentimento de que se vai parar a uma zona de catástrofes. Não se veem muitos cacos de vidro pela rua, mas cresce erva nos telhados e os transeuntes parecem, na sua maioria, contundidos. Pelo contrário, aqui onde mora Marlene, exibem-se, como em qualquer parte, modernos e feios salões de cabeleireiro, garagens e filiais de supermercado com persianas de aço, o bonito rosto da cidade envolto em largas faixas de luto, e de entre as telhas dos telhados não brotam flores, ou chamem-lhes ervas daninhas, como na Madragoa. É por aqui algures que mora Marlene, num apartamento, ou será um quarto?, por cima de uma tabacaria ou de uma florista. Na sua pequena cozinha, faz bolos e bolinhos por encomenda para uma rede de clientes que não para de crescer. Por telefone, porque não revela a sua morada. Lisboa é uma cidade mista, com bairros negros onde portugueses brancos de cunho clássico não se sentem à vontade e onde Marlene também não quer responder pela sua segurança, responsabilidades já tem ela que cheguem. «O império contra-ataca», por assim dizer, e não há de ser ela a preocupar-se com isso. Nas faixas de luto ao redor de Lisboa é cada um por si.

 


A filha


A filha, alta e esguia, preocupa-se com o pai. Não tarda será noite e, mais uma vez, ele não está em casa. Podia não ter ido hoje, já que faz anos e as suas duas mulheres organizaram uma minifesta. O céu está encoberto, parece que vai chover. E aquelas pedrinhas brancas e polidas das calçadas inclinadas da Lapa ficam escorregadias. Não irá ele escorregar, não presta atenção a nada e, assim como assim, não anda já sempre a meter os pés pelas mãos?

 

– Ele saiu – disse ela à mãe. – E vai chover.

– Ah. Levou casaco?

– Daqui a pouco vou procurá-lo. Ele vai sempre para o mesmo lado. Sempre à procura da Baixa.

– O Chiado, o seu lugar de antigamente. Continua a tentar.

– Andar assim à procura – comentou a filha – e já não encontrar o que lhe foi tão familiar. Não o deixará triste?

– Eu não sei de nada – replicou a mãe. – Há muito que não sei o que lhe vai na cabeça. Se é que vai alguma coisa.

– És muito dura. Então, vá, não chores outra vez.

 


O médico


Ainda não chovia e o médico percorrera a Rua das Trinas, que desce da Lapa quase até ao cais. Dali já conseguia sentir o cheiro da água. Antigamente vinha muitas vezes aqui. Por baixo das árvores, passando o museu, estavam invariavelmente uns velhos sentados de costas viradas para uma vista majestosa sobre o Tejo. Precisavam de toda a atenção para o jogo das cartas. Sim senhor, ele conhecia tudo isto como a palma da mão. Só que, sendo médico, não podia sentar-se com os jogadores e, quiçá, juntar-se para uma partidinha. Nem eles o quereriam. Ora! Tinham a mania, os velhos.


O que ele ia fazer era caminhar até ao Chiado e beber uma bica no antigo café. Ver se os compinchas ainda lá iam. Agora já todos velhotes também. Virou na rua à esquerda e agora era só seguir o rio. Estugou o passo. Quando era novo, fazia o caminho todo até ao Lumiar. Tudo bem, cafezinho, ele estava a chegar!

 


Marlene


Esta noite o serviço terminou cedo, os pastores trabalharam arduamente com os gritos de júbilo, cânticos e sermões, e logo se cansaram. Para Marlene vinha mesmo a calhar, porque ainda tinha um bolo de aniversário para entregar, um bolo bonito, com chocolate e maçapão e as velinhas separadas, numa caixa quadrada dentro de um saco plástico cor-de-rosa. Saiu bem-disposta. Parecia que ia chover. Aqui não caíam os aguaceiros do Brasil, seria pois uma daquelas morrinhas europeias. Foi até à paragem, com o seu embrulho e o guarda-chuva, e saltou para um autocarro em direção à Lapa.


Ora, não é que Marlene estivesse sempre ocupada com o Sangue de Cristo. Era alegre e virtuosa e não deixava de ajudar o próximo sempre que podia, mas agora andar a espalhar o Evangelho, com todos os seus mistérios e o seu peso, preferia deixar isso para os irmãos pastores. Era melhor cantar alegremente do que fazer perguntas sobre a tristeza no mundo. Não era muito, mas Deus haveria de fazer o resto. Afinal, Deus velava por eles, irmãs e irmãos juntos nos destroços.

 


Lapa


Ainda antes de começar a chover, já o contentor basculante na Rua de Sant’Ana à Lapa estava sobrecarregado, passava bem das cinco horas, e ainda sobrava todo um carregamento de palmeira. O motorista já nem sequer quis levar as últimas três rodelas que os homens tinham trazido para o exterior.

– Elas vão rolar por aí abaixo ao primeiro solavanco, até uma criança vê isso. Vocês não?

Os homens empilharam-nas a esmo no passeio, a camioneta deixou um rasto de poeira e lascas de madeira, eles fecharam a porta e desapareceram ao virar da esquina.

 

 

A filha


– Olha, já chove – disse. – Vou procurá-lo.

A mãe engomava uma camisa.

– Vai lá.

Estava às voltas com um colarinho, o colarinho dele. Cuidadosamente, cheia de impaciência, passava o ferro ao longo dos botões.

– Por que é que ele anda sempre lá fora? Por que é que não consegue parar quieto?

O que é que ele tanto procurava na rua? Se era ela que saía, ele seguia-a como um cãozinho pela trela. E então não parecia procurar nada. Se perguntava o que se passava, ele não respondia. Falar era coisa que já não fazia. Pelo menos não com ela. Um botão engatou no ferro e soltou se. Elas ouviram-no rolar pelo chão e perder-se.

– É como se andasse com um morto-vivo atrás de mim.

Pousou o ferro de engomar e assim ficou, a mirar pela janela.


– No fundo, ele já está morto – disse a filha. Vestiu uma gabardina clara e agarrou num guarda-chuva vermelho. – Bem, vou buscá-lo.

Não abriu logo o guarda-chuva quando saiu, a chuva era fresca e sabia-lhe bem no rosto. Deveria dizer à mãe para não choramingar assim? Sem começar ela própria a chorar? Antes a cara molhada da chuva. Adiante. Para a Rua das Trinas, era para aí que ele ia sempre, vá-se lá saber porquê.

 


O médico


O médico tinha deixado de falar. Há já algum tempo que nem sequer consigo próprio falava. Não lhe desagradava o silêncio interior que isso lhe proporcionava. O motivo incomodava um pouco, porventura, mas ele afastava-o para um canto. Agora não: agora sentia-se muito bem por um instante. O motivo, cogitava enquanto virava à esquerda para subir a Rua da Esperança, era que as palavras lhe escapavam. Que ele, na verdade, começara a perder as palavras. Cada vez que queria dizer alguma coisa, tinha de procurar mais tempo até as reencontrar, a elas ou a substitutas condignas. Assim era, pensava, e ele era médico suficiente para sentir que não tinha só a ver com esquecimento. Mas agora não ia entrar em pormenores. Agora era para o Chiado. Viu as primeiras gotas de chuva a desenhar manchas redondinhas no passeio.


Só que a Rua da Esperança não vai dar ao Chiado, e sim, no caso do médico, por esquinas e ruelas labirínticas, de novo à Rua das Trinas. Já tentara tantas vezes, que devia saber. Se queria ir ao Chiado, era pela Avenida… Enfim. Será que queria mesmo ir ao Chiado? E não seria, por exemplo, à herdade do avô, o bandido do Lumiar, quando era ele pequeno e Lisboa grande, antes de estar preso naquelas três ruas chuvosas onde continuava sempre a andar em círculos?


Tão grande era Lisboa nessa altura… Quando iam à cidade, parecia que o sol lá brilhava mais, a luz refletia-se nas pedrinhas brancas e polidas, tão intensamente que até ele, na força da juventude, tinha de semicerrar os olhos. Nessa época ainda queria ser paraquedista, as medicinas vieram mais tarde. Um homem da medicina, pois bem! Ele sonhava saltar de um avião, bem alto sobre a cidade, que, em tons de branco e verde e rosa, se ostentava no braço do rio azul, ainda antes de terem colocado lá em cima o Cristo implacável, qual polícia mor, e descer lentamente oscilando para a esquerda e para a direita, sob um paraquedas branco que o pousaria graciosamente na calçada do Rossio. Mas que cidade! A polícia usava luvas brancas e só no inverno é que chovia. A imagem nunca o abandonou verdadeiramente e nos últimos anos tornara-se até mais nítida, ainda que com umas falhas aqui e ali. Nessa imagem, os lisboetas ainda eram brancos, os negros moravam no Ultramar e espanhóis nem sequer havia. Conseguia abarcar tudo num só olhar. Ele, ele morava ali. Amava as cores da cidade e a luz. Verde das árvores por toda a parte, vermelho dos telhados, rosa-velho ao olhar as fachadas de relance. Era um pouco estranho que precisamente os quartéis e os edifícios militares tivessem sempre fachadas cor-de-rosa, embora o rosa não fosse, no seu entender, uma cor muito viril. Mas era assim, a cidade era mais sábia do que os seus habitantes, ele tinha de se conformar.


Pouco a pouco, pensava ele enquanto se arrastava lentamente colina acima e alguma coisa na sua mente o fez contar os frisos cinzento-escuros que cobriam as calhas de escoamento e interrompiam o branco do pavimento, impercetivelmente, insidiosamente, desaparecera tudo. Não se anunciou com um estrondo nem soaram sirenes, nada disso, foi mais como se já não lhe interessasse e, por isso, o tivesse perdido. As cores estavam desbotadas, já não ia ao Lumiar. A cidade tinha-se retirado para dentro de círculos cada vez mais pequenos, a sua luz era ténue e a imagem da juventude tornara-se cinzenta, esbatida, como uma fotografia antiga tirada em movimento, sem interesse. Quando é que isso aconteceu? Tinha contado já dezasseis frisos quando chegou à Rua das Trinas. O que tinha ele perdido ali afinal, não era ali que ficava o Chiado então?

Mas o que é que o atraía para a Rua das Trinas? Teria andado ali na escola, teria lá conhecido uma rapariga? O que lhe teria acontecido nesta rua, que nada tinha de especial? Seria aqui talvez o seu encontro com o Anjo? Esboçou um sorriso. Haveria de fazer cá uma careta, esse anjo, se visse esta sua cabeça oca. Nunca pensava muito nisso, no Anjo. Mas por que pensava então quando estava na Rua das Trinas? Quem poderia dizer?


Chegando a uma esquina, quase esbarrou contra uma pretinha, uma gorda baixinha, que surgiu de uma viela agitando um saco plástico cor-de-rosa e que, num salto, disse «Oh!».

– Peço desculpa ¬– disse ele, – a senhora é que é o Anjo?

– Acha que eu tenho cara disso? – perguntou ela. – E o senhor, não tem guarda-chuva?

– Não – retorquiu, – ainda não chovia quando saí de casa.

– Pois – disse ela, – vem sempre mais depressa do que se pensa. E se subirmos juntos um pouco debaixo do meu guarda-chuva? Cuidado, que isto aqui pode ser escorregadio. Não, não vale a pena pensar o que está a pensar, eu não sou desse ofício.

– Eu também não pensei isso – afirmou o médico. – Mas, por acaso, pensei outra coisa. Aliás, isso é extraordinário. É que eu penso cada vez menos. E falar, também já não falo.

– Nesse caso – replicou Marlene, – gostava então de o ter ouvido quando ainda falava.

– O que é que eu lhe posso contar? – continuou o médico. – Fui médico e fui de tudo, e conheci esta cidade quando ela ainda era grande.

– Grande? – perguntou Marlene. – A maior parte das pessoas diria pequena. E o senhor procura o anjo? Aqui, ou assim mais em geral?

– Isso é que eu, na verdade, não sei – informou ele. – Se calhar até é melhor assim. Afinal, aquilo que eu sei logo esqueço.

– Ah – disse Marlene, – é esse anjo.

E assim subiram os dois juntos, uma baixinha, preocupada, com o guarda-chuva erguido no alto por cima de um grandalhão, cortês, mas desajeitadamente curvado para a frente. Agora ele conseguia falar facilmente, de modo que avançavam pela encosta acima cavaqueando com intimidade.

– A questão é que – continuou ele – esta cidade é minha, mas o que me resta dela é cada vez mais pequeno. Eles tiram-ma. É como uma focagem: perde-se o que está à volta e agora, por vezes, a única coisa que encontro são estas três ruas.

– Estas? ¬– perguntou Marlene.

– Para onde quer que eu pretenda ir – explicou ele, – venho sempre dar à Rua das Trinas. Queria ir ao Chiado, beber uma bica naquele café, mas, a si eu posso contar, esqueci-me de como lá vou ter. Decerto há alguma outra coisa que eu procuro, talvez aqui, mas não me consigo lembrar o que é. E agora vou procurar a minha casa, algures aqui perto.


Ao cimo da rua, onde já viam a Rua da Lapa, passou uma mulher de gabardina clara, meio escondida por trás de um guarda-chuva vermelho.

– Faz-me lembrar alguém – disse o médico. – Podia ser a minha filha.

– A sua filha? – interrogou ela. – Também tem filhos homens?

– Não – respondeu o médico. – Só, só a minha filha.

– Como é que ela se chama? – perguntou Marlene.

– Eu já lhe digo – respondeu ele.

– Cuidado! – avisou Marlene. – Aqui está muito escorregadio.

Vinham da Rua das Trinas e, na praça junto à igreja de Sant’Ana, o vento trazia a morrinha e fustigava-lhes o rosto.

– Ui, aqui chove mesmo – disse. – Vamos virar a esquina depressa.

E assim chegaram à Rua de Sant’Ana à Lapa, onde ficavam abrigados do vento mas as gotas da chuva caíam das casas com mais força.

– Eu ainda disse à minha filha: – contou o médico. – Fico preocupado com a tua mãe, ela anda tão triste e põe-se a chorar e eu não faço ideia porquê, e quando lhe pergunto ela não responde.

– É porque não consegue – disse Marlene.

– Cuidado – advertiu ele, – está aqui um… um obstáculo!

Mas a sua advertência veio tarde, Marlene não viu a rodela da palmeira e bateu-lhe com a canela da perna.

– Au! – Marlene assustou-se, escorregou na calçada molhada e reluzente, e caiu. O médico tentou segurá-la, mas também escorregou e, felizmente, caiu em cima de um objeto macio que lhe amparou a queda, acabando Marlene por cair sobre ele. Perplexos e cheios de embaraço pela intimidade involuntária, ficaram sentados no passeio, tentando contornar o seu transtorno.

– Magoou-se? – perguntou o médico.

– Torci o tornozelo, acho – respondeu Marlene.

Com dificuldade, levantou-se sobre uma só perna e sentou-se numa rodela da palmeira.

– Deixe cá ver – disse ele ainda sentado, com um resquício de instinto médico a fervilhar. Pegou-lhe no tornozelo e apertou-o.

– Ai! – queixou-se ela.

– Amanhã tem de ir tirar uma radiografia ao tornozelo, mas o certo é que a senhora é gorda demais, esses tornozelos não aguentam consigo. Tem de perder peso urgentemente.

– Sim, sim – ripostou Marlene, – na minha profissão não é fácil.

– Em nenhuma profissão – respondeu o médico.

– Nossa senhora! – exclamou Marlene. – Onde está o meu bolo?

– Bolo? – perguntou o médico.

– O bolo de aniversário!


E, sem saber como – terá sido pela maciez que sentia nas nádegas, uma gota grossa que lhe caiu no pescoço, o espetro da sua filha que se precipitava sobre eles como um espírito encarnado vindo das alturas, ou então a voz de Marlene lamuriando baixinho que ele tinha o traseiro no bolo dela, o seu lindo bolo artístico com chocolate e maçapão, e o pedaço de plástico cor de rosa que viu a despontar por baixo de si –, de repente o médico percebeu que se esquecera do seu aniversário e que a sua mulher, tão paciente, o esperava em casa com o seu prato preferido, feito especialmente para a ocasião, enquanto ele estava com toda a certeza sentado em cima do seu próprio bolo. Como um balde de água fria, de uma assentada, foi inundado por um sentimento de culpa glacial, desolado e sem fundo. Não conseguia encarar a sua filha, que agora assomava sobre ele, pousava-lhe no ombro a mão desesperada e dizia «pai».

– Pai, estás bem? A mãe está à tua espera.

– Ah, sim, já me lembro – disse, e soltou um riso breve. – Mas eu estou em cima do meu bolo, o que é que vou dizer à mãe?

– Não digas nada, a mãe sabe.

Puxou-o pelo braço e tentou ajudá-lo a levantar-se. Mas ele olhou para Marlene, em cima da sua rodela de palmeira.

– Lamento – disse, – mas agora já não posso ajudá-la.

– Não – retorquiu Marlene, – eu é que não posso ajudá-lo a si.

E chorou então um pouco, em contemplação.

 

Sus van Elzen fecit, Antwerpen, 15 IX 2013

 

 

Traduzido do neerlandês por Joana Seixas

 

Joana Seixas (1974) estudou Estudos Ingleses e Alemães na Universidade do Porto (PT) e na Universidade de Bremen (DE) e Estudos Neerlandeses na Universidade de Coimbra (PT) e na Universidade de Groningen (NL). Começou a trabalhar como tradutora independente em 1998, tendo colaborado na elaboração de dicionários alemão-português e neerlandês-português e traduzido vários livros, que se encontram publicados. Foi professora de tradução e de português no Instituto Superior de Tradutores e Intérpretes da Universidade de Antuérpia (BE). Atualmente, trabalha como tradutora para a União Europeia em Bruxelas.

 

Download de ePub-versie Print

Une grande nostalgie


Le docteur


Le docteur avait son cabinet rua Ivens, cinquante mètres au delà de la Fnac de la rua do Carmo, Fnac qui, à l’époque, n’existait pas encore, à l’inverse de la bijouterie Eloy do Jesus, où il aimait, sur les coups de midi, s’arrêter faire un brin de causette. Et qui à présent n’existe plus. Quelques maisons plus loin se dresse le Grémio Literário, vénérable institut dont il avait toujours désiré être membre, seulement voilà, il était simple médecin et pas autre chose.


Dans son cœur, le docteur entretenait une grande nostalgie de ses ambitions d’adolescent. Il flânait sur le Chiado comme s’il avait été quelqu’un d’autre dans un autre pays, à Rio, Londres ou Lourenço Marques, élégantes cités de style portugais. Il aimait se promener dans Lisbonne, monter et descendre ses sept collines pentues ; il sillonnait la ville à bord de son automobile tout comme il avait sillonné l’Europe. Sa Lisbonne était grande, il la connaissait de fond en comble.


Au cours des années passées, il avait parfois pris plaisir, sa journée à l’hôpital terminée, à me faire visiter la capitale dans sa grosse voiture ; il me parlait alors de feu son grand-père, propriétaire d’un domaine sur les hauts de Lumiar, et qui, selon ses dires, aurait été une sorte de brigand, un aventurier et un coureur de jupons sans frontières. À l’époque, Lumiar me semblait bien loin, un quartier au nord de Lisbonne, au delà de la périphérie de la ville.

 


Marlène


Ronde et dodue, plutôt noire de peau, Marlène avait un grand sourire blanc. Elle était originaire du Brésil. De São Paulo, elle avait apporté une tête pleine de recettes ainsi qu’une foi fervente d’évangéliste. Foi qui l’entraînait le mercredi soir dans un garage transformé en temple, au delà de Lumiar. Rouler en compagnie de cette femme à la nuit tombante, en s’éloignant toujours plus du centre de la ville qui s’étirait à l’infini, regarder les lumières qui apparaissaient progressivement, voir défiler les rangées de lampadaires, les néons des réclames, la lueur de salles de séjour parmi des taches sombres, me donnait l’impression de sortir d’une énorme assiette de soupe, et de découvrir, du haut du rebord, la ville en contrebas, la ville telle qu’elle était, la ville illuminée : c’est grâce à tout cela que j’ai commencé à comprendre le docteur et sa nostalgie de l’innocence de Lumiar – Lumiar que nous avions quitté depuis longtemps déjà avec Marlène, en direction des quartiers noirs, la périphérie mal famée de Lisbonne, où notre rondouillarde évangéliste pouvait se risquer, mais pas nous. Nous nous éloignions de cette périphérie pour arriver le diable sait où – le diable à l’empire duquel Marlène croyait dur comme fer.


Sans doute le docteur croyait-il toujours, pour sa part, à ce qu’on lui avait enseigné à l’école. Un homme affable, disposé à me tirer à tout moment des difficultés les plus saugrenues – entorse, bagages égarés, crise rénale, auto en feu… – et qui ne m’offrait jamais l’occasion de le remercier. La foi catholique chevillée au corps, à l’instar de tout un chacun au temps de sa jeunesse, il se montrait prêt, au besoin, à gagner à pied Fatima, mais Dieu merci, ça n’était pas encore à l’ordre du jour. Le diable, estimait-il, il avait affaire à lui chaque jour que Dieu fait ; il n’en menait pas moins une vie bien droite, bien dans les clous. Depuis toujours. Plein de bonté et de vanité, ne déviant pas de ses convictions, fidèle à sa famille et respectueux du gouvernement, ainsi que saint Paul le prescrit dans ses épîtres.


Maintenant encore, il ne se plaignait ni de sa femme, à la beauté peu étiolée, ni de leur fille catholique, dans cette ville rude et bénie, aux contours qu’il se figurait certes de moins en moins prononcés, comme enveloppés d’un voile de brouillard, neblina, pareil à celui que le vent pousse bien des fois, imperceptiblement, de l’océan sur la cité lisboète.

 


Le palmier


À Lisbonne, les habitations des vieux quartiers en haut des collines et sur leurs flancs sont tout à fait imprévisibles. Rares sont les façades qui permettent de deviner ce qu’elles cachent. Celle-ci, imposante, peut dissimuler un taudis, celle-là, des plus quelconques, à la porte verte coincée entre deux fenêtres étroites, une immense demeure et un vaste jardin où s’élève un palmier d’une centaine de mètres de haut qui ombrage la moitié du quartier. Il en va ainsi à Lapa. De là, depuis une fenêtre bien située, on domine le Tage, les embarcations, on voit voitures et trains franchir le pont. La nuit, des lumières ondulent sur le fleuve, une suite sans fin, ininterrompue de points mobiles et lumineux.


Là se dressait un palmier si gros qu’on n’aurait pu, des deux bras, l’embrasser, à supposer que quelqu’un eût voulu relever le défi. Largement centenaire, il avait procuré de l’ombre à plusieurs générations, grâce à ses feuilles généreuses aujourd’hui sèches et d’un gris sale, racornies en été, putrescentes en hiver, bercées par le vent. Barbe grise perchée dans le ciel. Le docteur l’avait-il jamais vu ? Il connaissait beaucoup de maisons lisbonnaises, s’était rendu dans de nombreux jardins, réfugié sous bien des arbres. Mais celui-là ? Il se dressait sans façon de toute sa hauteur à l’arrière d’une des habitations de la rua de Sant’Ana a Lapa – un long couloir sombre le séparant de la rue –, vraisemblablement depuis une date antérieure à la construction de la maison. À moins que le premier propriétaire, après avoir rêvé tout éveillé d’ombre par une chaude après-midi d’été, alors que le soleil au zénith le harcelait, ne se le fût procuré, plant pas encore dépoté, frêle machin affublé de deux feuilles, en prenant soin de ne pas l’abîmer et en s’armant de patience.


Quoi qu’il en soit, quand le docteur voulut traverser par un après-midi de mai la rua de Sant’Ana a Lapa, un camion découvert lui barrait le passage. Il s’agissait d’un modeste véhicule, gris de poussière, reculé devant le porche ouvert d’une haute demeure dont il gardait, qui sait, un souvenir. Du couloir sombre, des hommes faisaient rouler, avant de les charger, de massifs cylindres aplatis sur la partie du trottoir laissée libre. Le docteur resta un moment à observer la scène ; il s’agissait de disques aux contours inégaux, de près d’un mètre de diamètre et de trente centimètres d’épaisseur ; on aurait dit des tranches d’un ananas géant. Il glissa un œil sur le plateau du camion où se trouvait de la verdure ; avec un peu d’imagination, on aurait pu y voir des feuilles d’ananas. Alors qu’il jetait un regard pensif dans le couloir, il lui fallut, pour ainsi dire, faire un bond en arrière afin d’éviter les disques ; aussi il renonça à regarder ces hommes et reprit sa marche. Bien entendu, il ne s’agissait pas de tranches d’ananas. Bien entendu, il s’agissait d’un de ces palmiers qu’on venait de débiter en grosses rondelles afin de le sortir du jardin. Peut-être l’avait-il connu ? Quoique personne, pas même lui, ne pût tous les connaître… il devait arrêter de faire l’enfant. Il n’empêche, ça le rendait un peu triste comme si on venait de lui enlever un énième camarade. Il secoua la tête, négativement, et poursuivit son chemin.

 


Marlène


Le temple de Marlène des mercredis soirs était une ineptie de date récente, un bâtiment blanchi à la chaux et tapissé de drapeaux des nombreux pays d’où les fidèles étaient originaires : le Brésil et le Portugal en plus de l’Espagne et de la Pologne, sans compter l’Ukraine et le Maroc. Sur une estrade, des haut-parleurs, une batterie, des guitares électriques, un pupitre surmonté d’un micro, et, derrière, des chaises pour les pasteurs. Dans la partie de la salle destinée à celles et ceux qui venaient écouter les chants, reprendre les refrains, des rangées de chaises pliantes patientaient. Trois pasteurs au programme, plus un en réserve. Une fois qu’ils furent bien lancés – à grand renfort de chers frères, de chères sœurs, d’amour de Jésus et d’effets de manche, et d’Alléluias ! poussés par l’assemblée, auxquels devaient succéder sueur et larmes au moment des amples embrassades et accolades –, le temple était déjà bien rempli.

Comme ce que ces trois messieurs donnaient à entendre se confondait avec du verbiage, on était en droit de se demander si leur présence faisait sens. La musique, particulièrement assourdissante, c’est au fond cela qui attirait Marlène. La musique, être avec d’autres personnes, partager la chaleur des croyants et les accolades à la fin, s’élever et se perdre ensemble en Jésus. Le plus pénible n’était peut-être pas tant de savoir que ces trois hurluberlus avaient fait le voyage depuis São Paulo – on pouvait supposer qu’ils tiraient un réel plaisir de leur séjour –, que de constater que Marlène était venue pour sa part de bien loin en empruntant des rues qu’elle estimait trop peu sûres pour nous et qu’il lui faudrait revenir sur ses pas dans l’obscurité, qu’elle était venue pour si peu.

Que c’était là tout, le soi-disant grand miracle : de la sueur, du boucan et des mensonges. Arnaque et carambouille. Soit.


Ces rues du côté de chez Marlène n’ont guère en commun avec celles de la vieille ville même si, là aussi, on trouve des recoins assez lugubres et des endroits où je n’aimerais pas m’aventurer seul – à ceci près que malgré cet état de délabrement avancé, l’âge vénérable des pavés supplante aisément l’impression que l’on ressent de s’être égaré dans une zone sinistrée ; et quand bien même de l’herbe pousse sur les toits, quand bien même la plupart des passants ont des visages comme en conserve, on ne pose pas le pied, à chaque enjambée, sur des débris de verre. Chez Marlène comme dans le reste de la périphérie, salons de coiffure, garages et succursales de supermarchés d’une laideur toute contemporaine aux rideaux de fer baissés, rutilent en de grands anneaux de deuil autour du beau visage de la ville ; et à la différence de Madragoa, point de fleurs, appelez-les mauvaises herbes si vous voulez, pour pousser entre les tuiles. Quelque part dans son quartier, Marlène occupe un petit appartement, à moins que ce ne soient des chambres, au-dessus d’un point de vente de billets de loterie ou d’un fleuriste. Dans sa kitchenette, elle confectionne tartes et gâteaux pour un réseau toujours plus étoffé de clients. Ils lui passent commande par téléphone, car elle refuse de révéler son adresse. Lisbonne est une ville composite avec des quartiers noirs où des Portugais blancs, plutôt vieux jeu, ne se sentent pas à l’aise, et où Marlène n’entend pas être garante de leur sécurité, elle a bien assez de responsabilités comme ça. L'Empire contre-attaque, si on veut, mais elle s’en balance. Sur les bords noirs de Lisbonne, c’est chacun pour soi.

 


Fille


La fille, grande et mince, se fait du souci au sujet de son papa. Bientôt, le soir va tomber. Or, une fois de plus, il est en vadrouille. Il aurait pu y renoncer aujourd’hui : c’est son anniversaire, ses deux femmes ont organisé une mini-fête. Le ciel est couvert, il y a fort à parier qu’il va pleuvoir. Les petits pavés blancs et polis des trottoirs pentus de Lapa risquent d’être glissants. Ne va-t-il pas se casser la figure, lui qui ne fait jamais attention à rien, qui a le don, dans les rues les plus paisibles, de marcher entre des précipices ?

« Il est sorti, dit-elle à sa mère. Alors qu’il va pleuvoir.

- Ah… il a pris un manteau ?

- Je vais aller le chercher. Il va toujours du même côté. Il est attiré par la ville basse.

- Le Chiado, son ancienne place de prédilection. Il ne renonce pas.

- À chercher, dit la fille, sans plus trouver ce qui lui était si familier… Ça le rendrait pas triste ?

- J’en sais rien, répond sa mère. Ce qui se passe dans sa tête, y a belle lurette que ça m’échappe. À supposer que quelque chose lui passe par la tête.

- T’es trop dure. Non, te remets pas à pleurer. »

 


Le docteur


Il ne pleuvait pas encore. Le docteur avait emprunté la rua das Trinas qui descend de Lapa jusqu’au quai pour ainsi dire. De là, il percevait déjà l’odeur de l’eau. Par le passé, il s’était souvent rendu dans ce coin. Sous les arbres, au delà du musée, on trouvait d’inamovibles vieux qui tournaient le dos à la vue magnifique qu’offre le Tage : leur partie de cartes réclamait toute leur attention. Oui, il connaissait tout ça comme ses fonds de culotte. Seulement, le médecin qu’il était n’aurait pu décemment s’asseoir à leurs côtés, encore moins manier le carton avec eux. Eux s’y seraient de toute façon refusés. Ah ! ils tenaient à leur rang, les farfelus.

Il se proposait de traverser en direction du Chiado, boire un expresso au vieux café. Voir si ses copains le fréquentaient toujours. Des croulants eux aussi. Il choisit de prendre la rue sur sa gauche, il n’aurait qu’à suivre le fleuve. Il accéléra le pas. Quand il était jeune, il couvrait à pied toute la distance le séparant de Lumiar. Aucun problème, expresso, tiens-toi prêt !

 


Marlène


Ce soir, le service religieux ne s’était pas éternisé. Bientôt en nage à force de cris d’allégresse, de chants et de prédication, les pasteurs n’avaient pas tardé à montrer des signes de fatigue. Ça arrangeait Marlène qui devait faire une dernière livraison, un beau gâteau d’anniversaire au chocolat et à la pâte d’amande, sans oublier les bougies, le tout dans une boîte carrée glissée dans un sac en plastique rose. Enjouée, elle quitta le temple ; la pluie menaçait. Point de déluges à la brésilienne ici, elle s’attendait à un crachin typique de l’Europe. Le paquet dans une main, le parapluie dans l’autre, elle gagna l’arrêt et sauta dans un bus à destination de Lapa.

Il ne faudrait pas croire que Marlène n’avait à l’esprit, toute la sainte journée, que le Sang du Christ. Gaie et honnête, elle ne se privait pas d’aider son prochain quand l’occasion se présentait ; toutefois, elle préférait laisser à ses frères les pasteurs le soin de propager l’Évangile, ses nombreux mystères et sa dimension austère. Mieux valait chanter avec joie que se poser des questions sur les peines qui affligent le monde. Certes, ce n’était pas grand-chose, mais Dieu ne se chargeait-il pas du reste ? Dieu ne veillait-il pas sur eux, les frères et les sœurs réunis dans le même foutoir ?

 


Lapa


Rua de Sant’Ana a Lapa, avant même qu’il ne se mît à pleuvoir, le plateau du camion était chargé à bloc ; cinq heures avaient sonné depuis longtemps qu’il restait encore un chargement. Même les trois grosses rondelles de palmier déjà amenées sur le trottoir, le chauffeur refusait de les transporter tout de suite.

« À la première secousse, elles vont tomber sur la chaussée. Un gosse s’en rendrait compte, pourquoi pas vous ? »

Les ouvriers les empilèrent à la va-vite sur place, le camion démarra en laissant derrière lui un grand rectangle de poussière et d’éclats de bois. Les hommes fermèrent la porte et disparurent au coin de la rue.

 


Fille


« Ça y est, il pleut, dit-elle. Je vais le chercher. »

Sa mère était en train de repasser une chemise.

« Comme tu veux. »

Elle s’affairait sur le col, le col de son mari.

Avec précaution, pleine d’impatience, elle passa le fer autour des boutons.

« Pourquoi sort-il tout le temps ? Pourquoi ne tient-il pas en place ? »

Que cherchait-il dehors, dans les rues ? Quand elle-même sortait, il la suivait comme un toutou en laisse. Sans apparemment rien chercher. Lui demandait-elle ce qui n’allait pas, il s’abstenait de répondre. Il ne parlait plus. Plus à elle. Le fer accrocha un des petits boutons qui vola en l’air. Elles l’entendirent rouler par terre et se perdre.

« À croire qu’un zombie me court après. »

Elle posa le fer et fixa la fenêtre.


« Au fond, il est déjà mort », dit la fille.

Elle enfila un imperméable clair et s’empara d’un petit parapluie rouge.

« Allez, je vais le chercher. »

Une fois dehors, elle attendit avant d’ouvrir le parapluie. La pluie fraîche sur son visage lui faisait du bien. Devait-elle dire à sa mère d’arrêter de pleurnicher ? Sans se mettre elle-même à pleurer ? Mieux valait avoir le museau mouillé de pluie. En avant. Direction rua das Trinas : il prenait toujours cette direction, Dieu seul savait pourquoi.

 


Le docteur


Parler, le docteur y avait renoncé. Depuis quelque temps, il ne se parlait même plus à lui-même. Le silence intérieur qui en résultait ne lui était pas désagréable. Le pourquoi de la chose l’incommodait peut-être un peu, mais il refoulait cela dans un coin. Pas maintenant : maintenant, il se sentait bien. Le pourquoi, songea-t-il tout en prenant à gauche la rua da Esperança pentue, c’était que les mots lui échappaient. Qu’il avait au fond commencé à perdre ses propres mots. À chaque fois qu’il s’exprimait, il lui fallait les chercher toujours plus longtemps avant de les retrouver où d’en trouver d’autres tout aussi appropriés. Telle était la réalité, pensa-t-il, et le médecin en lui en savait assez pour sentir que cela dépassait un simple cas de trouble de la mémoire. Mais pour l’instant, il ne creusa pas la question. Pour l’instant, il s’agissait de gagner le Chiado. Il repéra les premières gouttes de pluie qui faisaient des mouchetures rondes sur le trottoir.


Mais voilà, la rua da Esperança ne conduit pas au Chiado. Elle le ramena, par maints coins de rues et un trajet labyrinthique, à la rua das Trinas. Il aurait pu s’en douter, cela lui était déjà arrivé tant de fois. S’il tenait à déboucher sur le Chiado, il lui fallait, à partir de l’Avenida… Oui, d’accord. Mais tenait-il vraiment à gagner le Chiado ? Et non pas, par exemple, la ferme de son grand-père, le brigand de Lumiar, à l’époque où il était petit et Lisbonne tellement grande, pas encore captive de ces trois rues arrosées de pluie où il tournait en rond ?

Tellement grande, Lisbonne, à l’époque… Quand ils se rendaient en ville, il lui semblait que le soleil y brillait d’un éclat plus vif ; la lumière se reflétait sur les pavés blancs et polis au point que lui aussi, petite brute, était forcé de plisser les yeux. En ces années-là, il rêvait encore de devenir parachutiste, la médecine, c’était venu plus tard, le médecin malgré lui, ah ah ! Il se voyait en train de sauter d’un avion, des milliers de mètres au-dessus de la ville qui s’étalait, blanche, verte et rose, dans le bras du fleuve bleu, c’était avant qu’on n’ait placé là-haut, en guise de policier en chef, le Christ impitoyable, et de se balancer au ralenti de gauche à droite sous un parachute blanc qui allait le déposer avec grâce sur les pavés du Rossio. Quelle ville c’était ! Les policiers portaient des gants blancs ; la pluie, il n’en tombait qu’en hiver. L’image ne l’avait jamais vraiment abandonné, les dernières années elle se faisait même plus prégnante, certes gommée par endroits. Sur cette image, les Lisboètes étaient encore blancs, les Noirs vivaient au delà des mers ; quant aux Espagnols, il n’y en avait pas encore un seul. D’un simple coup d’œil, cette vue d’ensemble lui revenait. Il vivait . Les couleurs de la ville, de même que la lumière, il les avait aimées. Le vert des arbres omniprésents, le rouge des tuiles, le vieux rose des façades quand on laissait glisser le regard obliquement. Il y avait certes quelque chose d’un peu irrationnel là-dedans : casernes et bâtiments militaires présentaient tous une façade rose alors que le rose, selon lui, n’était pas à proprement parler une couleur virile. Mais c’était ainsi et pas autrement, la ville était plus sensée que ses habitants, il lui fallait s’en arranger.

Peu à peu, songeait-il en gravissant d’un pas lent la colline et alors qu’un ressort dans sa tête l’amenait à compter les bandes gris noir des canalisations qui interrompaient la blancheur du trottoir, de façon imperceptible, sournoise, tout cela avait disparu. Non pas dans un boum ! ni à grand renfort de sirènes, non, plutôt comme si cela ne l’intéressait plus, et, qu’en conséquence, ça lui échappait. Les couleurs étaient passées ; il ne se rendait plus à Lumiar. La ville s’était retirée à l’intérieur de cercles de plus en plus petits, la lumière avait pâli et l’image issue de ses jeunes années était devenue grisâtre, floue, pareille à un vieux cliché sans intérêt pris par une main tremblante. Quand cela s’était-il produit ? Il avait déjà compté seize plaques quand il arriva rua das Trinas. Que faisait-il là ? le Chiado n’était donc pas là où il l’attendait ?

Qu’est-ce qui l’attirait vers la rua das Trinas ? Y avait-il fréquenté l’école, une fille ? Que lui était-il arrivé dans cette rue de la plus haute insignifiance ? Était-ce là qu’il avait rendez-vous avec l’Ange ? À cette idée, il sourit. Il en ferait une de ces têtes, l’ange en question, devant sa tête à lui, vide. Il n’y pensait que très rarement, à l’Ange. Pourquoi donc quand il se trouvait rua das Trinas ? Qui le savait ?


À un coin de rue, il faillit entrer dans une négresse, une petite rondouillarde qui, avec des gambades, débouchait d’une venelle en agitant un sac en plastique rose dans la main.

« Oh ! fit-elle

- Pardon. C’est vous, l’ange ?

- J’ai l’air d’un ange ? Vous n’avez pas de parapluie ?

- Non, expliqua le docteur. Quand je suis sorti, il ne pleuvait pas encore.

- Oui, ça arrive toujours plus vite qu’on ne croit. Vous voulez profiter un peu du mien ? Attention, c’est de plus en plus glissant ici. Non, n’allez pas penser ce que vous pensez, je ne travaille pas dans cette branche.

- C’est pas ce que je pensais, assura le docteur. En fait, je pensais à tout autre chose. Vous pouvez dire que c’est plutôt exceptionnel parce que je pense de moins en moins. Et parler, je ne le fais plus du tout.

- Si c’est le cas, dit Marlène, j’aurais bien aimé vous entendre à l’époque où vous parliez encore.

- Qu’est-ce que je pourrais bien vous raconter ? J’ai été médecin, j’ai été un peu tout, et j’ai connu cette ville quand elle était encore grande.

- Grande ? demanda Marlène. La plupart des gens diraient : petite. Et vous cherchez l’ange ? Ici, ou en général ?

- Au fond, j’en sais rien, répondit le docteur. C’est peut-être mieux ainsi, puisque ce que je sais, je l’oublie sur-le-champ.

- Ah ! fit Marlène. Cet ange-là ! »

Ainsi, ils progressaient dans la rue pentue, une petite femme soucieuse au parapluie dressé le plus haut possible au-dessus d’un grand bonhomme poli, gauchement courbé en avant. Parler lui venait à présent tout seul si bien qu’ils bavardaient en confiance tout en marchant.

« La question, dit-il, c’est que cette ville est à moi, mais ce que j’en garde se fait toujours plus petit. Ils la confisquent. C’est comme quand on zoome : ce qui est autour se perd et tout ce que je parviens encore à en trouver, ce sont ces trois rues.

- Ces trois rues ?

- Quel que soit l’endroit où je me propose d’aller, je finis toujours rua das Trinas. Je voulais aller au Chiado, boire un expresso, mais, à vous, je peux le dire, j’ai oublié comment m’y rendre. À coup sûr, je cherche autre chose, peut-être ici même, mais sans parvenir à me rappeler ce que c’est. Il me reste à essayer de retrouver ma maison, quelque part dans le quartier. »

En haut de la rue où ils devinaient la rua da Lapa, une femme passa, vêtue d’un imperméable clair, à moitié cachée sous un parapluie rouge.

« Elle me fait penser à quelqu’un, dit le docteur. Ça pourrait très bien être ma fille.

- Votre fille ? demanda Marlène. Vous avez aussi des fils ?

- Non, juste… euh… juste une fille.

- Comment s’appelle-t-elle ?

- Je vais vous le dire, fit le docteur.

- Attention, dit Marlène, c’est une vraie patinoire ici. »

Ils débouchèrent de la rua das Trinas. Sur la petite place où se dresse l’église Sant’Ana, le vent leur projeta du crachin à la figure.

« Bouh, ça mouille trop ici, commenta Marlène, dépêchons-nous de quitter la place. »

Il s’engagèrent dans la rua de Sant’Ana a Lapa, à l’abri du vent, mais où les gouttes de pluie, qui tombaient des maisons, se faisaient plus drues.

« J’ai dit à ma fille : je me fais du souci au sujet de ta mère, elle est tellement triste, elle pleure à tout bout de champ, je ne sais vraiment pas pourquoi, et quand je le lui demande, elle ne me répond pas.

- Elle n’en est sans doute pas capable, fit Marlène.

- Attention, dit le docteur, y a un… un obstacle ! »

Mais sa mise en garde arriva trop tard, Marlène n’avait pas vu la rondelle de palmier qu’elle heurta du tibia.

« Aïe ! » s’écria-t-elle.

Elle glissa sur les pavés luisant de pluie et tomba. Le docteur, qui avait essayé de la retenir, glissa à son tour, mais tomba heureusement sur quelque chose de mou qui arrêta sa chute avant que Marlène n’atterrisse sur lui. Confus et embarrassés à cause de cette intimité fortuite, ils restèrent assis sur le trottoir le temps de se remettre de leur émoi.

« Vous vous êtes blessée ? demanda le docteur.

- Je me suis tordu la cheville, je pense. »

Avec difficulté, elle se releva sur une jambe et s’assit sur une rondelle de palmier.

« Montrez-moi ça, fit, à ses pieds, le docteur avec un reste d’esprit thérapeutique, saisissant la cheville et la pinçant.

- Aïe !

- Allez passer une radio demain. De toute façon, vous êtes bien trop grosse, vos chevilles ne peuvent pas vous porter. Songez à perdre du poids au plus vite.

- Ouais, fit Marlène, mais dans ma branche, ça va pas de soi.

- Dans aucune branche, dit le docteur.

- Santa Maria ! où est passé le gâteau ?

- Le gâteau ?

- Le gâteau d’anniversaire ! »


Était-ce le moelleux dont avait été gratifié son postérieur, une grosse goutte échouée dans son cou, l’ombre de sa fille qui se précipitait vers eux tel un esprit rouge venu des airs, ou, malgré tout, les gémissements feutrés de Marlène parce qu’il avait le cul sur son gâteau, le beau gâteau au chocolat et à la pâte d’amande confectionné avec art, et le morceau de plastique rose qu’il vit alors, dépassant de sous ses fesses, le fait est que le docteur prit soudain conscience – non sans être quasiment certain de se trouver assis sur son propre gâteau – qu’il avait oublié son anniversaire et que sa si patiente épouse l’attendait à la maison en ayant préparé, pour l’occasion, le plat qu’il préférait par-dessus tout. Pareil à un homme qui vient de se prendre un seau d’eau froide sur la tête, il fut aussitôt submergé par un profond sentiment de culpabilité et de tristesse qui le glaça. Sa fille, qui le dominait à présent de toute sa hauteur, posa une main désespérée sur son épaule. Elle lui dit « papa », mais il fut dans l’incapacité de la regarder dans les yeux.

« Papa, tout va bien ? Maman t’attend.

- Oui, oui, ça me revient, dit-il et il eut un rire bref.

- Mais je suis assis sur mon gâteau d’anniversaire, qu’est-ce que je vais bien pouvoir dire à maman ?

- Rien… elle sait. »

Elle tira sur son bras et tenta de l’aider à se relever. Mais il regardait Marlène, assise sur la rondelle de palmier.

« Je suis désolé, dit-il, mais je ne peux pas vous aider plus.

- Non, répliqua Marlène, c’est moi qui ne peux plus vous aider. »

Et elle poussa quelques larmes devant elle.

 

 

Sus van Elzen fecit, Anvers, 15 IX 2013

 

Traduit du néerlandais par Daniel Cunin


Daniel Cunin (1963) est traducteur littéraire néerlandais-français (W.F. Hermans, J. Slauerhoff, Louis Couperus, W.J. Otten, Vonne van der Meer, Stefan Brijs, Bart Moeyaert, Adriaan van Dis, Hafid Bouazza, Abdelkader Benali, Dirk van Bastelaere…). De 1995 à 2006, il a enseigné la traduction littéraire au sein du Département de Néerlandais de la Sorbonne-Paris IV. Depuis 2007, il collabore à Deshima (Revue d’Histoire Globale des Pays du Nord). Il partage sa passion des lettres néerlandaises avec les lecteurs de son blog.

 

Download de ePub-versie Print

A Great Sense of Nostalgia


The Doctor


The doctor’s practice was in the Rua Ivens, fifty metres up from the Fnac in Rua do Carmo; the Fnac that wasn’t even there at the time. There was a jeweller’s though – Eloy do Jesus – and he liked to go for a chat there just before noon. That is no longer there. A few houses down was the Gremio Literario, a venerated institute of which he had always wanted to be a member, but he was a doctor, so what could he do.


The doctor preserved a great sense of nostalgia for the ambitions he had held in his youth. He would stroll down the Chiado like a different man in a different country, in Rio, London or Lourenço Marques, centres of Portuguese style and chic. He loved to walk through Lisbon, up and down its seven steep hills, travelling through it in his automobile, just as he had crossed Europe. His Lisbon was big and he knew it inside and out.


From time to time in years past, he would enjoy taking me to see the city in his big car, and he would tell me of his grandfather who owned an estate up in Lumiar, and was said to have been some sort of crook, an adventurer and an international womanizer. At the time, Lumiar appeared a long way away to me, a district to the north of Lisbon, beyond the edge of the city.

 


Marleen


Marleen was round and chubby and quite black, with a broad, white smile. She came from Brazil and had brought a head full of recipes and a fervent evangelical faith with her from São Paulo. On Wednesday nights that fervour took her to the service at a garage converted into a temple, even further beyond Lumiar. It was because I drove with her at nightfall, ever further towards the edge of that city that became endless, by looking at the gradually appearing city lights, rows of streetlamps gliding past, advertising neon, faint living room lights in darker blotches. It felt like driving out of an enormous soup plate, and – from high up on the plate’s rim – seeing the city in the depths below: the real one, the illuminated one. Because of all this I began to understand the doctor and his nostalgia for the innocence of Lumiar – which we, together with Marleen, had driven past a while ago, on the road to the darker quarters, the unsafe edge of Lisbon, where our evangelical dark little fatty could go, but not us. We had driven off the city’s edge. Only the devil knew where we would land – the devil, in whose grip and power Marleen had great faith.


Perhaps the doctor still believed everything he had learned in school. A lovable man who was always ready to help me out with the weirdest problems – sprained foot, lost luggage, kidney crisis, burning car… – and never gave you the opportunity to thank him. He was a devout catholic, in the way that everyone in their youth was a devout catholic, and was prepared, should it be necessary, to go to Fatima on foot, even though that wasn’t necessary for the time being, thank God. The devil appeared on his path every day, he thought, but he had led a strict life, also in doctrine. And still did. Both benign and vain, severe in his opinions, loyal to his family and compliant with the government, as the Apostle Paul prescribed it in his Letters.


Even now, he wasn’t unhappy with his still pretty wife and his catholic daughter in this complex yet blessed city whose outlines were becoming blurrier than before when he tried to imagine it, as if a haze of fog were drawn across her, neblina, as in Lisbon it often quietly blows in from the sea.

 


The Palm Tree


Houses in the older quarters on and around the Lisbon hills are completely unpredictable. You can seldom see from their façades what lies behind them. A tall façade could well front a hovel, a low, nondescript façade with a green door between two little windows might conceal a gigantic house built downhill, with a large garden behind it and in that garden a palm tree a hundred metres tall that shadows half the neighbourhood. That’s how it is in Lapa. From a well-chosen upper window on top of Lapa you can look out over the Tagus and its ships, and you can see the cars and trains drive across the bridge. At night the lights roll out over the stream, an endless, uninterrupted line of moving lights.


There was a palm tree you couldn’t put your arms round even if you tried. Easily a hundred years old, it had given shade to generations with its large leaves, which now drooped down filthy grey and dead, dead-palm-dry in summer, rotting in winter, swaying in the breeze. A grey beard up in the sky. Had the doctor ever seen the tree standing there? He knew many Lisbon houses, had visited many gardens, had taken shelter below many a tree. But this one? It just stood there being tall behind a terraced house in the Rua de Sant’Ana a Lapa, a long, dark corridor between him and the street. It had perhaps been there long before the house was built. Or otherwise the first owner had, after one of those daydreams of shade on summer afternoons when the sun is giving it what for up there, carried it inside in a pot as a cutting with two leaves, carefully, so as not to bruise the little thing and had then sat down to wait.


Whatever the case may be, when the doctor crossed the Rua de Sant’Ana a Lapa that May afternoon, he found an open lorry to be blocking his way to the other side of the pavement. It was a small lorry grey with dust that stood with its platform facing the open door of a tall house that might just look familiar to him. On the footpath between the platform and door, men were rolling massive slices from the dark corridor, which were then lifted onto the lorry. The doctor looked at this for a bit, they were pieces almost a metre in diameter, thirty centimetres thick with rough edges, like slices of a giant pineapple. He took a peek at the platform and saw green stuff that with a little stretch of the imagination could pass for enormous pineapple leaves. He took a pensive look down the corridor, but almost had to jump out of the way for new slices rolling out, so that he was forced to put his observations on hold and walk on. Of course they weren’t slices of pineapple. Of course it was one of those palm trees they had cut into rondelles in order to get it outside. Perhaps he had known it? Although even he couldn’t know every palm tree in Lisbon, he must not be so childish. But it also made him a little sad, as if another of his comrades was being dragged off. He shook his head, no, and walked on.

 


Marleen


Marleen’s Wednesday night temple was a recently converted oddity, white-washed and papered with flags from the churchgoers’ many countries of origin: Brazil and Portugal beside Spain and Poland, Ukraine, Morocco. At the front there was a stage with loudspeakers, a drum kit, electric guitars, a lectern with a microphone, and behind that chairs for the preachers. Rows of folding chairs stood waiting on the listening and sing-along side. Three preachers had been supplied plus one in reserve and now they had just started preaching – with lots of “Brothers and Sisters” and “Praise Jesus”, high notes and loudly sung “Hallelujahs!” from the congregation, the sweat and tears that followed, together with kisses and embraces all around – the church was already nicely full.

Those three men were just jabbering, and it was debatable whether they should have come all the way from São Paulo for that, but the music was truly deafening and that was actually the reason Marleen was here. For the music and the community, the warmth of the believers amongst themselves and the embrace at the end, together revelling in the Lord Jesus. Perhaps it was embarrassing – not that those three oddballs had come from Brazil, as by the looks of it they were rather enjoying themselves – that Marleen had come so far through streets she thought unsafe for us and would now have to go back in the dark and that it had only been for this.

That this was all it was, the great so-called wonder. Sweat, noise and lies. A cheap con. Anyway.


These street on Marleen’s side do not have much in common with the streets of the old city, although that has some pretty lugubrious corners as well and places I wouldn’t want to go on my own – but however run-down it might be, the great age of the ancient cobblestones can easily suppress the feeling you have wound up in a disaster zone. There isn’t much broken glass on the street even though there is grass growing on the roofs and most passers-by look bruised. No, in Marleen’s area hair salons, garages and supermarket stores display their contemporary ugliness with steel roll-down shutters in broad mourning circles round the city’s cleanly face, and there are no flowers – alright, weeds – growing between the roof tiles as in Madragoa. Somewhere around here, Marleen is living in a tiny apartment, or in rooms above a betting shop or a florist. In her little kitchen, she bakes cakes and pastry for a gradually expanding network of clients who place orders. Over the phone, because she won’t reveal her address. Lisbon is a mixed city with black neighbourhoods where conservatively minded white Portuguese people do not feel at ease and where Marleen doesn’t want to guarantee their safety, as she has enough responsibilities already. The Empire Strikes Back, if you like, and this just happens not to be one of her concerns. In the mourning circles around Lisbon it is each to his own.

 


Daughter


The daughter, tall and slim, is concerned for her dad. The evening is drawing near and he is out again. He could gone without that today, as it’s his birthday and his two women have put up a mini-party. The sky has clouded over, it looks like rain. Then the polished white stones on Lapa’s sloping footpaths will become slippery. Won’t he slip, he doesn’t take notice of anything and he’s a total klutz, right?

‘He went out,’ she says to her mother. ‘And it’s about to rain.’

‘Oh. Is he wearing a coat?’

‘I’ll go looking for him in a bit. He always goes off in the same direction. He’s looking for the lower city.’

‘The Chiado, his old haunting place. He keeps trying.’

‘To go out looking,’ the daughter says, ‘and no longer find what was once so familiar. Doesn’t that make him sad?’

‘I have no idea,’ her mother says. ‘It’s been a long time since I had an idea of what goes on in his mind. If there’s anything going on in there, anyway.’

‘You’re being too harsh. Come now, don’t start crying again.’

 


The Doctor


It wasn’t raining yet and the doctor had walked down the Rua das Trinas that descends from Lapa nearly all the way to the quayside. From there, he could already smell the water. In the old days, he came here a lot. Below the trees, past the museum there were always old codgers with their backs turned to a magnificent view of the Tagus. They needed all their concentration for their card game. Yes, he knew all this as well as the back of his hand. Only, being a doctor he couldn’t sit with the card players to perhaps play a game or two. They wouldn’t want to either. Hah! Terribly stubborn, those oldies.

What he would do was cut across to the Chiado, drink a coffee at the old bar. To see if his mates still went there. Also old fogies by now. He took the street going left; all he had to do was follow the flow. He set out at a brisk pace. When he was young, he would walk all the way to Lumiar. No problem, bica, he was on his way!

 


Marleen


The service finished early tonight, the preachers had worked up a quick sweat rejoicing, singing and predicating and were soon tired. Which came in handy for Marleen, as she still had a birthday cake to deliver, a nice one, with chocolate and marzipan and with candles to one side, the square cake box in a pink plastic bag. In a good mood she set out, it looked like rain. No Brazilian downpour in these parts, it would probably be one of those European drizzles. She walked to the stop with her parcel and umbrella and hopped onto a bus to Lapa.

Now, it wasn’t that Marleen busied herself with the Blood of Christ all the time. She was both cheerful and dutiful and if she could help out her fellow man in some way she wouldn’t hesitate, but preaching the Gospel with all its mysteries and gravity, was something she rather left to the preacher brothers. Happy singing was better than asking questions on the sorrows of the world. It wasn’t much, but God would do the rest. God watched over them, sisters and brothers gathered in the mess, right?

 


Lapa


Even before it began to rain, the little tipping body in the Rua de Sant’Ana a Lapa was more than fully laden, it was long past five o’clock, while quite a load of palm tree stayed behind. The driver didn’t even want to take the last three rondelles with him that the workers had pushed outside.

‘Those rolls will fall off at the first jolt, a child could see that, why can’t you?’

They stacked them this way and that on the footpath, the lorry left a clearing of dust and splinters, the men closed the door behind them and disappeared round the corner.

 


Daughter


‘Look, it’s already raining,’ she said. ‘I’m going to look for him.’

Her mother was ironing a shirt.

‘Go ahead.’ She was doing a collar, his collar. Carefully, impatiently she glided the iron round the buttons.

‘Why is he always outside? Why is he so restless?’

What was he looking for in the street? When she herself was out of doors he followed her like a dog on a leash. He wasn’t looking for anything then. When she asked what was wrong he wouldn’t answer. Talking was something he no longer did. Not to her. A button snagged on the iron and sprang loose. She heard it roll onto the floor out of sight.

‘As if I’m walking along with a zombie behind me.’

She put down her iron and stopped, staring out of the window.


‘Actually, he’s already dead,’ the daughter said. She put on a light raincoat and got a red umbrella.

‘Right, I’m off to get him.’

She didn’t open the umbrella the moment she stepped outside, the rain was fresh and felt nice on her face. Should she tell her mother not to sob like that? Without beginning to cry herself? Rather have a wet snout in the rain. Go on. Off to the Rua das Trinas, that’s where he always walked to, lord knows why.

 


The Doctor


He had quit talking, the doctor had. For a while now he hadn’t even talked to himself. The inner calm that brought wasn’t unpleasant to him. The cause was perhaps something of a nuisance, but he pushed that away into a corner. Not now: he felt good for now. The cause, he thought while he took a left into the Rua da Esperança, going up, was that the words escaped him. That he was, finally, beginning to lose his words. Every time he wanted to say something it took him longer to find them or to replace them with something suitable. That was it, he thought, and he was enough of a doctor to feel that this wasn’t just down to forgetfulness. He wouldn’t delve into that for now. He was now on his way to Chiado. He saw the first drops of rain make round flecks on the footpath.


But the Rua da Esperança does not lead to the Chiado, but – in the doctor’s case – past corners and labyrinthine ways, to the Rua das Trinas again. He had tried it so often that he should have known better. If he wanted to go to the Chiado then he needed the Avenida... Oh well. Did he actually want to go to the Chiado? And not, for example, to his grandfather’s farm, the crook in Lumiar when he was little and Lisbon huge, not caught yet in those three streets sprinkled wet where he kept turning in circles?

So huge, Lisbon, then... When they went into town it seemed as if the sun shone brighter there, the light reflecting on the white polished stones, so sharply in fact that he, the young rascal, had to keep his eyes half-closed. In those days he still wanted to be a parachutist, the medicine came later, medicine man, hah! He dreamed of jumping from an airplane, so high above the city that lay there gleaming white and green and pink in the arm of the blue river, it was before they had put the ruthless Christ on top like a senior policeman, and, swaying slowly from left to right, descend underneath a white parachute that would set him down elegantly on the stones of the Rossio. A sight to behold, that city! The police wore white gloves and it only rained in winter. The image had never really left his mind; in fact it had become more acute in recent years, even though there were holes here and there. In that image the Lisboetas were still white, negroes lived overseas and there were no Spaniards whatsoever. He could take it all in with a single glance. He, he lived there. He had loved the city’s colours and the light. Green, from the trees all around, red from the tiled roofs, old rose when he looked askew at the façades. Sort of strange that it was precisely the façades of the barracks and military buildings that were pink, while pink to his taste wasn’t a very virile colour. But that was just the way it was, the city was wiser than its inhabitants, that’s just something he had to live with.

Gradually, he thought while he trudged slowly up the hill and something on his mind made him count the drains that interrupted the whiteness of the footpath, unnoticeably, cunningly, all that had disappeared. Not with a bang or with sirens, no, more like it didn’t interest him any longer and that was why he had lost it. The colours had faded, he didn’t go out to Lumiar anymore. The city had withdrawn itself into ever smaller circles, its lights had faded and the image of his youth had become drab and out of focus, like an old blurred snapshot of no importance. When had that happened? He had counted sixteen drains already when he arrived at the Rua das Trinas. What was it he had lost there, this wasn’t the Chiado after all?

What had lured him to the Rua das Trinas? Did he go to school here, had he known a girl there? What had happened to him in this highly unremarkable street? Was this the place of his meeting with the Angel? He smiled at that. Wouldn’t believe his eyes, that angel, if he saw that vacant head of his. He didn’t think about it a lot, the Angel. Why should he if he was in the Rua das Trinas? Who knew?


On the corner, he almost ran into a little negro woman, a little fatty who jumped out of an alley waving a pink plastic bag, exclaiming Ooh.

‘Excuse me,’ he said, ‘are you the angel?’

‘Is that how I look?’ she asked, ‘and don’t you have an umbrella?’

‘No,’ he said, ‘it wasn’t raining yet when I left home.’

‘Yes,’ she said, ‘it always arrives sooner than you think. Shall we walk part of the way together under my umbrella? Watch out, it’s getting slippery here. No, you don’t have to think what you’re thinking, I’m not of that profession.’

‘No, I didn’t think so.’ the doctor said. ‘But actually I was thinking of something else. Which is extraordinary, I might add, because I think less and less. And I don’t talk anymore, either.’

‘In that case,’ Marleen said, ‘I would like to have heard you when you did talk.’

‘What can I say,’ the doctor said, ‘I was a physician and lots more besides, and I knew this city when it was still big.’

‘Big?’ Marleen asked. ‘Most people say small. And you’re looking for the angel? Here, or in a more general sense?’

‘That’s something I don’t actually know,’ the doctor said. ‘Perhaps just as well. I forget what I know immediately anyway.’

‘Ah,’ Marleen said, ‘that angel.’

And so they walked along together, going up, a worried little person with her umbrella held high over a polite but awkwardly stooping tall one. Talking came easy to him now, so they chatted intimately while progressing up the hill.

‘The thing is,’ he said, ‘this is my city, but what I have left of it is growing ever smaller. They are taking it away. It’s like a focal point: you lose what lies around it and all I manage to find these days are these three streets.’

‘These ones?’ Marleen asked.

‘What I am getting at,’ he said, ‘I always end up in the Rua das Trinas. I wanted to go to the Chiado, have a coffee in that café, but – I’ll be honest with you – I’ve forgotten how to get there. There must be something else that I’m looking for; here perhaps, but I can’t remember what it is. Now I’d better try and find my house, somewhere in this neighbourhood.’

At the top of the street, where they could already see the Rua da Lapa, a woman walked past in a light raincoat, half-hidden behind a red umbrella.

‘That reminds me of someone,’ the doctor said. ‘It could well be my daughter.’

‘Your daughter,’ Marleen asked. ‘Do you have any sons?’

‘No,’ the doctor said, ‘only, only, my daughter.’

‘What’s her name?’ Marleen asked.

‘I’ll tell you right away,’ the doctor said.

‘Watch out,’ Marleen said, ‘it’s as slippery as ice here.’

They left the Rua das Trinas, and in the square by the church of Sant’Ana the wind blew the drizzle in their faces.

‘Yuck, it’s very wet here,’ Marleen said, ‘let’s quickly turn the corner.’

That’s how they arrived at the Rua de Sant’Ana a Lapa, where they were out of the wind while the raindrops pelted down harder from the houses.

‘I remember saying to my daughter,’ the doctor said, ‘I’m worried about your mother, she’s so sad and keeps on crying and I have no idea why and when I ask her she doesn’t answer.’

‘She couldn’t anyway,’ Marleen said.

‘Watch out,’ he said, ‘there, an, an obstacle!’

But his warning came too late; Marleen failed to see the palm tree slice and knocked her shin against it.

‘Ouch,’ Marleen started, and slipped up on the gleaming wet cobblestones and fell. The doctor attempted to keep her upright but also slipped and fortunately landed on something soft that broke his fall, but Marleen landed on top of him. Shaken and embarrassed by the unwanted intimacy, they sat on the pavement getting over their confusion.

‘Did you hurt yourself?’ the doctor asked.

‘Think I bruised my ankle,’ Marleen said.

Struggling, she stood upright on one leg and sat down on a pineapple slice.

‘Let’s have a look,’ the doctor said down there with a rising remnant of a physician’s frame-of-mind, grabbing her ankle and squeezing it.

‘Ouch,’ Marleen said.

‘You should have that ankle x-rayed tomorrow, but you’re far too fat anyhow, those ankles can’t carry your weight. You need to slim down urgently.’

‘Sure, sure,’ Marleen said, ‘but that isn’t easy in my line of work.’

‘Not in any line of work,’ the doctor said.

‘Santa Maria,’ Marleen said. ‘Where is my cake?’

‘Cake?’ the doctor asked.

‘The birthday cake!’


And whatever the reason, because of what was yielding under his posterior, a thick drop falling on his neck, or because of the shadow of his daughter charging at them like a red spirit from on high, or perhaps the voice of Marleen who softly complained he had his arse on her cake, her nice, artistic cake with chocolate and marzipan, and the piece of pink plastic he saw protruding from beneath him, the doctor suddenly realised he had forgotten his own birthday and that his so very patient wife was expecting at him home for his favourite dish, just for the occasion, while he was most probably sitting on his own cake. As if by a bucket of cold water he was suddenly flooded with an ice-cold, mournful and fathomless feeling of guilt. His daughter was towering over him now, and laid her desperate hand on his shoulder and said ‘daddy’, but he couldn’t look her in the eye.

‘Daddy, are you alright? Mum is waiting for you.’

‘Ah, right, I remember now,’ he said, and gave a brief laugh. ‘But I’m sitting on my cake, and how can I tell mum?’

‘Don’t say anything, she’ll know.’

She tugged at his arm and tried to get him upright. But he was looking up at Marleen, at her palm tree slice.

‘I’m sorry,’ he said, ‘but I can’t help you anymore now.’

‘No,’ Marleen said, ‘I can’t help you.’ And then she cried a little to herself.

 

 

Sus van Elzen fecit, Antwerp, 15 IX 2013


Translated from Dutch by Willem Groenewegen


Willem Groenewegen (1971) had a bilingual upbringing in Surrey (UK). He studied English Literature in Groningen (NL) and Manchester (UK). He began translating Dutch literature professionally in 2000 and has translated three selections of poetry of Arjen Duinker, Nick J. Swarth and Rutger Kopland. The latter, entitled What Water Left Behind, got him shortlisted for The Popescu Prize for European Poetry in Translation (The Poetry Society) in 2007. He also translates short prose and art-related texts. www.willem-groenewegen.nl