Een andere wang

Jeroen Olyslaegers

Jeroen Olyslaegers

Jeroen Olyslaegers (Mortsel, 1967) studeerde Germaanse Filologie aan de Universiteit van Antwerpen, waarna hij wetenschappelijk medewerker was bij het Louis Paul Boon-documentatiecentrum (1989-1992). Vervolgens werkte hij bij verschillende organisaties en festivals op het gebied van literatuur en cinema. Olyslaegers werkte als filmrecensent voor Humo en als columnist voor Studio Brussel, VPRO, IKON en Radio Klara.

Close

Oostende Alle citybooks

Download de ePub-versie Print

Een andere wang

Oostende, Bar Lafayette, tijdens de maand november.
Jacky heeft net een Black Label met één blokje ijs besteld en vindt een plek recht tegenover de deejay. Hij ruikt aan zijn drankje en nipt. En dan gebeurt het. Hij krijgt een klap in zijn gezicht. De klap is compleet onverwacht. Nog voor hij vingers in zijn gelaat voelt branden, slaat de deur van de bar dicht. Ook met een klap. Hij hoort het, maar ziet niets. Misschien een rug, maar of het een man of een vrouw was... Het zou kunnen dat de gesprekken in de overvolle kroeg even stilvallen, maar zeker is Jacky daar niet van. Niemand lijkt er aandacht aan te willen schenken. Een moment later praat iedereen verder. Dan komt de pijn. De klap was ongemeen hard. Diegene die hem geslagen heeft droeg een ring, misschien wel twee. Jacky voelt zijn wang opgloeien. Iets warm en vochtig sijpelt naar beneden. Bloed? Bar Lafayette is een niet al te grote ruimte. Men kan met een blik alles en iedereen overzien. Niemand reageert, dus doet Jacky ook of er niets aan de hand is. Hij haalt een papieren zakdoek uit zijn tas en houdt het tegen de wonde. Hij kijkt naar het bloed; het is niet veel. Hij neemt een ferme slok whisky. De alcohol verdrijft de schaamte niet.
Jacky kreeg een slag.
Jacky is een slachtoffer.
Jacky weet niet waarom.

Tijdens zijn laatste gesprek met zijn moeder had Jacky dat woord ook gebruikt. Hij had zich voorgenomen om haar geen vragen te stellen en enkel te luisteren. Maar zij had over van alles en nog wat gepraat. De mensen waren hier volgens haar heel vriendelijk. Veel vis eten is per slot van rekening heel gezond. En ook hier waren ze oprecht geïnteresseerd in alles wat ze te zeggen had over tarot. Ook hier… Dus dat wou zeggen dat er ook in Antwerpen mensen waren geweest die haar tarotobsessie hadden weten te waarderen. Dus waarom Oostende, moeder? Waarom?
Ze had haar blik naar de zee gericht en de vraag laten uitsterven.
Achter zijn ‘waarom’ zat geen oprechte interesse in een mogelijk antwoord. Dat wisten ze allebei. Achter zijn ‘waarom’ zat een verwijt.
Na een stilte had hij zijn bezorgdheid geuit. Het was zijn laatste troef.
‘In deze stad hangt iets…’ had hij gezegd. Toen had er iets vervaarlijks moeten komen, iets dat haar hopelijk de stuipen op het lijf had kunnen jagen. Maar er kwam niets.
En hij voelde wanhoop opkomen omdat zijn eigen woorden bleven hangen en diepe trillingen bij hem teweeg brachten, maar niet bij haar.
Ze had naar hem gekeken toen ze zeker wist dat hij geen woorden meer had.
En ze had zijn hand even vastgepakt en geknepen.
Meer niet. Het geluid van meeuwen, ja. Dat wel.

De dag na de klap neemt hij de tram naar het zuidwesten, naar De Panne, het uiterste eind van de Belgische kust. Het is koud. Prima. Het rechtvaardigt de sjaal rond zijn gezicht waarmee hij de roodblauwe vlek op zijn wang verbergt. Hij stapt af in het centrum en staat twee minuten later op het strand. Met de wind mee, als een kind, wandelt hij richting Frankrijk. Diverse soorten meeuwen, de ene soort wat afzichtelijker dan de ander, klitten samen, elke groep telkens een honderdtal meter van elkaar verwijderd, telkens een witte vlek, bijna aan de vloedlijn. Wanneer hij nader komt worden ze onrustig, trippelen ze eerst naar het water en slaan dan tenslotte toch de vleugels uit, weg van Jacky. De wereld, aldus Jacky, is te comfortabel voor de mens. Hem of haar wordt met teveel respect bejegend. De gebundelde kracht van dertig meeuwensnavels zou Jacky aan stukken kunnen hakken in een oogwenk. Niemand zou hem kunnen helpen. Geen hond met een wandelaar, geen brigade reddingswerkers, niemand zou bestand zijn tegen dit geweld.

De klap in de bar had hij moeten zien aankomen. Nee, niet op korte termijn en niet indien men zich mocht beperken tot de tijd en ruimte van het gebeuren. Maar indien men, zoals Jacky nu doet, een heel leven in een ogenblik vat, was de klap onvermijdelijk, was het een klap die Jacky al van op de speelplaats van de lagere school had verwacht. Telkens weer werd het gevaarlijk en telkens weer had Jacky zich beholpen met de gave van het woord. Maar dat de rekening eens, ooit eens, zou worden gepresenteerd, wist hij altijd weer nadat hij voor de zoveelste keer zijn hachje had gered. Er kleeft iets aan ieder die nog nooit in zijn leven een klap heeft gekregen. Dat heet verwachting. Dat heet noodlot. In de enscenering van ieders leven, met de goden en de godinnen als collectief van dramaturgen, bestaat er een contrapunt. Hij of zij die zich redt met praten weet diep van binnen dat er een moment komt waar praten hopeloos tekort schiet. Hij of zij die eindeloos praat rest slechts tijd vooraleer een forse klap hem of haar tijdelijk doet zwijgen. Voor de klap voelde Jacky zich immer onbeschermd, en nu op vijftigjarige leeftijd voelt hij zich bevrijd van een last die maar niet zwaar wou worden zo lang zijn woorden hem hielpen.  Het is uiteraard ironisch dat dit nu net in Oostende moest gebeuren, een stad die hij noodgedwongen met zijn eigen bezorgdheid had besmet. Maar tegelijk is juist dat geruststellend. Er schuilt een logica in de gedachte dat hij de klap gekregen heeft als een antwoord op die angst, alsof de stad hem zelf die klap gaf. Men een iets lichtere tred stapt hij verder naar Frankrijk, de grens over van zijn eigen onvermogen. Hashemesh zorachat hayom. De zon schijnt vandaag.

‘Mama kijkt in je ogen, jongen.’ Het kan zijn dat de noordoostenwind hem die zin in zijn oren fluistert. Het is mogelijk dat de regelmaat van zijn krakende voetstappen nu net die zes woorden op een ritme ent. Maar het kan hem ook ingefluisterd zijn door het ruisen van het bloed in zijn hoofd; een zin die er steeds was en die hij nu pas ontvangt. Mama kijkt in je ogen, jongen. Het woord ‘mama’ gebruikt Jacky zelden of nooit. De zin zorgt er niettemin voor dat hij plots schik krijgt in zijn zelfopgelegde wandeling. Ze is bij hem. Daar dienen deze stappen voor. Ze is bij hem. Men weet immers nooit waar dat wandelen goed voor is. Men begint eraan vanuit een vaag verlangen naar gezondheid. Men hoopt op een beloning achteraf, misschien niet meer dan een zucht van verlichting op het eind. De eerste stap is het eenvoudigst. Maar wanneer men zich in het midden van een wandeling waant – en die waan duikt steeds op na zoveel stappen op het strand – dan is er wil nodig om niet rechtsomkeer te maken. Men moet kunnen volharden om op dat moment de wandeling te laten uitstrekken in de tijd, voorbij elk midden, voorbij elke mogelijke vermoeidheid, voorbij de vrees nooit meer te kunnen terugkeren op eigen kracht. Mama kijkt in je ogen, jongen. Het klinkt als een aai op je bol die over je ruggengraat naar beneden trekt, daar waar de zenuweinden elkaar ontmoeten. Schep moed. Ga verder dan je ooit gegaan bent, Jacky. Stap weg van Oostende, de stad die jouw moeder verkoos boven elke andere, zelfs boven Antwerpen, waar ze jou heeft grootgebracht achter haar naai- en garenwinkel die al ouderwets aandeed toen jij nog een kind was. Een moeder die ouder wordt verlangt de nabijheid van haar kinderen. Maar zij deed net het omgekeerde. Een onverwachte erfenis bracht haar in beweging. Ze verkocht alles en trok naar de zeestad die – zoals zij zelf immer zei – ‘een groot geheim bezit’. En ja, daar stond jij, Jacky, met je mond vol tanden. Was het opluchting die je voelde? Was je bezorgdheid gemeend? Ze liet je zelfs niet toe om haar verhuis te regelen. Plots was ze weg. Bejaarden behoren zoiets niet te doen. Hoe ouder ze werd, hoe minder zorgbehoevend ze leek. Het leek een grap waar jij van werd uitgesloten. Stap verder. Wie weet geraak je wel te voet in Bretagne. Wie weet nog verder. ‘Mama kijkt in je ogen, jongen.’ Nu zegt hij de zin luidop. Dat had hij niet moeten doen, want het uitspreken van de zin verandert alles. De woorden in zijn hoofd en de woorden die uiteindelijk dwangmatig aan zijn mond ontsnappen verschillen grondig. Onuitgesproken woorden behouden hun onschuld. Uitgesproken woorden vervoeren je onvermijdelijk naar een andere plek en naar andere gedachten die er slechts schijnbaar op rijmen. De gruwelverhalen waarmee de wereld zich omgeeft, waar ook Jacky regelmatig niet aan kan weerstaan, doemen op bij het woord ‘mama’. Hoeveel keer heeft hij niet gelezen of in een zetel toegekeken hoe een vreselijk toegetakelde soldaat, dol door de pijn, om zijn moeder roept wanneer het einde nadert, een laatste SOS naar de enige zender die hem nog ontvangen kan? En telkens als hij zoiets leest, ziet Jacky zo’n moeder voor zich die opschrikt uit haar slaap en verward naar de wekker tast. Mama kijkt in je ogen, jongen. En in die ogen leest ze – zo beweert men – alles. Je kan geen leugen voor haar verbergen. Jij bent de zender, zij is de ontvanger, voorbij de grenzen van de dood. Mocht ze hem nu zien, wandelend op het strand, met een sjaal over een opgezwollen kaak… Zij heeft hem grootgebracht en zij heeft hem verlaten. Dat was ongetwijfeld wat ze duidelijk wou maken toen ze een appartement in Oostende verkoos. Hij was zelfs nog niet over een bejaardenhuis begonnen, hoewel hij de folders van zulke instellingen al in een mapje had verzameld; klaar om aan haar te worden getoond, eventueel na een ongelukkige val op de stoep, een aanval van dementie, een plots gebrek aan zorg voor zichzelf.
Vroege herinneringen van Jacky, misschien de allervroegste: zijn moeder die hoog boven hem uittorent terwijl hij hulpeloos op een of ander plastic kussen ligt, net niet spartelend onder haar vastberaden handen. Zijn vader figureert steevast op de achtergrond: klein en vriendelijk, te zacht voor deze wereld en al te snel dood. En uit die herinnering aan een gerieflijke cocon komt het besef dat hij nog steeds afhankelijk is, alsof er niets is gebeurd, alsof hij nooit enige vorm van evolutie heeft gekend. Het is een afhankelijkheid ten opzichte van de wereld die hem omgeeft, een paar decennia later, en waarin hij nog steeds spartelt op een kussen, nu zonder moeder.

‘Onnozelaar!’
Het is een doordeweekse dag. Er zijn nog meer wandelaars bijgekomen op het strand. Allicht werklozen en bejaarden, al dan niet begeleid door hond of zelfs hondenroedel. Een van hen heeft hem opgemerkt, is kordaat naar hem toegelopen en zegt nu dit, niet al te luid, maar genoeg om Jacky met afgrijzen te vervullen.
‘Onnozelaar!’
De man, zo schat Jacky, is een jaar of dertig. Hij is te licht gekleed voor dit seizoen. Hij heeft een koortsblaas. Nog voor Jacky kan reageren is de man alweer achter hem. Een paar keer hoort hij nog ‘onnozelaar’, links achter hem, richting duinen. Jacky durft niet om te kijken en stapt stug door, zijn snel bezweet gerakende rug opgespannen tegen een mogelijke aanval. Maar er gebeurt niets.

Bray-Dunes is ontegensprekelijk Frans. Geen taverne op de dijk is open en de geparkeerde wagens lijken toe te behoren aan de doden. Jacky volgt een pijl naar het centrum. Een jonge vrouw loopt hem voorbij met twee zware boodschappentassen. Ze gunt hem geen blik. Een gloednieuwe lijnbus komt hem tegemoet. Ze is op weg naar de grens. Aan Jacky’s rug, krek tussen zijn schouderbladen, is een kabel vastgehecht, een kabel die aan hem trekt. Zelfs de bladloze takken aan de bomen lijken allemaal te wijzen naar Oostende. Keer terug, Jacky. Zijn stappen worden nog zwaarder. Zijn lijf, stug en niet gewend aan veel fysieke inspanningen, maakt hem duidelijk dat te voet terugkeren geen optie meer is. Van een centrum is er nauwelijks sprake. Twee vrouwen, buiten rokend aan een haarsalon, kijken hem wel aan. Hier is niets, wat doet u hier, u dwaalt, u brengt heel deze gemeenschap uit haar evenwicht. Het blijft ongezegd, maar de benepen trekjes aan hun sigaret kunnen niet anders worden geïnterpreteerd. Kijk, een bar Tabac. En open ook nog, maak dat mee. Zijn vraag om een kopje koffie wordt routineus doch vriendelijk behandeld. Mensen bladeren in tijdschriften. Hier en daar liggen er kleine biljetten op de grond. Wat verder is er een ruimte die bijna als een zitkamer aandoet. Jacky gaat met zijn kopje helemaal achteraan zitten, zodat niemand de blauwe vlek op zijn gezicht bemerkt eens hij zijn sjaal heeft losgemaakt. Een groot plasmascherm toont bijna geluidloos paardenkoersen. Een jongen maakt Jacky’s tafel schoon en vraagt waar hij van komt. Zonder hem aan te kijken beantwoordt hij de vraag. De jongen neemt het draadje van een vergeten theezakje tussen duim en wijsvinger en zegt: ‘On n’arrive jamais à Ostende.’

Met de smaak van koffie nog in zijn mond houdt hij de volgende lijnbus tegen. Hij probeert het reistraject te bestuderen terwijl de chauffeur kordaat bochten maakt en met een schok om de haverklap stopt voor zwijgende lieden, allen te verbeten om niet terplekke te bezwijken aan verveling. De grens is de hoek om, zo lijkt het. Ietwat het binnenland in, maar kom: alleszins dichtbij de zee. Een vrouw met ravenzwart haar houdt de bus tegen. Jacky komt net op tijd tot de vaststelling dat zij al aan zijn eindbestemming staat. Terwijl de deuren sissend dichtklappen en hij opnieuw de kilte dient te trotseren, ziet hij hoe de vrouw op zijn plaats is gaan zitten. Ze staart naar hem. Haar sierlijke geëpileerde wenkbrauwen – bijna een elegante  provocatie in vergelijking met de gezichtsopmaak van haar streekgenoten –  zijn aandoenlijk mooi. Hij staart terug. Nooit eerder zag hij haar en toch ziet hij hetzelfde in haar ogen wat zij ongetwijfeld bij hem ziet; herkenning. En dan zoeft de bus weg, rechts van de grens en terug Frankrijk in.

De grensovergang is verlaten. De paar vervallen lage gebouwen die er staan schijnen moeizaam verkopende herinneringen aan België of Frankrijk te herbergen. Hier moet ooit een brand hebben gewoed waarna niemand de moeite deed om de schade te herstellen. En de zee is plots ver weg. Een met prikkeldraad omzoomd natuurreservaat waar geen leven heerst bant het water uit het zicht. Jacky stapt een baan op richting De Panne waar geen wandelaars worden geacht te lopen. Het begint te regenen. De vrouw in de bus… ze weigert Jacky’s hoofd te verlaten. Er was een nacht in een Oostendse hotelkamer en in dat nogal pover vertrek een bed dat schokte, klaar om te bezwijken. Hij had zijn moeder net bezocht en had achter haar rug voor zichzelf een hotel gevonden. De dag erna hoopte hij haar vanop een afstand gade te kunnen slaan in haar nieuwe biotoop. Maar toen hij op het hotelbed lag en zich al verbeeldde hoe hij haar zou bespieden in deze ongrijpbare en dus te wantrouwen stad, knapte er iets. Donkerte overwoekerde wat voor gedachten ook en de muren van de kamer sloten hem op. De bar achter de hoek maakte veel goed. Er zat daar een vrouw… Het maakt niet uit wie toen wie had versierd. Zij had hem eerst een blik geschonken, maar het was Jacky die haar had aangesproken. De eerste twee drankjes had hij ook betaald, met een immer breder wordende glimlach die voor een keer eens niet aanvoelde als amateurtheater. Hij nam aan dat hij veel ouder was dan zij en dat dit haar niet deerde. De bar was te duister allicht. Er werd gedanst op soul en disco. En Jacky had zich al voorbereid om haar ten dans te vragen, te midden een dronken massa. Ja, zelfs dat. Maar aan dansen kwamen ze niet. De vrouw die even sierlijke wenkbrauwen had als die een op de bus wou praten, heel veel praten. En het gesprek diende te worden gelardeerd met veel humor en wereldwijsheid. Ook daar kwam Jacky haar tegemoet. Alles verliep moeiteloos. Een paar uur later ging dat gesprek verder op een hotelkamer en werd er gezoend en aan kleren getrokken. Ze rook anders dan de vrouwen waarmee hij al was geweest. Ze rook als een krijger. Hij had gelet op de inname van alcohol, hij had traag gedronken. Zij had zich laten gaan en toch bleef ze trefzeker in alles wat ze deed en toonde in dat bed. Jacky voelde zich oppermachtig, maar wist tegelijk dat zij hem die kracht ten geschenke gaf. En net op het moment dat hij met dat wat verweerde lijf van hem hoog boven haar triomfeerde, diep in haar stootte en in de duisternis naar haar glimmende ogen zocht in de hoop dat zij kon lezen wat zij op dat moment voor hem betekende, murmelde haar mond een verzoek. Hij wist niet wat hij hoorde. Haar stem werd dwingend, luider. Uiteindelijk hief hij zijn hand. Nu riep ze: ‘Ja, sla mij, sla mij hard.’ Zijn opgeheven rechterhand verkrampte en in plaats van een klap zag hij hoe zijn hand haar hals stevig vast nam. Zij kwam. Hij kwam. En een traan rolde over haar wang naar zijn vuist die nog steeds haar keel in een greep hield. Toen ze daarna het raam hadden geopend en nogal stuntelig samen een sigaret aan het roken waren, leerde ze hem een zin in het Hebreeuws. Ze had hem verteld dat de zin een geschenk was, iets om te prevelen wanneer de zaken niet gingen zoals je wou. De zon schijnt vandaag. Bij zo’n vrouw blijf je niet, dacht Jacky toen hij naar haar keek en samen met haar de zin repeteerde. Zo’n vrouw krijgt immer wat ze vraagt en indien niet lost ze op in de nacht.

De regen. De wandeling. Jacky wordt vreselijk nat. Op het einde van de baan lichten de letters ‘Moeder Lambic’ in rood neon op. De zaak zelf is enkel open tijdens het weekeinde. Jacky heeft honger en vloekt. Links van de baan is er een tramhalte. Meteen de kusttram moet hij op, meteen terug naar Oostende. Het is lang geleden dat hij nog zo alleen was met zijn gedachten. De wandeling lijkt hem nu absurd. Hij gaat op het gerasterd bankje zitten en sluit zijn ogen. Achter zijn vermoeide rug bevindt zich een bos en daarnaast een kerkhof. De kuststreek is niet verzonnen om er alleen door te dwalen buiten het zomerseizoen. Alles oogt als een decor voor doelloze personages. Hij hoort dat iemand bij hem komt staan en kijkt. Dit is geen doelloos personage. Dit is de man die hem twee uur eerder voor ‘onnozelaar’ heeft uitgescholden op het strand. Jacky probeert discreet en rustig om zich heen te kijken in de hoop andere levende wezens in zijn buurt te ontwaren. Die hoop blijkt ijdel. De man ademt rustig, maar zijn blik blijft op hem gericht. Ooit heeft Jacky zo’n man meegemaakt in Antwerpen; het was eerder een jongen, maar zijn blik was krek die van deze man. De jongen werd toen regelmatig opgepakt door de politie nadat hij schuimbekkend een heel caféterras te lijf was gegaan. Niemand wist waarom. Drugs? Waanzin? Pijn? Na een nachtje cel had de jongen de gewoonte om terug te keren naar hetzelfde terras en iedereen opnieuw te terroriseren. Een gesel voor de stad was hij, voor ieder die geniet van een frisse pint in de zon, voor een kalme prille vijftiger zoals Jacky. En ooit, op een onbetamelijk uur, wanneer een veel te warme zomernacht bijna overging in weer een diepblauwe dag, had de jongen Jacky uit zijn slaap gewekt door luidkeels roepend door zijn straat te banjeren. Zijn woorden waren onverstaanbaar. Hij was als een leeuwenmenner zonder leeuw, met niemand meer op straat om uit te dagen. Diezelfde week nog had Jacky hem dan weer aangetroffen in een of andere spirituele boekhandel waar Jacky op zoek was naar een geschenk voor zijn al even spiritueel geïnspireerde moeder. Tussen de tarotkaarten, wierookbranders en ander esoterisch spul zat de jonge geweldenaar diep verzonken in een boek als een waarheidszoeker die zelfs zijn hand niet zou opheffen voor een hinderlijke vlieg. Meesters van het verre oosten, zo heette dat boek. Jacky sluit zijn ogen en bevindt zich even weer in die boekenwinkel, rustig ademend en kijkend naar een jongeman die dan toch zijn plek gevonden had. Ze hebben nog met elkaar gepraat, hij en die jongen, en Jacky had gedaan of hij alles wist wat er te weten viel over de mysteriën van de ziel.
‘Hoe laat is het?’
Je kan op twee plaatsen tegelijk zijn. Maar dan mag je niet worden aangesproken door een gevaarlijk iemand, iemand die duidelijk tot doel heeft om je leven te bemoeilijken, iemand wiens doel duidelijk is zonder een of andere aanleiding, zonder een waarom. Iemand die samen met hem staat te wachten op de kusttram.
‘Ik vroeg u iets.’
Jacky opent zijn ogen en kijkt strak voor zich uit. Nooit was Oostende zo ver. De wandeling weg van deze vreemde stad verliest haar doelloosheid. De sluier wordt opgelicht. Het blijkt een vlucht te zijn, een vlucht van iets waar je niet voor vluchten kan. Tarotkaart 13, zou zijn moeder hebben gezegd, tarotkaart 13, de naamloze kaart, maar tevens de kaart waar je niet voor vluchten kan. Dertien poogt je de onoverkomelijkheid van de dingen te leren. Dertien is de kaart met het vleeskleurig skelet dat met zijn voet op het afgehouwen hoofd van een moeder steunt terwijl zijn zeis over een inktzwart veld gaat waar her en der lichaamsdelen liggen als omgewoelde zaden. ‘Het is niet de kaart van de Dood,’ had zijn moeder hem ooit gezegd, ‘veel mensen begrijpen deze kaart verkeerd.’ Een van die vele mensen was Jacky zelf geweest die geen tekens lezen kon, zelfs niet na een lange, hardnekkige monoloog van de vrouw die hem op deze aarde had gezet.
‘Hallo! Ik vroeg u iets…’
Stralen breken door het wolkendek. Hashemesh zorachat hayom. De zon schijnt vandaag. De cirkel is misschien nu al rond. Jacky staat op en geeft de man een forse duw. Hij wankelt tegen de lage omheining van het perron. Nog een duw en de man kiepert over de omheining tussen sluikafval en struikgewas. De man tast naar zijn hoofd en kijkt ongelovig naar zijn bebloede vingers. Jacky springt over de omheining en zwikt daarbij zijn enkel. Dansend op één voet probeert hij de pijn te beheersen. De man veegt het snot van zijn gezicht en stort zich op Jacky, gillend als een speenvarken. De intimiteit van de twee lijven bij elkaar is stuitend. Als bij een vrouw, denkt Jacky, als bij een vrouw. Ze rollen krabbend in de ijskoude modder. Een arm schiet uit. Een been trekt op. Een vuistslag schampt iemands gezicht.
Jackie ziet hoe hij de man bij zijn halflange haren grijpt en hoe hij hem zo het bos in sleurt. Dit is geen gevecht, dit is een poging tot.
En toch voelt Jacky bij elke slag, door hem of door de ander gegeven, dat zijn kracht groeit, dat er ook in hem iets schuilt dat niet te beheersen valt. Blijkbaar hebben zijn vijftig levensjaren van hem toch geen bejaarde gemaakt. Hij vat de man bij de keel en bonkt diens hoofd een paar keer tegen de harde grond. Ze snuiven allebei. De man slaat uit met zijn armen, maar Jacky drukt hem met zijn volle gewicht naar beneden. Dan laat hij zijn vuist hard op een kaaksbeen terecht komen en hoort hij een krak. In een film heeft een gevecht een begin en een einde. Maar hier niet. De man blijft graaien en krabben onder Jacky’s gewicht. ‘Het gevecht is gedaan! Ik heb gewonnen!’ wil Jacky roepen. Hij krijgt slechts gegrien uit zijn keel geperst. Het geluid van een tram die vertraagt in een bocht doet Jacky ontwaken uit deze onbehoorlijke scène, uit iets dat zo snel mogelijk dient te worden vergeten. Hij krabbelt overeind en geeft de man nog snel een paar nijdige trappen in zijn ribben. Dierlijke kreten. Jacky rent holderdebolder naar de tramhalte. Hij struikelt. Hij stort in elkaar. Hij komt weer recht en laat zich bijna vallen in de tram, net voor de deuren sissend sluiten. Niemand zegt iets over zijn verscheurde kleren, zijn gehavend gezicht, zijn bebloede vuisten. Jacky denkt dat dit door de glimlach komt die op zijn gelaat staat geëtst.

Hij heeft nog een pint gedronken met de opkoper die de laatste spullen kwam halen van zijn moeder. Een uur of twee geleden stonden ze op haar appartementje en telkens als de man naar Jacky keek, had deze zoon van zijn moeder geknikt. Neem maar mee. Zelfs haar tarotkaarten had hij willen meegeven. Het leren etui zat heel die tijd in zijn broek. Maar uiteindelijk vergat hij wat hij nog van haar op zak had. Haastig hadden ze de drank tot zich genomen, een ritueel waar geen van beiden zin in had.
Nu zit Jacky alleen.
In Bar Lafayette.
En hij voelt zich niet slecht, ook al zwelt zijn oog vervaarlijk op.
Tenslotte is dit een nieuw begin.
Hij hoeft niet meer bezorgd te zijn. Niet voor zijn moeder. Niet voor zichzelf. Niet voor een stad zoals Oostende die nu bijna lieflijk aandoet, als een vrouw die aan zijn voeten ligt.
En net op dat moment krijgt hij weer een klap in zijn gezicht.
Het is een vrouwenhand.
Het is Oostende niet.

 

Podcast voorgelezen door de auteur

Download de ePub-versie Print

Une autre joue

Ostende,  Bar Lafayette, en novembre.
Jacky vient de commander un Black Label avec un glaçon et trouve une place juste en face du disc-jockey. Il hume son verre, boit à petites gorgées. Et puis ça arrive. Il reçoit une gifle en pleine figure. Le coup est totalement inattendu. Il n’a pas encore senti les doigts lui brûler la face que la porte du bar se referme. Egalement en claquant. Il l’entend mais il ne voit rien. Un dos peut-être, mais était-ce un homme ou une femme… Il se pourrait que les conversations soient suspendues un instant dans le bistrot bondé, mais Jacky n’en est pas sûr. Personne ne semble vouloir prêter attention à ce qui s’est passé. Les gens se remettent à bavarder peu après. Arrive la douleur. La gifle était d’une force exceptionnelle. Celui qui l’a frappé portait une bague, peut-être même deux. Jacky ressent de nouveau une sensation de brûlure. Quelque chose de chaud et d’humide suinte sur sa joue. Du sang ? Le Bar Lafayette est un local qui n’est pas très grand. D’un coup d’œil on embrasse toute la salle. Personne ne réagit, donc Jacky fait comme si de rien n’était. Il sort un mouchoir en papier de son sac et le presse contre la blessure. Il regarde le sang ; ce n’est pas grand-chose. Il boit une bonne gorgée de whisky. L’alcool ne dissipe pas la honte.
Jacky a pris un coup.
Jacky est une victime.
Jacky ne sait pas pourquoi.

Au cours de son ultime conversation avec sa mère Jacky avait déjà utilisé ce mot. Il s’était  promis de ne pas lui poser de questions, d’écouter seulement. Mais elle avait parlé de choses et d’autres. Les gens étaient très aimables ici, d’après elle. Manger souvent du poisson est très sain, en fin de compte. Et ici aussi, les gens étaient sincèrement intéressés par tout ce qu’elle avait à raconter sur les tarots. Ici aussi…Cela signifiait donc qu’à Anvers également il y avait eu des gens pour apprécier son obsession des tarots. Alors pourquoi Ostende, maman ? Pourquoi ?
Elle avait tourné les yeux vers la mer et avait laissé  la question s’éteindre.
Derrière ce «  pourquoi » il n’y avait aucun intérêt sincère pour une éventuelle réponse. Ils le savaient tous les deux. Derrière ce «  pourquoi », il y avait un reproche.
Après un silence il avait exprimé son inquiétude. C’était son dernier atout.
«  Dans cette ville, il y a quelque chose de… » avait-il dit. Quelque chose de terrifiant aurait dû suivre, quelque chose qui aurait pu vraiment  l’effrayer, il l’espérait du moins. Mais rien ne vint.
Il sentit le désespoir l’envahir parce que ses propres mots restaient coincés et que c’était lui, et non pas elle, qui était parcouru de frissons profonds.
Elle l’avait regardé quand elle avait été sûre qu’il n’avait plus rien à dire.
Elle lui avait pris la main un instant, l’avait pressée.
Ce fut tout. Le bruit des mouettes, ça oui.

Le lendemain  de la gifle il prend le tram du littoral en direction du sud-ouest, vers La Panne, tout au bout de la côte belge. Il fait froid. Tant mieux. Cela justifie l’écharpe autour de son visage, qui camoufle la tache violacée sur sa joue. Il descend dans le centre et deux minutes plus tard se retrouve sur la plage. Avec le vent qui le pousse, comme un gosse, il marche en direction de la France. Diverses sortes de mouettes, plus hideuses les unes  que les autres, sont agglutinées, chaque groupe distant du précédent d’une centaine de mètres, des taches blanches à intervalles réguliers, presque au ras de la ligne cotidale. A son approche, les mouettes deviennent nerveuses, d’abord marchent vers l’eau à petits pas puis finissent par s’envoler malgré tout, loin de Jacky. Le monde, estime Jacky, est trop confortable pour l’homme. Elle ou lui sont traités avec trop de respect. La force conjuguée de trente becs de mouettes aurait déchiqueté Jacky en un clin d’oeil. Personne ne pourrait lui venir en aide. Ni un chien accompagné d’un promeneur, ni une brigade de sauveteurs, personne ne pourrait s’opposer à cette violence.

Il aurait dû voir venir le coup, au bar. Pas à court terme, c’était impossible, impossible aussi dans le cas où l’on dût se limiter à l’heure et à l’endroit où se produisit l’événement. Mais si, comme le fait maintenant Jacky, on saisit une vie entière dans un seul instant, le coup était inévitable, c’était un coup auquel Jacky s’était déjà attendu dans la cour de récréation de l’école primaire. Sans cesse le danger pointait et sans cesse, Jacky avait eu recours à son éloquence. Mais la facture lui serait un jour présentée, il ne l’oubliait jamais après s’en être sorti pour la énième fois. Quelque chose colle à la peau de celui qui n’a jamais reçu de coup dans sa vie. Cela s’appelle l’attente. Cela s’appelle le destin. Dans la mise en scène de la vie de chacun, avec les dieux et les déesses comme un collectif de dramaturges, il existe un contrepoint. Celui ou celle qui se tire d’affaire par la parole sait au fond de soi qu’il arrive un moment où les mots font désespérément défaut. A celui ou celle qui bavardent à l’infini le temps est compté avant qu’un bon coup dans la figure ne les fasse taire provisoirement. Avant le coup, Jacky se sentait toujours exposé, et maintenant, à cinquante ans, il se sent délivré d’un poids qui ne voulait pas peser aussi longtemps que ses mots lui venaient en aide. L’ironie a voulu que cela arrive justement à Ostende, une ville que, par la force des choses, il avait contaminée avec sa propre inquiétude. Mais en même temps il y a là quelque chose de rassurant. Il réside une logique dans la pensée qu’il a reçu ce coup en réponse à cette angoisse, comme si la ville elle-même lui donnait cette claque. D’un pas un peu plus léger il continue sa route vers la France, franchissant la frontière de sa propre impuissance. Hashemesh zorachat hayom. Le soleil brille aujourd’hui.

«  Maman te regarde dans les yeux, mon garçon. » Il est possible que le vent du nord-est lui chuchote cette phrase à l’oreille. Il est possible que la régularité de ses pas qui crissent vienne juste de greffer ces six mots sur un rythme. Mais il se peut aussi qu’elle lui soit susurrée par le bruissement du sang dans sa tête, une phrase qui était toujours là et qu’il ne capte que maintenant. Maman te regarde dans les yeux, mon garçon. « Maman », un mot que Jacky utilise rarement, voire jamais. La phrase n’en a pas moins pour effet qu’il sursaute soudain, dans la promenade qu’il s’est imposée. Elle est  près de lui. C’est à cela que servent ces pas. Elle est près de lui. Car on ne sait jamais dans quel but on se promène. On entame une promenade dans le vague espoir que c’est bon pour la santé. On espère une récompense après coup, peut-être rien de plus qu’un soupir de soulagement à son terme. Le premier pas est le plus simple. Mais quand on se croit au milieu du parcours – et cette illusion resurgit continuellement après un certain nombre de pas sur la plage – alors il faut de la volonté pour ne pas rebrousser chemin. A cet instant, il faut serrer les dents pour que la promenade se prolonge dans le temps, au-delà de chaque point médian, au-delà de chaque éventuelle fatigue, au-delà de la crainte de ne pas pouvoir retourner par ses propres moyens. Maman te regarde dans les yeux, mon garçon. C’est comme une caresse sur la tête qui descend le long de la colonne vertébrale jusqu’au point où les terminaisons des nerfs se rejoignent. Rassemble ton courage. Va plus loin que tu n’es jamais allé, Jacky. Pars loin d’Ostende, la ville que ta mère préféra à toutes les autres, même à Anvers, où elle t’a élevé, dans l’arrière-boutique de sa mercerie qui paraissait déjà désuète quand tu étais encore un enfant. Une mère vieillissante désire être proche de ses enfants. Mais pour elle, ce fut tout le contraire. Un héritage inattendu la fit bouger. Elle vendit tout et partit pour la ville côtière qui – comme elle le disait elle-même – «  détient un grand secret ». Et toi Jacky, tu restais là,  ne sachant que dire. Etait-ce du soulagement que tu ressentais ? Ton inquiétude était-elle réelle ? Elle ne te laissa même pas organiser son déménagement. Soudain elle était partie. Les vieillards ne doivent pas agir ainsi. Plus elle prenait de l’âge, moins elle semblait avoir besoin d’assistance. On aurait dit une bonne farce dont tu étais exclu. Continue. Qui sait, tu vas peut-être te retrouver en Bretagne, ou plus loin encore. «  Maman te regarde dans les yeux, mon garçon. » Maintenant il dit la phrase à voix haute. Il n’aurait pas dû, car la prononcer tout haut change tout. Les mots qui sont dans sa tête et ceux qui finissent par sortir de sa bouche, contraints et forcés, diffèrent profondément. Les mots qui ne sont pas exprimés gardent leur innocence. Une fois prononcés, les mots vous emmènent inévitablement vers un autre endroit et vers d’autres pensées qui ne riment qu’en apparence. Les récits effroyables dont s’entoure le monde, auxquels Jacky régulièrement est incapable de faire face, surgissent avec le mot «  maman ». Combien de fois n’a-t-il pas lu, ou vu, assis dans un fauteuil, la scène où un soldat, affreusement esquinté, que la douleur rend fou, appelle sa mère quand la fin approche, un ultime SOS envoyé au seul poste qui puisse encore le capter ? Et toutes les fois qu’il lit quelque chose de semblable, Jacky voit devant lui sa mère qui s’éveille en sursaut et qui, l’esprit encore engourdi, étend la main vers le réveille-matin. Maman te regarde dans les yeux, mon garçon. Et dans ces yeux – c’est ce qu’on assure – elle voit tout. Tu ne peux pas dissimuler un seul mensonge. Tu es l’émetteur, elle est le récepteur, par delà les frontières de la mort. Si elle le voyait actuellement, marchant sur la plage, avec une écharpe sur sa mâchoire enflée…Elle l’a élevé et puis elle l’a quitté. C’était sans aucun doute ce qu’elle voulait faire comprendre quand elle choisit un appartement à Ostende. De son côté, il n’avait même pas encore  abordé le sujet de la maison de retraite, bien qu’il eût rassemblé dans une chemise les brochures concernant des établissements de ce type ; prêtes à lui être montrées, éventuellement après une chute malheureuse sur le trottoir, un accès de démence sénile, ou pour le cas où, soudainement, elle se serait négligée.

Des souvenirs précoces de Jacky, peut-être les tout premiers : sa mère qui le domine  de toute sa taille tandis qu’il est couché, sans défense, sur quelque coussin en plastique, il s’en faut d’un rien mais il ne gigote pas sous ses mains fermes. Son père figure généralement à l’arrière-plan : un petit homme aimable, trop tendre pour ce monde et mort trop tôt. Et le souvenir de ce cocon confortable lui fait prendre conscience qu’il est toujours dépendant, comme si rien n’était arrivé, comme s’il n’avait jamais connu la moindre évolution. C’est une dépendance vis-à-vis du monde qui l’entoure, quelques décennies plus tard, et dans laquelle il continue de gigoter sur un coussin, désormais sans sa mère.

« Crétin ! »
C’est un jour de semaine. D’autres promeneurs sont arrivés sur la plage. Comme on peut s’y attendre, des chômeurs et des personnes âgées, accompagnés ou non d’un chien ou même d’une bande de chiens. L’un d’entre eux l’a remarqué, est venu droit sur lui et maintenant lui lance cette injure, pas trop fort, mais assez pour remplir Jacky d’horreur.
« Crétin ! »
L’homme a environ trente ans, estime Jacky. Il est vêtu trop légèrement pour la saison. Il a un bouton de fièvre. Avant que Jacky ait pu réagir, l’homme est déjà derrière lui. Il entend encore, à plusieurs reprises, dans son dos : « Crétin ! », sur la gauche, en direction des dunes. Jacky n’ose pas tourner la tête et poursuit farouchement sa marche, raidissant les muscles de son dos vite trempé de sueur pour parer une éventuelle attaque. Mais il ne se passe rien.

Bray-Dunes est indéniablement français. Aucun bistrot n’est ouvert sur la digue et les autos qui sont garées semblent appartenir aux morts. Jacky suit une flèche en direction du centre-ville. Une jeune femme, portant deux sacs à provisions pesants, le dépasse. Elle ne lui jette même pas un coup d’œil. Un car flambant neuf de la ligne régulière arrive en sens inverse. Il se dirige vers la frontière. Dans le dos de Jacky, juste entre ses omoplates, est fixé un filin, un filin qui le tire en arrière. Même les branches dénudées des arbres semblent toutes indiquer la direction d’Ostende. Retourne, Jacky. Ses pas se font encore plus lourds. Son corps, raide et qui n’est pas habitué à beaucoup d’efforts physiques, lui fait comprendre que revenir à pied n’est plus une option. On peut à peine parler d’un centre-ville. Deux femmes, qui fument devant un salon de coiffure, le regardent, quand il passe. Il n’y a rien à voir ici, qu’est-ce que vous faites ici, vous vagabondez, vous perturbez l’équilibre de toute cette communauté. Cela n’est pas dit, mais les bouffées mesquines qu’elles tirent de leurs cigarettes ne peuvent pas être interprétées autrement. Tiens, un bar-tabac. Et de plus ouvert, on aura tout vu. Il demande un café, on le sert d’un geste routinier mais tout de même amical. Des gens feuillettent des revues. Des prospectus gisent épars sur le sol. Un peu plus loin il y a une salle qui a des airs de living-room. Jacky va s’asseoir tout à fait au fond, avec sa tasse de café, de sorte que personne ne peut remarquer l’ecchymose sur sa joue dès qu’il a défait son écharpe. Un écran plasma de grande taille montre des courses hippiques,  quasiment silencieuses. Un jeune vient nettoyer la table de Jacky et lui demande d’où il vient. Sans le regarder Jacky lui répond. Le jeune prend entre le pouce et l’index le fil d’un sachet de thé oublié et dit «  On n’arrive jamais à Ostende. » 

Avec le goût du café encore dans la bouche, il fait signe au car suivant. Il essaie d’étudier le trajet pendant que le chauffeur aborde crânement ses virages et arrête son véhicule à tout bout de champ dans une secousse, pour des gens silencieux, tous trop obstinés pour ne pas mourir d’ennui sur place. La frontière est à deux pas, semble-t-il. Un peu dans l’arrière-pays, mais bon, à tous égards près de la mer. Une femme aux cheveux d’un noir de jais fait stopper le car. Jacky constate juste à temps qu’elle se trouve à l’arrêt où il veut descendre. Pendant que les portes se referment en sifflant et qu’il affronte de nouveau le froid, il voit la femme prendre sa place. Elle le regarde fixement. Ses sourcils soigneusement épilés – presque une élégante provocation comparée au maquillage des autres femmes du coin – sont d’une émouvante beauté. Il la fixe à son tour. Il ne l’a jamais vue et pourtant il lit dans ses yeux ce qu’indubitablement elle lit dans les siens : une reconnaissance. Et puis le car file, à droite de la frontière, retourne en France.

Le poste frontière est abandonné. Les quelques petits bâtiments délabrés qui s’y trouvent semblent abriter des souvenirs de la Belgique et de la France difficiles à  vendre. Un incendie a dû se produire, après quoi personne n’a pris la peine de réparer les dommages. Et la mer est soudain très loin. Une réserve naturelle bordée de fil de fer barbelé, où ne se manifeste aucune trace de vie, relègue l’eau hors de la vue. Jacky emprunte, en direction de La Panne,  une voie qui n’est pas destinée aux promeneurs. Il se met à pleuvoir. La femme du car … elle ne veut pas lui sortir de la tête. Il y eut une nuit à Ostende, dans une chambre d’hôtel et dans cet endroit plutôt miteux, un lit branlant, prêt à s’effondrer. Il venait de rendre visite à sa mère et, derrière son dos, il avait pris une chambre d’hôtel. Il espérait pouvoir l’observer de loin, le lendemain, dans son nouveau biotope. Mais quand il fut allongé sur ce lit d’hôtel et s’imagina comment il allait l’épier dans cette ville insaisissable et donc inspirant la méfiance, quelque chose craqua en lui. Le noir envahit toutes formes de pensées et les murs de la chambre l’enfermèrent. Les choses s’arrangèrent nettement au bar du coin. Il y avait une femme … Peu importe qui avait séduit l’autre. Elle lui avait lancé un regard la première, mais c’était Jacky qui lui avait adressé la parole. Il avait aussi payé les deux premiers verres, avec un sourire de plus en plus large qui, pour une fois, ne sentait pas son théâtre d’amateurs. Il supposa qu’il était bien plus âgé qu’elle mais qu’elle s’en moquait. Le bar était évidemment trop sombre  On dansait sur de la musique soul et du disco. Et Jacky s’était déjà préparé à l’inviter à danser, au milieu d’une masse de gens ivres. Oui, même ça. Mais ils n’en eurent pas l’occasion. La femme qui avait des sourcils aussi gracieux que la femme du car voulait parler, et parler encore. Et la conversation devait être lardée d’humour et de l’expérience du monde. Là aussi, Jacky sut répondre à son attente. Tout marcha comme sur des roulettes. Quelques heures plus tard, la conversation se poursuivit dans une chambre d’hôtel, on s’embrassa, chacun tira sur les vêtements de l’autre. Elle avait une odeur différente des autres femmes avec qui il avait couché. Elle avait l’odeur d’un guerrier. Il avait surveillé sa consommation d’alcool, il avait vidé lentement son verre. Elle s’était laissée aller et pourtant elle resta précise dans tout ce qu’elle fit et prouva dans ce lit. Jacky se sentit invincible tout en sachant que c’était elle qui lui faisait cadeau de cette force. Et juste au moment où il triomphait en la dominant de tout son corps un peu usé, la pénétrait par poussées profondes, et dans l’obscurité cherchait ses yeux brillants dans l’espoir qu’elle pût lire ce qu’elle représentait pour lui à cet instant,  sa bouche murmura une requête. Il n’en crut pas ses oreilles. La voix de la femme se fit pressante, plus forte. Il finit par lever sa main. Elle criait désormais : «  Oui, frappe-moi, frappe-moi fort. » Sa main droite levée se crispa et au lieu de lui administrer une gifle il vit sa main lui serrer fortement le cou. Elle jouit. Il  jouit. Et une larme glissa sur la joue de la femme vers son poing qui lui étreignait toujours la gorge. Ensuite, comme ils avaient ouvert  la fenêtre et qu’avec des gestes plutôt gauches ils fumaient ensemble une cigarette, elle lui avait appris une phrase en hébreu. Elle lui avait dit que c’était un cadeau, cette phrase, quelque chose à marmonner quand les choses n’allaient pas comme on voulait. « Le soleil brille aujourd’hui ». On ne reste pas avec une femme comme ça, se dit Jacky tandis qu’il la regardait et répétait la phrase avec elle. Car une femme comme ça obtient ce qu’elle demande et sinon, elle se fond dans la nuit.

La pluie. La promenade. Jacky est trempé jusqu’aux os. Au bout de la voie brille la lumière rouge d’une enseigne au néon avec les lettres «  Moeder Lambic ». L’établissement lui-même est seulement ouvert pendant le week-end. Jacky a faim et lâche un juron. A gauche de la voie il y a un arrêt de tram. Il faut qu’il reprenne immédiatement le tram du littoral, qu’il retourne immédiatement  à Ostende. Il y a longtemps qu’il n’avait pas été aussi seul avec ses pensées. La promenade lui paraît absurde maintenant. Il va s’asseoir sur le banc en maille d’acier et il ferme les yeux. Derrière son dos fatigué se trouve un bois, et à côté un cimetière. La côte n’a pas été inventée pour qu’on y déambule en solitaire, en dehors de la période estivale. Tout fait penser à un décor pour personnages qui errent sans but. Il entend que quelqu’un vient se planter à côté de lui. Ce n’est pas un personnage qui erre sans but. C’est l’homme qui l’a traité de «  crétin », deux heures plus tôt, sur la plage. Jacky regarde discrètement et calmement autour de lui dans l’espoir d’apercevoir des congénères dans les parages. Espoir vain. L’homme respire tranquillement mais son regard reste fixé sur Jacky. Jacky a rencontré un jour à Anvers un homme de ce genre ; c’était plutôt un jeune type, mais il avait exactement le regard de cet homme. A cette époque, le jeune gars était régulièrement arrêté par la police, après s’être jeté une première fois, la bouche écumante, sur les consommateurs de toute une terrasse de café. Personne ne sut pourquoi. Drogues ? Démence ? Souffrance ? Après une nuit passée en cellule, le gars avait pris l’habitude de retourner à la même terrasse de café et de terroriser tout le monde. C’était un fléau pour la ville, pour quiconque savoure sa bière bien fraîche au soleil, pour un homme paisible comme Jacky, au début de la cinquantaine. Et un jour, à une heure indue, au moment où l’on était sur le point de passer d’une nuit d’été bien trop chaude à un nouveau jour d’un bleu profond, le jeune gars, qui traînait dans sa rue, avait réveillé Jacky en braillant à gorge déployée. Ses paroles étaient incompréhensibles. Il était comme  un dompteur de lions sans lion, il n’y avait personne à provoquer dans la rue. La même semaine, Jacky était de nouveau tombé sur lui dans une de ces librairies d’ouvrages spiritualistes où Jacky cherchait un cadeau pour sa mère tout autant orientée vers le spiritualisme. Parmi les jeux de tarot, les encensoirs et autres gadgets ésotériques, le jeune forcené s’abîmait dans un livre, comme un homme à la recherche de la vérité qui ne lèverait même pas la main pour chasser une mouche importune. «  Maîtres de l’Extrême-Orient », tel était le titre du livre. Jacky ferma les yeux et  se revit un instant dans cette librairie, en train de respirer tranquillement et de regarder ce jeune homme qui, malgré tout,  avait trouvé sa place. Ils ont encore parlé tous les deux, le garçon et lui, et Jacky avait fait comme s’il savait tout de ce qu’il y avait à savoir sur les mystères de l’âme.
« Quelle heure est-il ? »
On peut se trouver à deux endroits à la fois. Mais il ne faut pas être interpellé par un individu dangereux, un individu dont le but est clairement de vous compliquer la vie, quelqu’un dont le but est clair, sans qu’il y eût la moindre incitation, sans un pourquoi. Quelqu’un qui attend le tram du littoral à côté de lui.
«  Je vous ai demandé quelque chose. »
Jacky ouvre les yeux et regarde fixement devant lui. Jamais Ostende n’a été aussi loin. La promenade loin de cette ville étrange perd son caractère arbitraire. Le voile est levé. Il s’agit donc d’une fuite, fuir quelque chose qu’on ne  peut fuir. La Treizième carte, aurait dit sa mère, le treizième arcane, la carte sans nom  mais en outre la carte qu’on ne peut fuir. La Treizième tente de vous apprendre l’inéluctable. La Treizième, c’est la carte avec le squelette couleur chair qui, le pied posé sur la tête tranchée d’une mère, passe sa faux dans un champ d’un noir d’encre où gisent ça et là des fragments de corps humain comme autant de graines dans une terre retournée. «  Ce n’est pas la carte de la Mort, »   lui avait un jour dit sa mère, «  beaucoup de gens interprètent cette carte de travers. »  Et Jacky était de ceux-là, il ne pouvait pas déchiffrer des signes, même après un long et patient monologue de la femme qui lui avait donné la vie.
«  Hé !  Je vous ai posé une question… »
Des rayons percent la couche de nuages. Hashemesh zorachat hayom. Le soleil brille aujourd’hui. La boucle est peut-être déjà bouclée. Jacky se lève et pousse violemment l’homme. Il chancelle contre la bordure de faible hauteur longeant le quai  Une nouvelle poussée et il tombe à la renverse par-dessus la bordure, parmi les détritus illicites et les broussailles. L’homme se tâte la tête et regarde ses doigts ensanglantés avec stupeur. Jacky saute par-dessus la bordure et se tord la cheville  En dansant sur un pied il essaie de dominer la douleur. Le type essuie la morve de sa figure et se rue sur Jacky, en hurlant comme un cochon qu’on égorge. L’étreinte des deux corps est obscène. Comme avec une femme, se dit Jacky, comme avec une femme. Ils roulent dans la boue glacée, en se labourant de leurs ongles. Un bras jaillit, une jambe se dresse. Un poing érafle un visage.
Jacky se voit saisir l’homme par ses cheveux mi-longs et le traîner vers le bois. Ce n’est pas un combat, c’est une tentative de combat.
Et pourtant  Jacky sent que sa force augmente, à chaque nouveau coup décoché par lui ou par l’autre, il sent qu’en lui également il y a quelque chose qui ne peut pas être maîtrisé. Visiblement les cinquante années écoulées n’ont pas fait de lui un vieillard. Il saisit l’homme à la gorge et lui cogne la tête à plusieurs reprises contre le sol dur. Ils soufflent l’un et l’autre bruyamment. L’homme étend les bras mais Jacky pèse de tout son poids sur lui. Puis il balance son poing serré sur une mâchoire et il entend un craquement. Dans un film un combat a un début et une fin. Mais en l’occurrence, ce n’est le cas. L’homme immobilisé sous Jacky cherche toujours à agripper et à griffer. Jacky veut crier : «  Le combat est fini! J’ai gagné ! » mais il ne sort de sa gorge qu’un son geignard. Le bruit d’un tram qui ralentit dans un tournant réveille Jacky du cauchemar de cette scène inconvenante, d’une chose qu’il faut oublier le plus vite possible. Il se redresse en titubant et administre encore, vite fait, quelques  coups de pied hargneux dans les côtes de son adversaire. Des hurlements de bête. Jacky fonce vers l’arrêt de tram. Il trébuche. Il s’effondre. Il se redresse et se laisse presque tomber dans le tram, juste avant que les portes ne se referment en sifflant. Personne ne commente ses vêtements déchirés, sa face tuméfiée, ses poings en sang. Jacky pense qu’il le doit au sourire gravé sur son visage.

Il a bu encore une pinte de bière avec l’acheteur qui venait chercher les dernières affaires de sa  mère. Une ou deux heures plus tôt, ils se trouvaient dans son petit appartement et à chaque fois que l’homme regardait Jacky, le fils à sa mère avait fait oui de la tête. Emportez. Il aurait même voulu donner son jeu de tarots. L’étui en cuir se trouvait dans la poche de son pantalon pendant tout ce temps. Mais à la fin, il oublia ce qu’il lui restait d’elle au fond de sa poche. Ils avaient bu leur verre rapidement, un rite dont ils se seraient dispensés l’un et l’autre.
Maintenant Jacky est seul.
Au Bar Lafayette.
Et il se sent plutôt bien, même si son œil enfle terriblement.
En fin de compte, ceci est un nouveau début.
Il n’a plus besoin de s’inquiéter. Ni  pour sa mère. Ni pour lui-même. Ni d’une ville comme Ostende qui lui semble presque séduisante maintenant, telle une femme couchée à ses pieds.
Et juste à cet instant il prend de nouveau une claque dans la figure.
C’est une main de femme.
Ce n’est pas Ostende.

 

Traduit du néerlandais par Annie Kroon


Annie Kroon
(1944) est traductrice littéraire néerlandais-français. Elle a, entre autres, traduit une dizaine de livres de Hella S. Haasse et des romans d’Anna Enquist, Lucette ter Borg, Tomas Lieske, Joseph Pearce et Henk van Woerden. En 2008, elle a reçu le Prix des Phares du Nord, un prix biennal pour la traduction de littérature néerlandaise en français, remis par la ‘Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds’ [Fondation pour la production et la traduction de la littérature néerlandaise] et le ‘Vlaams Fonds voor de Letteren’ [Fonds flamand des lettres]. Kroon a reçu le prix essentiellement pour sa traduction de ‘De groten der aarde of Bentinck tegen Bentinck’, en français: Madame Bentinck, l'indiscrète. Ce livre est paru auprès des Editions du Seuil.

 

Lu à haute voix par Alain Louis

Download de ePub-versie Print

Another cheek

Ostend, Bar Lafayette, during the month of November.
Jacky has just ordered a Black Label with one ice cube and has found a seat right opposite the DJ. He sniffs his drink and takes a sip. And then it happens. Someone slaps him in the face. It’s completely unexpected. Even before he can feel that burning sensation where fingers have left their imprint on his face, the door to the bar closes. Also with a slam. He hears it, but doesn’t see anything. Maybe the back of someone, but whether it was a man or a woman… Perhaps conversation in the overcrowded bar died for a moment, but even that Jacky isn’t sure of. No one seems to be really bothered about it. A moment later the bar buzzes with conversation again. Then it starts to hurt. It was one hell of a slap. Whoever hit him was wearing a ring, maybe even two. Jacky feels his cheek burning. Something warm and wet trickles down it. Blood? Bar Lafayette is not a very large bar. With a single glance you can take in everything and everyone who’s there. No one reacts, so Jacky also acts as if there’s nothing out of the ordinary going on. He takes a tissue out of his pocket and holds it against the wound. He looks at the blood; there isn’t much. He takes a large gulp of whisky. The alcohol doesn’t banish the shame.
Jacky got slapped.
Jacky is a victim.
Jacky doesn’t know why.

The last time he’d spoken to his mother Jacky had also used that same word. He hadn’t to ask her any questions but simply to listen. However, she’d talked about all sorts of things. She found the people here very friendly. After all, eating a lot of fish is very healthy. And here too they were genuinely interested in everything she had to say about tarot. Here too… so that meant that also in Antwerp there had been people who had understood her obsession for tarot. So, why Ostend, mother? Why?
She had turned her eyes to the sea and let the question die a natural death.
Neither was there any genuine interest behind his asking ‘why’. They both knew that. There was reproach in his ‘why’.
After a moment of silence he had expressed his concern. It was the last card he had to play. ‘In this town there’s…’ he’d said. At that moment something world shocking should have followed, something that hopefully should have scared her to death. But nothing came.
He felt despair overtaking him because the words just wouldn’t come out and brought on a trembling deep inside him, though not with her.
She had looked at him when she was sure that he’d run out of words.
And she had held his hand for a moment and squeezed it.
No more than that. The sound of seagulls, yes. There was that.

The day after the slap he takes the tram in a south-westerly direction, to De Panne, the farthest away point on the Belgian coast. It’s cold. Great. That’ll justify the scarf he has wrapped around his face to hide the reddish blue bruise on his cheek. He gets off in the town centre and two minutes later he’s on the beach. With the wind in his back, like a child he walks in the direction of France. Various sorts of seagulls, one sort more hideous than another, huddle together, each group about a hundred metres away from the other, each a white spot nearly at the tide mark. When he approaches them they become uneasy, first pattering towards the sea and then spreading their wings, flying away from Jacky. The world, according to Jacky, is too comfortable for man. He or she is treated with too much respect. The combined strength of thirty seagull bills could peck Jacky to pieces in the bat of an eye. No one would be able to help him. No dog out for a walk with its master, no brigade of rescue workers, no one could withstand such an onslaught.

He should have seen that blow in the bar coming. No, not in the short-term and not supposing one should limit oneself to the time and space of the event. But in the event people, like Jacky is now doing, understand their lives in one given moment, the blow was inevitable, being the blow that Jacky had always expected on the playground from the time he was in primary school. Time and again danger threatened and time and again Jacky had got out of it with the gift of the word. And yet he always knew that sometime he’d be presented with the bill, he always knew after the umpteenth time he’d been able to save his skin. Something sticks to everyone who has never received a blow in their life. It’s called expectation. It’s called destiny. In the staging of everyone’s life, with the gods and goddesses as a collective of dramaturges, there exists a counterpoint. He or she who saves themselves by talking knows deep down inside that a moment will come when talking falls hopelessly short of the mark. It’s only a question of time for he or she who never stop talking before a hefty blow shuts them up for a while. Before the blow, Jacky felt ever-unprotected and now at the age of fifty he feels freed of a burden that never seemed to weigh heavily just as long as his words were there to help him. It is in fact ironic that this had to happen now, precisely in Ostend, a city that out of sheer necessity he had tainted with his own anxiety. However, at the same time it’s exactly that that is reassuring. There is a logic behind the thought that he received the blow as an answer to the fear, as if it was the town itself that delivered the blow. With a somewhat lighter step he continues on towards France, crossing the border of his own impotence. Hashemesh zorachat hayom. The sun shines today.

‘Mummy’s looking in your eyes, boy.’ It could be the north east wind that is whispering this phrase in his ear. It’s impossible that the regularity of his crunching footsteps just happen to set these six words to a rhythm. And yet it could have been whispered to him by the gurgling of the blood in his head; a phrase that has always been there but that he has only now received. Mummy’s looking in your eyes, boy. Jacky rarely if ever uses the word ‘mummy’. Nevertheless, the phrase leads him to being suddenly scared of his self-imposed walk. She is there, with him. That’s what these footsteps are for. She is with him. One never knows what walking is really good for, does one? It all starts with a vague desire to be healthy. One hopes for a reward afterwards, perhaps nothing more than a sigh of relief at the end.  The first step is the easiest. However, when you start imagining things in the middle of a walk – and this imagination keeps cropping up after so many steps on the beach – then you need a strong will not to make an about turn. You have to be able to persevere to allow the walk to extend in time, past every element, past every possible weariness, past the fear of never being able to return on one’s own steam. Mummy’s looking you in the eye, boy. It sounds like the stroke of a head that continues down your backbone, there where nerve ends meet one another. Be courageous. Go further than you’ve ever gone, Jacky. Walk away from Ostend, the city your mother chose above any other, even above Antwerp, where she brought you up behind her haberdashery shop that even seemed old-fashioned when you were a little boy. A mother who grows older desires the companionship of her children. But she did exactly the opposite. An unexpected inheritance stirred her into action. She sold up and moved to the coastal town that – as he always said – ‘held a big secret’. And there you were, Jacky, lost for words. Was it relief that you felt? Was your concern really meant? She didn’t even allow you to take charge of her move. All of a sudden, she’d left. The elderly ought not to do things like that. The older she became, the less looking after she seemed to need. It all seemed like some private joke from which you were excluded. Walk on. Who knows, maybe you’ll get to Brittany on foot. Who knows, even further. ‘Mummy is looking in your eyes, boy.’ Now he says the phrase out loud. He shouldn’t have done that, because saying the phrase changes everything. The words in his head and the words that finally inexorably escape his lips differ dramatically. Unspoken words retain their innocence. Spoken words take you inevitably to another place and to other thoughts that only appear to rhyme. The horror stories with which the world surrounds itself, which Jacky is regularly unable to resist, emerge at the word ‘mummy’. How many times had he read or from his armchair watched how a horribly injured soldier, crazed with pain, called out to his mother when the ends is nearing, a final SOS to the only transmitter that can receive his signal? And each time he reads something like that, Jacky sees a mother like that in front of him who starts out of her sleep and feels about for the alarm clock confusedly. Mummy is looking you in your eyes, boy. And in those eyes she sees – or that’s what people say – everything. You can’t hide any lies from her.  You are the transmitter, she is the receiver, past the frontiers of death. If she could see him now, walking on the beach, with a scarf tied around a swollen jaw… She brought him up and she left him. That was what she wanted to make clear when she opted for an apartment in Ostend. He hadn’t even begun to talk about an old people’s home, although he had collected together some brochures from these type of institutions and put them in a file; ready to show to her, possibly after an unfortunate fall on the pavement, an attack of dementia, a sudden lack of caring for herself.
Early memories of Jacky, perhaps the very earliest: his mother who seemed to tower high above him while he lay helplessly on one or other plastic cushion, not quite thrashing about under her determined hands. His father was invariably there in the background: small and friendly, too soft for this world and dead much too early. And from the memory of a comfortable cocoon comes the realisation that he is still dependent, as if nothing has happened, as if he has never known any form of evolution. It is a dependence on the world that surrounds him, a few decades later, and in which he still thrashes about on a cushion, now without a mother.

‘Idiot!’
It’s a weekday. More walkers have joined him on the beach. Probably unemployed and senior citizens, whether or not accompanied by dog or even a pack of dogs. One of them has noticed him, has walked towards him with a determined step, and now says this, not too loud, but loud enough to horrify Jacky.
‘Idiot!’
The man, Jacky reckons, is in his thirties. He’s too lightly dressed for the time of year. He has a cold sore. Even before Jacky can react, the man is behind him again. He hears ‘idiot’ a few more times, to the left and behind him, towards the dunes. Jacky doesn’t dare turn around and continues on at a brisk pace, his fast becoming sweaty back tensed for a possible attack. But nothing happens.

Bray-Dunes is unarguably French. There’s nothing open on the promenade and the parked cars appear to belong to the dead. Jacky follows a sign to the town centre. A young woman passes him loaded down with two heavily-laden shopping bags. She doesn’t even glance at him. A brand new scheduled service bus comes towards him. It’s on its way to the border. Attached to Jacky’s back, bang in the middle of his shoulder blades, is a cable that is pulling at him. Even the leafless branches of the trees all seem to point towards Ostend. Turn back, Jacky. His footsteps become heavier. His body, sturdy and not accustomed to a lot of physical exercise, clearly tells him that returning on foot is not an option any more. One could hardly call it a town centre. However, two women, smoking outside a hairdresser’s, do look at him. There’s nothing here, what are you doing here, you’ve strayed, you’re throwing the whole community off balance. Things remain unsaid, but the narrow-minded pulls on their cigarette leave no doubt as to the meaning. Look, a ‘bar Tabac’. And open too, would you believe it. His order for a cup of coffee is taken with a friendly if routine gesture. People leaf through magazines. Here and there tickets litter the floor. A little bit further on is a room that basically looks like a living-room. Jacky takes his coffee and goes and sits right at the back so that no one will notice the bruise on his face once he’s taken off his scarf. A plasma screen shows basically soundless horse racing. A young man cleans Jacky’s table and asks where he’s from. Without looking at him he answers the question. The young man picks up the string of a forgotten tea bag between thumb and forefinger and says: ‘We never seem to get to Ostend’.

With the taste of the coffee still in his mouth he hails the next bus. He tries to see where they’re going while the bus driver throws the bus into the bends and slams to a halt every other minute for tight-lipped locals, all determined not to succumb to boredom on the spot. Apparently the border is just around the corner. A little bit inland, but who cares: certainly near to the sea. A raven-haired woman hails the bus. Just in time, Jacky realises that she’s waiting at his final destination. While the doors hiss shut and he once again prepares to defy the chill, he sees the woman taking the seat he’d just vacated. She stares at him. Her elegant depilated eyebrows – nearly a provocation in elegance compared to the make-up of her fellow countrywomen - are touchingly beautiful. He stares back. Although he’s never seen her before, he sees in her eyes the same as what she undoubtedly sees in his; recognition. Then the bus swishes away, to the right of the border and back into France.

The border-crossing is deserted. The few dilapidated buildings that still stand there seem to house memories that remind one little of Belgium or France. A fire must have raged here once, after which no one bothered to repair the damage. And now the sea is far away. Enclosed by barbed wire, a nature reserve where no life prevails hides the sea from sight. Jacky starts off walking in the direction of De Panne taking a route that no one would expect walkers to take. It starts to rain. The woman in the bus… Jacky can’t get her image out his mind. There was a night in an Ostend hotel room and in that rather shabby room a bed that shook, ready to give up the ghost. He’d just visited his mother and had booked a hotel room for himself behind her back. The day afterwards he hoped to spy on her from a distance in her new biotope. However, lying on his hotel bed and imagining how he would spy on her in this incomprehensible and therefore not to be trusted town, something snapped. Gloom also took over his thoughts and the walls of the room hemmed him in. The bar around the corner made up for a lot. A woman was sitting there… It’s unimportant who had picked up whom then. She glanced up at him first, but it was Jacky who had broken the ice. He’d also paid for the first two rounds of drinks, his smile getting ever broader and for once didn’t feel as if it was put on. He assumed that he was much older than she was and that it didn’t seem to bother her. The bar was probably too dark anyway. People danced to soul and disco music. In fact Jacky was about to ask her for a dance in the middle of the drunken mass of people. But they never did get to dance. The woman who had equally elegant eyebrows as the woman on the bus wanted to talk, wanted to talk a lot. And the conversation had to be garnished with a lot of humour and worldly wisdom. Jacky proved a match for her. The whole thing was quite painless. A few hours later the conversation continued in a hotel room and there was kissing and clothes pulled off. She smelled differently than the women he’d already been with. She smelled as a warrior. He had watched his intake of alcohol, he had drunk slowly. She’d let herself go and yet she remained very aware of everything she did and showed in that bed. Jacky felt supreme, yet at the same time knew that it was she who gave him that strength as a gift. And just at the moment when his somewhat weather-beaten body triumphed high above her, thrust deep inside her, and in the darkness searched for her glowing eyes in the hope that she could read what she meant to him at that moment, her mouth mumbled a request. He couldn’t believe what he heard. Her voice became more coercive, louder. Finally, he raised his hand. Now she shouted: ‘Yes, hit me, hit me hard.’ His raised right hand contorted and instead of a blow he saw how his hand tightened around her neck. She came. He came. And a tear rolled down her cheek towards his fist that still had a tight grip on her neck. When once they had opened the window and were rather clumsily smoking a cigarette, she taught him a phrase in Hebrew. She had told him that the phrase was a gift, something to murmur when things weren’t going the way you wanted. The sun shines today. You don’t stay with this sort of woman, thought Jacky as he looked at her and tried to repeat the phrase with her. A woman like that always gets what she asks for and if not, she disappears into the night.

The rain. The walk. Jacky is getting soaking wet. At the end of the road the letters ‘Moeder Lambic’ are illuminated in red neon lights. The business is only open during the weekend. Jacky’s hungry and curses. To the left of the road there’s a tram stop. Take the first one that comes and get back as fast as possible to Ostend. It’s been a long time since he was so alone was with his thoughts. The walk now seems such a stupid idea. He goes over and sits on the latticed bench and closes his eyes. Behind his weary back is a wood and next to it a cemetery. The coastal region isn’t really the place to wander around alone out of summer season. The whole place gives an impression of a decor for aimless characters. He hears someone come up and stand next to him. This is not an aimless character. This is the man who two hours previously had called him an ‘idiot’ on the beach. Discreetly, taking his time, Jacky looks around to see if there are any other living souls to be seen nearby. A vain hope. The man breathes gently, though he continues to stare at him. Jacky once knew such a man in Antwerp; he was more a youth, but he had exactly the same look as this man. The youth used to get picked up by the police on a regular basis after, frothing at the mouth, he had let fly at everyone at a sidewalk café. Nobody knew why. Drugs? Insanity? Pain? After a night in jail the youth used to return to the same sidewalk café and start to terrorise everyone all over again. He was the scourge of the city for everyone who enjoyed a cold beer on a sunny afternoon, for a calm man in his early fifties like Jacky. And once, at an unseemly hour, when a much too hot summer night was about to turn into yet another deep blue day again, the youth had rudely awakened Jacky by pacing up and down his street shouting at the top of his voice. What he said was unintelligible. He was like a lion tamer without a lion, with no one to challenge any more on the street. That same week Jacky had bumped into him again in one or other spiritual bookshop where Jacky was looking for a present for his equally spiritually-inspired mother. Between the tarot cards, incense burners and other esoteric rubbish sat the young bully sunk into a book like a truth-seeker who wouldn’t even raise a hand against an annoying fly. Masters of the Far East, that was the book’s name. Jacky closes his eyes and is back for a moment in the bookshop, breathing quietly and looking at a young man who obviously had found his spot. They chatted to one another, he and the young man, and Jacky acted as if he knew everything there was to know about the mysteries of the soul.
‘What’s the time?’
You can be in two places at once. But then you shouldn’t be spoken to by someone dangerous, someone whose aim is clearly to make your life difficult, someone whose aim is clear, without any viable reason at all, without even a why. Someone who is standing next to him waiting for the coastal tram.
‘I asked you something.’
Jacky opens his eyes and looks straight ahead. Ostend was never so far away. The walk away from this strange town loses its aimlessness. The veil is lifted. It appears to be an escape, an escape from which there’s no escaping. Tarot card 13, his mother would have said, tarot card 13, the nameless card, but also the card that you cannot escape from. Thirteen endeavours to teach you the insurmountableness of things. Thirteen is the card with the flesh-coloured skeleton that leans with its foot on the decapitated head of a mother while his scythe works over a jet-black field where here and there limbs lie like rooted up seeds. ‘It is not the card of Death,’ his mother had once told him, ‘a lot of people misconstrue this card.’ One of the many people had been Jacky who couldn’t read signs, even after a long, dogged monologue from the woman who had born him into this world.
‘Hello! I asked you something…’
Shafts of sunlight break through the clouds. Hashemesh zorachat hayom. The sun shines today. Perhaps we’ve come full circle. Jacky stands up and gives the man a hefty shove. He staggers against the low fence of the platform. One more push and the man tumbles over the fence between the strewn rubbish and bushes. The man feels his head and looks in disbelief at his blood-stained fingers. Jacky jumps over the fence spraining his ankle in the process. Hopping on one foot he tries to counteract the pain. The man wipes the snot from his face and lunges at Jacky, screaming like a stuck pig. The intimacy of the two bodies against each other is disgusting. Like with a woman, thinks Jacky, like with a woman. They roll, scrabbling in the freezing mud. An arm shoots out. A leg in the air. A punch grazes someone’s face.
Jackie sees how he grabs the man by his half-long hair and how he drags him into the wood.
This isn’t a fight, it’s a poor imitation.
And yet Jacky feels at every punch, either his or given by the other man, that his strength is growing, that there’s something lurking within him that cannot be controlled. Apparently his fifty years on this earth haven’t made him into an old man. He grabs the man by the throat and bangs his head a few times on the frozen ground. They both sniffle. The man lashes out with his arms but Jacky uses all his strength to push him down. Then he lands a hard punch on the man’s jawbone and hears a crack. In a movie a fight has a beginning and an end. But not here. The man continues to grope around and claw under the weight of Jacky’s body. ‘The fight is over! I’ve won!’ Jacky wants to shout. But all he squeezes outs of his throat is a wail. The sound of a tram slowing down in a bend brings Jacky back to earth from this unseemly episode, from something that needs to be forgotten as quickly as possible. He scrambles upright and quickly gives the man a few nasty kicks in the ribs. Animal shrieks. Jacky runs helter-skelter to the tram stop. He trips. He collapses. He gets up again and practically falls into the tram, just before the doors close with a hiss. No one says a word about his torn clothes, his battered face, his bloodied fists. Jacky reckons it must be because of the smile that’s etched on his face.

He’d drunk a beer with the man who’d come to buy up what remained of his mother’s things. An hour or two ago they’d stood in her apartment and each time the man looked at Jacky, this son of his mother had nodded. Take it with you. He even wanted him to take her tarot cards. The leather holder had been in his trouser pocket the whole time. In the end he forgot what he still had on him. Hastily, they’d drunk their beer, a ritual neither of them had any interest in.
Now Jacky’s sitting alone.
In Bar Lafayette.
And he doesn’t feel bad, even though his eye is starting to swell badly.
This is, after all, a new beginning.
He doesn’t have to be concerned any longer. Not for his mother. Not for himself. Not for a town like Ostend that now nearly appears sweet, like a woman who lies at his feet.
And just at that moment he gets another slap in his face.
It is a woman’s hand.
It isn’t Ostend.

 

Translated  by Simon Shrimpton-Smith


A post-war virgo, Simon Shrimpton-Smith came to Belgium for a weekend thirty-odd years ago, and has never looked back since. His interest in language and languages led him, after a career in music publishing, to become self-employed in 1988 as a English voice-over, translator and subtitler, primarily in the audiovisual sector, though he also works for the national broadcaster (VRT) and other networks. “The joy of reading is only more enhanced when it is one’s own translation, be it a story, documentary or corporate script”.

 

Podcast read by Simon Shrimpton-Smith