De weg van de mier

Anna Luyten

Anna Luyten

Anna Luyten studeerde filosofie, toegepaste literatuurwetenschappen en theaterwetenschappen. Zij begon haar schrijversloopbaan als journaliste bij de Morgen en naast gastredacteurschappen voor NRC Handelsblad en Trouw werkte ze sindsdien voor Knack Weekend en De Standaard, waarvoor ze diepgravende interviews en reportages maakte. Momenteel is zij gastprofessor kunstfilosofie in The School of Arts in Gent en werkt - onder andere - aan een literaire non-fictieroman.

Close

Boekarest Alle citybooks

Download de ePub-versie Print

De weg van de mier

© Brecht Evens, De Morgen

De weg van de Mier en een interview met Anna Luyten werden op 1 augustus 2012 gepubliceerd als speciale bijlage in De Morgen. (download pdf)

 


Anna Luyten volgt in Boekarest De weg van de mier: ze stapt in de Dacia van een onbekende man die vol wroeging terugkijkt op zijn leven. Haar Roemeense chauffeur mist zijn geliefde, die ten tijde van Ceauşescu zwemmend de Donau overstak om aan het regime te ontsnappen. ‘Ik zag een stad: wegzinkend in grote dromen, warm in kleine gebaren, onverschillig en armetierig, open en omarmend.’

 


Het vooruitduwen van het hoofd. Het stampen met de voeten, het rollen van de schouders, het stoten met het bekken. Hij had er lang naar gekeken, hoe de vrouw dat deed. Dat zei hij. Een mens kruipt over zijn verleden als een mug, prikkend, bloedzuigend, klaar om doodgeslagen te worden.

Hij liet de tijd jeuken.

‘De paden van mijn onrust, ik kan ze u op Google Earth aanwijzen,’ zei hij.

‘Neen,’ zei ik, ‘wij bezoeken ze.’

Ik stapte in zijn auto. Het alarm van zijn Dacia Duster ging af. Hij is met mij weggereden. De man die terugkeek op zichzelf volgde zijn geheugen. Er was geen routeplanner. Op de kaart van Boekarest kleurde ik de wegen in. Nu lijkt het alsof er op het stadsplan een mier getekend staat.

‘Mieren zijn een groep van kolonie-vormende sociale insecten, die behoren tot de orde van vliesvleugeligen (Hymenoptera). Mieren hebben zich kunnen aanpassen aan zeer verschillende leefomgevingen; waar ze voorkomen zijn mieren de dominante levensvorm op de bodem. Geschat wordt dat de totale biomassa van mieren groter is dan die van alle andere dierensoorten op aarde. Omdat mieren overal ter wereld voorkomen (behalve Antarctica), zijn ze één van de succesvolste diergroepen. Vele mierensoorten bouwen het nest in de bodem of in holle bomen, andere spinnen bladeren aan elkaar om een nest te maken, weer andere leven in spleten tussen rotsen.’ (bron: Wikipedia, Mieren)

Wij spraken af op een plein.

 

*


Er zijn oude beelden waarmee een mens naar Boekarest vertrekt. Kerstdag 1989: twee lijken tegen de stoeprand van een Roemeense kazerne. De man draagt een donker kostuum en een zwarte bontmuts. De vrouw draagt een witte jas, haar bloed loopt als een trage rivier uit haar hoofd. Haar man ligt met de knieën open op het beton, zijn bekken naar de hemel gericht. Nicolae en Elena Ceaușescu. Het is alsof het hoofd van de dictator te veel woog om een knieval te overleven.

Er zijn woorden die blijven hangen. ‘Niet doen kinderen, ik ben jullie moedertje,’ zegt Elena voor haar executie. 1989: of hoe een mens door een terdoodveroordeling wordt teruggeworpen in zijn jeugd. De jongen die Elena’s handen vastbindt, had dezelfde leeftijd als ik, toen. Een jonge twintiger. Elena blaft, ze bijt van zich af. ‘Raak me niet aan. Bind ons niet vast.’ De jongen bindt een wit koord om haar polsen. ‘Verneder ons niet zo.’ Even later komt de kogelregen.

Ik luisterde in die tijd naar Einstürzende Neubauten.

Die dag werd in Boekarest een Belgische collega-journalist doodgeschoten. Hij was even oud als ik nu ben.

 

*


Ik had nog nooit de twijfel op het gezicht van een dictator gezien. En opeens was het op televisie, live, een rechtstreekse uitzending van ontzetting. Hij was 24 jaar lang gewend geweest aan applaus, hij stond voor zes microfoons, hij keek naar honderdduizend mensen die zijn beeltenis en een foto van zijn vrouw in de lucht staken. Op 21 december 1989 stonden ze nog op het balkon van het gebouw van het centraal comité.

Ceaușescu: ‘Kameraden, mijn oprechte, revolutionaire wensen aan alle inwoners van Boekarest. Ik dank de initiatiefnemers en de organisatoren van deze grote demonstratie.’ Toen viel zijn mond open. Zijn rechterhand wuifde niet meer maar weifelde. Het was alsof er een steen in een spiegel werd gegooid. ‘Wie is er aan het schieten?’ Ze dringen het gebouw binnen. ‘Een aardbeving of wat?’

Hij bleef op het balkon staan. De tv-beelden vielen uit. In het geruis was twintig keer na elkaar te horen hoe de man die stalinistischer dan Stalin werd genoemd, zichzelf herhaalde: ‘Blijf kalm. Blijf kalm, blijf kalm, kameraden. Blijf kalm.’

Hij scandeerde zijn eigen angst. Het weergalmde.

Hij zei nog dat de pensioenen omhoog zouden gaan. Hij plakte woorden als ‘waarborg’ en ‘integriteit’ in een zin samen. En hij zei: ‘Het is beter te sterven in de strijd dan slaaf te worden op onze oude grond.’ Toen kwam een helikopter hem ophalen.

De massa schreeuwde: ‘Olé Olé Olé, Ceaușescu passé!’. Op het oude plein, waarop die dag de oprechte, revolutionaire wensen waren uitgesproken, op die oude grond, stierven meer dan duizend burgers. Hoe en waarheen hun bloed stroomde weet niemand.

*

En dan, 22 jaar later ontmoet ik iemand die zegt: ‘Ik heb me ingegraven in de bodem, als een paling.’

Ik zeg: ‘Men zegt dat uit de huidige gemoedstoestand van een man zijn vroegere daden af te leiden zijn.’

Hij zegt: ‘Ik had het anders moeten doen.’

 

*


Zo gebeurde het dus dat ik de man die terugkeek naar zichzelf tegenkwam. Hij stond op het Plein van de Revolutie, voor de centrale academische bibliotheek.

In de jaren zeventig had hij dagelijks de lange tocht naar de bibliotheek gemaakt. Te voet. Hij kwam er om te lezen. Hij was geboren in Transsylvanië. Waar nu het Radisson Hotel staat, ging hij naar een koffiehuis. De boeken die hij toen gelezen heeft, zijn tijdens de revolutie van ’89 uit de ramen gegooid en verbrand. ‘Toen ik hier na de revolutie aankwam, lagen op de grond vijfhonderdduizend boeken en bijna vierduizend manuscripten te smeulen.’

Hij parkeerde zijn auto voor het Hilton, een gebouw uit 1916, waar hij in de jaren tachtig in de bar Americain vele buitenlandse journalisten had ontmoet. ‘Op deze parking vond de explosie plaats die het volk tijdens de toespraak van Ceaușescu zo deed opschrikken.’ Hij wees naar het Ateneu, het concertgebouw waarvoor de burgers van Roemenië in de negentiende eeuw geld hadden samengelegd. ‘Geef een leu voor het Ateneu...’ Hij sprak slogans uit een andere tijd.

In de muren van het kunstmuseum, gehuisvest in het vroegere koninklijk paleis, zaten nog kogelgaten van in 1989. Ook die toonde hij. Het museum was inmiddels gerestaureerd. De man die – zoals ieder mens – een museum huisvestte, wist dat een mens niet te restaureren is. Hij had het wel geprobeerd. ‘Ik ben vier keer getrouwd geweest,’ zei hij. ‘Nu woon ik alleen met mijn achtjarige adoptiezoon in een groot huis, diep in een bos ten noorden van Boekarest.’

‘Er zijn vele manieren om een bruidsjurk te vernietigen. Een ervan is de mot er in te laten kruipen’, zei ik.

Toen ben ik in de Dacia gestapt.

 

*


Nu rijden we over de lange Laan van de Overwinning. Hij toont me de theaters en het gebouw van de redactie waar hij, plattelandsjongen, in de jaren zeventig, zijn werk als verslaggever voor een studentenmagazine is begonnen. ‘Vanuit een van de ramen konden alle redacteurs recht in die tuin kijken.’ De tuin is langs de straatkant verborgen achter een hoge muur. ‘In de zomer lag in die tuin dagelijks een vrouw in de zon. Ze had prachtig lang haar. Ze ging zelden de straat op. Ze was teruggetrokken. Op een dag zei iemand mij: “Die vrouw was ooit de vrouw van keizer Bokassa. Het is Gabriella Bokassa die daar zit.” De befaamde blonde met de groene ogen.’

Gabriella Drimbo was de twaalfde van de zevenendertig vrouwen van Jean-Bédel Bokassa. De keizer van de Centraal-Afrikaanse Republiek had haar tijdens een bezoek aan zijn vriend Ceauşescu in een club in Boekarest zien dansen. Hij was onmiddellijk verliefd geworden. Ze woonde als een levende legende in Bangui. Haar seksleven zou buitensporig uitbundig zijn geweest en kostte het leven aan verschillende mannen toen Bokassa haar bedgeheimen ontdekte. Eind jaren zeventig was ze uit het paleis dat de ooit verliefde keizer voor haar had gebouwd verbannen, gevlucht of beide. ‘Ze meed iedereen,’ zegt de man die in Boekarest iedere zomerdag naar haar eenzaamheid had gekeken.

Hij rijdt naar de plek waar hij met zijn eerste vrouw had gewoond, de plek waar hij als pas afgestudeerde jongen met zijn meisje het geluk had gezocht. Ik zie hoe nu langs de weg bouwprojecten groeien. ‘Corruptie’, zegt de man. Ik zie de grote reclameborden voor H&M-kleding. Ik zie een shoppingcenter. ‘Op deze plek wilde Ceauşescu voor de arbeiders een communistische kantine van drieduizend vierkante meter laten bouwen. Iedereen kon er komen eten, zodat er in de huishoudens minder elektriciteit nodig was’, zegt de man. ‘Het project raakte niet af. Turken hebben het gebouw opgekocht en er een winkelpaleis van gemaakt.’ Op de hoek van de boulevard lijkt het alsof jaren geleden alle bouwvakkers zijn gevlucht uit een groot gebouw. ‘Dit moest de nationale bibliotheek van Ceauşescu worden.’

De man stopt voor een oud complex. Hier had hij in de stad voor het eerst zijn nest gevonden. ‘Het waren de oude stallingen voor de paarden van de keizer,’ zegt hij. ‘De huizen voor de infanteristen werden omgebouwd tot studentenkamers. Hier groeiden mijn dromen.’ Hij wijst naar het raam op de tweede verdieping waarachter hij altijd gewoond had. ‘Aan de overkant van het huis was een kraamkliniek.’ Hij herinnert zich het gekrijs van vrouwen in barensweeën en kinderen die op de wereld kwamen. Hij had gezien hoe de hele wijk rondom hem gesloopt werd omdat de Roemeense president er een paleis wilde bouwen. Hij herinnert zich ook nog het geluid van de boren in het beton, dag en nacht. ‘Want er moest een ondergrondse tunnel naar het paleis komen.’

Het paleis zou het Huis van het Volk heten. Als een versteende megalomane droom staat het in de koude wind. Na het Pentagon het grootste gebouw ter wereld en Roemeens Parlementspaleis sinds 1994. De man wandelt rond het huis dat vroeger de kraamkliniek was. Op het bord in een vervallen wachtruimte leest hij: ‘Dagcentrum voor verlaten straatkinderen.’ We gaan naar binnen. Een bewaker zegt: ‘Er zijn er vandaag weer vijftien binnengebracht. We desinfecteren ze.’

 

*


‘De verkeerssituatie is veranderd,’ zegt de man. We rijden verder de stad uit. Naar de wijk waar hij in de jaren tachtig woonde. Aangekomen bij een rotonde, zie ik hem twijfelen. Piața Danny Huwé. In het midden van de rotonde lees ik op de gedenkplaat de naam van de Belgische kennis die hier tijdens de revolutie door een sluipschutter werd vermoord.

‘Toen de revolutie in Boekarest uitbrak, was ik in het zuiden van Jordanië om verslag uit te brengen over de Roemeense fabrieken in het Midden-Oosten. We zagen op de telex dat het regime van Ceauşescu gevallen was. We zijn met de auto vanuit Amman teruggereden. Toen we hier aankwamen, met een koffer vol bananen, was de revolutie een feit.’

Na een korte stilte zegt hij: ‘Mensen leren nooit uit vorige revoluties. De massa leert op een bepaald moment haar kracht kennen, maar verliest haar macht weer snel. Onderschat de manipulaties tijdens revoluties niet. In alle revoluties in de geschiedenis zijn mensen opgeofferd om de zenuwen van de massa te doen ontploffen en om de wraaklust van het volk te peilen. De enigen die uit een revolutie leren, zijn zij die revoluties willen veroorzaken.’

 

*


We komen op Drumul Taberei. ‘Kampweg,’ vertaalt hij. We rijden langs allemaal dezelfde grijze woonblokken. ‘Mijn God, het is meer dan twintig jaar geleden dat ik hier nog geweest ben.’ En hij wijst het appartement waar hij ooit woonde. We kloppen aan. Niemand doet open. We bellen aan bij de buren. Zij herkennen hem na al die jaren nog. We drinken samen koffie. Op hun boekenplanken lees ik de ruggen van hun boeken: Balzac, Zola en Melville. Ze tonen de foto’s van kinderen die nu al getrouwd zijn. ‘In het huis waar u in de jaren tachtig met uw vrouw woonde, wonen nu getuigen van Jehova,’ zeggen de buren. ‘Ze doen voor niemand open.’


De man neemt afscheid van de mensen uit zijn verleden. Hij kijkt naar de huizen. ‘Uitgeleefd,’ zegt hij, alsof hij het over zichzelf heeft. Hij zegt: ‘Ik weet welke fouten ik in mijn leven heb begaan. Ik heb nooit met het regime meegedaan, maar ik heb er me ook niet tegen verzet. Ik probeerde ermee te leven. Ik had, toen ik jong en sterk was, tegen het regime moeten opkomen. Ik had toen mensen rond me moeten verzamelen. Ik had, ik had, ik had ...’

‘Ik heb,’ zegt hij en hij hapert. ‘Ik heb hier op een dag een vrouw ontmoet. Ik was bijna veertig. Ik zag haar in een van de winkels tussen de huizenblokken in Drumul Taberei. Ik was naar buiten gelopen om sigaretten, koffie en toiletpapier te kopen. Ik leefde in die tijd alleen. Ik had niet meer nodig dan sigaretten, koffie en toiletpapier. Wij zijn verliefd geworden. Nu herinner ik me de kleur van haar ogen niet meer. Op een warme zomerdag lagen we naakt naast elkaar in bed. Loom. En ze stelt me een vraag, opeens: “Doe je mee? Kom je in onze groep om het regime omver te werpen?” Ik voel nog de schok. “Ze is een spion,” dacht ik. “Ze wil me uithoren.” Het regime had ons zo in zijn greep dat dat mijn eerste gedachte was.’

‘En wat hebt u gezegd?’

‘Niets.’

‘Geen ja of geen neen?’

‘Geen antwoord geven was de enige manier. Ik heb een sigaret opgestoken. Ik begon te lachen. Maar een “ja” of een “neen” heb ik niet over mijn lippen gekregen.’

‘Toen had ik “ja” moeten zeggen,’ zegt de man. En opeens zie ik wat hem gesloopt heeft: wroeging. Gestolde wroeging.


‘Ze wilde altijd gaan zwemmen. In zwembaden of in meren, ze zwom in ieder water. Ik zwem graag, maar zij was fanatiek en geobsedeerd. Ze zwom de kilometers en de uren aan elkaar. “Ben je gek?” vroeg ik haar. “Ik zit hier maar te wachten op de oever en het boek dat ik lees is saai en jij blijft maar zwemmen.” “Ik wil ontsnappen,” zei ze.’

In die dagen, augustus 1984, begon een stuk in een Amerikaanse krant met een korte beschrijving: ‘Novi Sip. Joegoslavië. Er groeit wilde klimop rond de houten paaltjes die de anonieme graven markeren op het kerkhof van het Servische dorp Novi Sip. Hier liggen de dode Roemenen die hebben geprobeerd de Donau over te zwemmen op zoek naar de vrijheid. Sommigen zijn er in geslaagd. Maar velen werden door de grenswachters al zwemmend doodgeschoten, anderen verdronken door uitputting.’

‘Haar is het wel gelukt,’ zegt de man, drie decennia later. ‘Dat heb ik van horen zeggen. Ik had de relatie verbroken. Ik kon haar droom niet delen. Ik wilde in mijn thuisland stukjes over voetbal blijven schrijven, want zo kon ik reizen en bleef ik uit het zog van de politiek. En ik had mijn ouders nog, ik was hun enige zoon, ik kon ze hier niet alleen achterlaten. Nooit heb ik nog iets van die vrouw vernomen.’

‘En hebt u haar dan nooit gegoogeld?’

‘Ik googel geen vrouwen die ik heb bemind.’

‘Ik zou haar googelen.’

‘Ik heb het ooit bij mijn eerste vrouw gedaan. Ik heb haar gezocht onder haar meisjesnaam en vond niets. Toen heb ik haar naam gecombineerd met de naam van een man op wie ik ooit jaloers was. Zo heb ik haar gevonden. Neen. Ik googel geen vrouwen meer die ik ooit heb bemind.’

En ik kijk naar de man, in deze vreemde stad, en ik denk aan de dagen waarop hij in bed lag met een altijd zwemmende vrouw en hoe zij haar benen om hem heen had geslagen. En hoe ze zich verstrengelden. Als een octopus. Een beest met drie harten. En dat het vlees van een octopus eigenlijk te taai is om op te eten. En dat de meeste koks het beest tientallen keer op een harde ondergrond smijten om het eetbaar te maken. Maar dat het naar verluidt ook helpt het beest in te vriezen. Ik zie iets bevrorens in de man.

We verlaten de Kampweg en rijden naar de buitenste ring van de stad. Tram 41 komt voorbij. Richting Ghencea. We rijden voorbij het kerkhof met het graf van Ceauşescu en zijn vrouw. ‘Ik vluchtte vroeger altijd naar de buitenwijken van de stad,’ zegt de man. ‘Daar lag het landschap van mijn kindertijd. Daar kon ik uren in wandelen.’ We rijden door lege velden. Onverharde wegen. Armetierige huizen. ‘Het land begint hier waarde te krijgen,’ zegt de man en hij wijst de nieuwbouwprojecten en pas gebouwde kerken aan. De wilde honden komen met tientallen op de auto af. Ze blaffen hees.

 

*


Terug naar de stad, naar het noorden, de viersterrenhotels, de gloednieuwe kantoorgebouwen, de grote villa’s. ‘Hoe vaak heb ik deze weg afgelegd?’ vraagt de man hardop. Hij moet het zuiden laten bezinken. We rijden langs Arcul de Triumf. Piața Charles De Gaulles. Het is alsof we in een andere stad komen. We rijden een straat in waar tot begin 1990 niemand mocht komen. Boulevardul Primăverii. We kijken naar een lege villa, het huis waar ooit Ceauşescu woonde. We lopen naar het Floreascameer en zien dat er een gezondheidsclub is. ‘Dit was vroeger het privézwembad van Ceauşescu en zijn gevolg. Er loopt een onderaardse gang, een privétunnel van de villa naar het zwembad. Hier heeft hij in 1988 zijn laatste nieuwjaar gevierd.’ Aan de balie geeft iemand ons een reclamefolder om toe te treden tot de Club Floreasca. De zwemlessen zijn in de aanbieding.

 

*


We stoppen bij de laatste halte van tram 41. Op Piața Presei Libere, het plein van de vrije pers. Zwarte vogels vliegen over het gebouw van wat vroeger Combinatul Poligrafic Casa Scînteii ‘I.V. Stalin’ heette. We gaan langs de rechtervleugel van het gebouw naar binnen. Lange, lege gangen. Iedere twee meter een gesloten deur. De gangen komen op mij af. ‘Ik heb hier 31 jaar gewerkt en ik ben normaal gebleven,’ zegt de man en hij zucht. We gaan de trappen op, naar de tweede verdieping. Zesde deur. Rechts. Een van de vijftig deuren aan iedere kant van de gang. ‘Dit was mijn kantoor toen ik nog schreef voor Scînteia Tineretului, de krant die de standpunten van het regime verspreidde.’ Onze voetstappen klinken hol. We draaien de koperen klink van zijn kantoor om. De deur is gesloten.

‘De tristesse van lege zondagen hangt hier nog altijd. Ik draaide cassettes met operamuziek. Verdi in de buik van de propagandamachine. Vijfduizend mensen werkten hier. Dag en nacht klonk het geluid van de drukpersen. Ze dachten dat ik gek was. Ze vonden me vreemd. Dat was toen mijn redding.’ We gaan het hoofdgebouw binnen van wat vroeger het ministerie van propaganda was. Het is leeg. Hij toont een van de kantoren van een vroegere vriend. Hij blijft staan bij een brandkast. “Mijn vriend is omgekomen bij een verdacht verkeersongeval”, zegt de man. “Niemand heeft ooit de sleutel van die brandkast teruggevonden.” In de gang ligt een bananenschil op de grond. En een bruine zak van McDonald’s. We krijgen honger.

‘Wij rijden naar De Roze Slang,’ zegt de man.

 

*


Terug naar de Laan van de Overwinning, met zijn luxehotels en zijn luxeboetieks. De Roze Slang blijkt een zigeunerrestaurant. De eigenaars begroeten ons hartelijk. We gaan aan de gastentafel naast het aquarium zitten. Ik kijk naar de vissen. De man zegt: ‘Gisteren ben ik naar de opening geweest van weer een nieuwe boetiek in de stad. Ik heb teveel champagne gedronken.’ Hij legt uit hoe corrupt de stad en de politiek geworden zijn. ‘Er zijn geen solide referentiepunten meer,’ zegt hij. Iemand komt hem groeten: ‘De helft van de mensen haat mij,’ zegt hij. Ik vraag of hij ooit is nagegaan wie hem bespioneerd had. Hij antwoordt: ‘Ik wil niet neerslachtig of woedend worden door te ontdekken wat vrienden over mij gezegd hebben. Ik wil niet in een beerput kijken.’

Er wordt live gezongen. Een van de vrienden van de man komt langs. Hij is groot. Hij draagt een blauw pak en heeft een goudkleurig brilmontuur. Hij steekt zijn brede vuisten uit en zingt: ‘Ik ben de jongen van niemand.’ Een vooraanstaande zigeuner.

Ik zie een man die whisky vraagt die ouder is dan hijzelf. Hij houdt het glas in zijn hand geklemd zonder te drinken. De grote vriend geeft me een visitekaartje: ‘Nicu, de reus, Chef van het orkest. Solist.’ Boven zijn taak in het leven staat een notenbalk getekend. La do fa la fa. Nicu de reus zingt: ‘Ik stof de sterren af.’


De man die teruggekeken heeft op zijn leven, zegt: ‘Ik kom er nu steeds meer achter wat de mensen van me denken. Mijn moeder, de enige die ik vertrouwde, is dood. Het aantal getuigen van mijn leven wordt steeds kleiner. De zekerheid over wie ik ben ... U kunt mij googelen. Ik hou me sterk. Ik trek banen in het zwembad in mijn huis. Dagelijks. Ik zwem. Ik zwem.’

Ik zag een mens. Het vooruitduwen van het hoofd. Het stampen met de voeten. Het rollen van de schouders. Het stoten met het bekken.

Ik zag een stad: wegzinkend in grote dromen, warm in kleine gebaren, onverschillig en armetierig, open en omarmend. Vol nesten in de bodem en spleten in de rotsen. Een stad waar ik geen hoogte van kreeg. Onverklaarbaar, onstuimig en ik had haar lief.

 

Print

Calea furnicii

© Brecht Evens, De Morgen

The 1th of August 2012 the Belgian newspaper De Morgen published the original Dutch citybook De weg van de mier and an interview with Anna Luyten in a separate literature supplement. (download pdf)



Cum își împingea capul în față. Cum tropăia din picioare, cum își rotea umerii și-și mișca bazinul. Bărbatul se uitase îndelung la femeie și la mișcările ei. Așa a spus. Omul se târăște de-a lungul trecutului său precum un țânțar, pișcând, sugând sânge, pregătit să primească lovitura fatală. A așteptat până când timpul a început să-l macine.

— Drumurile neliniștirii mele vi le pot indica pe Google Earth, a spus el.

— Nu, am zis eu, mai bine le vizităm

M-am urcat în mașină. Alarma de la Dacia lui Duster a pornit. A plecat cu mine la drum. Bărbatul care se trecea în revistă pe sine însuși își urma memoria. Nu exista un itinerar. Eu coloram drumurile pe harta Bucureștiului. Acum mi se pare că aș fi desenat o furnică peste planul orașului.

„Furnicile sunt insecte sociale care trăiesc în colonii (mușuroaie) de până la mai multe milioane de indivizi, având o organizare a coloniilor foarte avansată pentru lumea animalelor. Fac parte din ordinul Hymenoptera. Se estimează că biomasa furnicilor este mai mare decât cea a tuturor celorlaltor tipuri de animale de pe pământ. Furnicile trăiesc pe tot cuprinsul pământului, exceptând zonele permanent înghețate ale Arcticii și Antarcticii și sunt considerate unul dintre grupurile animale cele mai reușite. Multe specii sapă cuiburi subterane care au numeroase ieșiri și tunele, altele își construiesc cuibul în copaci putreziți sau trăiesc în crăpăturile din stânci”. (adaptare după: Wikipedia, Furnică)

Ne-am dat întâlnire într-o piață.

 

 

*

 


Imaginile cuiva care pornește spre București sunt unele din trecut. Ziua de Crăciun din 1989: două cadavre sprijinite de marginea trotuarului unei unități militate românești. Bărbatul poartă un costum de culoare închisă și o căciulă neagră de blană. Femeia are o haină albă iar sângele îi şiroieşte din cap precum un pârâu domol. Soțul ei e întins pe beton cu genunchii dezgoliți și cu bazinul îndreptat spre cer. Nicolae și Elena Ceaușescu. Capul dictatorului pare să fi fost prea greu pentru a supraviețui unei plecăciuni.

Există cuvinte care-ți rămân întipărite în memorie. „Copii, nu ne legați, v-am crescut ca o mamă”, spune Elena înainte să fie executată. 1989: sau cum prin condamnarea la moarte un om poate fi azvârlit înapoi în copilărie. Băiatul care îi leagă mâinile Elenei avea aceeași vârstă ca mine la vremea respectivă. Abia împlinisem douăzeci de ani. Elena zbiară, nu se lasă călcată în picioare. „Nu mă atingeți, nu ne legați”. Băiatul îi leagă o sfoară albă în jurul încheieturilor. „Nu ne jigniți”. Ceva mai târziu urmează ploaia de gloanțe.

Pe atunci ascultam Einstürzende Neubauten.

În acea zi, la București, a fost împușcat mortal un coleg belgian, jurnalist. Avea aceeași vârstă pe care o am eu acum.

 

 

*

 


Nu mai citisem până atunci îndoiala pe fața unui dictator. Și deodată a apărut la televizor, live, o transmisiune în direct a stuporii. Timp de 24 ani fusese obișnuit cu aplauze, avea șase microfoane în față și privea o sută de mii de oameni care agitau în aer portretul lui și fotografia soției sale. Pe 21 decembrie 1989, se aflau încă pe balconul clădirii Comitetului Central.

Ceaușescu: „Tovarăși, un salut călduros, revoluționar tuturor cetățenilor municipiului București. Doresc să adresez mulțumiri inițiatorilor și organizatorilor acestei mari maniferstări populare”. Apoi a rămas cu gura căscată. Cu mâna dreaptă, nu mai saluta, ci șovăia. Aveai impresia că se aruncase cu o piatră într-o oglindă. „Cine trage?” Demonstranții pătrund în clădire. „E cutremur sau ce se întâmplă?”

El a rămas pe balcon. Imaginile televizate s-au întrerupt. În fâșâit s-a auzit de douăzeci de ori cum repeta bărbatul, care era numit mai stalinist decât Stalin: „Stați liniștiți, stați liniștiți, stai liniștiți, tovarăși, stați liniștiți”.

Își scanda propria frică. Se auzea cu ecou.

A apucat să mai spună că pensiile vor crește. A așezat cuvinte precum „garanție” și „integritate” în aceeași propoziție. Și a spus: „Mai bine luptă cu gloria deplină decât să fii sclav încă pe vechiul pământ”. Apoi l-a luat un elicopter.

Masa țipa: „Ole, ole, ole, Ceaușescu nu mai e!”. În piața străveche, în care se rostiseră în acea zi dorințe sincere, revoluționare, pe acel pământ străvechi, au murit peste o mie de cetățeni. Cum și încotro s-a vărsat sângele lor nu știe nimeni.

 

 

*

 


Iar apoi, după 22 de ani, întâlnesc un bărbat care spune:

— M-am îngropat în pământ, ca o anghilă.

Eu îi zic:

— Se spune că din starea sufletească actuală a unui bărbat se pot deduce faptele lui anterioare.

El îmi zice:

— Ar fi trebuit să procedez altfel.

 

 

*

 


Prin urmare, aşa s-a petrecut întâlnirea mea cu bărbatul care se trecea în revistă pe sine însuși. Stătea în Piața Revoluției, în fața Bibliotecii Centrale Universitare.

În anii șaptezeci, străbătuse zilnic lungul drum spre bibliotecă. Pe jos. Se ducea acolo să citească. Se născuse în Transilvania. Unde se află acum hotelul Radisson era o cafenea pe care o frecventa. Cărțile pe care le-a citit atunci au fost aruncate pe geam în timpul revoluției și arse.

— Când am ajuns aici după revoluție, am văzut pe jos cinci sute de mii de cărți și aproape patru mii de manuscrise, mocnind.

Și-a parcat mașina în fața Hotelului Hilton, o clădire din 1916, unde în anii optzeci întâlnise mulți jurnaliști străini.

— În această parcare a avut loc explozia care a speriat poporul atât de tare în timpul discursului lui Ceaușescu.

Arătă spre Ateneu, sala de concert, pentru care cetățenii României strânseseră bani în secolul nouăsprezece.

— „Dați un leu pentru Ateneu”… Relua sloganuri din vremuri apuse.

În pereții muzeului de artă, găzduit de fostul palat regal, încă se vedeau găurile gloanțelor din 1989. Și pe acelea mi le-a arătat. Muzeul fusese restaurat între timp. Bărbatul care – la fel ca oricine – găzduiește un muzeu știe că un om nu poate fi restaurat. Știe, pentru că încercase.

— Am fost căsătorit de patru ori, spuse el. Acum locuiesc singur, într-o casă mare, cu fiul meu adoptiv, în vârstă de opt ani, departe, într-o pădure la nord de București.

— O rochie de mireasă poate fi distrusă în multe feluri. De exemplu, poți să lași să fie mâncată de molii, i-am spus eu.

Apoi m-am urcat în Dacie.

 

 

*

 


Acum mergem pe lunga Cale a Victoriei. Îmi arată teatrele și clădirea redacției în care el, un băiat de la țară, și-a început activitatea, în anii șaptezeci, ca reporter la o revistă studențească.

— De la unul din geamuri, toți redactorii puteau privi direct în curte.

Dinspre stradă, curtea e ascunsă vederii de un perete înalt.

— Pe timpul verii, în fiecare zi, stătea acolo o femeie și se bronza. Avea un păr lung minunat. Ieșea rar afară. Era retrasă. Într-o zi, mi-a spus cineva: „Femeia aia a fost cândva soția împăratului Bokassa. Femeia aia e Gabriela Bokassa”. Celebra blondă cu ochi verzi.

Gabriela Drâmbă a fost cea de-a douăsprezecea din cele treizeci și șapte de soții ale lui Jean-Bédel Bokassa. Împăratul Republicii Centrafricane a văzut-o dansând într-un club din București în timpul unei vizite acordate prietenului său Ceaușescu. S-a îndrăgostit pe loc. Ea a trăit precum o legendă vie în Bangui. Se spune că viața ei sexuală ar fi fost deosebit de extravagantă și că ar fi costat viața mai multor bărbați, atunci când Bokassa a aflat de secretele ei amoroase. La sfârșitul anilor șaptezeci ar fi fost izgonită sau ar fi evadat, sau ambele, din palatul construit pentru ea de împăratul cândva îndrăgostit.

— Evita pe toată lumea, spune bărbatul care îi contemplase singurătatea în fiecare zi de vară din București.

Conduce mașina spre locul în care a locuit cu prima lui soție, locul în care, ca proaspăt absolvent, și-a încercat norocul cu iubita sa. Văd pe marginea drumului clădiri în construcție. „Corupția”, spune el. Văd panourile mari de publicitate pentru H&M. Văd un mall.

— În locul acesta, Ceaușescu voia să le construiască muncitorilor o cantină comunistă de trei mii de metri pătrați. Toată lumea urma să aibă acces la ea, astfel încât să fie nevoie de mai puțină electricitate în gospodării, spune bărbatul. Proiectul nu a fost terminat iar clădirea a fost cumpărată de turci, care au transformat-o într-un palat comercial.

În intersecție ai impresia că, acum mulți ani, toți muncitorii constructori au fugit brusc din acea clădire mare.

— Aici urma să fie biblioteca națională a lui Ceaușescu.

Bărbatul oprește în fața unui complex vechi. Aici fusese primul lui cuib din oraș.

— Aici se aflau grajdurile pentru caii împăratului, spune el. Casele infanteriștilor au fost transformate în camere de cămin. Aici au crescut visele mele.

Îmi arată geamul de la etajul doi, unde a locuit.

— Vizavi era o maternitate.

Își amintește urletele femeilor în chinurile nașterii și pe cele ale copiilor veniți pe lume. A văzut demolarea întregului cartier din jurul lui deoarece președintele român voia să construiască acolo un palat. Își mai amintește și zgomotul produs de sfredelirea betonului, zi și noapte.

— Pentru că era nevoie de un tunel subteran care să ducă la palat.

Palatul urma să se numească Casa Poporului. Ca un vis megaloman împietrit, stă în bătaia rece a vântului. Este cea mai mare clădire din lume după Pentagon și funcţionează ca Palatul Parlamentului Român din 1994. Bărbatul se plimbă prin casa în care se afla înainte maternitatea. Pe un panou din anticamera dărăpănată, citește: „Centru de zi pentru copiii străzii părăsiți”. Intrăm. Un paznic spune:

— Azi au mai adus încă cinșpe. Îi dezinfectăm.

 

 

*

 


— Situația rutieră s-a schimbat, spune bărbatul.

Ne continuăm drumul înspre ieșirea din oraș. Spre cartierul în care a locuit în anii optzeci. Ajuns la un sens giratoriu, îl văd ezitând. Piața Danny Huwé. În mijlocul sensului giratoriu, văd pe o placă memorială numele cunoștinței belgiene care a fost ucisă aici în timpul revoluției de un lunetist.

— Când a izbucnit revoluția din București, eu eram în sudul Iordaniei pentru a întocmi un raport despre fabricile românești din Orientul Mijlociu. Am văzut pe telex că regimul lui Ceaușescu căzuse. Ne-am întors cu mașina din Aman. Când am ajuns aici, cu potbagajul plin de banane, revoluția era deja un fapt împlinit.

După o scurtă pauză:

— Oamenii nu învață niciodată din revoluțiile anterioare. Masa își dă seama la un moment dat de forța sa, dar își pierde puterea la scurt timp după aceea. Nu subestimați manipulările din timpul revoluției. În toate revoluțiile din istorie au fost sacrificați oameni pentru a întinde nervii masei la maxim și pentru a stimula setea de răzbunare a poporului. Singurii care învață din revoluții sunt cei care vor să le provoace.

 

 

*

 


Ajungem în Drumul Taberei. Trecem pe lângă rânduri de blocuri gri identice.

— Dumnezeule, au trecut mai mult de douăzeci de ani de când n-am mai fost aici.

Și-mi indică apartamentul în care a locuit cândva. Batem la ușă. Nu răspunde nimeni. Sunăm la vecini. Încă îl recunosc, după atâția ani. Ne servesc cu o cafea. În bibliotecile lor citesc pe cotoarele cărților: Balzac, Zola și Melville. Ne arată fotografiile copiilor, care sunt deja căsătoriți.

— În casa în care ați locuit dumneavoastră cu soția în anii optzeci stau acum nişte martori ai lui Iehova, spun vecinii. Nu deschid ușa nimănui.


Bărbatul își ia rămas bun de la oamenii din trecutul său. Privește casele.

— Și-au trăit zilele, zice el ca și cum s-ar referi la el însuși. Mai spune: Știu ce greșeli am făcut în viață. N-am colaborat niciodată cu regimul, dar nici nu m-am împotrivit lui. Am încercat să trăiesc alături de el. Ar fi trebuit, când eram tânăr și puternic, să mă opun regimului. Atunci ar fi trebuit să strâng oameni în jurul meu. Ar fi trebuit, ar fi trebuit… Într-o…, spune el și se poticnește. Într-o zi am cunoscut aici o femeie. Aveam aproape patruzeci de ani. Am văzut-o într-o alimentară dintre blocurile din Drumul Taberei. Ieșisem să cumpăr țigări, cafea și hârtie igienică. La vremea respectivă locuiam singur. Nu aveam nevoie de nimic altceva în afară de țigări, cafea și hârtie igienică. Ne-am îndrăgostit. Acum nu-mi mai amintesc culoarea ochilor ei. Într-o zi caldă de vară stăteam goi, întinși unul lângă celălalt pe pat. Moleșiți. Și, dintr-o dată, îmi pune o întrebare: „Te implici și tu? Vii și tu în grupul nostru să răsturnăm regimul?”. Încă mai simt șocul. „E spion”, m-am gândit eu. „Vrea să mă interogheze”. Regimul pusese în așa măsură stăpânire pe noi, încât acesta a fost primul meu gând.

— Și ce-ați spus?

— Nimic.

— Nici da, nici nu?

— Singura posibilitate era să nu spun nimic. Mi-am aprins o țigară. Am început să râd. Dar nu m-am încumetat să spun „da” sau „nu”. Ar fi trebuit să spun „da”, zice bărbatul. Și deodată înţeleg ce anume l-a distrus: remușcarea. O remușcare înmărmurită.


— Mereu voia să mergem să înotăm. În piscine sau în lacuri, înota în orice tip de apă. Și mie îmi place să înot, dar ea era fanatică, obsedată. Înota lipind kilometrii și orele unele de celelalte. Ești nebună? am întrebat-o. Eu stau aici pe mal și te aștept și citesc o carte plictisitoare, și tu, tu tot înoți. „Vreau să evadez”, a spus ea.

În acele zile, în august 1984, un articol dintr-un ziar american începea cu o scurtă descriere: „Novi Sip. Iugoslavia. În jurul micilor stâlpi din lemn care marchează mormintele anonime ale cimitirul din satul sârbesc Novi Sip crește iederă sălbatică. Aici sunt înmormântați românii care au murit în căutarea libertății, încercând să treacă Dunărea înot. Unii au reușit. Dar mulți au fost împușcați în timp ce încă înotau, alții s-au înecat de epuizare”.

— Ea a reușit, spune bărbatul, după trei decenii. Știu din auzite. Eu pusesem capăt relației. Nu-i puteam împărtăși visul. Voiam să continuu să scriu articole despre fotbal în țara mea natală, pentru că, astfel, puteam să călătoresc și să rămân departe de vizorul politicii. Iar părinții mei încă trăiau, eram singurul lor fiu, nu-i puteam lăsa aici singuri. De atunci nu am mai auzit nimic de ea.

— N-ați încercat niciodată să o căutați pe google?

— Nu-mi caut fostele iubite pe google.

— Eu aș căuta-o pe google.

— Am încercat cu prima mea soție. Am căutat-o cu numele de fată și nu am găsit nimic. Apoi i-am combinat prenumele cu numele de familie al unui bărbat pe care fusesem gelos. Așa am găsit-o. Nu, de atunci nu-mi mai caut fostele iubite pe google.

Îl privesc pe acest bărbat, în acest oraș ciudat și mă gândesc la zilele pe care le-a petrecut în pat cu o femeie care înota mereu și mă gândesc cum ea și-a înfășurat picioarele în jurul lui. Și cum s-au unit. Ca o caracatiță. Un animal cu trei inimi. Mă gândesc cum carnea unei caracatițe e de fapt prea tare pentru a fi mâncată. Și cum cei mai mulți bucătari izbesc animalul de zeci de ori pe o suprafață dură pentru a-l face comestibil. Dar se spune că ajută să o congelezi. Văd ceva congelat în acest bărbat.

Părăsim Drumul Taberei și ne îndreptăm spre centura orașului. Trece tramvaiul 41. În direcția Ghencea. Vedem cimitirul unde sunt înmormântați Ceaușescu și soția lui.

— Înainte evadam mereu în cartierele de la marginea orașului, spune bărbatul. Acolo regăseam peisajul copilăriei mele. Puteam să mă plimb ore întregi prin el.

Trecem prin câmpuri goale. Drumuri nesfaltate. Case sărăcăcioase.

— Terenul de aici începe să capete valoare, spune bărbatul și-mi indică șantierele de locuințe noi și bisericile nou construite. Câinii sălbatici se apropie cu zecile de mașină. Latră răgușit.

 

 

*

 


Înapoi spre oraș, înspre nord, hoteluri de patru stele, clădiri de birouri noi-nouțe, vile mari.

— De câte ori am străbătut oare drumul acesta? întreabă bărbatul cu voce tare.

Nu mi s-au așezat încă suficient impresiile culese în sudul orașului. Trecem pe lângă Arcul de Triumf. Piața Charles De Gaulle. Ai impresia că ajungi în alt oraș. Intrăm pe o stradă pe care nimeni nu avea voie înainte de 1990. Bulevardul Primăverii. Privim o vilă goală, casa în care, cândva, a locuit Ceaușescu. Ne plimbăm pe jos spre Lacul Floreasca și pe marginea lui observăm un centru de sănătate.

— Aici era înainte piscina privată a lui Ceaușescu și a alaiului său. Un pasaj subteran, un tunel privat, unește vila de piscină.

De la recepție primim un pliant publicitar pentru a deveni membri ai Clubului Floreasca. Orele de înot sunt la reducere.

 

 

*

 


Ne oprim la ultima stație a tramvaiului 41. La Piața Presei Libere. Păsări negre zboară deasupra clădirii denumite înainte Combinatul Poligrafic Casa Scînteii „I.V. Stalin”. Intrăm în clădire prin aripa dreaptă. Coridoare lungi și goale. La fiecare doi metri, o ușă închisă. Coridoarele par să se prăbușească peste mine.

— Am lucrat aici 31 ani și încă sunt normal, spune bărbatul și oftează.

Urcăm scările, spre etajul doi. A șasea ușă. La dreapta. E doar una din cele cincizeci de uși aflate de ambele părți ale coridorului.

— Acesta era biroul meu când încă scriam pentru Scînteia Tineretului, ziarul care răspândea ideile regimului.

Pașii noștri răsună înfundat. Apăsăm clanța din cupru a biroului său. Ușa e încuiată.

— Tristețea duminicilor goale se resimte încă. Ascultam casete cu muzică de operă. Verdi în stomacul mașinăriei de propagandă. Cinci mii de oameni lucrau aici. Zi și noapte se auzea sunetul tiparniței. Mă credeau nebun. Aveau impresia că sunt ciudat. Asta mi-a fost salvarea.

Intrăm în clădirea principală a fostului minister al propagandei. E gol. Îmi arată biroul unuia dintre vechii lui prieteni. Se oprește în fața unui seif.

— Prietenul meu a murit într-un accident suspect de circulație, spune bărbatul. De atunci n-a mai fost găsită cheia seifului.

Pe coridor e o coajă de banană. Și o pungă maro de la McDonald’s. Ni se face foame.

— Mergem la Șarpele Roz, spune bărbatul.

 

 

*


Înapoi pe Calea Victoriei, cu hotelurile și buticurile ei de lux. Șarpele Roz se dovedește a fi un restaurant țigănesc. Proprietarii ne salută călduros. Ne așezăm la masa oaspeților, lângă acvariu. Mă uit la pești. Bărbatul spune:

— Ieri am fost la inaugurarea unui alt butic din oraș. Am băut prea multă șampanie.

Îmi explică cât de corupte au ajuns orașul și politica.

— Nu mai există puncte de referință solide, spune el.

Cineva vine să-l salute:

— Jumătate din oameni mă urăsc, spune el.

Îl întreb dacă a încercat vreodată să afle cine l-a turnat. Îmi răspunde:

— Nu vreau să ajung deprimat sau furios, aflând ce au spus prietenii despre mine. Nu vreau să scormonesc trecutul.

E muzică live. Unul dintre prietenii bărbatului apare pe scenă. E înalt. Poartă un costum albastru și ochelari cu ramă aurie. Își întinde pumnii lați și cântă: „Sunt băiatul nimănui”. E un țigan de vază.

Văd un bărbat care cere un whiskey mai bătrân decât el. Ține paharul strâns în mână fără să bea din el. Prietenul înalt îmi dă o carte de vizită: „Nicu Uriașul. Șeful orchestrei. Solist”. Deasupra scopului său în viață e desenat un portativ. La do fa la fa. Nicu Uriașul cântă. „Șterg stelele de praf”.

Bărbatul care și-a trecut în revistă viața spune:

— Încep treptat să aflu ce gândesc oamenii despre mine. Mama, singura în care am avut încredere, a murit. Numărul de martori ai vieții mele devine din ce în ce mai mic. Certitudinea despre cine sunt… Mă puteți căuta pe google. Mă mențin în formă. Fac bazine în piscina de acasă. Zilnic. Înot. Înot.

Am văzut un om. Cum își împingea capul în față. Cum tropăia din picioare, cum își rotea umerii și-și mișca bazinul.

Am văzut un oraș: înecându-se în vise mari, călduros în gesturi mici, indiferent și sărăcăcios, deschis și ospitalier. Plin de cuiburi în pământ și crăpături în stânci. Un oraș pe care nu l-am putut citi. Inexplicabil, pătimaș – un oraș pe care l-am iubit.

 

 

Traducere din neerlandeză de Alexa Stoicescu

 

Alexa Stoicescu (România, 1984) a studiat filologie germană-neerlandeză la București, studii încheiate cu o lucrare asupra postmodernismului flamand. Acum predă limba și literatura neerlandeză la Universitatea din București, traduce texte literare și este o mare iubitoare a literaturii din Țările de Jos și Flandra, pe care a avut ocazia să o aprofundeze în cadrul unui master de cercetare la Universitatea din Amsterdam în perioada 2008-2010. În 2012 a apărut la editura Univers traducerea romanului Unde ai fost de K. Schippers, iar în pregătire sunt alte două texte: Suspect. Dosarul meu de la Securitate de Jan Willem Bos și Călătorul de Adriaan van Dis.

 

Download de ePub-versie Print

Le parcours de la fourmi

© Brecht Evens, De Morgen

Le 1 août 2012 le quotidien flamand De Morgen a publié la version originale du citybook De weg van de mier et une interview avec Anna Luyten. (download pdf)



Anna Luyten suit à Bucarest Le parcours de la fourmi: elle monte à bord de la Dacia d’un inconnu qui porte un regard plein de remords sur sa propre existence. Son chauffeur roumain se languit de sa bien-aimée : un jour, à l’époque de Ceauşescu, elle est partie pour échapper au régime en traversant le Donau à la nage . « Je voyais une ville : sombrant dans de grands rêves, chaleureuse dans de petits gestes, indifférente et misérable, ouverte et accueillante. »

 


La tête qui pousse en avant. Le battement des pieds, le roulement des épaules, les bonds successifs du bassin. Il avait longuement observé comment faisait la femme, dit-il. Un être humain rampe sur son passé comme un moustique qui pique et suce le sang, prêt à être écrasé.

Le passé le démangeait, il laissait faire.

- Les sentiers de mon intranquillité, je peux vous les montrer sur Google Earth, dit-il.

- Non, dis-je, nous allons les visiter.

Je montai dans sa voiture. L’alarme de sa Dacia Duster se déclencha. Nous partîmes ensemble. L’homme qui faisait un retour sur lui-même suivait sa mémoire. Il n’y avait pas de GPS. Sur le plan de Bucarest je colorai les routes. Aujourd’hui, c’est comme si une fourmi était dessinée sur le plan de la ville.

« Les fourmis sont des insectes sociaux formant des colonies, classés dans l’ordre des hyménoptères. Les fourmis se sont adaptées à toutes sortes de milieux terrestres et souterrains ; là où elles s’installent, elles constituent la forme de vie dominante au sol. On estime que la biomasse totale des fourmis est supérieure à la biomasse de l’ensemble des vertébrés terrestres. Etant donné que les fourmis sont réparties partout dans le monde (à l’exception de l’Antarctique), elles forment l’une des espèces animales les plus prospères. De nombreuses espèces de fourmis font leurs nids dans le sol ou dans des arbres creux, d’autres assemblent des feuilles pour bâtir un nid, d’autres encore vivent dans des fissures entre les rochers. » (Source : Wikipédia, Formicidae)

Nous prîmes rendez-vous sur une place.

 

*


Il y a de vieilles images qui accompagnent celui qui part pour Bucarest. Noël 1989 : deux corps contre la bordure du trottoir, devant une caserne roumaine. L’homme porte un costume sombre et une toque de fourrure noire. La femme est vêtue d’un manteau blanc, le sang s’écoule de sa tête comme une rivière paresseuse. Son mari gît sur le béton, les genoux écartés, le bassin tourné vers le ciel. Nicolae et Elena Ceaușescu. C’est comme si la tête du dictateur était trop lourde pour survivre à une génuflexion.

Il y a des mots qui restent. « Ne faites pas ça, les enfants, je suis votre petite mère », dit Elena avant son exécution. Le jeune qui ligote les mains d’Elena avait le même âge que moi à cette époque. Une vingtaine d’années. Elena aboie, ne se laisse pas faire. « Ne me touche pas. Ne nous attache pas. » Le jeune homme lui lie les poignets avec une corde blanche. « Il ne faut pas nous humilier ainsi. » Un instant plus tard, c’est la pluie de balles.

À cette époque, j’écoutais les Einstürzende Neubauten (1) .

Ce jour-là, à Bucarest, un confrère journaliste, un Belge, a été abattu. Il avait l’âge que j’ai aujourd’hui.

 

*


Je n’avais encore jamais vu le doute sur le visage d’un dictateur. Et soudain, à la télévision, il y eut en direct, live, la retransmission de l’effroi. Pendant vingt-quatre ans, il avait été habitué aux applaudissements, il se tenait devant six micros, il regardait une foule de cent mille personnes qui brandissaient son portrait et une photo de sa femme. Le 21 décembre 1989, ils étaient encore au balcon du bâtiment du Comité central.

Ceaușescu : « Camarades, j’adresse mes vœux révolutionnaires sincères à tous les habitants de Bucarest. Je remercie les initiateurs et les organisateurs de cette grande manifestation. » Puis il demeura bouche bée. Sa main droite ne saluait plus mais hésitait. C’était comme si on avait lancé une pierre dans un miroir. « Qui tire ? » Le bâtiment fut investi. « Qu’est-ce qui se passe ? Un tremblement de terre ? »

Il demeura au balcon. Les images disparurent des écrans. Dans le grésillement, on entendit vingt fois de suite l’homme qu’on disait plus stalinien que Staline répéter : « Restez calmes. Restez calmes, restez calmes, camarades. Restez calmes. »

Il scandait sa propre angoisse que répercutaient les haut-parleurs.

Il dit encore que les retraites augmenteraient. Il collait l’un à l’autre dans une même phrase des mots comme « garantie » et « intégrité ». Et il disait : « Il vaut mieux mourir au combat que devenir esclave sur notre vieille terre. » C’est alors qu’un hélicoptère vint le chercher.

La foule criait : « Olé Olé Olé, Ceaușescu passé ! (2) ». Sur la vieille place où, ce jour-là, des vœux révolutionnaires sincères avaient été formulés, sur cette vieille terre, moururent plus de mille citoyens. Nul ne sait comment et vers où s’écoula leur sang.

 

*


Et maintenant, vingt-deux ans plus tard, je rencontre quelqu’un qui dit : « Je me suis enfoui dans le sol, comme une anguille. »

Je dis : « On prétend qu’on peut déduire les actes antérieurs d’un individu de son humeur présente. »

Il répond : « J’aurais dû agir autrement. »

 

*


C’est donc ainsi que je rencontrai l’homme qui faisait un retour sur lui-même. Il se trouvait sur la place de la Révolution, devant la Bibliothèque académique centrale.

Dans les années soixante-dix, il avait accompli quotidiennement le long trajet jusqu’à la Bibliothèque. À pied. Il venait pour lire. Il était originaire de Transylvanie. À l’endroit où se trouve aujourd’hui l’Hôtel Radisson, il y avait un café qu’il fréquentait. Les livres qu’il a lus alors ont été jetés par les fenêtres et brûlés pendant la révolution de ’89.

- Quand je suis arrivé ici après la révolution, cinq cent mille livres et presque quatre mille manuscrits se consumaient sur le pavé.

Il gara sa voiture devant le Hilton, un bâtiment datant de 1916, où il avait rencontré beaucoup de journalistes étrangers dans les années quatre-vingts, au bar américain.

- C’est sur ce parking que s’est produite l’explosion qui a semé une telle panique dans le peuple pendant le discours de Ceaușescu.

Il montra l’Ateneu, la salle de concerts pour laquelle les citoyens roumains avaient rassemblé des fonds au XIXe siècle. « Donnez un leu pour l’Ateneu… » Il citait des slogans d’une autre époque.

Dans les murs du Musée des Beaux-Arts qu’abrite l’ancien Palais royal, on voyait encore les points d’impact des balles de ’89. Il les montra également. Le musée avait été restauré entre-temps. L’homme qui – comme tout être humain – abritait lui-même un musée, savait qu’on ne peut pas restaurer un être humain. Il avait pourtant essayé.

- J’ai été marié quatre fois, dit-il. Aujourd’hui je vis seul avec mon fils adoptif de huit ans, dans une grande maison, au fond d’un bois, au nord de Bucarest.

- Il y a de nombreuses manières pour détruire une robe de mariée. L’une d’elles consiste à laisser une mite s’y promener, dis-je.

C’est alors que je suis montée dans la Dacia.

 

*


Nous roulons maintenant sur la longue avenue de la Victoire. Il me montre les théâtres et l’immeuble de la rédaction où lui, le gars de la campagne, a fait ses débuts comme reporter pour une revue d’étudiants dans les années soixante-dix.

- De l’une des fenêtres, tous les journalistes avaient une vue directe sur ce jardin.

Le jardin est caché derrière un haut mur, côté rue.

- L’été, dans ce jardin, une femme prenait chaque jour des bains de soleil. Elle avait une longue chevelure magnifique. Elle sortait rarement. Elle menait une vie retirée. Un jour quelqu’un m’a dit : « Cette femme a été un jour l’épouse de l’empereur Bokassa. C’est Gabriella Bokassa qui se trouve là. » La célèbre blonde aux yeux verts.

Gabriella Drimbo était la douzième des trente-sept épouses de Jean-Bédel Bokassa. L’empereur de la République centrafricaine l’avait vue danser dans un club de Bucarest, au cours d’une visite à son ami Ceaușescu. D’emblée, il était tombé amoureux. Elle vivait à Bangui comme une légende vivante. Sa vie sexuelle passait pour avoir été extraordinairement débridée et coûta la vie à plusieurs hommes quand Bokassa découvrit ses secrets d’alcôve. À la fin des années soixante-dix, elle avait été bannie du palais que l’empereur, jadis amoureux, avait fait construire pour elle, ou bien elle s’en était enfuie, ou les deux.

- Elle évitait tout le monde, dit l’homme qui avait observé sa solitude à Bucarest au fil des jours d’été.

Il roule vers l’endroit où il avait vécu avec sa première femme, l’endroit où il avait cherché le bonheur en compagnie de sa petite amie, alors qu’il venait de terminer ses études. Je vois aujourd’hui pousser les projets immobiliers le long de la route.

- Corruption, dit l’homme.

Je vois de grands panneaux publicitaires pour les vêtements de la firme H&M. Je vois un centre commercial.

- Ceaușescu voulait faire construire à cet endroit une cantine communiste pour les travailleurs, d’une superficie de trois mille mètres carrés. Tout le monde pourrait y manger, de sorte qu’on aurait économisé de l’électricité dans les ménages, dit l’homme. Mais le projet n’a pas abouti. Des Turcs ont racheté le bâtiment et en ont fait une galerie marchande.

À l’angle du boulevard, on dirait que tous les ouvriers du bâtiment ont fui d’un coup une grande bâtisse, il y a très longtemps.

- Ce devait être la Bibliothèque Nationale de Ceaușescu. »

L’homme s’arrête devant un vieux complexe. C’est là qu’il avait fait pour la première fois son nid dans la ville.

- C’étaient les anciennes écuries des chevaux de l’empereur, dit-il. Les maisons des fantassins furent transformées en chambres d’étudiants. C’est ici que mes rêves ont grandi.

Il montre la fenêtre au deuxième étage derrière laquelle il avait toujours vécu.

- En face de la maison il y avait une clinique d’accouchement.

Il se rappelle les cris des femmes en travail et des enfants qui venaient au monde. Il avait vu raser tout le quartier autour de lui parce que le président roumain voulait se faire construire un palais. Il se rappelle encore le bruit des marteaux-piqueurs dans le béton, nuit et jour.

- Un tunnel devait faire la jonction avec le palais.

Le palais devait s’appeler la Maison du Peuple. Il se dresse dans le vent glacé comme un rêve mégalomane pétrifié. Le plus grand bâtiment au monde après le Pentagone, et le siège du Parlement roumain depuis 1944. L’homme marche autour de la maison qui fut une clinique d’accouchement. Sur un panneau, dans la salle d’attente délabrée, il lit : « Centre de soins pour enfants des rues abandonnés. » Nous entrons. Un gardien nous dit :

- On nous en a amené encore quinze aujourd’hui. On les désinfecte.

 

*

 

- La circulation a changé, dit l’homme.

Nous nous éloignons de plus en plus du centre. En direction du faubourg où il habitait dans les années quatre-vingts. Quand nous arrivons à un rond-point, je vois qu’il hésite. Place Danny Huwé. Au centre du rond-point je lis, sur la plaque commémorative, le nom de cet ami belge qui a été tué par un tireur embusqué pendant la révolution.

- Quand la révolution a éclaté à Bucarest, je me trouvais dans le sud de la Jordanie pour faire un reportage sur les usines roumaines au Moyen-Orient. Nous avons vu sur le télex que le régime de Ceaușescu était tombé. Nous sommes revenus en voiture depuis Amman. Quand nous sommes arrivés ici, avec une valise remplie de bananes, la révolution était un fait accompli.

Après un court silence, il ajoutet :

- Les gens ne tirent aucune leçon des révolutions antérieures. La foule, à un certain moment, apprend à connaître sa force mais elle la perd rapidement. Il ne faut pas sous-estimer les manipulations auxquelles donnent lieu les révolutions. Dans toutes les révolutions de l’Histoire, des gens ont été sacrifiés pour faire éclater la nervosité de la masse et évaluer la soif de vengeance du peuple. Les seuls qui tirent un enseignement d’une révolution sont ceux qui veulent provoquer les révolutions.

 

*


Nous arrivons sur Drumul Taberei. Il traduit : « La route du camp ». Nous roulons le long de grands ensembles gris, tous identiques.

- Mon Dieu, ça fait plus de vingt ans que je ne suis pas venu ici.

Et il montre l’appartement où il vivait jadis. Nous frappons. Pas de réponse. Nous sonnons chez les voisins. Ils le reconnaissent en dépit de toutes ces années. Nous prenons un café tous ensemble. Sur les étagères, je lis au dos des couvertures les noms de Balzac, Zola et Melville. Ils nous montrent les photos de leurs enfants qui sont déjà mariés.

- Dans l’appartement où vous habitiez avec votre femme dans les années quatre-vingts, habitent maintenant des témoins de Jéhovah, disent les voisins. Ils n’ouvrent à personne.

 

 

L’homme prend congé des gens de son passé. Il regarde les habitations.

- Usées, dit-il, comme s’il parlait de lui. Et il poursuit :

- Je sais quelles fautes j’ai commises dans ma vie. Je n’ai jamais collaboré avec le régime mais je ne m’y suis jamais opposé non plus. J’ai essayé de composer avec. J’aurais dû, quand j’étais jeune et vigoureux, me dresser contre le régime. J’aurais dû alors rassembler des gens autour de moi. J’aurais dû, j’aurais dû, j’aurais dû…

- Ici, commence-t-il et sa voix se brise, ici un jour, j’ai rencontré une femme. J’avais presque quarante ans. Je l’ai vue dans un des commerces situés entre les immeubles de Drumul Taberei. J’étais sorti pour acheter des cigarettes, du café et du papier hygiénique. Je vivais seul à l’époque. Je n’avais besoin de rien d’autre : des cigarettes, du café et du papier hygiénique. Nous sommes tombés amoureux. Aujourd’hui, je ne me rappelle plus la couleur de ses yeux. C’était une chaude journée d’été, nous étions allongés nus, côte à côte, sur le lit. Indolents. Et soudain, elle m’a posé une question :

- Tu participes ? Tu rejoins notre groupe pour renverser le régime ?

Je ressens encore le choc. « C’est une espionne, me dis-je. Elle cherche à me cuisiner.

Le régime avait une telle emprise sur nous que ce fut ma première pensée.

- Et qu’avez-vous répondu ?

- Rien.

- Ni oui ni non ?

- Ne pas répondre était la seule issue. J’ai allumé une cigarette. J’ai souri. Mais je n’ai pas réussi à sortir un oui ou un non.

- J’aurais dû dire « oui » alors, dit l’homme

Et soudain je me rends compte de ce qui l’a détruit : le remords. Un remords figé.

 

- Elle voulait constamment aller nager. Dans des piscines ou des lacs, elle nageait dans toutes les eaux. J’aime nager, mais elle, elle était fanatique, c’était chez elle une obsession. Elle nageait des kilomètres, des heures d’affilée. « Tu n’es pas un peu folle ? lui demandai-je. Je reste ici des heures à attendre sur la berge, le livre que je lis est ennuyeux, et toi, tu continues à nager. » « Je veux m’échapper », dit-elle.

Ces jours-là, en août 1984, un article paru dans un journal américain commençait par une courte description : « Novi Sip. Yougoslavie. Du lierre sauvage s’enroule autour des pieux en bois qui signalent les tombes anonymes dans le cimetière du village serbe de Novi Sirp. C’est là que sont enterrés les Roumains qui ont essayé de traverser le Danube à la nage pour retrouver la liberté. Certains ont réussi. Mais beaucoup d’entre eux ont été abattus par les gardes-frontières alors qu’ils nageaient encore et d’autres se sont noyés par épuisement. »

- Mais elle, elle a réussi, dit l’homme, trois décennies plus tard. Je l’ai appris par la suite. J’avais rompu avec elle. J’étais incapable de partager son rêve. Je voulais continuer à écrire des articles sur le football, dans ma patrie, car j’avais ainsi la possibilité de voyager et je restais à l’écart du maelstrom politique. Elle n’a plus jamais donné signe de vie.

- Et vous n’avez jamais cherché des informations sur elle par Google ?

- Je ne recherche pas d’informations sur des femmes que j’ai aimées par Internet.

- Je le ferais, si j’étais vous.

- Je l’ai fait, pour ma première femme. Je l’ai cherchée sous son nom de jeune fille et je n’ai rien trouvé. Alors j’ai combiné son nom avec le nom d’un homme dont j’avais été jaloux un jour. C’est comme ça que je l’ai retrouvée. Non. Je ne recherche pas d’informations par Google sur les femmes que j’ai aimées un jour.

Et moi, je regarde cet homme, dans cette ville étrangère, et je pense aux jours où il était couché avec une femme qui n’arrêtait pas de nager, à la manière dont elle avait noué ses jambes autour de son corps. Et à la manière dont ils s’entrelaçaient. Comme un poulpe. Un animal à trois cœurs. Et je me disais que la chair d’un poulpe est en réalité trop dure pour être consommée. Que la majorité des cuisiniers frappent la bête des dizaines de fois sur un sol dur pour la rendre comestible. Mais on dit aussi que c’est efficace pour congeler sa chair. Je vois quelque chose de congelé dans cet homme.

Nous quittons la route du Camp et nous roulons en direction du périphérique extérieur. Le tram 41 nous dépasse. En direction de Ghencea. Nous passons devant le cimetière où se trouve la tombe de Ceaușescu et de sa femme.

- Jadis je fuyais toujours vers les faubourgs de la ville, dit l’homme. Là se trouvait le paysage de mon enfance. Je pouvais m’y promener pendant des heures.

Nous roulons à travers des champs en friche. Des chemins de terre. Des masures.

- Ici, le terrain commence à prendre de la valeur, dit l’homme et il montre les bâtiments en construction et les églises récemment édifiées. Les chiens errants accourent vers la voiture, par dizaines. Leurs aboiements sont rauques.

 

*


De retour en ville, vers le nord, les hôtels quatre étoiles, les immeubles de bureaux flambant neufs, les grandes villas. « Combien de fois n’ai-je pas emprunté cet itinéraire ? » s’interroge l’homme à haute voix. Il doit laisser le sud se décanter. Nous passons devant l’Arcul de Triumf. Place Charles de Gaulle. C’est comme si nous arrivions dans une autre ville. Nous entrons dans une rue où personne n’avait le droit de venir jusqu’au début 1990. Boulevardul Primaverii. Nous contemplons une villa déserte, la maison où habitait Ceausescu. Nous marchons vers le lac de Floreasca et nous voyons qu’il y a un club de mise en forme.

- C’était jadis la piscine privée de Ceaușescu et de sa suite. Un couloir souterrain, un tunnel privé, conduit de la villa à la piscine. C’est ici qu’en 1988, il a fêté son dernier nouvel an.

À la réception, quelqu’un nous donne un prospectus nous invitant à devenir membres du Club Floreasca. Il y a une promo pour les cours de natation.

 

*


Nous nous arrêtons près du terminus de la ligne de tram 41. Sur la place Presei Libere, la place de la Presse libre. Des oiseaux noirs volent au-dessus du bâtiment qui s’appelait jadis Combinatul Poligrafic Casa Scînteii « I.V.Stalin ». Nous entrons dans l’immeuble en passant par l’aile droite. De longs couloirs vides. Tous les deux mètres une porte fermée. Les couloirs s’avancent vers moi.

- J’ai travaillé ici 31 ans et je suis resté normal, dit l’homme et il soupire.

Nous montons les escaliers qui mènent au deuxième étage. Sixième porte. À droite. L’une des cinquante portes de chaque côté du couloir.

- C’était là mon bureau quand j’écrivais encore pour Scînteia Tineretului, le journal qui diffusait les points de vue du régime.

Nos pas sonnent creux. Nous tournons le bouton de porte en cuivre de son bureau. La porte est fermée à clé.

- La tristesse des dimanches vides plane encore ici. Je passais des cassettes d’opéras. Verdi dans les entrailles de la machine à propagande. Cinq mille personnes travaillaient ici. Jour et nuit, on entendait le bruit des presses. Ils pensaient que j’étais fou. Ils me trouvaient bizarre. C’est ce qui m’a sauvé alors.

Nous pénétrons dans le bâtiment principal de ce qui était autrefois le Ministère de la Propagande. Il est vide. L’homme montre l’un des bureaux d’un ancien ami. Il s’arrête près d’un coffre-fort.

- Mon ami a trouvé la mort dans un accident suspect de la circulation, dit l’homme. Personne n’a jamais retrouvé la clé de ce coffre-fort.

Dans le couloir, il y a une peau de banane sur le sol. Et un sac en papier brun de McDonald’s. Soudain nous avons faim.

- Allons au Serpent Rose, dit l’homme.

 

*


Retour vers l’avenue de la Victoire, avec ses hôtels de luxe et ses boutiques de luxe. Le Serpent Rose s’avère être un restaurant tzigane. Les propriétaires nous accueillent chaleureusement. Nous allons nous asseoir à la table d’hôtes, près de l’aquarium. Je regarde les poissons. L’homme dit :

- Hier je suis allé à l’ouverture d’une nouvelle boutique, une de plus, en ville. J’ai bu trop de champagne.

Il explique à quel point la ville et la politique sont devenues corrompues.

- Il n’y a plus aucun repère solide, dit-il.

Quelqu’un vient le saluer.

- La moitié des gens me haïssent, dit-il.

Je lui demande s’il a cherché à savoir qui l’avait espionné. Il répond :

- Je ne veux pas faire une déprime ou entrer en rage en découvrant ce que des amis ont dit de moi. Je ne veux pas regarder dans un cloaque.

Des musiciens jouent. Un des amis de l’homme passe devant nous. Il est grand. Il porte un costume bleu et des lunettes à monture dorée. Il tend ses larges poings et chante : « Je ne suis le valet de personne. » C’est un gitan de premier plan.

Je vois un homme demander un whisky qui est plus âgé que lui. Il serre le verre dans sa main sans boire. L’ami de haute taille me donne sa carte de visite : « Nicu le géant, chef de l’orchestre et soliste. » Une portée musicale figure au-dessus de ce qu’il fait dans la vie. La do fa la la. Nicu le géant chante : « J’époussette les étoiles. »


L’homme qui a fait un retour sur sa vie dit :

- Je découvre de plus en plus ce que les gens pensent de moi. Ma mère, la seule personne en qui j’avais confiance, est morte. Le nombre de témoins de ma vie se réduit de plus en plus. Quant à la certitude touchant qui je suis… Vous pouvez me chercher sur Internet. Je reste solide. Je fais des longueurs dans ma piscine, tous les jours. Je nage. Je nage.

Je vois un homme. La tête qui pousse en avant. Le battement des pieds. Le roulement des épaules. Les bonds successifs du bassin.

Je vois une ville : sombrant dans de grands rêves, chaleureuse dans de petits gestes, indifférente et misérable, ouverte et accueillante. Pleine de nids dans le sol et de fissures dans les rochers. Une ville dont je ne suis pas arrivée à me faire une idée claire. Inexplicable, fougueuse, et que j’aimais.

 

 

(1) Littéralement « les bâtiments neufs qui s’effondrent ». Nom d’un groupe de Berlin-Ouest composant de la musique expérimentale.
(2) En français dans le texte.

 

Traduit du néerlandais par Annie Kroon

Podcast lu à haute voix par Béatrice Marlier


Annie Kroon (1944) est traductrice littéraire néerlandais-français. Elle a, entre autres, traduit une dizaine de livres de Hella S. Haasse et des romans d’Anna Enquist, Lucette ter Borg, Tomas Lieske, Joseph Pearce et Henk van Woerden. En 2008, elle a reçu le Prix des Phares du Nord, un prix biennal pour la traduction de littérature néerlandaise en français, remis par la ‘Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds’ [Fondation pour la production et la traduction de la littérature néerlandaise] et le ‘Vlaams Fonds voor de Letteren’ [Fonds flamand des lettres]. Kroon a reçu le prix essentiellement pour sa traduction de ‘De groten der aarde of Bentinck tegen Bentinck’, en français: Madame Bentinck, l'indiscrète. Ce livre est paru auprès des Editions du Seuil.

 

Download de ePub-versie Print

The Ways of the Ant

© Brecht Evens, De Morgen

The 1th of August 2012 the Belgian newspaper De Morgen published the original Dutch citybook De weg van de mier and an interview with Anna Luyten in a separate literature supplement. (download pdf)

 


In Bucharest, Anna Luyten follows The Ways of the Ant. After stepping into a stranger’s Dacia, she bears witness to a tragic life’s story. Wistful with sadness, her driver longs for his beloved, who swam across the Danube to escape Ceauşescu’s regime. ‘I saw a city: sinking away in ambitious dreams, warm in small gestures, indifferent and shabby, open and embracing.’

 


The pushing forward of the head. The stamping of the feet, the rolling of the shoulders, the thrusting of the pelvis. He had watched for a long time how the woman did it. That’s what he said. A person creeps over his past like a mosquito, biting, sucking blood, braced for a deathblow. He let time itch.

‘The paths of my restlessness, I can show you them on Google Earth,’ he said.

‘No,’ I said, ‘we’ll visit them.’

I got in his car. The alarm of his Dacia Duster went off. He drove away with me. The man who looked back on himself followed his memory. There was no route planner. I coloured in the roads on a map of Bucharest. Now it looks as if an ant has been drawn on the map.

‘Ants are colony-forming social insects belonging to the order Hymenoptera. The name refers to their heavy wings, coming from the Ancient Greek μήν (hymen): membrane and πτερόν (pteron): wing. Successful adaption to very different environments has made them the dominant ground-dwellers of their various habitats. It is estimated that ants have the largest biomass of all species on earth. In every region  they have colonised (all landmasses except Antarctica) they are among the most successful species. Many ants build subterranean nests, or construct them in hollow trees; others make their nests by weaving leaves together; yet others live in crevices in rocks.’ Source: Wikipedia, Ant.

We agreed to meet on a square.

 

*


There are old images that you take with you on a journey to Bucharest. Christmas Day 1989: two bodies lying against the curb outside a Romanian barracks. The man is wearing a dark suit and a black fur hat. The woman is wearing a white coat, the blood trickles from her head in a slow rivulet. Her husband lies on the concrete with his knees apart, his pelvis towards the sky. Nicolae and Elena Ceaușescu. It is as if the dictator’s head weighed too much to survive a genuflection.

There are words that stick in your memory. ‘Don’t do it children, I’ve been like a mother to you,’ Elena said before her execution. 1989: or how a death sentence can catapult someone back to their youth. The boy who is tying Elena’s hands was the same age as I was then. In his early twenties. Elena snaps, she puts up a fight. ‘Don’t touch me! Don’t tie us up!’ The boy ties her wrists with a white cord. ‘Don’t humiliate us like this!’ Shortly afterwards comes the hail of bullets.

In those days I listened to the German band Einstürzende Neubauten.

On that day a fellow Belgian journalist was shot dead in Bucharest. He was the same age as I am now.

 

*


I had never before seen doubt on the face of a dictator. And suddenly it was being shown live on television, a direct broadcast of dismay. For 24 years he had been used to applause; he was standing in front of six microphones, looking at a hundred thousand people waving his image and a photo of his wife in the air. On 21 December 1989 they were still standing on the balcony of the Palace of the People.

Ceaușescu began, ‘Comrades, I extend sincere, revolutionary wishes to all the inhabitants of Bucharest. I thank those who organised this great popular meeting.’ Then his jaw dropped. His right hand stopped waving, frozen in hesitation. It was as if a stone had been flung into a mirror. ‘Who is shooting?’ People force their way into the building. ‘Is it an earthquake or something?’

He remained standing on the balcony. The TV screen suddenly went blank. Against the background noise you could hear how the man who had been called more Stalinist than Stalin repeated twenty times over, ‘Stay calm. Stay calm, stay calm, comrades. Stay calm.’

He chanted his own fear. It reverberated.

Even at that moment he said that pensions would go up. He stuck words like ‘guarantee’ and ‘integrity’ together in a sentence. And he said, ‘It is better to die in battle than to be enslaved on our ancient soil.’ Then a helicopter came to pick him up.

The mob yelled, ‘Olé Olé Olé, Ceaușescu passé!’ Over a thousand people died on that old square, where, on that day, sincere, revolutionary wishes had been expressed, on that ancient soil. Nobody knows how and where their blood flowed.

 

*


And then, 22 years later, I meet someone who says, ‘I tunnelled into the ground, like an eel.’

I say, ‘It is said that you can tell from a man’s current spirits what his former deeds were.’

He says, ‘I should have acted differently.’

 

*


And that was how I met the man who looked back on himself. He was standing on Revolution Square, in front of the central academic library.

In the 1970s he had made the long journey to the library every day. On foot. He went there to read. He had been born in Transylvania. He used to go to a café, where the Radisson Hotel now stands. The books that he read then were hurled out of the windows and burnt during the revolution of 1989. ‘When I got here after the revolution, five hundred thousand books and nearly four thousand manuscripts lay smouldering on the ground.’

He parked his car in front of the Hilton, a building dating from 1916, where in the 1980s he met many foreign journalists in its Bar Americain. ‘This is the car park where the explosion took place that so startled the crowd during Ceaușescu’s speech.’ He points to the Ateneu, the nineteenth-century concert hall built with the aid of public subscription. ‘Donate one leu to the Ateneu...’ He quotes slogans from another era.

There are still bullet holes from 1989 in the walls of the museum of art, housed in the old royal palace. The museum has since been restored. The man, who – like everyone – carried a museum of his own around with him, knew that a person cannot be restored. He had given it a try. ‘I’ve been married four times,’ he said. ‘Now I live alone with my eight-year-old adopted son in a large house, deep in the woods north of Bucharest.’

‘There are many ways to destroy a wedding dress. One of them is to let moths get into it’, I said.

Then I got into the Dacia.

 

*


Now we are driving along the long Victory Avenue. He shows me the theatres and the building where, in the 1970s, he, a country boy, started work as a reporter for a student magazine. The garden is hidden from the street by a high wall. ‘But the editors could look down into it from one of the windows. In the summer a woman used to sunbathe there every day. She had lovely long hair. She rarely went out onto the street. She led a retired life. One day someone said to me, “That woman was once the wife of the Emperor Bokassa. That is Gabriella Bokassa sitting there.” The famous blonde with the green eyes.’

Gabriella Drimbo was the twelfth of Jean-Bédel Bokassa’s thirty-seven wives. The Emperor of the Central African Republic had seen her dance in a club in Bucharest when visiting his friend Ceauşescu. He fell in love with her on the spot. She became a living legend in Bangui. Her sex life is said to have been exceptionally wild, and a number of men paid with their lives when Bokassa discovered her bedroom secrets. In the late 1970s she was banished or fled, or both, from the palace that the emperor had had built for her at the height of his infatuation. ‘She avoided everyone,’ says the man who had watched her in her loneliness each summer’s day in Bucharest.

He drives to the spot where he lived with his first wife, the place where he had hoped to be happy with his girl, when he had just finished his studies. I see building works all along the road. ‘Corruption’, the man says. I see giant hoardings advertising H&M clothes. I see a shopping centre. ‘Here’s where Ceauşescu wanted to build a massive Communist canteen for the workers. It was going to measure 3,000 m². The idea was that everybody could eat there, so that households needed less electricity’, the man says. ‘The project was never completed. Turks bought the building and turned it into a shopping mall.’ A large building stands on the corner of the boulevard, apparently abandoned by its constructors many years previously. ‘Ceauşescu intended it to be the national library.’

The man stops in front of an old complex. This was where he had found his first abode in the city. ‘It used to be the imperial stables,’ he says. ‘The infantrymen’s barracks were converted into student accommodation. This is where my dreams took shape.’ He points to the second-story window of his former home. ‘There used to be a maternity home on the opposite side of the street.’ He recalls the cries of women in labour and the children that were born. He had seen the whole neighbourhood around him being knocked down because the Romanian president wanted to build a palace there. He can still remember the sound of drilling through concrete, going on day and night. ‘Because there had to be a subterranean tunnel to the palace.’

The great edifice would be named The People’s Palace. It stands there in the biting wind like the petrified dream of a megalomaniac. The largest building in the world after the Pentagon, and home to the Romanian Parliament since 1994. The man walks round the house that used to be a maternity home. On a sign in a dilapidated waiting room he reads, ‘Centre for homeless children’. We go inside. A guard says, ‘Another fifteen were brought in today. We disinfect them.’

 

*


‘The roads have changed,’ the man says. We carry on driving away from the city. Towards the neighbourhood where he lived in the 1980s. When we get to a roundabout, I see him hesitate. Piața Danny Huwé. In the middle of the roundabout I see on a memorial tablet the name of the Belgian acquaintance that was killed by a sniper here during the revolution.

‘When the revolution broke out in Bucharest, I was in the south of Jordan reporting on Romanian factories in the Middle East. The news came through on the telex that the Ceauşescu regime had fallen. We drove all the way back from Amman. When we arrived, with a suitcase full of bananas, the revolution was over.’

After a short silence he says, ‘People never learn from former revolutions. At a certain point the mob becomes aware of its power, but it soon loses it again. Don’t underestimate the manipulations that go on at such times. In every revolution in history, individuals have been sacrificed in order to bring the mob to boiling point and to test the people’s hunger for vengeance. The only ones who learn from a revolution are those who want to bring about revolutions.’

 

*

 

We reach Drumul Taberei. ‘Camp Road,’ he translates. We drive past endless rows of identical grey apartment blocks. ‘My God, I haven’t been here for over twenty years.’ And he points to the apartment where he once lived. We knock at the door. No one opens. We ring the neighbours’ doorbell. They still recognise him after all this time. We drink coffee together. I can read the spines of the books on their bookshelves: Balzac, Zola and Melville. They show him photos of children, now already married. ‘The people who moved into the flat where you lived with your wife in the 1980s are Jehovah’s Witnesses,’ the neighbours say. ‘They don’t open the door to anyone.’


The man takes leave of the people from his past. He looks at the apartment blocks. ‘Shabby,’ he says, as if he is talking about himself. He says, ‘I know what mistakes I’ve made in my life. I never went along with the regime, but I never resisted it either. I tried to live with it. I should have rebelled against it when I was young and strong. I should have gathered people around me. I should, I should, I should...’

‘I should,’ he says, and falters. ‘One day I met a woman here. I was almost forty. I saw her in one of the shops between the apartment blocks on Drumul Taberei. I’d gone out to buy cigarettes, coffee and toilet paper. At that time I lived alone. Cigarettes, coffee and toilet paper were all I needed. We fell in love. Now I can no longer even remember the colour of her eyes. One warm summer’s day we were lying in bed, naked, pleasantly languid. And suddenly she asked me, “Will you join us? Join our group to overthrow the regime?” I still remember the shock. “She’s a spy,” I thought. “She wants to sound me out.” We were so in the thrall of the regime that that was my first thought.’

‘And what did you say?’

‘Nothing.’

‘You said neither yes nor no?’

‘Not answering at all was the only solution. I lit a cigarette. I started to laugh. But I could not bring myself to utter a “yes” or a “no”.’

‘I should have said “yes,”‘ the man says. And suddenly I see what has broken him: remorse. Congealed remorse.


‘She always wanted to swim. In swimming pools or in lakes, she’d swim wherever she could. I like swimming, but she was fanatical, obsessive. She swam for miles, she swam for hours. “Are you crazy?” I asked her. “I’m stuck here waiting on the bank with a boring book, and you just keep on swimming.” “I want to escape,” she said.’

Around that time, August 1984, an American newspaper ran an article that started with a short description: ‘Novi Sip. Yugoslavia. Wild ivy creeps up the wooden poles marking the anonymous graves in the cemetery of the Serbian village Novi Sip. This is the last resting place of Romanians who tried to swim across the Danube in a bid for freedom. Some succeeded. But many were shot by border guards as they swam; others drowned through sheer exhaustion.’

‘She did make it,’ the man says, three decades later. ‘That’s what I heard, anyway. I’d broken up with her. I couldn’t share her dream. I wanted to stay in my country and go on writing articles about football, because that meant I could travel and could stay clear of politics. And my parents were still alive. I was their only son; I couldn’t leave them behind alone. I never heard any more from that woman.’

‘Didn’t you ever Google her?’

‘I don’t Google women that I’ve loved.’

‘I would Google her.’

‘I once Googled my first wife. I tried her maiden name, but drew a blank. Then I combined her name with the name of a man I had once been jealous of. That’s how I found her. No. I never Google women I’ve loved anymore.’

And I look at the man, in this strange city, and I think of the days in which he lay in bed with a woman who was constantly swimming, and how she had wrapped her legs around him. And how they lay entwined. Like an octopus. An animal with three hearts. And how I’ve heard that the flesh of an octopus is actually too tough to eat. And how to make them edible most chefs smash them against a hard surface over and over again. But that it apparently helps if you freeze them. I detect something frozen about the man.

We leave Camp Road and drive towards the city’s outermost ring road. Tram 41 comes past. Heading for Ghencea. We drive past the cemetery with the graves of Ceauşescu and his wife. ‘I always used to flee to the city’s suburbs,’ the man says. ‘That’s where the landscape of my childhood lay. I could walk there for hours.’ We drive through empty fields. Dirt roads. Dilapidated houses. ‘The land here is gaining value,’ the man says and he points to the housing developments and the newly built churches. Dozens of wild dogs converge on the car. They bark hoarsely.

 

*


Back towards the city, towards the north, the four-star hotels, the brand-new office buildings, the big villas. ‘How many times have I driven down this road?’ the man asks himself aloud. He has to digest the south. We drive past Arcul de Triumf. Piața Charles De Gaulles. It’s like entering another city. Returning to the street that was totally off limits until early 1990: Boulevardul Primăverii. We look at an empty villa, Ceauşescu’s former home. We walk towards Lake Floreasca and see a health club. ‘This used to be the private swimming pool of Ceauşescu and his retinue. A subterranean passage, a private tunnel runs from the villa to the swimming pool. He celebrated his last New Year here in 1988.’ At the counter someone gives us a promotional leaflet for Club Floreasca. Swimming lessons are on special offer.

 

 

*


We pull up at the last stop of tram 41. On Piața Presei Libere, Free Press Square, black birds fly over the vast building that was formerly known as Combinatul Poligrafic Casa Scînteii ‘I.V. Stalin’. We walk along the right wing and go inside. Long, empty corridors, with every six feet a locked door. After a while they start to close in on me. ‘I worked here for thirty-one years and kept my sanity,’ the man says and he sighs. We go upstairs to the second floor. The sixth door on the right. One of fifty doors on either side of the corridor. ‘This was my office when I still worked for Scînteia Tineretului, the Communist party’s official newspaper.’ Our footsteps sound hollow. We turn the brass handle of the door to his office. The door is locked.

‘The melancholy atmosphere of empty Sundays still clings to this place. I used to play tapes of opera music. Verdi in the belly of the propaganda machine. Five thousand people worked here. You could hear the sound of the presses day and night. They thought I was mad. I had a reputation for being odd. That was what saved me at the time.’ We enter the main building of what used to be the ministry of propaganda. It is empty. He shows me one of the offices of a former friend. He halts by a safe. ‘My friend died in a suspicious traffic accident,’ the man says. ‘No one ever found the key to that safe.’ A banana skin lies on the floor in the corridor, along with a brown paper bag from McDonald’s. We start to feel hungry.

‘Let’s drive to The Pink Snake,’ the man says.

 

*


Back to Victory Avenue, with its luxury hotels and its luxury boutiques. The Pink Snake turns out to be a gypsy restaurant. The owners welcome us warmly. We sit down at a table next to the aquarium. I watch the fish. The man says, ‘Yesterday I went to the opening of yet another boutique. I drank too much champagne.’ He tells me how corrupt the city and the political world have become. ‘There are no solid points of reference anymore,’ he says. Someone comes up to say hello to him. ‘Half the people hate me,’ he says. I ask if he ever tries to find out whom it was that spied on him. He answers, ‘I don’t want to be depressed or angered by what friends have said about me. I don’t want to open up a can of worms.’

A few singers perform in the restaurant. One of the man’s friends shows up. He is tall; he wears a blue suit and gold-rimmed glasses. He stretches out his broad fists and sings, ‘I am nobody’s boy.’ It seems he is prominent in the gypsy world.

I see a man order whiskey that is older than he is. He grips the glass in his hand without drinking. The tall friend gives me his card: ‘Nicu, the giant. Leader of the orchestra. Soloist.’ There is a drawing of a stave and some notes above his calling in life. La do fa la fa. Nicu the giant sings, ‘I dust off the stars.’


The man who has looked back on his life says, ‘I’m increasingly finding out what people think of me. My mother, the only person I trusted, is dead. The number of witnesses to my life is steadily diminishing. The certainty about who I am... You can Google me. I keep up appearances. I swim lengths in the pool in my house. Every day. I swim. I swim.’

I saw a person. The pushing forward of the head. The stamping of the feet, the rolling of the shoulders, the thrusting of the pelvis.


I saw a city: sinking away in ambitious dreams, warm in small gestures, indifferent and shabby, open and embracing. Full of nests in the ground and gaps between the rocks. A city that I could not fathom. Inscrutable and tempestuous, and I loved it.

 

 

 

Translated from Dutch by Jane Hedley-Prole

Podcast read by Emma Brown

 

Jane Hedley-Prole studied German and Dutch at the University of Liverpool, after which she settled in the Netherlands. Alongside her job at the Ministry of Foreign Affairs she works as a freelance translator. Since her accreditation as a literary translator by the Dutch Foundation for Literature she has translated Diaghilev; A Life by Sjeng Scheijen (together with S.J. Leinbach), The Fetish Room by Rudi Rotthier, We Are Our Brains by Dick Swaab and What About Me? by Paul Verhaeghe.