De ware toedracht

Peter Terrin

Peter Terrin

Peter Terrin (1968) is een unieke stem in de hedendaagse Vlaamse literatuur. Zijn eerste bundel De Code verscheen in 1998. Nadat hij in 2001 met Kras zijn debuutroman publiceerde, brak hij door met Blanco (2003). Hij werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs en dit overkwam hem ook met zijn verhalenbundel De Bijeneters (2006). Zijn roman De bewaker haalde de longlist van de Gouden Uil en AKO Literatuurprijs én de shortlist van de Libris Literatuurprijs 2010 en won de European Union Prize For Literature. Zijn recentste roman Post Mortem (2012) ontving de AKO literatuurprijs. De meester van het onheilspellende detail schreef voor deBuren eerder het Radioboek Voor de lieve vrede.

Close

Turnhout Alle citybooks

Download de ePub-versie Print

De ware toedracht


Beste Christophe,


Ik denk dat ik een goed idee heb. Het was er plots, zoals het dikwijls gaat, plots en volledig, met een vanzelfsprekendheid of het idee er altijd is geweest, en ik het niet bedenk maar het me herinner. De herinnering kwam toen ik besloot om je te schrijven, ongeveer vijf minuten geleden: het citybook moet een misdaadverhaal worden. Een misdaadverhaal in brieven.

Heb jij ooit zoiets gelezen?

Het zal vast bestaan, het moet wel. Deze vorm – geen correspondentie, enkel maar de brieven van een van de correspondenten – biedt de schrijver (die van het verhaal) een arsenaal aan mogelijkheden. Alles wat gezegd wordt, cirkelt om de misdaad heen. Wat er gebeurd is, is tussen de correspondenten genoegzaam bekend.

Ik ben pas aangekomen. Het Begijnhof is prachtig onderhouden. Unesco Werelderfgoed. Ik logeer in een van de gastenkamers in het Sint-Annaconvent. Onder auspiciën van Brepols Publishers werd in dit pand het Corpus Christianorum ondergebracht; een medewerker leidde me door de indrukwekkende bibliotheek, bestaande uit boekwerken die voornamelijk christelijke teksten uit de patristische periode en de middeleeuwen bevatten, overgeleverd in het Latijn, het Grieks of Oosterse talen. Voer voor specialisten die, indien zij dat nodig achten voor hun studie, in een gastenkamer kunnen verblijven op zolder. Dat is precies wat mijn kamer uitstraalt: studie en onderzoek, en een soberheid verwant aan de verdwenen begijntjes. De geverniste vloer bestaat uit vezelplaat en het bed herinnert mij aan mijn tijd in het internaat, maar de handdoeken en het beddengoed ruiken fris. Radio noch televisie, hier regeert de inspirerende stilte. Ik voorzie een snelle voltooiing van mijn werk.

Ik ben overigens in het gezelschap van mijn pistachegroene Olivetti portable; de frivoliteit van de kleur en het ontwerp is bijna blasfemisch. De eerste aanslagen liet ik, geschrokken, helemaal uitdoven. Ik hoorde nergens een alarm. Boze voetstappen op de trap bleven gelukkig uit.


Met een literaire groet,
Peter

 

 


Beste Christophe,


Turnhout heeft een grote markt, die ook zo heet, Grote Markt. Op die Grote Markt staat een grote kerk, de Sint-Pieterskerk. Ik moet een van die ontelbare toeristen zijn die, wanneer zij een onbekende stad bezoeken, al snel op het marktplein verzeilen en de kerk of kathedraal binnenstappen. Is het omdat daar de rijkdommen van de stad worden bewaard? Dat wat het meest bezienswaardig is? Of is het dat wij op onbekend terrein geneigd zijn de meute te volgen, een onbewuste en onuitgesproken veiligheidsmaatregel?

Hier is geen sprake van een meute. Ik krijg het gevoel dat ik de enige toerist ben. Ik moet van heel ver herkenbaar zijn. Allicht volg ik niet de juiste looppatronen op de Grote Markt. De terrasjes aan de rand zijn schaars bezet. Iedereen lijkt op iets te wachten. De mensen gaan gekleed zoals bij mij thuis in het dorp. Het kan met de tijd van het jaar te maken hebben, dit uitgebluste begin van augustus, maar ik geloof het niet. Het is alsof de markt er eerst was, en vervolgens te snel besloten werd dat rond zo'n grote markt een stad moest komen.

Eenmaal in de Sint-Pieterskerk kun je, figuurlijk, niet om de preekstoel heen. Je wordt er als het ware door begroet. Het is een imposant beeldhouwwerk. Een replica weliswaar, een 'vrije copie', maar dat maakt hoegenaamd niets uit. Het origineel aanschouwen in de Sint-Andrieskerk in Antwerpen zou onmogelijk een grotere indruk kunnen maken. Het Bijbels tafereel beeldt de roeping van de eerste leerlingen uit. Simon, net terug van het vissen met zijn broer Andreas, knielt op de oever van het meer voor Jezus die hem met geheven hand en opgerichte vinger toespreekt. ‘Voortaan zult gij geen Simon meer heten maar Petrus en op deze steenrots zal ik mijn kerk bouwen.’ (Uit het evangelie volgens Matheüs.) En: ‘Vrees niet, want van nu af zult gij mensen vangen.’ (Uit het evangelie volgens Lucas.) Mensen, niet langer vissen.

Het is Petrus, zijn gespierde rug van donkerglanzend hout, zijn deemoed, die licht kalende Petrus met antieke Griekse baard, die me diep heeft ontroerd.

De verantwoordelijkheid die ineens op zijn schouders rust, en die hij met liefde en zichtbare kracht aanvaardt. Mensen, niet langer vis. Ik bleef maar foto's nemen, ik stond pal naast Jezus. Jezus en ik zijn ongeveer even groot. Zijn voeten zijn zo mooi gevormd dat ik me kon voorstellen dat mensen de aandrang voelden om ze te kussen. Ik was helemaal alleen in de kerk. Natuurlijk, ik wimpelde het idee meteen af, ik draaide me om en liep verder.

Toen ik ongeveer alles bezichtigd had, kwam ik weer bij de preekstoel uit, dicht bij het portaal. Ik dacht lang na over wat mij getoond werd. Ik keek naar Jezus, zijn geheven hand met opgerichte wijsvinger, en naar Petrus. Daarna keek ik terug naar Jezus. Ik vond het merkwaardig dat ik nog steeds alleen was in deze grote kerk.


Je vriend,
Peter

 

 


Beste Christophe,


Ik heb je briefje gevonden, precies op de afgesproken plaats. Je had gelijk, mensen zijn als de dood om zich iets op de hals te halen. Maar over de inhoud van je briefje kan ik kort zijn: ik geloof er geen snars van. Ik wil het wel, vooral omdat het zo aannemelijk klinkt, zo goed bij het plaatje zou passen, toch lukt het me niet. Ik voel een natuurlijke weerzin bij het hele idee. Ik kan niet geloven dat uitgerekend hij daartoe in staat zou zijn.

Gisteren nam ik een andere weg naar het centrum. Door een achterpoortje verliet ik het Begijnhof en liep langs de tijdelijke bloemenweide op de Begijneveldekens naar de Kasteeldreef. Net voorbij de bibliotheek, helemaal tegen de poort van Sint-Victor aan, de basisschool, stond een vrouw van allochtone afkomst met een versleten buggy. Er zat geen kind in de buggy, het was een soort ezeltje op wielen, beladen met stevige draagtassen. Blijmoedig riep ze voor zich uit, de handen geschelpt aan haar mond. In de verte klonk antwoord. Het kwam uit een betralied raampje aan de overkant van de straat, een van de drie raampjes die boven de hoge gevangenismuur te zien zijn. Ik begreep natuurlijk niet waar het om ging, maar dat de twee schik hadden in hun langeafstandsgesprek stond als een paal boven water. Er was niets droevigs of eenzaams aan de vertoning, het leek op een gestolen moment tussen verliefden, die in plaats van elkaar zoets in het oor te fluisteren op een bank in het park, zich tot andere praktijken hadden moeten wenden.

Enkel tegen die vrolijk beschilderde poort van de basisschool had je een goed zicht op de raampjes. De poort versterkte bovendien als een klankbord boven een preekstoel haar stem, en deed tegelijkertijd dienst als een reusachtige oorschelp die haar hielp om de woorden van haar geliefde op te vangen. De vrouw ging zo in het moment op dat ze me niet zag kijken. Ik berekende dat de gevangenis in vogelvlucht nauwelijks honderdvijftig meter van mijn kamer in het Begijnhof lag, met daartussen onbewoond gebied, en voelde meteen dat het een met ander te maken zou krijgen in mijn citybook. Veroordeelden en begijntjes.

Ken je de novelle van Felix Timmermans, geheten De zeer schone uren van Juffrouw Symforosa, begijntjen? Ik kreeg het boekje cadeau van Bart Janssens van Brepols Publishers, die zelf meewerkte aan de Nederlands-Engelse uitgave. Timmermans schreef het verhaal in augustus en september van 1917 en kreeg er de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Vlaamse Letterkunde voor. Het zou me niet verbazen mocht Louis Paul Boon titelsgewijs bij Timmermans hebben aangeklopt voor zijn ondeugende novelle Mieke Maaike's obscene jeugd. De twee verhalen zijn alleen op het eerste gezicht elkaars tegenpolen. Al is dat ‘geluk vinden in het geluk van de medemens’, zoals het op de achterflap van Symforosa te lezen staat, een zoektocht die bij Mieke Maaike langs een ander pad loopt. Ik schreef bijna: glibberig pad.

Op het einde van hoofdstuk één waarin Juffrouw Symforosa's druivelaar door de jonge hovenier Martienus wordt gesnoeid – ‘hij is gekomen met zijn rood slaaplijf en zijn blauw schort aan, en terwijl hij bezig is, lachen zijn ogen naar zijn werk’ – en zij hem een glaasje schuimloos, rood bier heeft aangeboden om de dorst te lessen, richt zij zich na het avondgebed angstig op en vraagt zich af of zij nu vandaag geen kwaad heeft gedaan. Die lachende ogen en zijn ‘smalle mond met dikke, rode lippen, smakkend, alsof hij juist goed spek gegeten heeft’, hebben haar van haar stuk gebracht. Hoezeer ze in de daarop volgende maanden ook bidt dat de Heer van Hemelrijke haar langs de rechte paden moet leiden en haar Zijne wegen tonen – in haar verbeelding ziet ze ‘een schouwken waaruit een rechte streep rook stijgt in de schemering, en een vrouw staat op de dorpel die haren goeden man afwacht die met rijf en hark van zijn werk komt’.

In het Begijnhofmuseum, aan de overkant van het centrale grasveld dat vroeger als bleekweide diende voor het linnen, leerde ik dat een begijn leek noch kloosterlinge was. Vandaar dat ze niet met ‘zuster’ maar met ‘juffrouw’ werd aangesproken. Het hof was een ommuurde miniatuurstad die veiligheid en bescherming bood aan een zelfbedruipende gemeenschap van vrome vrouwen. Maar hun gelofte van kuisheid was herroepbaar. Dit maakt het dilemma van Juffrouw Symforosa erg aannemelijk.

Voor ze een beslissing kan nemen, geeft Timmermans een prachtige wending aan het verhaal. De goeiige Martienus is danig aangestoken door zijn werk in het Begijnhof en het vrome leven, dat hij in het klooster is ingetreden; Juffrouw Symforosa krijgt de kans niet om haar liefde te verklaren.

Als lezer verwacht je vervolgens een tragische ondergang, iets met een aanstormende trein of dodelijk apothekersgif, niet zo in deze poëtische novelle. Door het ijzeren hek van de kloostertuin ziet zij de kersverse broeder met een gieter in de hand, slaat ze hem gade van ‘het regenvat naar de bloemen, en van de bloemen naar het vat’. Uiteindelijk komen zij tot het uitwisselen van een bedeesde blik en vriendelijke lach, en verdwijnt de broeder achter een laurierstruik. ‘Die zon om zijn hoofd, die bloemenbloei en die pij en dat gelukkig aangezicht. Alle zelfzucht loopt weg. Ze is blij omdat hij gelukkig is.’ Juffrouw Symforosa beleeft haar schoonste uur. Het kan haar niet schelen dat ze de trein zal missen en nog drie uren zal moeten stappen om de gesloten poort van het Begijnhof te bereiken. Ook niet dat het begint te regenen en ‘de Hemel met al zijn zaligheid op haar t’hope vouwt.’

Je zou het een klef, katholiek einde kunnen noemen, toch vond ik het aandoenlijk, en verrassend geloofwaardig.

Het heeft er alle schijn van dat mijn ontsnapte gevangene een katholiek moet zijn, of minstens een afvallige, en mijn begijntje van het slag Symforosa, niet te beroerd om iets op het spel te zetten.


Met een vrome groet,
Peter

 

 


Beste Christophe,


In wezen ben ik geen reiziger. Ik ga niet als veel van mijn collega's in veel gevaarlijker steden dan Turnhout de quartiers in om aan de lokale bevolking het echte verhaal te ontfutselen. Ik doe precies wat ik doe als ik schrijf: ik probeer iets te vinden in wat voor de hand ligt. De ware toedracht, zeg maar, dat waar de journalist of reisschrijver naar op zoek is, ga ik niet uit de weg maar zoek ik niet bewust op. Er valt veel meer te beleven dan de ware toedracht.

Zag je de foto’s in het stationsbuffet?

Het is een bizarre plek, dat buffet. Het moet iets te maken hebben met de afmetingen van de ruimte. Het is geen balk maar een kubus, even hoog als breed als diep. Het effect is bevreemdend, je bent vanzelf op je hoede, je lijkt deel uit te maken van een of andere vertoning.

De oude tapkast op een aanzienlijke verhoging, met op de schappen kartonnen reiskoffers en een sjofele verzameling kepies. Een Romeins ornament boven een geheimzinnig deurtje, waartegen de stationsklok is opgehangen. De banken tegen de muur, de tegelvloer, het bier, Cristal Alken, de goedkoopste pint van Turnhout, het leesstandje met de dwingende boodschap ‘wees galant, één krant per klant’, en dit alles overschouwd door een minnelijke koning Boudewijn en koningin Fabiola, beiden nog piepjong en elegant in het zwart-wit, maar reeds van elkaar gescheiden, wegkijkend van elkaar in elk hun eigen portret.

Het zou het onschuldig decor kunnen zijn van een eigenaardig maar charmant bruin cafeetje, ware het niet van de foto's van de kinderen. De losse collages van vergeelde foto’s onder glas op de tafeltjes, die de klant tijdens het nuttigen van zijn drankje onmogelijk kan negeren. De ware toedracht is er wellicht een van decoratief vermaak, ik heb het de barvrouw, ik geloof dat ze Vicky heet, niet gevraagd; samen met nog twee mannen luisterden we naar Radio Nostalgie. De deur naar het verlaten perron stond open.

Ik keek naar de blonde jongen met weerborstel naast mijn glas, zijn afhangende oren, zijn kwetsbaarheid. De peuter met krullen die iets lekkers naar haar mond brengt, maar de zaak toch niet lijkt te vertrouwen. Tientallen kinderen die nu volwassen moeten zijn, hier verzameld op de tafeltjes van het stationsbuffet. Volwassen in een ver, onbekend buitenland, of inmiddels overleden, op dit perron op de trein gestapt en Turnhout verlaten, en sindsdien door niemand meer teruggezien.


Peter

 

 


Beste Christophe,


Jaren heb ik er niet meer aan gedacht, en vanmorgen, na het lezen van je brief, kijk ik naar mijn sleutelbos naast de Olivetti en zie Sint-Christoffel op de hanger. Al toen ik heel klein was hebben mijn grootmoeders er steeds voor gezorgd dat Sint-Christoffel overal waar ik ging over mij waakte. Kettinkjes, armbandjes, flinterdunne medaillons in het raampje van de portefeuille en, zodra ik auto reed, sleutelhangers. Jij, beschermheilige van iedereen die op weg is, en ik, Petrus, mensenvanger. Is dat, alles in acht genomen, niet ontzettend grappig? Zouden wij voorbestemd zijn?

Veel bescherming heb ik in Turnhout niet nodig. Het is een stad waar ik me op een merkwaardige manier thuis begin te voelen. De zachtmoedigheid, de stille gang van zaken herinnert mij aan een andere provinciestad aan de andere kant van het land, waar ik prachtige vakanties heb beleefd, tot de puberteit roet in het eten kwam gooien. Geborgen zomers vol aangename, zalvende verveling. Uren heb ik op de dorpel van mijn grootouders huisje gesleten. De kasseistraat liep af naar een kleine haven en kende nauwelijks verkeer. Aan de overkant van de straat, waar ik dus voortdurend op uitkeek, was een voetpad en een lange, mooie blinde muur in oranjerode baksteen, waarboven machtige boomkruinen wuifden. De belangrijkste muur in mijn leven. Ik miste mijn ouders, maar het was een zoet gemis dat niet om opheffing vroeg.

Het meest opwindende dat mij gisteravond in de stad overkwam, waren de posters voor de nieuwe Batmanfilm, The Dark Knight Rises. Op een terrasje tegenover de ingang van de Sint-Pieterskerk zat ik naast vier tienermeisjes. Ze deelden pizza’s. Het ging over jongens, losbandige jongens, en over hun reputatie, die van de meisjes. Een paar onder hen hadden op vakantie makkelijk kunnen ‘seksen’, maar zij hielden de boot altijd af. Jongens niet, niet als ze de kans kregen. Ik hoorde wie het met wie had gedaan, en vooral, wie het aan wie had doorverteld. Toen ze vertrokken naar het café viel me op dat ze er alle vier hetzelfde uitzagen: lang haar dat voor de ogen wordt weggeveegd, vacuüm getrokken jeans tot de wreef, platte schoenen, handtas in de plooi van de elleboog en mobieltje in de hand.

Niet veel later wandelde ik terug naar het Begijnhof. Hoewel ik een sleutel heb, was ik totnogtoe altijd voor het sluiten van de poort om 22h terug, braver dan Juffrouw Symforosa. Bij toeval, of helemaal niet bij toeval, ontdekte ik in een nis op een roze geverfd stuk gevel van een vooruitspringende huizenrij halfweg het hof, een aandoenlijk beeldje van een wel heel bijzondere heilige: Jan van Nepomuk, ofte Johannes Nepomucenus. Hij is de beschermheilige tegen eerroof en kwatongerij. De man weigerde het biechtgeheim te schenden aan de koning van Bohemen, werd gemarteld en ten slotte op 20 maart 1393 van de Karlsbrug in Praag in de Moldau geworpen. Hij verdronk.

Vandaag wordt hij in dit Begijnhof geëerd met een beeldje en plastic roosjes. Het kwam me voor dat we hem in tijden als de onze aan een sleutelhanger kunnen gebruiken.

Op mijn kamer dacht ik aan mijn ontsnapte gevangene, ondergedoken bij het begijntje. Hij is door een valse getuigenis ten onrechte veroordeeld. Osewoudt uit De donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans in gedachten, is zijn uiterlijk weinig mannelijk, baardgroei afwezig, blond bovendien, klein van gestalte, waardoor hij zich getooid als begijntje in het openbaar kan begeven. Hij schrijft brieven die hij verstopt in de Sint-Pieterskerk. Brieven aan degene die schuldig is aan de misdaad waarvoor hij veroordeeld werd; hij heeft hem niet verraden. Of hosties. Ingenieuzer nog is de weg van de hosties. Begijntjes waren zoals ik eerder schreef zelfbedruipend. Kantklossen moet zowat hun bekendste nering zijn geweest, Sint-Anna – die van het convent waarin ik logeer – was patrones van de kantwerksters. Maar begijntjes bakten ook hosties. Altaarbrood. Wordt op een nacht het stempel gemanipuleerd? Wordt de volgende dag een geheime boodschap gedrukt in het Lichaam Gods, een code, een dodelijke instructie die langs de weg van de communie een medeplichtige bereikt? Nee, de gedetineerde is niet onschuldig. Maar mijn begijntje vindt dat zij niet over hem mag oordelen, dat is de taak van Onze Lieve Heer. Hij is schuldig, ik weet het zeker.


Vastberaden groet,
Peter

 

 


Beste Christophe,


Grote schrijvers zijn mij voorgegaan. In 1837 bezocht Victor Hugo Turnhout met zijn minnares. Hij was wel zo beleefd om zijn vrouw in een brief verslag te doen van zijn indrukken. Bijvoorbeeld over het kasteel. Een tijd geleden schreef ik je gekscherend over de Grote Markt, waarrond dan maar een stad moest komen, het was je natuurlijk duidelijk dat de stad niet op die manier is ontstaan. De hertogen van Brabant kwamen hier op het edelhert jagen. Turnhout is nu omgeven door vennen en heide, achthonderd jaar geleden was dit bosrijk gebied. De hertogen bouwden een kasteel, vandaag doet het dienst als gerechtshof. Op de warande, het kasteelpark, kwam de Warande, het bekende cultuurhuis, en de gevangenis. Maar in de negentiende eeuw was dat nog anders, getuige Hugo. Hij heeft het over een hoge toren, aangebouwd tegen het kasteel, alle vensters met tralies bedekt. ‘Bovenuit het venster klonk zacht een droeve stem. Daar het kermis van augustus was, hoorde ik van verre in de stad het gewoel van dansen en lachen. Het gezang van de gevangene wisselde dit zacht en aandoenlijk af. Zachtjes ritselde het riet in de vestgracht, nu en dan verscheen haastig eene groote rat op de randsteen aan de voet des torens. De achtergrond van het landschap was echt Vlaams.’

Het riet is verdwenen, heeft plaatsgemaakt voor secuur geschoren taxushaagjes rondom op de oever. Het kasteel ziet er uit of het vorig jaar werd gebouwd. Op de kleine ruitjes na, die vermoedelijk in lood zijn gevat, komt alles me nieuw voor. Geen ratten meer, of toch niet van het soort dat zich onbeschaamd en zonder vrees aan schrijvers openbaart. Kunst, dat wel. Het meest opvallend is een beeld van een liggende vrouw in de kasteelgracht, een beeld dat me meteen deed denken aan de vorige Vlaamse Cultuurstad, Oostende.

Rijd je Oostende binnen richting Kursaal, dan kun je, figuurlijk, niet omheen de fabelachtige derrière van ‘Dikke Mathille’, een onomwonden eerbetoon aan de vrouwelijke bekoorlijkheid. George Grard noemde zijn beeld La mer. De ronde vormen staan symbool voor de weelderigheid en de sensualiteit van de zee. Het beeld van Rik Poot in Turnhout, Najade, is meer een kunstwerk. De gefragmenteerde compositie, de kubistische inslag, het ontleedt de ranke waternimf in benen, billen, buik en borsten. Het is een doorzichtige assemblage die de nadruk op het kunstmatige legt. Je blijft er langer naar kijken, je denkt na over het kijken, over het mechanisme van de mannelijke blik.
De waternimf van Rik Poot is letterlijk een ver-beelding van de vrouw, heeft weinig nog met een vrouw te maken, en tegelijk alles. Het is als met opgezette vogels. In het museum van Natuurpunt in de Graatakker 13 kun je een heleboel opgezette dieren bekijken, vooral vogels. Nooit kom je dichter bij een hop dan daar, tegelijk heeft die hop niets meer te maken met de vogel die hij ooit is geweest, of met de exemplaren die vandaag door verrekijkers worden waargenomen in zonnige oorden.

In de vele uitstalkasten van het museum trof ik iets aan dat me meteen terugslingerde naar mijn vroege tienerjaren: braakballen. Een jaar of twee voor het verstandsverbijsterende hormonale tumult in mij losbrak, verzamelde ik samen met een vriend braakballen in een bos waarvan de toegang ons op straffe van vervolging verboden was. Thuisgekomen legde ik met gloeiende wangen de braakballen te week in soepkommetjes met warm water. Het was niets minder dan forensisch onderzoek. Aan de hand van de beentjes en haren die langzaamaan uit de zachte braakbal tevoorschijn kwamen, kon de prooi worden geïdentificeerd, en via de prooi de uil die, anders dan andere roofvogels, het arme beestje in één keer had doorgeslikt. Slachtoffer en dader, die geruisloze agressie, de brute onverschilligheid, ik zag het als een clairvoyant allemaal gebeuren in een vies, lauw soepje.


Peter

 

 


Beste Christophe,


Het ligt zo voor de hand. Ik weet dat je niet van orgelmuziek houdt, maar het grote voordeel is dat alleen ik dat weet. Niemand zal raar opkijken. Bij het concert in de Sint-Pieterskerk deze middag was de gemiddelde leeftijd ongeveer vijfenvijftig. Maar ik zag ook gezichten jonger dan het mijne of het jouwe. Ik zie geen andere oplossing. Deze korte middagconcerten zijn ideaal, mensen van allerlei slag komen langs, veelal toevallig, aangetrokken door de muziek die voor de kerkpoort te horen is.

Het geldt voor alle muziek, maar orgelmuziek in het bijzonder moet je live horen. Het is een belevenis, een fysieke belevenis. Wanneer alle registers worden opengetrokken en die typische voorwereldlijke dreun resoneert in je borstkas, hoor je niet alleen muziek maar ervaar je die ook, en dringt de betekenis tot je door zonder tussenkomst van de hersenen. Ook het decor, waarin het tenslotte bedoeld is om opgevoerd te worden, is deel van de intense beleving. Alleen jammer dat voor de concerten de stoelen in de kerk naar het orgel zijn gedraaid, boven het portaal. Je kijkt naar het instrument, dat mooi is, maar er gebeurt niets, althans je ziet niets gebeuren. De organist is onzichtbaar en de muziek zou evengoed van de andere kant van deze enorme klankkast kunnen komen, de mooiste kant. Het neemt niet weg dat een paar grijsbehaarde meisjes, zodra er stukjes kwamen met wat meer ritme, en de speelsheid van de partituur het orgel deed klinken als een goedkope synthesizer, geestdriftig met het hoofd knikten. Zo geestdriftig dat ze meestal een onbestaande maat volgden, iets dat er volgens hen zou moeten zijn op dit ogenblik in het concerto, iets dat ze al hoorden en met geknik en voetgetik afdwongen van de componist.

Deze muziek is natuurlijk op haar allermooist in het kader van een eredienst, in samenspel met koor en liturgie. Op die manier sluit ze aan bij de filmmuziek. Gisteren zag ik The Dark Knight Rises. Het bombast van Hans Zimmers muziek was bepaald op de borstkas gericht, oudtestamentisch, terwijl het verhaal van onze superheld dan weer zwaar op het Nieuw Testament leunde. Bijna letterlijk klimt hij uit het graf wat hem, zonder al te veel weg te geven, pas lukt nadat hij zijn onverschilligheid voor de dood heeft afgeworpen en met vernieuwd ontzag voor het sterven het leven weer omhelst. Nog maar net verrezen uit de doden moet hij als de bliksem naar Gotham om er zijn gevangen volk te redden van de gewisse ondergang. En hoe anders kan het noodlot en het lijden worden afgewend dan door een daad van totale zelfopoffering?

Ik hoorde Bach en keek naar de prachtige preekstoel links vooraan, ik zag Jezus Christus op de rug, zijn opgerichte wijsvinger, de licht kalende Petrus, voorheen Simon, kersvers mensenvanger, op zijn knieën, en ik dacht aan Batman, de gemaskerde redder van zijn volk, en aan Turnhout, de naam Turnhout, ‘turn’ is doorn, ‘hout’ is bos, Turnhout is Doornbos, en ik herinnerde me het brandend doornbos, dat God in een brandend doornbos aan Mozes verscheen, en dat het vuur het bos niet verteerde, en dat Mozes God niet te zien kreeg, maar hoorde dat hij zijn volk uit Egypte moest leiden, en ik glimlachte bij de gedachte aan de wapenspreuk van Turnhout, ‘in fuga salus’, het heil in de vlucht, en ik had het gevoel dat alles op zijn plaats viel, dat een ware toedracht zich zo maar aan mij presenteerde, een stille, onnadrukkelijke, maar overtreffende trap van inzicht.

We moeten doorzetten. Volgende week kom je kort na twaalven de kerk binnen, ik zorg dat er een stoel naast mij vrij is. Na het concert loop jij richting Graatakker, ik richting Begijnhof. Het zal zijn of het nooit plaats heeft gevonden. Geloof me.


Je vriend,
Peter

 

 

Download de ePub-versie Print

L'histoire véritable


Cher Christophe,


Je crois qu’il m’est venu une excellente idée. Comme il arrive souvent dans ces cas-là, elle est apparue tout d’un coup dans sa totalité, avec une évidence telle qu’elle semblait avoir été là depuis toujours. Plutôt à la manière d’un souvenir que comme une idée surgie de nulle part. Ce souvenir s’est manifesté à l’instant même où je décidai, il y a à peu près cinq minutes, de t’écrire : le citybook sera une histoire policière. Une histoire policière épistolaire.

As-tu jamais lu quelque chose de ce genre ?

Cela doit bien exister, forcément. N’étant pas vraiment une correspondance puisqu’elle ne propose que les missives d’un seul des correspondants, cette forme ouvre tout un arsenal de possibilités pour l’auteur (de l’histoire). Tout ce qui se dit gravite autour du crime. Les deux correspondants sont en effet parfaitement au courant de ce qui s’est passé.

Je viens seulement d’arriver. Le Béguinage est merveilleusement entretenu. Patrimoine de l’Unesco. Je suis hébergé dans une des chambres d’hôte du couvent Sainte-Anne. C’est dans ce bâtiment que le Corpus Christianorum a été entreposé sous les auspices de Brepols Publishers ; un des collaborateurs m’a fait visiter cette imposante bibliothèque, composée essentiellement d’ouvrages qui contiennent des textes chrétiens de l’époque patristique et du moyen âge, transmis en latin, en grec ou l’une ou l’autre langue orientale. De quoi faire le bonheur de spécialistes qui peuvent occuper une chambre d’hôte au grenier s’ils l’estiment nécessaire dans le cadre de leur recherche. C’est exactement l’ambiance que dégage ma chambre : l’étude, la recherche et un dénuement sans doute familier aux béguines désormais disparues. Le sol verni est constitué de panneaux d’aggloméré et le lit me rappelle l’internat de mon enfance, mais les serviettes et les draps sentent bon. Ni radio ni télé. Ici règne le silence de l’inspiration. Je prévois de pouvoir terminer rapidement mon travail.

Je suis d’ailleurs en compagnie de mon Olivetti portable vert pistache. Dans cet environnement, la frivolité de sa couleur et de son design constitue presque un blasphème. Le premier soir, je laissai complètement s’éteindre le bruit des premières frappes, tellement il m’avait paru assourdissant. Mais aucune alarme ne se déclencha et – Dieu soit loué ! – je ne perçus pas le bruit de pas irrités dans la cage d’escalier.

 

Salutations littéraires,

Peter

 

 


Cher Christophe,


Turnhout a une grand-place qui s’appelle effectivement Grand-Place. Sur cette Grand-Place se trouve une grande église, l’église Saint-Pierre. Je dois faire partie de ces innombrables touristes qui, lorsqu’ils visitent une ville étrangère, échouent bientôt sur la place principale et pénètrent dans l’église ou la cathédrale. Parce qu’on y garde les richesses de la ville ? Les principales curiosités ? Ou parce qu’en terre étrangère, par une sorte de mesure de sécurité inconsciente et tacite, nous sommes tentés de suivre la meute de touristes ?

Mais ici, il n’est pas question de meute. En fait, j’ai même le sentiment d’être le seul touriste de l’endroit, repérable à des lieues à la ronde. Je ne respecte sans doute pas le parcours prévu sur la Grand-Place. Les terrasses tout autour sont en grande partie inoccupées. Tout le monde semble dans l’attente de quelque chose. Les gens sont habillés comme dans mon village. C’est peut-être une question de saison, de ce début d’août avachi, mais je ne le pense pas. C’est comme si cette place avait été là d’abord et qu’il avait ensuite été décidé un peu précipitamment qu’une si grande place avait besoin d’une ville autour.

Une fois dans l’église Saint-Pierre, impossible d’éviter la chaire. Du moins, au sens figuré. On se voit en quelque sorte accueilli par la masse impressionnante de cette œuvre sculptée. Qu’elle ne soit qu’une réplique, une copie dite ‘libre’, ne change rien à l’affaire. Il est tout simplement impossible que la contemplation de l’original dans l’église Saint-André à Anvers soit davantage impressionnante. Le tableau biblique représenté évoque la vocation des premiers apôtres. À son retour de la pêche avec son frère André, Simon s’agenouille sur la rive du lac devant Jésus qui, levant la main et dressant un doigt, lui adresse la parole : « Désormais tu ne t’appelleras plus Simon mais Pierre et sur cette pierre, je bâtirai ma communauté’ (d’après l’évangile de Matthieu). Et : « Sois sans crainte ! Désormais, ce sont des hommes que tu pêcheras vivants » (dans l’évangile de Luc). Des hommes et non plus des poissons.

Et c’est Pierre, avec son dos musclé en bois sombre et luisant, avec son humilité, Pierre avec son début de calvitie et sa barbe à la mode de la Grèce antique, qui m’a profondément touché.

La responsabilité qui lui tombe soudain dessus et qu’il accepte avec amour et une force manifeste. Des hommes, non plus des poissons. Je n’arrêtais pas de le prendre en photo, posté moi-même aux côtés de Jésus. On était plus ou moins de la même taille, Jésus et moi. Il avait des pieds si gracieusement formés que je m’imaginais aisément que les gens fussent tentés d’y poser un baiser. Et j’étais tout seul dans l’église. Mais refoulant évidemment n’en fût-ce que l’idée, je me détournai et poursuivis mon chemin.

Lorsque j’eus visité à peu près tout ce que cette église offrait aux regards, je me retrouvai devant la chaire tout près du portail. Je méditai longuement sur ce qui m’était donné à voir. Je regardais Jésus, sa main levée et son index tendu, je regardais Pierre. Et de nouveau Jésus. Je songeai combien il était remarquable que je me trouve toujours seul dans cette grande église.

 

Ton ami,

Peter.

 

 


Cher Christophe,


J’ai trouvé ton petit mot, exactement à l’endroit convenu. Tu avais raison, les gens redoutent plus que tout de s’attirer des ennuis. Mais en ce qui concerne le contenu de ta lettre, ma réponse est brève : je n’en crois pas un mot. Pourtant, je voudrais bien, surtout parce que cela paraît si plausible, que cela s’agencerait parfaitement dans l’histoire, mais je n’y parviens pas. Je ressens une aversion naturelle envers cette idée. Je ne puis croire que précisément lui serait capable de ce genre de choses.

Hier, j’ai emprunté un autre itinéraire pour me rendre dans le centre-ville. J’ai quitté le Béguinage par une porte dérobée pour longer la prairie fleurie temporairement aménagée au Begijneveldekens avant d’atteindre la Kasteeldreef. Juste au-delà de la bibliothèque, collée contre le portail de l’école primaire Saint-Victor, se tenait une femme d’origine étrangère avec une poussette bringuebalante. Il n’y avait pas d’enfant dans la poussette qui avait plutôt l’air d’un petit âne sur roulettes, lourdement chargé de solides sacs de courses. Avec les mains en forme de conque devant la bouche, elle lançait en criant des tirades joyeuses. Au loin se faisait entendre une réponse. Cela venait d’une petite fenêtre munie de barreaux de l’autre côté de la rue, une des trois petites fenêtres visibles au-dessus du haut mur d’enceinte de la prison. Je ne comprenais évidemment pas de quoi il était question, mais les deux prenaient indéniablement du plaisir dans cette conversation à longue distance. Pas la moindre trace de tristesse ou de solitude dans ce spectacle aux allures d’instant volé entre amoureux qui, au lieu de se susurrer des mots tendres à l’oreille sur un banc dans le parc, avaient dû emprunter d’autres pratiques.

On n’avait une bonne vue sur les petites fenêtres qu’à partir de ce portail aux couleurs joyeuses de l’école primaire. Il renforçait en outre la voix de la femme, fonctionnant d’une part comme un abat-voix au-dessus d’une chaire, tout en faisant office d’autre part d’énorme pavillon auriculaire facilitant la captation de la voix de son amant. Elle était si absorbée par l’instant présent qu’elle ne me voyait pas regarder. Je calculai qu’à vol d’oiseau, il devait y avoir à peine cent cinquante mètres de terrain inhabité entre la prison et ma chambre au Béguinage et je ressentis sur le coup qu’il se créerait inévitablement un lien entre l’un et l’autre élément dans mon citybook. La béguine et le condamné.

Connais-tu cette nouvelle de Félix Timmermans intitulée Les très belles heures de mademoiselle Symphorose, béguine ? Je m’en vis offrir un exemplaire par Bart Janssens de Brepols Publishers, qui avait lui-même participé à l’édition en néerlandais et anglais. Timmermans a écrit cette histoire entre août et septembre 1917 et elle lui valut le Prix d’État triennal de la Littérature flamande. Je ne serais pas surpris d’apprendre que Louis Paul Boon ait été inspiré par Timmermans pour le titre de sa nouvelle polissonne, La jeunesse obscène de Mieke Maaike. Ce n’est qu’à première vue que ces deux histoires constituent des pôles opposés. Encore que ‘trouver son bonheur dans le bonheur du prochain’ comme il est sur dit le quatrième de couverture de Symphorose est une quête qui se déroule par d’autres chemins chez Mieke Maaike. J’étais tenté d’écrire : des chemins glissants.

Vers la fin du premier chapitre, quand le jeune jardinier Martin est venu tailler la vigne de Mademoiselle Symphorose – ‘il est venu en singlet rouge et tablier bleu et tandis qu’il est occupé, il porte des yeux rieurs sur son travail’ – et qu’elle lui a offert un verre de bière rouge sans mousse pour étancher sa soif, elle se redresse soudain avec angoisse après sa prière du soir et se demande si elle n’a pas commis le mal ce jour-là. Ces yeux rieurs et cette ‘bouche étroite aux lèvres charnues et rouges, se pourléchant avec un petit bruit comme s’il venait de manger un morceau de lard appétissant’, l’ont ébranlée. Malgré toutes les prières qu’elle adresse au cours des mois suivants au Dieu du Ciel pour qu’il la garde sur le droit chemin et lui montre Sa Voie, elle ne cesse de voir en imagination ‘une cheminée d’où s’échappe un filet de fumée dans le crépuscule, tandis qu’une femme se tient sur le seuil, attendant que son bon mari rentre du travail avec sa bêche et son râteau sur l’épaule’.

Au musée du Béguinage, de l’autre côté de la pelouse centrale qui a servi jadis à blanchir le linge, j’appris qu’une béguine n’était ni bonne sœur ni laïque. C’est la raison pour laquelle on ne l’appelait pas ‘ma sœur’ mais ‘mademoiselle’. Le béguinage même était une ville miniature entourée d’un mur conférant protection et sécurité à une communauté autosuffisante de femmes pieuses. Mais leur vœu de chasteté était révocable. C’est ce qui rend le dilemme de Mademoiselle Symphorose tout à fait crédible.

Avant qu’elle ait à se décider, Timmermans impose un merveilleux revirement à l’histoire. Ce bon bougre de Martin est si contaminé par son travail au Béguinage et la vie pieuse qu’il y a découverte, qu’il est entré au couvent : Mademoiselle Symphorose n’aura même pas l’occasion de lui déclarer son amour.

Dès lors, le lecteur pourrait s’attendre à un dénouement tragique, un truc avec un train lancé à toute vitesse ou un poison d’apothicaire mortel, mais rien de tel dans cette nouvelle baignée de poésie. À travers la grille en fer du jardin du cloître, elle aperçoit le tout jeune frère portant un arrosoir, elle l’observe allant ‘de la citerne d’eau de pluie vers les fleurs et des fleurs vers la citerne’. Ils en arrivent finalement à échanger un regard timide et un gentil sourire avant que le frère ne disparaisse derrière un laurier. ‘Ce soleil entourant sa tête, cette floraison et cette bure et ce visage heureux. Tout égoïsme s’évanouit. Elle se sent contente parce qu’il est heureux.’ Mademoiselle Symphorose vit là ses plus belles heures. Elle se moque du fait de rater son train et de devoir marcher encore trois bonnes heures avant d’atteindre le portail fermé du Béguinage. Même quand il se met en outre à pleuvoir et que ‘le Ciel avec toute sa béatitude se replie sur elle’.

On peut trouver cette fin trop mièvre et trop catholique, mais je l’ai trouvée touchante et – à ma grande surprise ! – crédible.

Tout semblerait indiquer que mon prisonnier évadé ne peut être qu’un catholique, ou pour le moins un renégat, et ma béguine du genre de Symphorose : tout à fait disposée à mettre quelque chose en jeu.

 

Agrée mes salutations pieuses,

Peter

 

 


Cher Christophe,


Au fond, je ne suis pas un voyageur. Je ne me risque pas comme bon nombre de mes collègues dans les quartiers populaires de villes bien plus dangereuses que Turnhout pour soutirer à la population autochtone la véritable histoire. Je fais exactement ce que je fais quand j’écris : j’essaie de trouver quelque chose dans ce qui est à portée de main. Ce n’est pas que j’évite ce qu’on pourrait en effet appeler l’histoire véritable, celle que convoitent le journaliste ou l’auteur de récits de voyage. Mais je ne la recherche pas consciemment. Il y a tant d’autres choses à vivre encore en dehors de cette histoire véritable.

As-tu remarqué les photos dans le buffet de la gare ?

Ce buffet est un endroit bizarre. Cela vient sans doute des dimensions de la pièce. Ce n’est pas un parallélépipède rectangle mais un cube, aussi haut que large et profond. Cela produit un effet intrigant, on se méfie spontanément en franchissant la porte, comme si on participait à son insu à l’un ou l’autre spectacle.

Il y a un vieux comptoir monté sur une estrade respectable avec sur les étagères des valises en carton et une collection de képis minable. Un ornement romain surplombe une petite porte mystérieuse sur laquelle est accrochée l’horloge de la gare. Des bancs contre le mur, un sol carrelé, la bière, la Cristal Alken, la pinte la moins chère de Turnhout, le présentoir de journaux affichant le message impérieux : « Soyez galant, un seul journal par client ! », tout cela sous le regard bienveillant du roi Baudouin et de la reine Fabiola, tous deux encore bien jeunes et si élégants en noir et blanc, mais déjà séparés l’un de l’autre, chacun dans son propre portrait détournant son regard de l’autre.

Ce pourrait être le décor innocent d’un quelconque estaminet un peu bizarre mais charmant s’il n’y avait pas toutes ces photos d’enfants. Des collages arbitraires de photos jaunies sous le verre des petites tables, impossibles à ignorer par le client ingénu dégustant sa boisson. L’histoire véritable renvoie sans doute à une question d’originalité décorative, je n’ai pas interrogé la tenancière à ce sujet, je crois qu’elle s’appelait Vicky ; avec deux autres hommes installés dans ce buffet de gare, nous écoutions Radio Nostalgie. Les portes bâillaient vers le quai de gare désert.

Je fixais le garçon blond à l’épi rebelle à côté de mon verre, ses oreilles pendantes, sa vulnérabilité. La choupette toute en boucles portant une sucrerie à la bouche, mais en même temps incapable de se départir d’un petit air de méfiance. Des dizaines d’enfants, sans doute devenus adultes depuis, réunis ici sur ces petites tables d’un buffet de gare. Adultes dans un lointain pays étranger et inconnu, ou décédés depuis, embarqués sur ce quai de gare dans le train en partance de Turnhout et jamais aperçus depuis.

 

Peter

 

 


Cher Christophe,


Ça fait des années que je n’y ai plus pensé et ce matin, après avoir lu ta lettre, je jette un regard sur mon trousseau de clés à côté de l’Olivetti et j’aperçois saint Christophe sur le porte-clé. Dès ma plus tendre
enfance, mes grands-mères m’ont toujours confié aux bons soins de saint Christophe dès que je quittais la maison. Chaînettes, bracelets, médaillons hyper minces dans la pochette à fenêtre du portefeuille et, dès que j’eus pris le volant, les porte-clés. Toi, saint patron de tous ceux qui se rendent sur les routes, et moi, Pierre, pêcheur d’hommes. Est-ce que tout cela n’est pas irrésistiblement comique au bout du compte ? Serions-nous prédestinés ?

 

Ce n’est pas que j’aie vraiment besoin de protection ici à Turnhout. C’est une ville où je commence à me sentir chez moi, d’une manière un peu étrange. La douceur, le cours tranquille des choses me rappellent une autre ville de province de l’autre côté du pays où j’ai passé de superbes vacances jusqu’à ce que la puberté vienne gâcher ce bonheur. Des étés douillets plein d’un ennui aussi agréable que lénifiant. J’ai passé d’innombrables heures sur le seuil de la petite maison de mes grands-parents. La rue pavée descendait vers un petit port et était presque ignorée des voitures. De l’autre côté de la rue, là où s’arrêtait donc constamment mon regard, il y avait un trottoir avec un long mur borgne en briques rouge orange, très beau, au-dessus duquel se balançaient les cimes d’arbres puissants. Le mur le plus important de ma vie. Mes parents me manquaient, mais c’était un manque tendre, qui ne demandait pas à être comblé.

L’événement le plus excitant de ma soirée en ville hier soir a été de voir les affiches du nouveau film de Batman, The Dark Knight Rises. Je m’étais installé sur une terrasse en face de l’église Saint-Pierre. À côté de moi, quatre jeunes adolescentes se partageaient des pizzas. Il était question de garçons, de garçons dévergondés, et de leur réputation, celle des jeunes filles. Deux d’entre elles auraient eu toutes les occasions du monde de ‘s’envoyer en l’air’ pendant les vacances, mais elles avaient toujours refusé. Pas les garçons, pas si on leur donnait l’occasion. J’appris qui l’avait fait avec qui et, surtout, qui l’avait raconté à qui. Lorsqu’elles se levèrent pour se rendre au café, je remarquai combien elles étaient toutes les quatre pareilles : de longs cheveux balayés toutes les deux minutes d’un geste de la main, des jeans sous vide jusqu’au cou-de-pied, des souliers plats, un sac à main dans le pli du coude et le téléphone portable à la main.

Peu de temps après, je pris le chemin du retour vers le Béguinage. Bien que j’eusse une clé à ma disposition, j’étais jusqu’alors toujours rentré avant la fermeture du portail à 22 heures, plus raisonnable encore que Mademoiselle Symphorose. Par hasard, ou peut-être pas du tout par hasard, je découvris à mi-chemin de la cour, dans une niche située dans un bout de façade peint en rose d’une rangée de maisons en saillie, une statuette émouvante d’un saint tout à fait à part : Jean de Nepomuk ou saint Jean Népomucène. Le saint patron invoqué contre la diffamation et la calomnie. Ayant refusé de trahir le secret de la confession au roi de Bohème, il fut torturé et finalement jeté du pont Charles dans la Vltava à Prague le 20 mars 1393. Il se noya.

Et voilà qu’aujourd’hui, on l’honore dans ce Béguinage avec une statuette et des roses en plastique. Il m’a semblé que dans une époque comme la nôtre, il pourrait être bien utile sur un porte-clés.

Dans ma chambre, je repensai à mon détenu évadé, planqué chez la béguine. Condamné à tort à la suite d’un faux témoignage. Songeant à Osewoudt dans La chambre noire de Damoclès de W. F. Hermans, on l’imagine peu viril, imberbe, blond par-dessus le marché et petit, ce qui lui permet de se montrer en public déguisé en béguine. Il écrit des lettres qu’il cache dans l’église Saint-Pierre. Des lettres destinées à celui qui est coupable du crime pour lequel il a été condamné : il ne l’a pas dénoncé. Ou des hosties. Le biais des hosties est encore plus ingénieux. Comme je l’ai écrit plus haut, les béguines subvenaient à leurs propres besoins. La dentelle a dû être leur commerce le plus connu. Sainte Anne – celle du couvent où je loge – était la patronnesse des dentellières. Mais les béguines fabriquaient aussi des hosties. Du pain d’autel. Le timbre a-t-il été manipulé une nuit ? Le lendemain, un message secret se serait-il trouvé imprimé dans le Corps de Dieu, un code, une instruction meurtrière adressée à un complice par la voie de la communion ? Non, le détenu n’est pas innocent. Mais ma béguine estime qu’il ne lui appartient pas de le juger, que ça fait partie des tâches du Bon Dieu. Il est coupable, j’en suis sûr.

 

Salutations déterminées,

Peter

 

 


Cher Christophe,


De grands écrivains m’ont précédé. En 1837, Victor Hugo a visité Turnhout en compagnie de sa maîtresse. Mais il a eu la politesse d’envoyer un compte rendu de ses impressions à sa femme. Sur le château, par exemple. Je t’ai écrit il y a quelque temps en plaisantant à propos de la Grand-Place qu’on avait décidé qu’il fallait construire une ville autour. Tu as évidemment compris que ce n’est pas de cette manière que la ville a vu le jour. En réalité, les ducs de Brabant venaient ici chasser le cerf. Aujourd’hui, Turnhout est entouré de marais et de bruyères, mais il y a huit cents ans, la région était très boisée. Les ducs y ont édifié un château qui fait aujourd’hui office de palais de justice. Dans le parc du château se sont élevés le ‘Warande’, une maison de la culture bien connue, et la prison. Mais ce n’était pas encore le cas au XIXe siècle, comme en témoigne Victor Hugo. Il parle d’une haute tour accolée au château, avec des grilles à toutes les fenêtres. « Il sortait d'une des fenêtres d'en haut un chant plein de tristesse et de douceur. (…). Comme c'était la kermesse d'août, il y avait au loin dans la ville un bruit de danses et de rires. Le chant du prisonnier coupait cela sans dureté et sans colère. Le jour s'éteignait à l'occident, les roseaux du fossé frissonnaient, de temps en temps un gros rat passait rapidement sur la saillie du pied de la tour. Et puis le fond du paysage était un vrai fond flamand (…) »

Les roseaux ont disparu, cédant la place à des haies d’if soigneusement taillées sur la rive tout autour. Le château a l’air d’avoir été construit l’année dernière. Mis à part les petits carreaux sertis probablement dans du plomb, tout me semble neuf. Plus question de rats, ou du moins pas de la race qui se montre avec effronterie et sans peur à des écrivains. Mais de l’art, oui. L’œuvre la plus remarquable est une sculpture de femme couchée dans les douves, une sculpture qui m’a rappelé instantanément la précédente Ville culturelle flamande, Ostende.

En entrant dans Ostende en direction du Kursaal, il est pour ainsi dire impossible d’éviter la croupe fabuleuse de la ‘Grosse Mathilde’, un hommage sans détour aux attraits féminins. George Grard avait baptisé sa sculpture La mer, se servant des rondeurs féminines comme symbole de la luxuriance et de la sensualité de la mer. La sculpture de Rik Poot, Naïade, à Turnhout, est davantage une œuvre d’art. Avec sa composition fragmentée, son orientation cubiste, elle décortique la naïade en jambes, fesses, un ventre et des seins. C’est un assemblage transparent qui accentue son caractère artificiel. On le regarde plus longtemps, on se met à réfléchir sur l’acte de regarder, on s’interroge sur le mécanisme du regard masculin. La Naïade de Rik Poot est littéralement une figuration de la femme, elle n’a simultanément plus grand-chose et absolument tout à voir avec la femme. C’est un peu comme avec les oiseux empaillés. Au musée Natuurpunt au numéro 13 du Graatakker, sont exposés un grand nombre d’animaux empaillés, surtout des oiseaux. Si on ne peut jamais approcher une huppe de plus près que là, cette dernière n’a en fait même temps plus rien à voir avec l’oiseau qu’elle a été jadis ou avec ses congénères qu’on observe à l’aide de jumelles dans des lieux ensoleillés.

J’ai été confronté dans de nombreuses vitrines du musée avec une chose qui m’a replongé instantanément dans les débuts de mon adolescence : des bols alimentaires. Un an ou deux avant que ne se déchaîne en moi le tumulte hormonal paralysant toute faculté intelligente, je collectionnais avec un ami des bols alimentaires dans un bois dont l’accès nous était formellement interdit sous peine de poursuites. Une fois rentré, les joues cramoisies par l’excitation du méfait accompli, je plongeais les bols alimentaires dans des récipients remplis d’eau chaude. Ce n’était rien d’autre qu’une opération de médecin légiste. À l’aide des osselets et des poils qui se dégageaient lentement du bol alimentaire ramolli, il était possible d’identifier la proie, et par le biais de la proie le hibou auteur du crime car, à la différence d’autres rapaces, le hibou avale la pauvre bête d’un seul coup. Victime et malfaiteur, l’agression parfaitement silencieuse, la brutale indifférence : à la manière d’un clairvoyant, je voyais se dérouler tous ces événements dans cette petite soupe tiède et dégueulasse.

 

Peter

 

 


Cher Christophe,


C’est si évident. Je sais que tu n’aimes pas la musique d’orgue, mais le grand avantage est que je suis seul à le savoir. Personne ne trouvera ça bizarre. Au concert d’orgue ce midi dans l’église Saint-Pierre, l’âge moyen des auditeurs devait frôler les cinquante-cinq ans. Mais je remarquai aussi des visages plus jeunes que le mien ou le tien. Je ne vois pas d’autre solution. Ces brefs concerts de midi sont la formule idéale, ils sont fréquentés par des personnes en tous genres, qui entrent souvent par hasard, attirés par la musique qu’on entend devant le porche de l’église.

Cela vaut pour la musique en général, mais la musique d’orgue surtout doit s’écouter live. C’est un événement, une expérience physique. Lorsque tous les registres s’ouvrent et que résonne dans la poitrine ce grondement si caractéristique, d’une autre ère, on n’entend pas seulement de la musique, on la ressent aussi, car la signification pénètre en profondeur sans l’intervention du cerveau. Le décor aussi, destiné à accueillir l’exécution de cette musique, fait partie de l’intensité de l’expérience. Dommage que pour les concerts, les chaises se trouvent toutes orientées vers l’orgue, au-dessus du portail. On regarde l’instrument, qui est très beau, il est vrai, mais il ne se passe rien, du moins pas visiblement. L’organiste demeure caché et la musique pourrait tout aussi bien venir de l’autre côté de cette énorme caisse de résonance, du côté le plus beau. Ce qui n’empêche que quelques filles aux cheveux gris battaient la mesure en hochant la tête avec enthousiasme dès que venaient des morceaux un peu plus rythmés et que la frivolité de la partition faisait sonner l’orgue comme un synthétiseur bon marché. Leur enthousiasme était tel qu’elles suivaient la plupart du temps une mesure inexistante, quelque chose qui, selon elles, aurait dû venir à cet endroit du concerto, quelque chose qu’elles entendaient déjà et qu’elles extorquaient du compositeur par des hochements de tête et des battements de pied.

Cette musique rayonne évidemment dans toute sa splendeur dans le cadre du culte, en harmonie avec le chœur et la liturgie. De cette façon, elle s’approche de la musique de film. J’ai vu The Dark Knight Rises hier. L’emphase de la musique de Hans Zimmer visait ostensiblement les tripes, à la manière de l’Ancien Testament, alors que l’histoire de notre super héros s’appuyait lourdement sur le Nouveau Testament. Ce type sort presque littéralement du tombeau ce qui, sans trop vouloir dévoiler, ne lui réussit qu’après qu’il se soit défait de son indifférence envers la mort et qu’il embrasse de nouveau la vie avec une déférence renouvelée envers la mort. À peine ressuscité d’entre les morts, il doit se rendre illico à Gotham pour y sauver d’une catastrophe assurée son peuple enchaîné. Et comment détourner le destin et la souffrance sinon par un acte d’abnégation totale ?

J’entendais du Bach et je contemplais la superbe chaire devant à gauche, je voyais Jésus Christ de dos, son index levé, Pierre, anciennement Simon, avec son début de calvitie, tout juste institué pêcheur d’hommes, à genoux, et je songeai à Batman, le sauveur masqué de son peuple, et à Turnhout, dont le nom Turnhout composé de ‘turn’ (= épines) et ‘hout’ (= bois) signifie donc bois d’épines et je me suis souvenu du buisson ardent, de Dieu qui apparut à Moïse dans le buisson ardent et que le feu ne consumait pas le buisson et qu’il ne fut pas donné à Moïse de voir Dieu mais qu’il entendit qu’il devait conduire son peuple hors d’Egypte et je souris à l’idée de la devise de Turnhout ‘in fuga salus’, le salut dans la fuite, et j’eus le sentiment que tout était en train de trouver sa place, que l’histoire véritable se présentait simplement à moi, par une forme d’intelligence silencieuse, discrète mais superlative.

Il nous faut persévérer. La semaine prochaine, tu entreras un peu après midi dans l’église, je ferai en sorte qu’il y ait une chaise libre à côté de moi. Après le concert, nous partirons, toi dans la direction du Graatakker, moi en direction du Béguinage. Ce sera comme si cela n’avait jamais eu lieu. Crois-moi.

 

Ton ami,

Peter.

 

 

 

Traduit du néerlandais par Michel Perquy

Podcast lu à haute voix par Guy De Hainaut


Michel Perquy traduit du et vers le français. Il est né à Bruges (1943) et a étudié les langues romanes à la KULeuven, après ses humanités gréco-​latines. En tant que professeur de français, il était très actif dans le théâtre de son école et, dans cette optique, il a commencé à traduire (Boris Vian, Molière, Giraudoux, René Girard). Ensuite, il a été nommé directeur adjoint de la Maison des Etudiants belges à Paris et il a continué à développer ses activités de traduction (www.perquy.net). Actuellement, il habite à Bruxelles. Traduire et peindre (www.oparijs.eu) sont ses activités principales.

 

Download de ePub-versie Print

The Truth of the Matter


Dear Christophe,


I think I have a good idea. It hit me suddenly, as these things often do, suddenly and fully-formed, as self-evident as if it’s always been there and I was just remembering it. The memory came when I decided to write to you, about five minutes ago: the citybook should be a crime story. A crime story in letters.

Have you ever read anything like that?

I’m sure it exists, how could it not? This form – not a correspondence, but just the letters of one of the correspondents – offers the writer (of the story, that is) a range of possibilities. The crime is never mentioned. The correspondents know perfectly well what happened.

I’ve just arrived. The Beguinage has been beautifully renovated. UNESCO World Heritage. I’m staying in one of the guest rooms in the Convent of St. Anne’s. The Corpus Christianorum, administered by Brepols Publishers, is located in the same building; a staff member gave me a tour of the impressive library, which is made up for the most part of Christian texts from the Medieval and Patristic periods, passed down in Latin, Greek and Middle Eastern languages. A treasure trove for specialists, who stay in guest rooms in the attic when their studies require it. And that’s exactly what my room exudes: study and research and a frugality that recalls the vanished beguines. The varnished fibreboard floor and the bed remind me of my boarding school days, but the towels and the bed linen smell fresh. With neither radio nor television, inspirational silence is the order of the day. I envisage rapid completion of my work.

I am, by the way, in the company of my pistachio-green Olivetti portable; the frivolity of its colour and design is almost blasphemous. Startled, I let the first keystrokes die out completely. No alarms have gone off anywhere. Angry footsteps on the stairs fail to materialise.

 

Yours in literature,

Peter

 

 


Dear Christophe,


Turnhout has a large market square called the Grote Markt, the big market. On this Grote Markt there is a large church called St Peter’s. I must be one of the countless tourists who, when visiting an unknown city, soon find themselves on the market square and about to enter a church or cathedral. Is it because it’s the repository of the city’s riches? Home to what’s most worth seeing? Or is it because of a tendency to follow the crowd in unknown territory as a subconscious security measure?

There are no crowds here. I feel like I’m the only tourist and recognisable from a great distance. I’m probably not following the right route around the Grote Markt. The outdoor cafés around the sides of the square are practically deserted. Everyone seems to be waiting for something. The people are dressed like back home in my village. That could be related to the time of the year, the exhausted start of August, but I don’t think so. It’s as if the market was here first, followed by a hasty decision that such a large market needed to be surrounded by a city.

Once inside St Peter’s, the imposing carved pulpit rises before you, as if to greet you. A replica, true, ‘a free copy’, but that really is irrelevant. The original in St Andrew’s in Antwerp could not possibly be more impressive. The Biblical tableau depicts Jesus calling the first disciples. Simon, who has just returned from fishing with his brother Andrew, kneels on the shore of the sea as Jesus speaks to him, hand raised and finger extended. ‘And I say also unto thee, that thou art Peter, and upon this rock I will build my church.’ (From the Gospel according to Matthew.) And: ‘Fear not; from henceforth thou shalt catch men.’ (From the Gospel according to Luke.) Men, no longer fish.

It is Peter, with his humility and his muscular back of dark polished wood, a slightly balding Peter with his antique Greek beard who has deeply moved me.

The responsibility that suddenly rests on his shoulders, which he accepts with love and visible strength. Men, no longer fish. I couldn’t stop taking photos. I stood right next to Jesus. Jesus and I are approximately the same size. His feet are so beautifully formed that I understood people feeling the urge to kiss them. There was no one else in the church. Of course, I immediately shrugged off the idea, turned and continued on my way.

When I had viewed more or less everything, I ended up back at the pulpit, near the portal. I thought deeply about what I had been shown. I looked at Jesus, his raised hand with that extended finger, and at Peter. Then I looked back at Jesus. I found it peculiar that I could still be alone in such a large church.

 

Your friend,

Peter

 

 


Dear Christophe,


I found your letter, exactly in the place we agreed. You were right; people are scared to death of getting saddled with something. But regarding the contents of your note, I can be brief: I don’t believe a bit of it. I’d like to, especially as it sounds so plausible and fills the gaps so neatly, but I just can’t. The whole idea is repugnant to my nature. I can’t believe that he, of all people, could be capable of it.

Yesterday I took a different route into town. I left the Beguinage through a back gate and walked past a field of flowers, the Begijneveldekens, on my way to the Kasteeldreef. Just past the library, right up at the gate of St Victor’s, the primary school, there was a woman of foreign origins with a worn-out buggy. There was no child in it, it was a kind of packhorse on wheels, loaded up with sturdy carrier bags. Joyously she called out ahead of her, her hands cupped around her mouth. An answer sounded in the distance. It was coming from a barred window on the other side of the road, one of three windows visible above a high prison wall. Of course, I didn’t understand what it was about, but it was obvious that the two of them were enjoying their long-distance conversation. There was nothing sad or lonely about it; it was more like a stolen moment between lovers who, instead of whispering sweet nothings into each other’s ears in a park, had been forced to resort to other measures.

It was only against the cheerfully painted school gate that you had a good view of the windows. What’s more, the gateway amplified her voice like a sounding board over a pulpit, while simultaneously serving as a gigantic ear to help her to catch her lover’s words. The woman was so absorbed in the moment that she didn’t see me watching. I calculated that, as the crow flies, the prison could hardly have been more than a hundred and fifty metres from my room in the Beguinage, with an uninhabited area in between, and immediately felt that those two things would be brought together in my citybook. Prisoners and beguines.

Do you know the Felix Timmermans novella called The Book of Days of Symphorosa, Little Sister of the Beguines? I received it as a gift from Bart Janssens of Brepols Publishers, who had worked on the Dutch-English edition himself. Timmermans wrote the story in August and September of 1917 and won the Triennial National Prize for Flemish Literature with it. I wouldn’t be surprised if Louis Paul Boon had drawn on Timmermans for the title of his risqué novella Mieke Maaike's Obscene Youth. Superficially the two stories are each other’s opposites. Although you could say that ‘finding happiness in the happiness of others’, as Symphorosa’s back cover puts it, is a search that leads down another path in Mieke Maaike. I almost wrote: a slippery path.

At the end of the first chapter, in which a young gardener has pruned Symphorosa's grapevine – ‘Martin is here now, in his red smock and blue garden apron, working contentedly’ – and she has offered him a glass of flat red beer to quench his thirst, she raises her head anxiously after her evening prayers and wonders whether she has done something wrong. Those twinkling eyes and ‘full red lips that shine as though he has just eaten a good chunk of bacon’ have thrown her off balance. No matter how often she prays in the coming months for Our Father in Heaven to reveal His paths to her and lead her down the straight and narrow, she can’t help imagining ‘a little chimney with smoke rising from it into the evening air and a woman standing in the doorway, watching for her good husband to come home carrying his rake and hoe.’

In the Beguinage Museum, on the far side of the grassy field where the beguines once spread out their linen to be bleached by the sun, I learnt that the Beguinage was a miniature walled city that provided protection and security to a self-supporting community of devout women. Neither nuns nor laywomen, the beguines were allowed to renounce their oath of chastity and this makes Symphorosa’s dilemma very plausible.

Before she can decide, Timmermans gives his plot a fabulous twist. The good-natured Martin is so enthused by his work in the Beguinage and his experience of the life of devotion that he decides to enter a monastery: Symphorosa doesn’t get a chance to declare her love.

As a reader, you expect this to lead to a tragic downfall, something with a rapidly approaching train or fatal poison purchased at an apothecary, but there’s nothing of the kind in this poetic novella. Through the wrought-iron fence of the monastery garden, Symphorosa sees the latest member of the order at work with a watering can, observing ‘him going from the rain barrel to the flowers and back again’. Finally she manages to exchange a shy look and a friendly smile before the new brother disappears behind a bay tree: ‘The sun around his head, the flowerbeds, his cowled habit, and his happy face. All egocentric longing slips away, and she is happy because he is happy.’ Symphorosa experiences her finest hour. She doesn’t care that she is going to miss the train and will have to walk three hours to reach the closed gate of the Beguinage. Not even when it starts to rain and ‘heaven pours its glory down on her hopes’.

You could call it a mawkish, Catholic conclusion, but I found it moving and surprisingly believable.

It seems very much as if my escaped prisoner is going to be a Catholic, or lapsed at least, and my beguine a woman like Symphorosa, willing to take a risk.

 

Yours devoutly,

Peter

 

 


Dear Christophe,


Essentially I’m not a traveller. Unlike many of my fellow writers, I don’t venture into the quartiers of cities that are much more dangerous than Turnhout to get the real story out of the local population. I do exactly the same as when I’m writing: I try to find something in the obvious. The truth of the matter, the thing journalists and travel writers go in search of, isn’t something I avoid, but I don’t deliberately go looking for it either. There’s a lot more going on than the truth of the matter.

Did you see the photos in the train station restaurant?

It’s a bizarre place, that restaurant. It must have something to do with its dimensions. It’s not elongated at all, but a cube, as high as it is wide as it is deep. The effect is disturbing; it puts you on guard, as if you’ve wandered into some kind of show.

The old counter is up high, with cardboard suitcases and a shabby collection of caps on the shelves behind it. A Roman ornament above a small, mysterious door, on which the station clock has been mounted. The benches against the wall, the tiled floor, the beer – Cristal Alken, Turnhout’s cheapest – the newspaper rack with the urgent message ‘Be courteous: one newspaper per customer,’ and, looking down on it all, a friendly King Baudouin and Queen Fabiola, very young still and elegant in black and white, but already separated, looking away from each other and each in their own portrait.

It could be the innocent furnishings of a peculiar but charmingly traditional bar, if not for the photos of the children, the loose collages of yellowed photos under glass on the tables, which the customers cannot possibly ignore while staring at their drinks. The truth of the matter is possibly decorative entertainment; I haven’t asked the barmaid, whose name, I think, is Vicky. Together with two other men, we were listening to Nostalgia FM. The door to the deserted platform was open.

I looked at the boy with unruly blond hair next to my glass, his drooping ears, his vulnerability. The curly-headed toddler who was raising something delicious to her mouth, but still looked suspicious. Dozens of children who must be grown up by now, gathered here on the tables of the train station restaurant. Adults in a distant, unknown country, or dead by now, having climbed onto a train from this platform to leave Turnhout, never to be seen by anyone again.

 

Peter

 

 

 


Dear Christophe,


After years of not giving it a second thought, this morning, after reading your letter, I looked at my key ring on the table next to the Olivetti and saw my St. Christopher. Even when I was very small, my grandmothers always made sure that St Christopher would watch over me wherever I went. Necklaces, bracelets, wafer-thin medallions in the window of my wallet and, when I started driving, key rings. You, patron saint of all travellers, and me, Peter, the catcher of men. Isn’t it hilarious, all things considered? Was it predestined?

Not that I need a lot of protection in Turnhout. It’s a city where I have begun to feel strangely at home. The quiet pace and relaxed atmosphere remind me of another provincial town on the other side of the country, where I enjoyed wonderful holidays until puberty reared its ugly head. Secure summers full of pleasant, soothing boredom. I spent hours on my grandparents’ doorstep. The cobbled street ran down to a small harbour and was virtually devoid of traffic. Across the road, as my constant view, there was a footpath and a long, blank wall of reddish-orange brick with mighty treetops swaying over it. The most important wall in my life. I missed my parents, but it was a sweet longing that required no resolution.

The most exciting thing I encountered last night in the city was the posters for the new Batman film, The Dark Knight Rises. At an outdoor cafe across from the entrance to St Peter’s, I was sitting near four teenage girls. They were sharing pizzas and talking about boys, loose boys, and their reputations, the girls’, that is. A couple of them could easily have ‘done it’ on holiday, but they always put it off. Not boys, not if they get a chance. I heard who had done it and who with and, most importantly, who had told who about it afterwards. When they left for a bar, I noticed that all four of them looked the same: long hair pushed back out of their eyes, jeans that were vacuum packed all the way down to their ankles, ballerinas on their feet, handbags in the crooks of their elbows, mobiles at the ready.

Not much later I walked back to the Beguinage. Although I have a key, until now I’ve always been back before the gate closes at ten, less daring than Symphorosa. By chance, or perhaps not entirely by chance, I have discovered a moving statue of an extremely unusual saint in a niche in a pink-painted section of the facade of a protruding row of houses halfway to the Beguinage: John of Nepomuk, also known as John Nepomucene. The patron saint of the defamed and slandered, he refused to break the secrecy of the confessional for the king of Bohemia, who had him tortured and finally thrown into the Vltava from the Charles Bridge in Prague. He drowned.

Today he is honoured in the Beguinage with a statue and plastic roses. It occurred to me that in days like ours we could use him on key rings.

In my room, I thought about my escaped prisoner being hidden by the beguine. He has been unjustly condemned because of a false testimony. With Osewoudt from W.F. Hermans’s The Darkroom of Damocles in mind, he doesn’t look particularly masculine. Smooth cheeked, blond and small, he’s able to go around in public dressed as a beguine. He writes letters that he hides in St Peter’s. Letters to the man who is guilty of the crime he has been convicted of; he hasn’t betrayed him. Or hosts. Using hosts is even more ingenious. As I wrote earlier, beguines were self-supporting. Lace-making must have been the most familiar of their trades. St Anne – the saint whose convent I’m staying in – was the patron saint of the lace makers. But beguines baked hosts too. Eucharist wafers. Does someone alter the stamp one night? So that the next day a secret message can be pressed into the Body of Christ, a code, fatal instructions to be passed to an accomplice by way of communion? No, the prisoner is not innocent. But my beguine believes she mustn’t judge him, that task falls to God. He is guilty, I’m sure of it.

 

Yours determinedly,

Peter

 

 

 


Dear Christophe,


Great writers have gone before me. In 1837 Victor Hugo visited Turnhout with his mistress. He was polite enough to send his wife a letter detailing his impressions. Of the castle, for instance. A while ago I wrote to you about the Grote Markt, joking that it necessitated the construction of a town around it. It was clear to you, of course, that that wasn’t how the city arose. The dukes of Brabant came here to hunt deer. Modern Turnhout is surrounded by pools and heathland, but eight hundred years ago this country was largely forest. The dukes built a castle, now a courthouse. The warande, the pleasure garden, became the site of the Warande, the well-known cultural centre, and the prison, but in the nineteenth century things were different. Hugo describes a tall tower, built up against the castle with every window barred. ‘From the window above came a soft, sad voice. As it was the time of the August fair, I could hear the bustle of distant laughter and dancing in the city. In between I caught snatches of the prisoner’s quiet, moving song. The reeds in the moat rustled gently. Now and then a large rat scurried past on the stone ledge at the foot of the tower. The landscape in the background was Flemish through and through.’

The reeds on the bank have given way to neatly shaven yew hedges. The castle looks like it was built last year. Except for the small windows, presumably set in lead, everything looks new. No more rats, or at least not the kind that show themselves fearlessly and shamelessly to visiting writers. There is art though. The most eye-catching is a statue of a reclining woman in the moat, a work that immediately reminds me of the previous Flemish City of Culture, Ostend.

If you drive into Ostend in the direction of the casino, you are greeted by the fabulous derriere of ‘Dikke Mathille’ or ‘Fat Matilda’, an unabashed paean to feminine charm. George Grard called his statue La mer, with the curves symbolising the abundance and sensuality of the sea. Rik Poot’s statue in Turnhout, Naiad, is more a work of art. The fragmented composition, the cubist approach, the slender nymph dissected into legs, buttocks, belly and breasts. A transparent assemblage that emphasises artificiality. It holds your gaze for longer, making you think about the act of looking, the mechanism of the male gaze. Rik Poot’s water nymph is literally an imagining of womanhood; it is far removed from women as such and at the same time it owes them everything. It’s like a stuffed bird. In the Natuurpunt Museum on Graatakker 13 they have a lot of stuffed animals on display, especially birds. You’ll never get closer to a hoopoe, but at the same time the hoopoe on display has nothing to do with the bird it once was or the specimens that can be viewed through binoculars in sunny climes.

In the museum’s many display cases, I encountered something that immediately took me back to my early teens: casts. A year or two before the deranging hormonal tumult erupted inside of me, a friend and I would collect casts in a wood which we were prohibited from entering under threat of prosecution. Back home with flushed cheeks, I would place the casts in soup bowls of warm water to soak. It was nothing short of forensic investigation. By studying the hairs and little bones that slowly emerged from the soft cast, I was able to identify the prey and, through the prey, the owl that, unlike other birds of prey, had swallowed the poor creature whole. Victim and killer, the silent aggression, the brute indifference. Like a clairvoyant I saw it all re-enacted before me in a bowl of filthy, tepid soup.

 

Peter

 

 


Dear Christophe,


It’s so obvious. I know you don’t like organ music, but the great advantage is that only I know that. No one will be surprised. At the concert in St Peter’s this afternoon the average age was around forty-five. But I also saw faces younger than yours or mine. I don’t see any other solution. The short lunchtime concerts are ideal; all kinds of people show up, often by coincidence, drawn in by the music they hear through the open doors.

It’s true of all music, but organ music in particular needs to be heard live. It’s an experience, a physical experience. When they pull out all the stops, that characteristic primordial drone resonates in your chest. More than just hearing the music, you also feel it, and its significance reaches you directly, without the intervention of your brain. The setting in which it is meant to be performed is part of the intense experience. It’s just a pity that, for the concerts, they turn the chairs in the church around to face the organ, above the portal. You look at the instrument, which is beautiful, but nothing happens, or at least you don’t see anything happening. The organist is hidden and the music could just as well be coming from the other side of this enormous sounding board, the most beautiful side. All the same, whenever passages with a little more rhythm come along and the playfulness of the score makes the organ sound like a cheap synthesiser, a few grey-headed girls start to nod their heads with enthusiasm. So enthusiastically that they mostly follow a non-existent rhythm, something they think should be in the concerto at this moment: hearing it in their minds and imposing it on the composer with head nodding and foot tapping.

Of course, this music is at its most beautiful in a service, combined with a choir and the liturgy. In that sense it’s like film music. Yesterday I saw The Dark Knight Rises. Hans Zimmer’s pomposity was aimed squarely at the audience’s chests, pure Old Testament, whereas our superhero’s story draws heavily on the New Testament. He almost literally climbs up out of the grave, but this is something he only manages after casting off his indifference for death and embracing life with a renewed respect for dying. Once arisen, he has to race straight to Gotham to save his imprisoned people from certain doom. And how can fate and suffering be averted if not by a deed of total self-sacrifice?

I listened to Bach and looked at the magnificent pulpit at the front of the church. I saw Jesus Christ from behind, his raised index finger, the slightly balding Peter, formerly Simon, brand-new people catcher, and I thought about Batman, the masked saviour of his people, and of Turnhout, the name Turnhout, ‘turn’ doesn’t have anything to do with turning but comes from thorn, Turnhout is Thornwood, and I thought of crowns of thorns and also of thorn bushes and then of burning bushes and God appearing to Moses in a burning bush, and that the fire did not consume the bush and Moses didn’t get to see God, but heard that he had to lead his people out of Egypt, and I smiled to think of Turnhout’s motto, ‘in fuga salus’, salvation in flight, and felt that everything was falling into place, that the truth of the matter had been revealed to me out of nowhere, a quiet, discreet but superlative insight.

We have to push on. Next week you come into the church just after twelve, I’ll make sure a place next to me is free. After the concert you walk towards Graatakker, I head for the Beguinage. It will be like it never happened. Believe me.

 

Your friend,

Peter

 

 

Translated from Dutch by David Colmer

Podcast read by Richard Wells

 

David Colmer is an Australian writer and translator who lives in Amsterdam. He translates Dutch literature in a range of genres and has won numerous prizes, including the 2009 NSW Premier and PEN Translation Prize and the 2012 Dutch Foundation for Literature Prize, both for his body of work, and the 2010 IMPAC Dublin Literary Award, with author Gerbrand Bakker, for the novel The Twin. His translation of Peter Terrin’s The Guard was published in London in 2012. Colmer is currently working on major new collections of the poetry of Hugo Claus and Cees Nooteboom, for Archipelago and Seagull Books respectively.