De hond John Lennon

الكلب جون لينون

Hassan Blasim

Hassan Blasim

Hassan Blasim (1973, Irak) is vooral bekend als auteur van korte verhalen, maar schrijft ook poëzie en theater en schreef en regisseerde films. Na zijn studie Filmwetenschappen in Bagdad ontvluchtte hij in 1998 het regime van Saddam Hussein naar Iraaks-Koerdistan en reisde daarna als illegale migrant door Iran, Turkije, Bulgarije en Hongarije tot hij in 2004 Finland bereikte, waar hij sindsdien woont en werkt. Hij won de Independent Foreign Fiction award in 2014 met The Iraqi Christ. Het was de eerste Arabische titel en de eerste verhalenbundel die ooit deze prijs toegekend kreeg. Ook won hij drie keer de PEN-award. Zijn boeken werden in meer dan 20 talen vertaald. Zijn recentste verhalenbundel De lijkententoonstelling, waarvan de Nederlandse vertaling in 2017 verscheen bij uitgeverij Jurgen Maas, werd lovend onthaald. NRC schreef ‘Een wrange merkwaardige verzameling verhalen die even fascinerend als gruwelijk zijn.’ en The Guardian noemt Blasim ‘perhaps the best writer of Arabic fiction alive’.

Close

Leeuwarden Alle citybooks

Print

الكلب جون لينون

Listen to the audio book (mp3).

 

الكلب جون لينون

حسن بلاسم

 

 

كتب حسن بلاسم هذا النص بعد إقامة لمدة أسبوعين في مدينة ليوواردن
الهولندية، كجزء من مشروع ( مدينة كتب) في ليواردن وبدعوة من :
the Flemish Dutch House deBuren

 

 

منذ ان وصلت قبل اسبوعين والمدينة مبللة، مثل ذهني الذي تمطر فيه الصور والأفكار على مدار الساعة: تتجمع المياه، تتجمد، ثم تبخرها شمس ذاكرتي! انه يومي الأخير في مدينة ليوواردن. في كثير من الاحيان اشعر ان ذهني مجرد قدر يغلي، وليس لدي أي فكرة عن كيفية رفع هذا (الذهن) من فوق النار! امشي وسط المدينة من دون وجهة محددة. مطر مع لسعة برد خفيفة. أشعل سيجارة واتوقف عند بناية بيت الوزن وأتأملها. تبدو من أبرز معالم وسط المدينة وهي تجاور القنال. البناية فيها مطعم. التراس مفتوح، لكن البرد يدفع الزبائن للاحتماء في بطن البناية. اجلس وحيدا وسط التراس. تأتي نادلة شابة مبتسمة: هل تحتاج الى غطاء، الجو بارد؟! اشكرها وأقول لها انا من هلسنكي، لدينا هناك برد وثلوج كافية لخوض تمارين العتمة والبرد. تبتسم النادلة، تقول: اه.. لم ازر هلسنكي من قبل، لكنني ذهبت الى ستوكهلم، واحببت المدينة كثيرا!

اشرب قهوتي، متأملا المارة. اغلب مشاة الرصيف يرتدون اللون الأسود والازرق الغامق. واغلبهم يرتدي جينز. أحاول ان أحصي الذين لا يرتدون الجينز. انهم اقلية. وكأن الأغلبية هي قبيلة جينز والأقلية هي قبيلة قماشية. قبيلة تطرز الزهور والنباتات على الاقمشة وتغني عن الشمس والعتمة. عن الحياة والموت. لا خلاص من وسواس التأمل العشوائي! هكذا هو ذهني الذي يحاول الان سحب طمأنينتي الهشة الى الهلوسة.

...

 

لقراءة النص ، انقر هنا

citybooks hassan blasim arabisch

Print

De hond John Lennon

Beluister hier het audioboek (mp3) in het Arabisch, voorgelezen door de auteur. De Nederlandse, Engelse en Friese vertalingen zullen binnenkort ook te beluisteren zijn.

De hond John Lennon


Sinds ik hier twee weken geleden ben aangekomen, wordt de stad overspoeld door regen, net als mijn geest, waarin het dag en nacht beelden en gedachten regent. Het water verzamelt zich, bevriest en uiteindelijk verdampt het in de zon van mijn herinneringen. Dit is mijn laatste dag in Leeuwarden. Ik heb vaak het gevoel dat mijn geest niet meer is dan een overkokende ketel, waarvan ik niet weet hoe ik hem (die geest dus) van het vuur moet halen. Doelloos loop ik door de stad. Regen, met een tinteling van kou. Ik steek een sigaret op en blijf stilstaan om naar de Waag te kijken. Hij staat aan de gracht en zo te zien is het gebouw een van de meest prominente monumenten van de binnenstad. Er is een restaurant in het gebouw gevestigd. Het terras is open, maar de kou heeft de klanten naar binnen gedreven. Ik zit alleen op het terras. Er komt een jonge serveerster aangelopen, die glimlachend vraagt: ‘Hebt u een deken nodig? Het is koud.’ Ik bedank haar en vertel haar dat ik uit Helsinki kom, waar het zo koud en donker is dat je je er speciaal op moet trainen. De serveerster zegt, nog steeds glimlachend: ‘O ja? Ik ben nog nooit in Helsinki geweest, maar wel in Stockholm. Dat vond ik een geweldige stad!’


Terwijl ik mijn koffie opdrink, kijk ik naar de voorbijgangers. De meesten dragen zwarte en donkerblauwe kleren en spijkerbroeken. Ik probeer de mensen te tellen die geen spijkerbroek dragen. Ze zijn in de minderheid. Alsof de meerderheid behoort tot een spijkerbroekstam en de minderheid tot een stam die bloemen en planten op textiel borduurt en zingt over zon en duisternis. Over leven en dood. Er valt niet te ontkomen aan de verleiding van willekeurige gedachten. Zo is mijn geest, die op dit moment probeert mijn broze gemoedsrust tot allerlei waangedachten te verleiden.

Ik ben in Leeuwarden terechtgekomen dankzij een Writer-in-Residence-project. Het is de bedoeling dat ik iets over de stad schrijf. Eerlijk gezegd heb ik geen flauw idee hoe ik zou moeten schrijven over een stad die ik pas twee weken geleden heb leren kennen. Ik ben heel traag. Sinds ik in mijn puberteit met deze wonderlijke hobby ben begonnen, schrijf ik zo traag als een schildpad.

Ik ben vierenveertig jaar geleden in Irak geboren. Ze zeggen dat onze buurvrouw me op een bloedhete zomernamiddag onder een palmboom tussen mijn moeders dijen vandaan heeft getrokken. Eerst slaakte ze een harde jubelkreet in de schaduw van de palmboom, en toen kwam ik naar buiten: een kind gedoopt in het land van de twee rivieren, de rivier van het bloed en de rivier van het lijden. Ik woon en werk nu alweer ruim tien jaar in Helsinki. Een vluchteling, wiens geest zelfs het ijskoude Finland niet heeft kunnen bevriezen en kalmeren.

Misschien is mijn geheugen te vergelijken met een opslagplaats voor verbrande huiden. Huiden van gevilde mensen en dieren. Huiden die tijdens mijn slaap veranderen in verbijsterende kunsttentoonstellingen. Beangstigende, spannende, opwindende kunst. Realistische, creatieve nachtmerries die stinken naar menselijke pijn.

Oké, laten we beginnen met de opdracht die ik heb gekregen. Ik ben hier immers om over Leeuwarden te schrijven, niet over de kunst van de geest van verbrande huiden. Voor vreemdelingen zijn steden altijd stil en mysterieus. Ik moet dus een gesprek aangaan met Leeuwarden, ik moet de stad aan het praten zien te krijgen. Kennismaken met dingen is een beproefde, klassieke methode om te beginnen met schrijven. Maar wat wil ik hier leren kennen? Waarover ga ik schrijven? Ik was van plan om door de stad te gaan dwalen, met mensen te praten en observaties te registreren en als ik dan terug zou zijn in de ijskast van Helsinki, zou ik proberen mijn indrukken in een bepaalde vorm te gieten. Een verhaal, of misschien alleen een dagboek. Restaurants, bars en coffeeshops bezoeken is de snelste en gemakkelijkste manier om gesprekken aan te knopen. Dat was dus wat ik deed. Maar om eerlijk te zijn, kreeg ik niet veel voor elkaar. Het is overduidelijk dat Leeuwarden nog niet gewend is aan vreemdelingen. Dat kon ik zien aan de blikken van de klanten en de werknemers. Zodra mijn Midden-Oosterse gelaatstrekken hun intrede deden in de tempels van voedsel, drank en marihuana, lieten de Leeuwarders hun radars werken. in een poging de identiteit van de vreemdeling vast te stellen. Maar de argwanende blikken die op me werden gericht, stoorden me niet. Ik ben er al jaren aan gewend om als een vreemdeling te leven. Sterker nog, ik heb speciale methoden ontwikkeld om mijn buitenlanderschap en het gevoel een vreemdeling te zijn om te vormen tot komische theaterscènes.

Wat is die Waag eigenlijk voor een gebouw? Ik steek weer een sigaret op. Oké, ik ben de enige waar rookwolken uit komen, terwijl hij op het terras zit te bevriezen. Ik zal mijn toevlucht moeten zoeken tot de god Google in plaats van met anderen te praten. Wat lijkt de enorme kennis die zich in het universum van het internet bevindt, vandaag beangstigend en verbijsterend. Als je de lege stoelen op dit terras in de armen van de god Google zou leggen, zouden er allerlei titels van boeken over de geschiedenis, de vorm en de betekenis van stoelen tevoorschijn komen. Stoelen van oorlog en vrede. Stoelen om te lachen om video’s, films en foto’s. Stoelen om zelfmoord te plegen. Stoelen voor zieken en stoelen voor ambtenaren. Stoelen die nog bomen zijn, waar de fabrieken op wachten. Antieke stoelen en stoelen in kunstmusea. Stoelen in Leeuwarden en stoelen in Bagdad. Begraven stoelen uit oude, uitgestorven beschavingen. Stoelen van gezagdragers en stoelen van de armen. Als je blijft volhouden, zal aan het eind van je zoektocht blijken dat je als een dwergdier heen en weer rent tussen de poten van reuzenstoelen. De kennis die het internet heeft verzameld en nog steeds dagelijks verzamelt, lijkt ons te veranderen in minuscule wezens. Maar is menselijke kennis niet in alle tijden een onafzienbare oceaan in vergelijking met de bespiegelingen van de broze, dwalende mens? Of misschien is het de kennis zelf, voortgebracht door de mens, die zo snel is geworden dat we haar niet meer kunnen bijhouden. De kennis neemt toe, terwijl onze tijd alleen maar afneemt. Wij hebben geen tijd om in die lawaaiige, wonderbaarlijke marathon mee te lopen. Ik ga naar Wikipedia om een aantal raadsels over de Waag op te lossen. Het was een openbaar gebouw waarin, of door middel waarvan, koopwaar werd gewogen. Dit soort gebouwen zijn grotendeels vóór 1800 gebouwd, voordat de internationale standaarden voor gewichten werden ingesteld. Het algemene toezicht op het wegen van goederen was heel belangrijk en werd uitgevoerd door de plaatselijke autoriteiten, die tevens waren belast met het heffen van belastingen op de goederen die de stad binnenkwamen of binnen de stad werden verhandeld. Daarom stonden de waaggebouwen meestal dicht bij het marktplein, of in het centrum.

Ik betaal mijn koffie en vervolg mijn wandeling. Leeuwarden maakt een rustige, vriendelijke indruk. Een mooie plek om in vrede te wonen, ver van het rumoer van de grote steden. Toch ademt de stad dezelfde deprimerende geur uit als de kleine Scandinavische steden. Ik loop langs de stadsbibliotheek en neem met mijn telefoon foto’s van de Achmeatoren. Daarna slenter ik door de smalle steegjes in het centrum. Ik ben gek op kleine steegjes in steden. Je wordt er meegesleept door een gevoel van rust en intimiteit. Ze geven je het gevoel dat je je in de aderen van de stad bevindt. Ik vraag me af hoeveel tijd ik nodig zal hebben om tot het brein van Leeuwarden door te dringen. Ik neem nog meer foto’s die ik later misschien kan gebruiken bij het schrijven. Ik word moe en ga terug naar mijn verblijf. De organisatoren van de schrijfresidentie hebben een kleine, ordelijke, mooi ingerichte kamer voor me gehuurd. Ik woon boven een banketbakker, die tevens de eigenaar is van het pand. Overdag ruikt het hele huis naar cake en gebak. In de bakkerij is een koffiehuis, waar workshops voor het maken van cake en chocolade worden gehouden. In de bakkerij zelf worden speciale bestellingen voor de klanten verzorgd. Het is een sympathieke plek. Een persoonlijke onderneming, die de naam van de eigenaar draagt: Tony. Hij is een vriendelijke, rustige jongen en hij heeft een hond, John Lennon, die nooit van zijn speciaal voor hem ingerichte plek komt. Hij gaat nooit via de trap naar beneden, waar de bakkerij is, en ook niet naar boven, waar mijn kamer is. Ik steek mijn hand uit, zodat hij eraan kan snuffelen, daarna aai ik hem over zijn nek en vraag: ‘Hoe gaat het met je, John Lennon?’ John kijkt me aan met een melancholieke blik en zegt: ‘Stel je voor!’

Ineens valt de duisternis in. Mijn voeten doen pijn van het vele lopen. Mijn oog valt op een fastfoodrestaurant met de naam Shalom. Dat moeten onze Joodse neven zijn. Zij hebben hetzelfde Arabische eten als wij. Ik ga het restaurant binnen en het valt me op dat er allemaal Arabieren werken. Een Algerijn met zijn Egyptische collega zetten hun radar in werking en weten al voordat ik een woord heb kunnen uitbrengen, dat ik een vreemdeling ben en niet uit Leeuwarden kom. Ik weet niet of veel mensen beseffen dat Arabieren, zodra ze elkaar tegenkomen, de poorten van de politieke en historische trauma’s openzetten en beginnen te jammeren en te klagen. De Egyptenaar en de Algerijn storten een enorme hoeveelheid klachten en gemopper over me uit, over de toestand van de Arabieren en hoe het zover is gekomen, zelfs zonder dat ze mijn naam kennen en zonder dat ze weten waarom ik in Leeuwarden ben. Ik pak mijn eten, neem afscheid van mijn Arabische broeders - ‘Shalom!’ – en ontsnap aan de deprimerende klaagzang. Ik weet niet of het eten van Shalom goed is. Een paar dagen eerder heb ik een heerlijke falafel in restaurant Mouni gegeten en een gesprek aangeknoopt met een mooi en aardig meisje dat daar werkte, met Azerbeidzjaanse wortels. Ze was verbaasd dat ik Leeuwarden bezocht en haar verbazing werd nog groter toen ze hoorde dat ik een schrijver was. Onregelmatig eten is een van de ongemakken in mijn leven. Er zijn dagen dat ik leef op rode wijn, brood en kaas. En ineens krijg ik dan zin om iets nieuws klaar te maken. Dan kijk ik op Youtube en doe daar de nodige kennis op. Daarna ga ik boodschappen doen en kook ik en eet ik als een wolf.

In Leeuwarden ontbijt ik gratis in Toni’s bakkerij, ’s middags eet ik meestal in een van de toeristische restaurants in de Nieuwe Steegstaat in het centrum en ’s avonds haal ik vaak een maaltijd bij een fastfoodrestaurant, met een fles rode wijn natuurlijk.

De coffeeshop vlak bij mijn huis was me nog niet eerder opgevallen. Hij heet ‘de Relax’ en dat is precies wat ik nodig heb aan het eind van de avond. Ik ben niet gewend aan marihuana. Alcohol is mijn manier om mijn geest onder te dompelen in gifstoffen, in een poging te verdwijnen. Marihuana zorgt voor snelle schommelingen in mijn geest: eerst ontspan ik, dan word ik fobisch en ten slotte neem ik een diepe duik in de put der zinloosheid. Met de rook van de wiet verliezen mijn zorgen en mijn levenservaring hun waarde. Mijn geest voelt aan als een hoop herfstbladeren die een storm nodig hebben om ze weg te blazen naar de eeuwigheid.

Ik bestel een voorgedraaide White Widow en ga zitten roken. Er komt een jongen aan mijn tafeltje zitten. Hij klapt zijn laptop open en begint te typen. De gelijkenis tussen de jongen en Eminem uit 8 Mile is verbluffend. De jongen vraagt zonder me aan te kijken: ‘Heb je al een verhaal gevonden?’

‘Sorry, heb je het tegen mij?’ antwoord ik.

De jongen: ‘Ik weet dat je hier bent om over Leeuwarden te schrijven.’

Ik: ‘Ja, dat is zo.’

De jongen: ‘Mijn vriendin is journaliste. Zij heeft het me verteld. Ik kan je wel een verhaal geven, als je wilt.’

Ik: ‘Sorry, ik begrijp het niet.’

De jongen: ‘Laat die White Widow maar even zitten en probeer een trekje hiervan.’

Ik neem een trek van zijn sigaret en geef hem aan hem terug.

‘Dus jij bent schrijver. Wat schrijf je?’

De jongen: ‘Korte verhalen en gedichten. Al mijn verhalen gaan over Leeuwarden, maar er is er nog niet één in druk verschenen. Ik heb alleen een paar gedichten gepubliceerd.’

Ik: ‘Dat begrijp ik wel tot op zeker hoogte. Wat bedoel je als je zegt dat je me wel een verhaal kunt geven?’

De jongen: ‘Dat is eenvoudig. Jij zwerft door de stad en praat met mensen, op zoek naar inspiratie. Maar wat weet je over Leeuwarden?’

Ik: ‘Om eerlijk te zijn weet ik alleen dat Mata Hari in Leeuwarden is geboren. Als zij er niet was geweest, zou ik nog nooit van de stad hebben gehoord.’

De jongen: ‘Geef me je e-mailadres maar, dan stuur ik je een aantal verhalen waaruit je er één kunt kiezen. Ik heb ook verhalen in het Engels geschreven. Mijn moeder is Australisch en mijn vader Nederlands.’

De jongen rolt een nieuwe sigaret. Ik leg mijn White Widow in de asbak, waar hij zachtjes uitdooft.

Ik: ‘Eigenlijk vind ik het vreemd wat je zegt. Je zegt tegen me dat ik een van je verhalen over Leeuwarden kan krijgen.’

De jongen: ‘Ja. Misschien kun je het in jouw stijl herschrijven. Ik denk dat ik een paar goede verhalen heb, maar mijn stijl is nog niet goed.’

Ik: ‘Meen je dit nu serieus?’

De jongen: ‘Ik begrijp je verbazing. Je zult wel zeggen dat dit wordt beschouwd als plagiaat. Maar als ik niet tegen je had gezegd dat ik een schrijver ben en je een van mijn geschreven verhalen had verteld, was er niets op tegen geweest als je het op jouw manier had opgeschreven.’

Ik: ‘Jij bent echt verbazingwekkend.’

De jongen: ‘En jij bent te serieus. Geef me je e-mail. Ik moet nu weg. Ik zal je vanavond drie verhalen in het Engels sturen.’

Ik: ‘Heb je een pen?’

Hij opent een facebook-pagina en draait het scherm naar me toe. Ik typ mijn e-mailadres in en zeg: ‘Luister, ik kan je verhalen lezen, maar verwacht geen oordeel van me. Mijn ideeën zijn chaotisch en ik mis de wijsheid om kritisch te zijn.’

De jongen sluit de laptop, bergt hem in zijn rugzak en steekt zijn hand naar me uit: ‘Maak je geen zorgen, misschien heb je iets aan mijn verhalen. Ik zal je niet van diefstal beschuldigen. Zeg maar dat je ze hebt gehoord van een marihuanaverslaafde in de Relax. Bye!’

Ik steek de White Widow weer op en glimlach in mezelf. Misschien heeft die jongen te veel gerookt. Ik denk na over wat hij heeft gezegd, maar als ik ineens word overvallen door angstige voorgevoelens en mijn gedachten worden beheerst door een overweldigende onrust, ga ik ook weg.

Ik keer terug naar mijn kamer. Zodra ik de buitendeur open, slaat de geur van gebak me tegemoet. Terwijl ik de trap naar mijn kamer opklim, komt John Lennon aangerend om me te verwelkomen. ‘Hi John,’ zeg ik.

De hond: ‘Stel je voor!’

Ik: ‘Wat moet ik me voostellen, John?’

De hond: ‘Heb je echt gepraat met een jongen die op Eminem lijkt?’

Ik: ‘Stel je voor!’

De hond: ‘Wat moet ik me voorstellen?’

Ik: ‘Dat je bent vermoord.’

De hond: ‘Ja, stel je voor! Ze hebben me vermoord.’

Ik trek mijn kleren uit en slaap naakt. Ik word wakker, ga onder de douche staan en probeer de flarden van mijn droom bijeen te rapen: ik zat naakt in een grot, er was een vuur en John Lennon zat bij de ingang te janken. Ik schreef met kleurkrijt op de muur van de grot: IK BEN OOK VERMOORD.

Ik ben eeuwen geleden vermoord, tijdens de kruistochten. Mijn hoofd is in één keer afgehakt door het zwaard van een dappere ridder. Ik zal morgen worden gedood door een autobom in Bagdad, terwijl ik op weg ben naar de markt om rijst en vis te kopen. Naast mijn hoofd zullen ze de zak met vis vinden. Ik ben vermoord in een grot, in het stenen tijdperk. Een van hen wilde mijn kind opeten. Ik ben ‘s avonds verdronken. De zee heeft me gedood, nadat ik afscheid had genomen van mijn dorp. Mijn grootmoeder komt uit Somalië en mijn vader uit Tanzania. De boot zal omslaan; ik zal nooit op de Spaanse stranden aankomen. Ik ben gedood tijdens een invasie van moslims in mijn land. Ik ben vermoord met een lange speer, midden in de Aziatische steppen. Ik ben vorig jaar gedood in een Fins bos, tijdens de viering van het midzomernachtfeest. Ik ben verbrand door het vuur, waar we dronken omheen speelden. Door de vloed die mijn kleine dorp heeft weggevaagd en voordat er een afgerukte boomstronk binnendrong in mijn borst, zag ik hoe mijn kind bedolven raakte onder een muur. Ik ben gedood door een overdosis heroïne in Amsterdam. Er viel een bom uit een vliegtuig die ons allemaal in de loopgraven heeft gedood. Een vliegtuig uit de Tweede Wereldoorlog heeft over onze hoofden gepist. Ik ben per abuis gedood door handelaren in verdovende middelen in Colombia. Ze hadden het eigenlijk op mijn neef gemunt. Ik ben verbrand in een oven van de nazi’s, hoewel ik al dood was toen ze me erheen droegen. Ik ben op straat aangereden door een auto met een dronken meisje achter het stuur. Het regende die dag boven Parijs. Ze hebben mijn bloed afgenomen in een Afghaans dorp, in ruil voor het bloed van een andere man. Ik ben gedood in een burgeroorlog, ik ben gedood in een revolutie. Ik ben gedood, gedood, gedood en ik zal nog vaak gedood worden. Ik ben gedood in het journaal, ik ben gedood, opdat mijn naam zou worden opgenomen in de geschiedenisboeken. Ik ben gedood, opdat ik voor eeuwig verloren zou raken tussen de vele graven. Ik ben gedood vanwege eerzucht, ik ben gedood omwille van een ander mens, ik ben gedood door domheid, ik ben gedood door mijn eigen goedheid, ik ben gedood door longkanker. Ik dacht dat het roken van sigaretten beter was dan sterven door de rook van de eenzaamheid. Ik ben gedood terwijl ik het kwaad verdedigde. Ik ben gedood in de linies van het leger van de deugd. Ik ben gedood zonder reden …

 

 

Vertaald uit het Arabisch door Djûke Poppinga

 

Djûke Poppinga (Luxemburg, 1956) studeerde Arabische en Turkse taal-en letterkunde in Amsterdam, verbleef een aantal jaren in de Arabische wereld en begon in de jaren '80 met het vertalen van Arabische romans. Inmiddels heeft ze meer dan veertig titels uit het Arabisch vertaald, waaronder verscheidene romans van de Egyptische Nobelprijswinnaar Nagieb Mahfoez en het hele oeuvre van de Libanese auteur Hanaan as-Sjaikh. In het najaar van 2015 verscheen Gezichten van de Marokkaanse schrijver Mohamed Choukri en in 2016 werd de Nederlandse vertaling van De automobielclub van de Egyptische auteur Alaa al-Aswani gepresenteerd. In 2005 ontving ze samen met Richard van Leeuwen de Fonds voor de Letteren Vertaalprijs 'voor hun verdiensten voor de ontsluiting van de Arabische literatuur'. Sinds 2007 is ze betrokken bij Writers Unlimited, een literair festival in Den Haag, eerst als programmamaker en daarna als adviseur Arabische literatuur. Momenteel werkt ze als docent Arabische literatuur aan de Universiteit van Amsterdam. Voor citybooks vertaalde ze naast dit verhaal van Hassan Blasim ook de gedichten van Ghayath Almadhoun over Antwerpen en Ieper naar het Nederlands.

Print

John Lennon the Dog

Listen to the audio book (mp3) read by the author.
The English audio book will soon be available.

 


Since I arrived two weeks ago the city has been flooded, rather like my mind, in which images and ideas rain down around the clock: the water gathers, freezes and then evaporates in the sunlight of my memory. It's my last day in the city of Leeuwarden. I often feel that my mind is just a pot on the boil and I have no idea how to lift it off the stove! I walked through the city in no particular direction. It was raining again, with a slight nip in the air. I lit a cigarette, stopped at the Waag building, the old weigh house, and examined it. It lies next to the canal and seems to be one of the landmarks in the city centre. The building has a restaurant with an open-air terrace but the cold had driven the customers to take cover inside. I sat down alone on the terrace and a young waitress arrived with a smile. “Do you need any cover? It's cold,” she said. I thanked her and told her I'm from Helsinki and there we get plenty of training in how to handle the cold and the dark. The waitress smiled and said, “Oh, I've never been to Helsinki, but I've been to Stockholm and I liked the city a lot.”

I drank my coffee, watching the passers-by. Most of the pedestrians were wearing black or dark blue, especially jeans. I tried to count the ones who were not wearing jeans. They were a minority. It was as if the jeans tribe were the majority and the minority was the chino tribe. One tribe embroiders flowers and leaves on the material and sings about sunshine and darkness, life and death. There's no escape from the temptation to contemplate at random. My mind's trying to impose hallucinations on my fragile sense of tranquillity.

I've come to Leeuwarden as part of a literary residency. The idea is to write about the city. In fact I have no idea how to write about a city by discovering it in only two weeks. I'm very slow. I've written at a snail's pace ever since I embarked on this strange pastime as a teenager. I was born in Iraq forty-four years ago. They say that the woman who lived next door pulled me out from between my mother's legs under a palm tree at noon on a hellish summer day. In the shade of the tree the woman let out a strident trill of celebration. As a child I was baptised by the land of the two rivers: the river of blood and the river of pain. For more than ten years I've lived and worked in Finland. A refugee whose mind the Finnish fridge wasn't been able to freeze, to give it some relief. Maybe my memory is a warehouse of burned skins: human skins and the flayed skins of animals, skins transformed in my sleep into startling art exhibits. Terrifying art, intriguing and exciting. Truly ingenious nightmares that smell as putrid as human pain. Okay, so let's get down to the work I've been assigned. I didn't come here to write about the art of burned-skin minds, but about Leeuwarden.


To outsiders cities are silent and mysterious. So I have to speak to Leeuwarden to have it speak to me. Discovering things is a classic device that's not bad for starting to write. What did I want to find out? What should I write about? My plan was to wander around the city, have conversations with people and take notes, and then when I got back to the Helsinki fridge I'd try to place my impressions in some kind of framework. A short story or maybe just a diary. The bars, restaurants and marijuana coffee shops are the quickest and easiest way to strike up conversations. And that's what I did. In fact I didn't achieve much. It was obvious that Leeuwarden is not yet accustomed to strangers. The looks from customers and staff suggested that. As soon as my Middle Eastern face crossed the threshold into these temples of food, alcohol and marijuana, the Leeuwarden people turned on their radars to identify the stranger. The looks of suspicion aimed in my direction did not trouble me. I've been used to living as an outsider for years. In fact I have special ways of turning my exile and my strangeness into scenes in satire and drama. So what is this weigh house then? I light another cigarette. Okay, since I'm the only person blowing smoke into the air and freezing on the terrace, I shall resort to the Google god instead of speaking to other people. How vast and frightening and surprising knowledge now seems in the world of the Internet! If you put these empty chairs on the terrace into the arms of the Google god, he would offer you his answers. Books on the history of chairs and the shapes and contents of the chairs. War chairs and peace chairs. Chairs to laugh at in videos, films and pictures. Chairs for suicide. Chairs for sick people and chairs for office workers. Chairs shaped like trees, on their way to factories. Antique chairs and chairs in the museum of art. Leeuwarden chairs and Baghdad chairs. Buried chairs from ancient dead civilisations. Chairs of authority and poor people's chairs. If you go on searching, you'll end up looking like a dwarflike animal scampering between the legs of giant chairs. The information that the Internet has gathered and continues to gather every day seems to have turned us into microscopic creatures. But hasn't human knowledge in all eras been a vast ocean compared to the speculations of a puny and bewildered human being? Or the information that humans produce is now much too fast for us to keep up with. Information expands while our time shrinks. We don't have time to run this noisy and exotic marathon. I go to Wikipedia to solve some of the riddles of the weigh house.

 

A public building at or within which goods were weighed. Most of these buildings were built before 1800, prior to the establishment of international standards for weights. As public control of the weight of goods was very important, they were run by local authorities who would also use them for the levying of taxes on goods transported through or sold within the city. Therefore, weigh houses would often be near a market square or town centre.


I paid for my coffee and resumed my stroll. Leeuwarden looked quiet and pleasant, a beautiful place to live at peace, far from the bustle of big cities. The city exudes, however, the melancholy of small Scandinavian towns. I passed by the city library and took pictures of the Achmea tower. Then I wandered through the narrow lanes in the city centre. I've long loved the narrow lanes in cities. They convey a sense of serenity and intimacy. Narrow lanes give you the impression you're moving along the city's arteries. How long will it take me, I wondered, to reach Leeuwarden's brain? I took more pictures that might later help me sketch a scene in something I write. I was tired and I retraced my steps to where I was staying. The people organising my literary residence had rented a small room for me that was tidy and beautifully arranged. The room was above the apartment of the man who owns the building and a bakery that makes pastries. All day long the smell of cakes and pastries filled the house. There's a café attached to the bakery and in it they hold worskhops on how to make cakes and chocolate. The bakery also does special requests for customers. It's a lovely place and a personal project that bears the name of Tonny the owner. He was a nice quiet young man and he had a dog called John Lennon. The dog never left its assigned space. It never went downstairs to the bakery and never came up to where my room was. I had to walk past it and greet it whenever I went upstairs to my room. I gave him my hand to sniff, then stroked his neck and said, “Oh, how are you, John Lennon?” He looked at me sadly and said, “Imagine.”

Darkness fell fast. My legs hurt from walking so much. I noticed a fast-food restaurant called Shalom. Our Jewish cousins no doubt have the same food as us Arabs, I thought. I went into the restaurant and found that all the people working there were Arabs. An Algerian and his Egyptian colleague turned on their radar and, even before I uttered a word, they realised I was a stranger and not from Leeuwarden. I'm not sure if many people are aware that as soon as Arabs meet each other the floodgates of politics and historical wounds swing open and the sobbing and wailing begin. In my presence the Egyptian and the Algerian vomited up a spate of grievances about the state of the Arabs and what has become of them, without even knowing my name or why I was in Leeuwarden. I bought my take-away and said goodbye to my Arab brothers: “Shalom!” I said, and fled the gloom of complaints. I didn't know if Shalom's food was good. A few days earlier I had eaten falafel that were more than good in a restaurant called Mouni. I had a conversation with a pleasant and pretty young woman who works there. She was originally from Azerbaijan. She was surprised I was visiting Leeuwarden and even more surprised, childishly so, when she found out I was a writer. In general I suffer in my life from my chaotic diet. There are days when I live on red wine, bread and cheese, then suddenly I'm overwhelmed by a desire to make new dishes. I go to YouTube and learn. Then I go shopping, cook and eat like a horse.

In Leeuwarden I had breakfast for free at Tonny's bakery. I usually scoffed down lunch in the tourist restaurants in Nieuwestad Street in the city centre. Several times I took an evening meal from fast-food restaurants, with a bottle of red wine of course.

I hadn't previously noticed the marijuana coffee shop near my place. It's called Relax, and that's what I needed on my last evening. I'm not much in the habit of smoking marijuana. Alcohol is my way of drowning my mind with poisons and trying to get wasted. Marijuana gives me rapid mood swings: relaxation, then paranoia, then a deep dive into the well of absurdity. When I smoke the plant my concerns and experience in life lose all value and I feel that my soul is a pile of autumn leaves that need a wind to blow them away so that they're lost forever.

I ordered White Widow ready-made, sat and smoked. A young man came over and joined me at the table. He opened his laptop and started typing. The resemblance between him and Eminem in the film 8 Mile was really striking. “Have you found a story?” the young man asked, without turning towards me.

“Sorry? Are you talking to me?” I replied.

“I know you're here to write about Leeuwarden,” he said.

“Yes, indeed.”

“My girlfiend's a journalist. She was the one who told me. I can give you a story if you like.”

“You mean you have a story to tell me? I'm all ears,” I said.

“No, I'm a writer too and I have stories I don't need.”

“Sorry, I don't understand.”

“Forget the White Widow, try some of this.”

I took a drag on his joint and gave it back to him. “So you're a writer. What do you write?” I asked.

“Short stories and poems. All my stories are about Leeuwarden but I haven't had a single one published. I've only had some poems published.”

“I understand that to some extent. What do you mean when you say you can give me a story?”

“It's simple. You're talking with other people and going round the city looking for something that inspires you. What do you know about Leeuwarden?” he asked.

“To be honest, all I know is that Mata Hari was from Leeuwarden. If it wasn't for her I wouldn't have heard of the city.”

“Give me your email address and I'll send you a collection of stories, and you can choose any one of them. I have stories I've written in English. My mother's Australian and my father's Dutch.”

The man rolled another joint, while I gave the White Widow a rest in the ashtray, where it went out.

“In fact I find what you say rather strange. You told me to take one of your stories about Leeuwarden.”

“Yes, you can rewrite it in your own style. I think I have some good stories but I don't have style.”

“Are you serious?” I asked.

“I can see why you're surprised. You're going to say it's plagiarism. But if I hadn't told you I'm a writer, and I'd told you one of the stories I've written, you wouldn't have any scruples about writing it your own way.”

“You're very interesting.”

“And you're too serious. Give me your email. I have to go now. I'll send you three stories in English tonight.”

“Do you have a pen?”

He opened a Word document on his laptop and turned the screen towards me. I typed my email address and said, “I can read your stories but don't expect a proper critical opinion from me. My opinions are haphazard and I'm lacking in judgment.”

The man closed his laptop and put it in his backpack. He put out his hand to shake mine. “Don't worry. You can use my stories. I won't accuse you of theft. Say you heard it from a dopehead in the Relax coffee shop. Bye!”

I relit the White Widow joint and smiled to myself. Maybe this young man had smoked too much. I thought about what he had said. Then suddenly I felt very anxious and frightened, so I left.

I went back to my house. I opened the front door and the smell of baking hit me. I went upstairs towards my room. John Lennon rushed up to greet me. “Hi John,” I said.

“Imagine,” said the dog.

“Imagine what, John?”

“Were you really talking to a young man who looks like Eminem?” asked the dog.

“Imagine.”

“Imagine what?” asked the dog.

“That you've been killed.”

“Yes, imagine. I've been killed.”

I undressed and went to sleep naked. I woke up. I stood under the shower, trying to piece together the fragments of my dream: I was naked sitting in a cave, and there was a fire. John Lennon the dog was at the cave entrance howling. I was writing on the cave wall in coloured chalk: “I've been killed too.”

I was killed in one of the crusades centuries ago. My head was cut off in a single stroke by the sword of a valiant knight. I was killed yesterday by a car bomb in Baghdad. I was killed on my way to market where I was going to buy rice and fish. They'll find my head near the bag of fish. I was killed in a cave in the stone age. Someone wanted to eat my child. In the evening I drowned; the sea killed me after I said goodbye to my village. My father's from Somalia and my mother from Tanzania. The boat will capsize and I'll never reach the coast of Spain. I was killed when Muslims invaded my country. I was killed with a long spear on the Asian steppes. I was killed last year at midsummer celebrations in a Finnish forest. I was burnt to death in a fire pit as drunken people played around it. My little town was wiped out by a hurricane and, before the broken trunk of a tree pierced me in the chest, I saw my child crushed under a wall. I was killed by a heroin overdose in Amsterdam. A plane dropped a bomb and killed us all in the trench. A World War Two plane pissed on our heads. Drug dealers killed me by mistake in Colombia; they wanted to kill my cousin. I was burnt in a Nazi oven, though I was already dead when they put me inside. A car driven by a drunk young woman hit me in the street; it was raining over Paris that day. They took my life in revenge for another man's life in an Afghan village. I was killed in a civil war. I was killed in a revolution. I was killed and killed and killed, and I will be killed. I was killed in a news bulletin. I was killed so that my name would go down in the history books. I was killed to be lost forever in the crowded graveyard. I was killed because of ambition. I was killed for someone else's sake. I was killed because of stupidity. I was killed because of my kindness. I was killed by lung cancer; I thought smoking cigarettes was better than dying by smoking loneliness. I was killed defending the devil. I was killed in the ranks of the angel's army. I was killed for a reason. I was killed for no reason.

 

 

Translated from Arabic by Jonathan Wright

 

 

Jonathan Wright is an award-winning translator whose translations include three winners of the International Prize for Arabic Fiction: Ahmed Saadawi’s Frankenstein in Baghdad, Saud Alsanousi’s The Bamboo Stalk, for which he won for the 2016 Saif Ghobash Banipal Prize, and Youssef Ziedan’s Azazeel, which was joint winner of the 2013 Banipal Prize, as well as Hassan Blasim’s The Iraqi Christ (2014 Independent Foreign Fiction Prize). He studied Arabic, Turkish and Islamic History at St. John’s College, University of Oxford, and worked for many years as a journalist in countries across the Arab world including Tunisia, Oman, Lebanon, Iraq, Palestine, Egypt and Saudi Arabia.