De besmetting

Hannah Roels

Hannah Roels

Hannah Roels (Brugge, 1984) studeerde Romaanse talen en Literatuurwetenschap. Ze gaf een paar jaar Franse les aan migranten en volgde het schrijfatelier van Els Moors. Haar korte verhalen werden gepubliceerd in De Gids. In 2017 verscheen haar debuutroman Het Portret (Prometheus), een subtiele roman over intimiteit en identiteit, keken en bekeken worden. Ze werkt momenteel in de Brusselse boekhandel Passa Porta.

Close

Brugge Alle citybooks

Print

De besmetting


Het begint bij een raam. Het is zo klein, twee openingen niet langer dan de onderarm van een kind, dat we enkel een hap uit de mensenmassa beneden zien. Traag krioelende toeristen. Er is een punt waar de golf de hoogte in gaat, wanneer ze over een brug schuifelen. Plots kijkt een vrouw naar omhoog. Haar blik blijft hangen aan het raampje en ze heft haar camera om er een foto van te nemen. De jongen die achter haar loopt, kijkt nu ook omhoog, naar ons.


Het raam is de jongen nog nooit opgevallen, terwijl hij heel goed is in het ontdekken van geheime dingen. Zijn kostbaarste vondst is de kikker aan de stadsschouwburg. Hij heeft zich er altijd goed gevoeld, op het plein, onder het oog van de Papageno, met zijn hoofd in het vogellijf en zijn mysterieuze lach. Later ontdekte hij het bronzen dier op één van de zuilen, ineengedoken tussen de fijne kikkerknieën, de ogen als knoppen op zijn kop, je moest verschrikkelijk goed kijken om het te zien zitten. De jongen had een jaar lang zijn hand op de kikker gelegd, wanneer hij er passeerde, een geheime begroeting. Toen kwamen de broer en zus bij hen wonen. Hij toonde hen de Papageno, ze stonden met zijn drieën rond de ranke benen. ‘Hij staat in zijn blootje,’ had de zus beweerd en de broer probeerde om onder de ceintuur te kijken, tastte langs de Papageno’s billen. ‘Er is nog een beeld,’ verklapte de jongen, om indruk te maken, en hij toonde de kikker. De broer greep de bronzen uitstulping met beide handen en rukte uit alle macht. Daarna haalde hij de kauwgum uit zijn mond, kneedde er een rolletje van en plakte het aan de onderkant van de kikker. De jongen had de hysterische lach van de zus nagebootst en ze waren naar huis gewandeld. Sindsdien kan hij de Papageno niet meer bekijken zonder zijn blootheid te zien en hij negeert de kikker, heeft geen zin meer om hem aan te raken.


Hij kent de broer en zus nog niet lang. Ze zijn bij hen ingetrokken samen met hun vader, de ‘nieuwe liefde’ van zijn moeder, zoals ze het zelf zegt. De vader vertelt graag verhalen en laat de jongen dan op zijn schoot zitten, of beter: hij zegt hem om op zijn schoot te komen zitten. De jongen begrijpt het niet helemaal, hij dacht dat schootzitten voorbehouden was aan vrouwen. Maar zijn moeder krijgt dan die zachte blik in haar ogen en dus blijft hij zitten en luistert naar wat de nieuwe liefde vertelt, terwijl de zus zwaar spottend toekijkt.

Die ochtend heeft de broer de kamer van de jongen geïnspecteerd. Deze keek toe in de deuropening, twijfelend of hij blij of gealarmeerd moest zijn door dit plotse teken van aandacht. De broer had het lichtzwaard gevonden – dit werd onder het bed bewaard voor noodgevallen – en hij was er triomferend mee door de kamer getrokken, uithalend naar lampen en beren, terwijl hij riep: ‘I am your father, Luke! I am your father!’ Daarna had hij het zwaard met volle kracht tegen het bed geknald en was de kamer uitgehold. De jongen toonde het zwaard aan zijn moeder en deze plooide het plastiek terug. Er bleef een diepe plooi achter, als een gewricht. De nieuwe liefde en de broer werden erbij gehaald, er ontstond een woordenwisseling waarin de broer de jongen ‘slap’ en ‘raar’ noemde en daarna werd het gesprek verdergezet tussen de nieuwe vader en de moeder in de slaapkamer. Toen ze die middag aan tafel zaten, kondigde de vader aan dat ze met zijn drieën naar de Gouden Boomstoet zouden gaan kijken. Het was de jongen niet duidelijk hoe dit met het geknakte zwaard te maken had, maar zijn moeder klonk erg overtuigd: ‘’t Is een heel schone stoet, Lucas, je gaat reuzen zien, en ridders. Der zijn zelfs kamelen.’ ‘Ik heb zitplaatsen voor jullie gereserveerd,’ voegde de liefde eraan toe, ‘hebben jullie wel eens echte kamelen gezien?’. ‘Ga jij niet mee?’ had de jongen aan zijn moeder gevraagd. ‘Nee, gij gaat de weg tonen.’ ‘Ik weet het niet zijn.’ ‘Toet toet,’ antwoordde de moeder, ‘’t is tegenover de Da Vinci, van de crèmtjes.’

Voor ze vertrokken, had de vader de broer en zus toegesproken. ‘Jullie zijn lief voor Lucas,’ zei hij. ‘Lief zijn voor Luke! Lief zijn voor Luke!' zong de broer, terwijl ze de straat uitliepen en de jongen de voegen tussen de straatstenen volgde.


De Geldmuntstraat is geblokkeerd en ze lopen tussen het volk als door een tunnel. Er is slechts één rij stoelen en wanneer ze hun namen gevonden hebben en neerzitten, krijgt de jongen een uitverkoren gevoel, bungelend met zijn voeten boven de grond. Alsof ze erg bijzondere kinderen zijn. Het is een zomerse, winderige dag, de vlaggen die over de straat zijn gespannen, meppen tegen elkaar en het zonlicht weerkaatst onoverwinnelijk in de ramen van de herenhuizen.

Wanneer het trompetgeschal weerklinkt en de eerste ridders voorbij marcheren, voelt de jongen zich licht bedrogen. Het is allemaal echt, de maliënkolders, de praalwagen met de prinses, maar er is iets dat hem tegenhoudt erin te geloven. Hoewel hij niet de minste moeite heeft om te schakelen tussen werkelijkheid en de wereld van een boek, of een film. Het is hun blik die niet klopt. De nar kijkt verbaasd rond, alsof hij op weekenduitstap is en een paar krijgers hebben angstige ogen, lijken bang te zijn van het publiek, in plaats van omgekeerd. De man in leren tuniek, die onder luid applaus de paardenuitwerpselen opveegt, kijkt stralend naar de drollen die hij in zijn zak doet rollen.

Het pastelkleurige Da Vinci, aan de overkant, doet gouden zaken. De broer en zus kibbelen, ze vragen zich af of ‘lief zijn voor Lucas’ impliceert dat ze hem ook een ijsje moeten geven. Ze tellen het geld en de jongen ontdekt twee in het zwart geklede figuren aan de overkant. Ze vallen op door hun reptielachtige bewegingen, alsof ze zich onder water bevinden. Ze overleggen lang, onder hun kappen door naar de omgeving kijkend. Daarna loopt de ene kerel naar binnen en betaalt tergend traag twee hoorntjes. De andere neemt zijn ijsje aan, met beide handen, als een trofee.

De zus heeft een klasgenoot ontdekt. Ze fluisteren samen, het meisje heeft een gezicht vol sproeten en er steekt een lollystokje uit haar mondhoek. Plots gaat ze voor de jongen staan. ‘Hoe stelt u het, mister Skywalker?’ vraagt ze. ‘Goed,’ zegt de jongen en wordt heel argwanend. Ze rolt de lolly over haar lippen. Daarna tikt ze met haar schoen tegen een stoelpoot, de ondubbelzinnigheid schokt de jongen. Hoewel hij de consequenties niet kan inschatten, besluit hij deze niet te dragen en laat zich van de stoel glijden. Het meisje gaat zitten. De broer leunt naar de jongen, die nu rechtstaat tussen de stoelen, een hand op iedere leuning, en imiteert zijn verbaasde gezicht. ‘Use the force, Luke,’ fluistert hij. Zijn aandacht wordt getrokken door een vloot hofdames. Wanneer hij terug naast zich kijkt, is de jongen verdwenen.


Na lang discussiëren over een geschikte plek om de mescaline te proberen, hebben de studenten besloten dat Brugge de beste optie was. Het was weliswaar een bourgeois en onvoorstelbaar saaie stad, maar er was minder verkeer dan in Gent, waar ze studeerden. Bovendien waren de ouders van David op reis, wat ongehoorde perspectieven opende.

Ze zijn vroeg opgestaan. Jean is meteen aan de keukentafel gaan zitten om het poeder te verdelen, hij heeft ergens sherryglaasjes gevonden en gebruikt de plank waarop Davids moeder haar appels schilt. Hij heeft alles uitvoerig bestudeerd en is tot de vaststelling gekomen dat 300 milligram volstaat voor een eerste kennismaking. ‘Huxley nam vier tiende van een gram,’ en hij geeft een klopje op het boek naast zich. Ze toosten en David slaat het glaasje achterover, zich afvragend of deze hele heisa wel nodig is. Daarna ontbijten ze, gespannen en een beetje lacherig. Wanneer hij de kruimels weggooit, voelt David de druk in zijn lichaam stijgen. Hij laat zich uiterst voorzichtig op zijn stoel zakken. De ruimte komt hem onwerkelijk stil en bewegingsloos over. Jean loopt in de keuken rond, zijn gezicht is bleek en met donkere, verbaasde ogen bekijkt hij het servies in de rekken, alsof hij voor de eerste keer borden ziet. ‘Ik voel me niet goed,’ brengt David uit, de dag lijkt als een onmogelijke opdracht voor hem te liggen, ‘het zijn die muren.’ ‘Laat ons naar buiten gaan,’ oppert Jean, ‘ik ben bij je, we doen dit samen.’ Heel langzaam ritsen ze hun zwarte truien dicht en verlaten het huis.

Het licht is van een buitengewone helderheid. Ze stappen langs de Langerei als in een zonbeschenen maquette. Het voetpad, de fietsers die voorbij glijden, het perspectief is gewijzigd, maar ze lopen stabiel, hun lichamen weten precies hoe te bewegen. Ze staan stil op de houten brug over de rei en raken niet uit hun woorden van ontroering, van de schoonheid die hen overvalt, het is alsof de wereld zijn details blootlegt, het rimpelende water, het gespetter aan de randen. David kijkt naar de helblauwe lucht, denkt aan de zee en hoort plots het geroep van meeuwen, hij weet niet of hij ze zelf heeft opgeroepen. Aan de overkant van de brug wijst de madonna in haar nis de Oliebaan aan en ze volgen de ellenlange, bakstenen muur. Ze denken aan vooroorlogse industrie en arbeiders, terwijl een klok zacht luidt en de wind door de kastanjebomen en in dezelfde beweging door hun haren waait. Ze naderen de Kruisvest, David ziet de armen van de molen langzaam dichterbij komen, wieken, wuiven. En dan bloeit het land open. Weelde. Er is zoveel, het glooiende grasveld, de kinderen die naar beneden rollen in het wollige groen, het geratel van een auto over de kasseien. De zon die warm op zijn zwarte jeans valt.

In de Langestraat blijft Jean bij een bloembak met viooltjes staan, en nu ziet hij het ook; de bloemblaadjes zijn zo verzadigd door kleur, dat het blauw zijn richting uitkomt, hoe langer hij kijkt, hoe levendiger het blauw wordt, hoe meer betekenis het krijgt. Ze zuchten allebei, schouder tegen schouder en schrijden verder. Jean ziet er een beetje haveloos uit, in zijn te grote trui, hij heeft pistachenoten uit zijn tas gehaald en ze prutsen tijdens het stappen de schelpjes open, fijn als eekhoorns, ze zullen pistache nog jarenlang associëren met deze dag. Koffie en slagroom, het is pijnlijk om langs de volle terrassen van de Predikherenrij te passeren, David weet dat ze opvallen. Bovendien zien de opkijkende gezichten er misvormd uit, iedereen heeft zijn specifieke deformatie, als karikaturen, het is bijna ondraaglijk. Daarna slaan ze de Groenerei in, als in een schilderij. De stenen balustrade die hen van het water scheidt, loopt als een weg de verte in, David strijkt er met zijn vingers over tijdens het stappen. Ter hoogte van het theekoepeltje, stuit hij op klimopblaadjes en daar schrikt hij een beetje van, van deze plotse wildernis tegen zijn hand. De toef klimop is een wonderlijk complex van vergroeide stengeltjes en blad, spelonken gevuld met spinrag en heel even heeft hij de indruk dat de klimop licht op een neer gaat, ademt. Aan de andere kant van de balustrade glinstert de rei, het water bruin en stil als donker glas.

Wanneer ze langs de Muntpoort de Geldmuntstraat binnenkomen, schrikken ze zich rot door het samengepakte volk. Ze hebben geen weet van een stoet, het lijkt alsof de mensen er voor hen staan. Ze trekken de kappen over hun hoofd, rapen hun moed bijeen om tot bij het ijsjeskraam te raken, verliezen zich vervolgens in gepeins over smaken. Limoncello en bosbessen, tiramisu en panna cotta, David repeteert de namen terwijl hij aanschuift in de rij. Wanneer het zijn beurt is en hij zijn katachtige ogen weerspiegeld ziet in de toonbank, is hij alles vergeten en bestelt ontredderd twee keer vanille en aardbei. Ze lopen opgelucht de poort terug uit. ‘Mmm,’ klinkt het naast hem, ‘mmm,’ Jean likt als een kind zijn hoorntje rond en David voelt zo’n genegenheid voor zijn vriend, met zijn blije, gulzige ogen. ‘Laat ons naar het park gaan,’ stelt hij voor, ‘weg van dit volk.’ ‘Welk park?’ En hoewel hij het precies voor zich ziet, de fontein en de grote kiosk, kan David zich de naam niet herinneren. ‘Deze kant uit,’ zegt hij en zo dwalen ze verder, vorstelijk. Deze bleke, versteende stad, denkt David, mijn stad, met zijn torens en fietsende schoolmeisjes en bejaarde dames met hun taaltje zonder medeklinkers.


Nadat hij zijn stoel heeft afgestaan, wurmt de jongen zich langs de toeschouwers en glipt de Sint-Amandstraat in. Nu hij weg is van de broer en zus, voelt hij zich stukken beter en springt afwisselend in en uit het waaierpatroon van de straatstenen, hij is vrij, de straten zijn weer van hem! Hij laat zijn ogen over de bovenkant van de gevels gaan, een stenen gezicht, een nisje, de klepel van een oude bel, hij controleert de details alsof hij hun stille wachter is. Hij kent de stad veel beter dan de broer en zus, en ook dat voelt goed.

De Grote Markt zit volgepakt met toeschouwers en terwijl hij langs het Belfort schuifelt, ziet hij een groot gezicht boven de menigte uitsteken. Het gezicht heeft een bloedrode mond en wallen onder de ogen, stoïcijns glijdt het over de mensenhoofden. De jongen vindt de reus grappig noch griezelig, dat zijn moeder hem met zoiets heeft gelokt! Hij voelt zich volwassen in deze onverschilligheid en glipt de Breydelstraat in. Hier stikt het van de toeristen, in bordjes en puntzakken prikkend. Toeristen bewegen zich voort in groep en op specifieke plekken, weet de jongen, ze worden aangetrokken door suiker, zijn traag, voorspelbaar en volstrekt ongevaarlijk – tenzij ze voortgedreven worden door een Bruggeling met omhooggehouden paraplu. Het is prima ze af te schrikken, door voor hun camera te springen, bijvoorbeeld, of voor hun voeten te gaan lopen. Je moet ze niet teveel aanmoedigen.

Hij steekt de Burg over, beeldt zich in dat hij een aanloop neemt en over het stadhuis naar boven klimt, zich vasthoudend aan de beelden en baldakijnen. Het is een prima muur om op naar boven te klimmen en in een mum van tijd staat hij op het erkertorentje, uitkijkend over de stad, waarna hij zijn tocht verder kan zetten over de daken. Het enige probleem zijn de mensen beneden, ze zouden dit klimmen en springen niet fijn vinden, weet hij, maar anderzijds, wie kijkt er ooit naar boven? Gegrepen door een plotse uitbundigheid, huppelt hij door de overdekte steeg naar de Vismarkt en zijn denkbeeldige ik springt van het stadhuis tot op één van de zuilen van de markt. Hij houdt van deze plek, van de stenen werkbanken waar iedere woensdagmorgen vis wordt verkocht. Hij gaat er soms heen met zijn grootmoeder, kijkend naar de glinsterende plakken op het ijs, de afschrikwekkende lucht. Ze heeft eens de wacht gehouden terwijl hij achter een zuil was gekropen omdat hij zijn plas niet kon ophouden. Hij ziet nog steeds het stroompje urine onder zich door meanderen, als iets dat hij stiekem achtergelaten heeft en waarvan de geur zich voor altijd zou mengen met die van de vis.

Zijn grootmoeder woont hier vlakbij, naast het park. Haar gezicht als ze hem onverwacht voor de deur zal aantreffen! Ze zal zijn naam uitroepen, hem binnen nemen, hij zal haar vertellen wat er gebeurd is. Vrolijk begroet hij zijn plasplekje en merkt dan dat hij een omweg zal moeten nemen; de Dijver is afgesloten voor de stoet. Hij loopt naar rechts, perst zich tussen de omheining en komt terecht in een straat die hij zich niet herinnert, met bobbelige kasseien. Er is niemand te zien. Hij denkt even na en trekt een stuk schors van een vervellende kastanje. De volgende steeg is nog stiller, de rust valt over hem als een gordijn. Oplettend zet hij zijn sandalen in de vlakken zonlicht, hij hoort bestek tegen borden, ergens zitten mensen te eten met open raam. Hij controleert de bovenkant van de huizen. Er is weinig bijzonders te ontdekken hier, maar het is ook interessant om binnen te kijken, naar de welvingen van de plafonds, zich in te beelden dat hij hier woont, met zijn moeder, in zo’n rustig, wit interieur. Aan het einde van de straat keert hij terug, hier is hij nog nooit geweest. Er blaast een rooster lucht van oude kroketten in zijn gezicht en plots staat hij terug op de Dijver – is dit wel de Dijver? Hij snapt het niet, het ingekapselde geluid van de bootjes beneden op het water, het lijkt familiair. Er passeert een paardenkoets, de hoeven klepperend tegen de kasseien en hij slaat samen met de koets links in, waar hij in een grote tuin terechtkomt. Hier begint hij in paniek te raken. Ook deze plaats komt hem bekend voor, de vier standbeelden, skeletten op paarden, hij is hier zeker al geweest, maar kan de plekken niet met elkaar verbinden. Dit is een broedplaats voor toeristen, ze zwermen met hun camera’s rond, hun schoenen knerpend op het grind. Hij ziet hoe een moeder haar zoon op schoot neemt voor een foto en wordt plots heel verdrietig, een verdriet zonder remedie. Zouden ze ongerust worden thuis, zouden ze naar hem op zoek gaan? Hij laat zich meevoeren over de brug achterin de tuin. Voor hem stapt een vrouw met een zwart-witte jurk, ze heeft iets dat hem aan zijn moeder doet denken, aan dat geliefde silhouet. En wanneer ze stil staat om naar boven te kijken, ziet hij het raam.


Nadat Mary de foto heeft genomen, probeert ze haar man terug te vinden. Hij heeft het raampje niet gezien, zoals hij wel meer dingen niet ziet. Of op zijn minst andere dingen ziet dan zij, een vaststelling die ze heeft gedaan toen ze hun huwelijksreis begonnen en die haar in de war brengt – ze is gewend bewondering voor hem te voelen. Europa is anders dan ze heeft verwacht. Het is compacter, vuiler, onverschilliger, de eerste dag werd ze overspoeld door de geur van uitlaatgassen en duivenstront, de ongelijke straten. Gelukkig heeft haar man de hotels en tickets op voorhand geregeld, Brugge is maar een korte stop, deze avond zouden ze alweer in Brussel zijn en morgenmiddag in Parijs. Heimelijk verlangt ze ernaar terug in de VS te komen en om zich te installeren in hun nieuwe loft. Ze combineert in gedachten de stoffen die ze heeft besteld voor gordijnen, met de kleur van het behang.

Ze vindt haar man aan de uitgang van het park, met twee wafels in boterpapier. De plotse luwte als ze de poort uitlopen, weg van de andere toeristen. Trompetten in de verte. Het deeg is warm en mierzoet – eigenlijk heeft ze geen honger – en wanneer ze het papier in haar handpalm tot een prop perst, voelt ze lusteloosheid in haar lichaam dalen als stroop. Laat ons een plek zoeken om even te zitten, zegt ze, haar jurk gladstrijkend. De straat is verlaten, afgezien van een jongen, die achter hen loopt. Ze heeft de indruk dat hij gehuild heeft. Zou hij zijn ouders kwijt zijn?


Ze komen aan een lange muur met een poort, ‘Godshuis Meulenaere 17de eeuw’ staat erboven, in zwarte letters. Aarzelend betreden ze de binnenkoer. Stilte. De opgeschorte tijd van een wachtkamer. De man heeft zijn camera in aanslag, maar Mary beweegt uiterst discreet langs de huisjes, alsof ze iets kan verstoren. De tuin in het midden is onderverdeeld in percelen, doorsneden door hegjes en paadjes, helemaal achterin staat een kapel, spierwit als de huizen. Op de bank voor de kapel zitten twee in het zwart geklede jonge mannen. Verder is er niemand. ‘Laat ons even blijven,’ zegt Mary die voelt dat haar man alweer verder wil, en ze wijst naar de bank in het midden van de tuin. Hij ploft naast haar, zucht van de hitte. ‘Heb jij soms iets met begijnen?’ vraagt hij. Ze hebben het woord in hun gids gelezen, toen ze op weg naar het centrum door het Prinselijk Begijnhof liepen. Ze opent de rugzak, haalt er de gids en een sjaaltje uit, dat ze over haar hoofd drapeert. ‘Daar is die jongen weer,’ merkt de man op.

Betoverd wandelt de jongen langs de godshuizen, alles is zo klein, dat hij zich zelf in een andere verhouding ziet tot zijn omgeving. Hij voelt zich hier al wonen met zijn moeder, omringd door andere moeders en grootmoeders, de deurtjes en luikjes zien er volstrekt veilig uit, hij kan groenten kweken in hun perceel en water voor haar pompen. Hij loopt de kapel binnen, het is er killig, het licht valt door stoffige vensters. Wanneer hij terug buitenkomt, herkent hij de studenten op de bank. Ze knikken hem toe vanonder hun kappen. Het lijken wel jedi’s. Hij gaat aan het andere uiteinde van de bank zitten en wordt heel rustig, bij deze mensen die hem opmerken en met rust laten. De tuin rondspeurend, beeldt hij zich in dat er een onzichtbare gemeenschap van vrouwen over hen waakt, toekijkend vanachter de ramen.

Door het ijs is de werking van de mescaline ietwat afgenomen en David voelt zich weelderig landen. Deze gekloofde tuin. Hij ademt de ruimte in, de gewijde stilte. Plekken zijn zoveel meer dan cement en beton, denkt hij. Het plakkerige geklepper van hoeven dat aanzwelt en wegsterft, de stad beweegt zich om de godshuizen heen. De varens in de dakgoten rillen in de zon, en plots koppelen de elementen zich los en voelt hij de geschiedenis onder de stenen aan zijn voeten, de nonnen achter de gevels van de huizen, alsof ze ieder moment naar buiten kunnen komen. Zou hij het ook voelen? vraagt hij zich af en kijkt naast zich. Jean staart gebiologeerd naar het koppel verderop. ‘Zie je dat?’ fluistert hij. David twijfelt eerst, concentreert zich, het lijkt alsof daar een non zit. Met een kapje, naast haar beschermheer. Een non, nu weet hij het zeker, daar zit een zuster, een opgesloten vrouw.

Mary steekt de gids terug weg. ‘Het waren arme vrouwen en weduwen die hier woonden,’ zegt ze, ‘geen begijnen.’ ‘En die kapel dan?’ ‘Daar moesten ze bidden voor de eigenaars van de huizen. Hier woonden vierentwintig vrouwen samen.’ Hij lijkt onaangedaan. ‘Bidden voor hun weldoener,’ herhaalt ze, alsof de man het niet goed begrijpt, ‘wat een kwelling.’ ‘Er werd voor hen gezorgd,’ merkt hij op, zijn zonnebril opvouwend. ‘Maar het zijn altijd vrouwen,’ antwoordt Mary, ‘het zijn altijd vrouwen die zo leven.’ ‘Vrouwen willen een plek willen om te blijven, een nest.’ Dit kan niet waar zijn, denkt ze. Ze heeft nog nooit misprijzen voor haar man gevoeld, de diepte van de emotie schokt haar. ‘Mary, waar wind je je zo over op? Deze vrouwen kregen alles wat ze nodig hadden.’ Ze staart naar de kapel voor zich, weet niet wat te zeggen.

De jongen kijkt naar het koppel aan de overkant, hij herkent de situatie maar al te goed, de blikken en monden. Hij kan het verdriet van de vrouw bijna ruiken. Waarom zijn vrouwen toch altijd samen met mannen, denkt hij, het is onbegrijpelijk, waarvoor hebben ze hen nodig? Hij gaat rechtstaan, voelt een enorme behoefte zich aan de studenten toe te vertrouwen. ‘Ben je verdwaald?’ probeert Jean. ‘Ja,’ zegt de jongen, ‘ik moet naar den Botanieken Hof.’ Het woord, en vooral het dialect, brengt David in vervoering. ‘Dat is het park waar ik het over had, het Astridpark,’ verduidelijkt hij aan Jean, ‘het is hier vlakbij.’ ‘Woon je daar?’ vragen de studenten terwijl ze achter de jongen langs de huisjes lopen. ‘Mijn oma woont daar.’ David heeft zin om zijn arm over de schouder van de jongen te leggen, hij doet het niet, hij wil hem niet afschrikken.

Ze wandelen door de poort naar buiten. De straten vullen zich met mensen die van de stoet komen, slenterend en rumoerig, plannen makend voor het eten. Er komt geen einde aan deze schitterende dag, denkt David. En Mary zegt bij zichzelf: dat is het, die ene kerel is zijn broer en ze zal gerustgesteld zijn en de jongen vergeten.


Een paar maanden later ontvangt een psycholoog in Philadelphia een vrouw die wil spreken over haar huwelijksproblemen. Op zijn vraag hoe het allemaal begonnen is, kan ze eerst geen antwoord geven. ‘Steek maar gewoon van wal,’ zegt hij, ‘laat het maar los.’ Ze zwijgt even, zoekend naar een aanknooppunt, naar het eerste zaadje. Ze vertelt over middeleeuwse straten en kerkklokken. Een oude kapel. Een klein, Gotisch raampje. Een stoet met ridders en overal paardenkoetsen. De psycholoog is even uit het lood geslagen. Daarna neemt hij zijn notitieschrift. ‘Leeft in een kostuumfilm,’ schrijft hij op.

Print

The Contamination


It begins at a window. It’s so small, two openings no longer than a child’s forearm, that we see only a snatch of the crowd below. Slowly teeming tourists. There’s a point where the wave rises high, as they shuffle across a bridge. Suddenly a woman looks up. Her eyes catch sight of the window and she raises her camera to photograph it. The boy walking behind her looks up now too, at us.


The boy has never noticed the window before, although he is very good at discovering hidden things. His most precious find is the frog on the municipal theatre. He has always felt good there, on the square, under the watchful eye of Papageno, with that head inside the body of a bird and that mysterious grin. Later he discovered the bronze animal on one of the pillars, crouched between its delicate frog knees, eyes like buttons on its head; you had to look terribly closely to see it there. The boy laid his hand on the frog all year, whenever he passed, a secret greeting. Then the brother and sister came to live with them. He showed them Papageno. All three stood around those slender legs. ‘He’s in the nude,’ the sister claimed, and the brother tried to look under the belt, feeling along Papageno’s buttocks. ‘There’s another statue too,’ the boy let slip, keen to impress, and he showed them the frog. The brother gripped the bronze bulge with both hands and pulled with all his strength. Then he took the chewing gum out of his mouth, kneaded it into a roll and stuck it to the bottom of the frog. The boy imitated the sister’s hysterical laugh and they walked home. Since then he’s been unable to look at Papageno without seeing his nakedness. And he ignores the frog, not wanting to touch it any more.


He hasn’t known the brother and sister for long. They moved in along with their father, his mother’s ‘new love’, as she calls him. The father likes to tell stories and he lets the boy sit in his lap as he does so, or rather he tells him to come and sit in his lap. The boy doesn’t completely understand; he thought lap-sitting was reserved for women. But his mother gets that tender look in her eyes and so he sits there and listens to what the new love has to say, while the sister looks on with deep derision.

That morning the brother inspected the boy’s room. He watched from the doorway, uncertain whether to be pleased or alarmed by this sudden sign of interest. The brother found the lightsabre – it was kept under the bed for emergencies – and was pulled around the room by it in triumph, slashing at lamps and bears, shouting ‘I am your father, Luke! I am your father!’ He then thwacked the bed with it as hard as he could and dashed out of the room. The boy showed his mother the sabre and she folded the plastic back. A deep crease remained, like a joint. The new love and the brother were called in and an exchange of words took place in which the brother called the boy ‘weak’ and ‘strange’, and then the conversation continued between the new father and the mother, in the bedroom. When they sat at the table that afternoon, the father announced that all three children would go to see the Pageant of the Golden Tree. It wasn’t clear to the boy what this had to do with the broken sabre, but his mother sounded completely convinced. ‘It’s a really beautiful procession, Lucas. You’ll see giants, and knights. There are even camels.’ ‘I’ve reserved seats for you,’ the new love added. ‘Have you kids ever seen real camels?’ ‘Aren’t you coming with us?’ the boy asked his mother. ‘No, you can show the way.’ ‘I don’t know the way.’ ‘Toot toot,’ the mother replied. ‘It’s opposite Da Vinci, with the ice creams.’

Before they left, the father spoke to the brother and sister. ‘You be nice to Lucas,’ he said. ‘Nice to Luke! Nice to Luke!’ the brother sang as they walked down the street, the boy following the cracks between paving stones.


The Geldmuntstraat is blocked and they walk through the crowd as if through a tunnel. There’s only one row of chairs, and when they find their names and sit down the boy gets a sense of being chosen, dangling his feet above the ground. As if they’re very special children. It’s a summery, windy day. The bunting hung over the street makes a flapping noise and sunlight bounces invincibly off the windows of the grand townhouses.

When the trumpets sound and the first knights parade past, the boy feels slightly duped. It’s all real, the chainmail, the float with the princess, but something prevents him from believing in it – even though he doesn’t have the slightest difficulty switching between reality and the world of a book, or a film. It’s their way of looking that doesn’t seem right. The fool gazes around in surprise, as if on a weekend outing, and a couple of the warriors have fearful eyes, as if frightened of the audience, instead of the other way round. A man in a leather tunic, who sweeps up horse dung to loud applause, beams at the turds as they roll into his sack.

The pastel-coloured Da Vinci opposite is doing great business. The brother and sister bicker, wondering whether ‘be nice to Lucas’ implies they have to buy him an ice cream as well. They count their money and the boy notices two black-clad figures across the street. They stand out by their reptilian way of moving, as if under water, and they confer for a long time, examining their surroundings from under their hoods. Then one of them goes in and takes ages buying two cones. The other accepts his ice cream with both hands, like a trophy.

The sister has found a classmate. They whisper together. The girl has a face covered in freckles and a lollipop stick in the corner of her mouth. Suddenly she goes to stand in front of the boy. ‘How are you doing, Mr Skywalker?’ she asks. ‘Fine,’ says the boy, becoming very suspicious. She rolls the lollipop over her lips. Then she taps her shoe against a chair leg; the unambiguity of it shocks the boy. Although he can’t assess the consequences, he decides not to suffer them and slides off the chair. The girl sits down. The brother leans towards the boy, who is now standing between the seats, a hand on the back of each, and he imitates the boy’s surprised look. ‘Use the force, Luke,’ he whispers. His attention is drawn to a float of ladies-in-waiting. When he looks round again, the boy has gone.


After much discussion about a suitable place to take the mescaline, the students decided Bruges was the best option. It might be a bourgeois and incredibly boring city, but it had less traffic than Ghent, their university town. And David’s parents were away travelling, which presented no end of possibilities.

They were up early. Jean went straight to the kitchen table to share out the powder. He found sherry glasses from somewhere and used the board on which David’s mother peeled her apples. Having studied everything thoroughly, he’d come to the conclusion that 300 milligrams would be enough for a first encounter. ‘Huxley took four tenths of a gram.’ He tapped the book next to him. They toasted and David threw back the glass, wondering whether all the fuss was really necessary. Then they had breakfast, tense and slightly giggly. As he threw the breadcrumbs away, David felt the pressure in his body rising. He lowered himself into his chair with immense caution. The room struck him as impossibly quiet and still. Jean walked around the kitchen. His face was pale and with a look of astonishment he examined the crockery on the shelves, as if he’d never seen plates before. ‘I don’t feel too good,’ David managed. The day seemed to stretch before him like an impossible task. ‘It’s the walls.’ ‘Let’s go outside,’ Jean suggested. ‘I’m with you; we’re doing this together.’ Very slowly they zipped up their black sweatshirts and left the house.

The light is extraordinarily bright. They stride along the Langerei as if in a sun-drenched scale model. The pavement, the cyclists gliding past: the perspective has changed but they walk with poise; their bodies know exactly how to move. They stop at the wooden bridge over the canal and are unable to speak for emotion, for the beauty that catches them unawares; it’s as if the world is revealing its details: the rippling water, the splashing at the edges. David looks at the bright blue sky, thinks of the sea and suddenly hears the cry of gulls. He doesn’t know whether he’s conjured them up himself. On the other side of the bridge the Madonna in her niche points to the Oliebaan and they follow an interminable brick wall. They think of pre-war industry and workers, while a bell sounds softly and the wind blows through the horse chestnut trees and, in the same motion, through their hair. They approach the Kruisvest, where David sees the arms of the windmill slowly coming closer, vanes waving. And then the land blossoms out. Profusion. There’s so much: the sloping lawn, the children rolling down it in fleecy green, the rattle of a car over the cobblestones. The sun falling hot on his black jeans.

In the Langestraat, Jean stops next to a planter of violets, and now David can see it too; the petals are so saturated with colour that the blue comes out to meet him. The longer he looks, the more vivid the blue becomes, and the more significance it acquires. They both sigh, shoulder to shoulder, then stroll on. Jean looks a little scruffy in his oversized sweatshirt; he’s got some pistachios out of his bag and they fiddle the shells open as they walk, deft as squirrels. They will associate pistachios with this day for years to come. Coffee and cream – it’s embarrassing to pass the full café terraces of the Predikherenrij; David knows how conspicuous they are. What’s more, the faces looking up at them seem deformed. Everyone has their own specific disfigurement, like caricatures; it’s almost unbearable. Then they turn into the Groenerei, as if in a painting. The stone balustrade between them and the water leads into the distance like a road. David runs his fingers along it as he walks. When they get to an ornate teahouse he comes up against ivy leaves, which startles him a bit, this sudden wilderness against his hand. The clump of ivy is a strange complex of fused stems and leaves, caverns filled with cobwebs, and for a moment he has the impression the ivy is moving up and down. Breathing. On the other side of the balustrade gleams the canal, the water brown and motionless as dark glass.

Walking along the Muntpoort and arriving at the Geldmuntstraat, they are shocked by the tightly pressed crowd. They know nothing about any pageant; it’s as if all these people have come here for them. They pull their hoods down over their faces, summon their courage to reach the ice cream stall, then lose themselves in the contemplation of flavours. Limoncello and blueberry, tiramisu and pannacotta. David reads out the names as he joins the queue. When it’s their turn and he sees his catlike eyes reflected in the counter, he forgets everything and in desperation orders two with vanilla and strawberry. They walk back along the Muntpoort relieved. ‘Mmm,’ he hears next to him. ‘Mmm.’ Jean licks around his cone like a child and David feels such a fondness for his friend, with those happy, greedy eyes. ‘Let’s go to the park,’ he suggests. ‘Away from all these people.’ ‘Which park?’ And although he can see it precisely in front of him, the fountain and the big kiosk, David can’t remember the name. ‘This way,’ he says and so they wander regally on. This pale city, turned to stone, David thinks. My city, with its towers and cycling schoolgirls and elderly ladies who speak without consonants.


After giving up his seat, the boy squirms past the spectators and slips into the Sint-Amandstraat. Now that he’s got away from the brother and sister he feels a lot better, jumping in and out of the fan pattern of the cobblestones. He’s free; the streets are his again. He runs his eyes along the tops of the housefronts, a stone face, a niche, the clapper of an old bell. He checks the details as if he is their silent sentinel. He knows the city far better than the brother and sister, and that feels good too.

The Grote Markt is crammed with spectators, and as he shuffles along the Belfort he sees a big face sticking up above the crowd. The face, with a blood-red mouth and dark rings under the eyes, glides stoically over the heads of the people. The boy finds the giant neither funny nor gruesome. To think his mother tempted him here with a thing like that! He feels grown up in his indifference and slips into the Breydelstraat. It’s packed with tourists, picking at plates and wrappers. Tourists move in groups and at specific places, the boy knows, drawn by sugar: slow, predictable and completely unthreatening – unless driven forwards by a local with an umbrella held high. It’s fine to scare them away, by jumping in front of their cameras, for instance, or walking in front of their feet. You mustn’t give them too much encouragement.

He crosses De Burg, imagining taking a run at it and climbing up onto the town hall, holding tight to the statues and canopies. It’s a great wall to climb to the top and in no time he’s standing on the narrow bartizan, looking out over the city, ready to continue his journey across the rooftops. The only problem is the people below; they wouldn’t like all this climbing and jumping, he’s certain of that, but then: who ever looks up? Gripped by a sudden exuberance he skips along the covered lane to the Vismarkt and his imaginary self leaps from the town hall onto one of the pillars of the covered market. He likes this spot, with its stone workbenches where fish is sold every Wednesday morning. He sometimes comes here with his grandmother, fascinated by the glistening slabs on the ice, the appalling smell. She once stood guard while he slunk behind a pillar because he couldn’t hold in his pee any longer. He can still see the trickle of urine meandering below him, something he had secretly left behind, its smell mingling forever with the smell of fish.

His grandmother lives near here, next to the park. Her face when she sees him unexpectedly at her door! She’ll shout his name, take him inside; he’ll tell her what’s happened. He happily greets his peeing place and sees that he’ll need to take a detour; De Dijver is closed for the pageant. He turns right, squeezes through the fence and finds himself in a street he doesn’t remember, with hummocky cobbles. There’s no one around. He thinks for a moment and pulls a bit of bark from a peeling horse chestnut. The next alley is even quieter and peace descends over him like a curtain. He carefully sets his sandals in the patches of sunlight. He can hear cutlery scraping on plates; somewhere people are eating with the window open. He checks the tops of the houses. There’s nothing much to discover here, but it’s interesting to look inside, at the high ceilings, to imagine he lives here, with his mother, in one of those calm, white interiors. At the end of the street he turns back. He’s never been here before. A grille blows the smell of old croquettes in his face and suddenly he’s standing on De Dijver – is this really De Dijver? He can’t work it out. The enclosed sound of the boats below on the water seems familiar. A horse and carriage passes, hooves clopping on the cobbles, and he turns left along with it, into a large garden. There he starts to panic. This place seems familiar to him too, with its four statues, skeletons on horseback; he’s definitely been here before but he can’t connect the places up. This is a breeding ground for tourists, who swarm about with their cameras, their shoes crunching on the gravel. He watches a mother lift her son onto her lap for a photograph and suddenly feels deeply sad, a sadness without remedy. Would they be worried at home? Would they go off in search of him? He lets himself get carried along, over the bridge at the end of the garden. In front of him walks a woman in a black-and-white dress; there’s something about her that makes him think of his mother, of that much-loved silhouette. And when she stands still to look up, he sees the window.


After Mary has taken the photo she tries to find her husband. He hasn’t seen the window. He doesn’t see lots of things. Or at least he sees different things from her, an observation she made when their honeymoon started and that confused her – she’s used to feeling admiration for him. Europe is different from what she expected. It’s more compact, dirtier, more indifferent. On their first day they were overwhelmed by the smell of exhaust fumes and pigeon droppings, the uneven streets. Fortunately her husband has arranged the hotels and tickets in advance. Bruges is only a short stop. This evening they’ll be in Brussels and tomorrow afternoon in Paris. She secretly longs to get back to the US and install herself in their new loft. In her mind she combines the fabric she’s ordered for curtains with the colour of the wallpaper.

She finds her husband at the entrance to the park, with two waffles in greaseproof paper. A sudden quiet as they walk out of the gate, away from the other tourists. Trumpets in the distance. The dough is warm and sickly sweet – she’s not actually hungry – and as she squeezes the paper into a ball in her hand she feels lethargy settle into her body like syrup. ‘Let’s look for a place to sit down for a bit,’ she says, smoothing her dress. The street is deserted, apart from a boy, who is walking behind them. She has the impression that he’s been crying. Might he have lost his parents?


They arrive at a long wall with a gate. ‘Almshouse De Meulenaere, 17th Century’ it says above it, in black lettering. They hesitantly enter the courtyard. Silence. Time deferred like in a waiting room. The man wields his camera, but Mary moves with great discretion past the little houses, as if she might disturb something. The garden in the middle is divided up into plots, crisscrossed by low hedges and paths. Right at the back is a chapel, pure white like the houses. On a bench in front of the chapel are two young men dressed in black. There is no one else. ‘Let’s stop here a minute,’ says Mary, sensing that her husband already wants to move on, and she points to a bench in the middle of the garden. He thuds down beside her, sighing in the heat. ‘Do you have a thing for beguines?’ he asks. They read the word in their guidebook as they walked through the Prinselijk Begijnhof on their way to the city centre. She opens the rucksack and gets out the guidebook and a scarf, which she drapes over her head. ‘There’s that boy again,’ the man remarks.

Enchanted, the boy walks past the almshouses. Everything is so small that he sees himself in a different relationship to his surroundings. He can already feel himself living here with his mother, surrounded by other mothers and grandmothers. The little doors and shutters look completely safe. He can grow vegetables in their plot and pump water for her. He walks into the chapel. It’s chilly there, the light falling in through dusty windows. When he gets back outside he recognizes the students on the bench. They nod to him from under their hoods. They look like Jedi. He goes to sit at the other end of the bench and grows very calm, among these people who notice him and leave him alone. Gazing around the garden he imagines that an invisible community of women is watching over them, looking at them from behind the windows.

The ice cream has tempered the effect of the mescaline a little and David feels himself land luxuriantly. This cleaved garden. He inhales the space, the devout silence. Places are so much more than cement and concrete, he thinks. The sticky clopping of hooves that swells and dies away; the city moves itself around the almshouses. The ferns in the guttering tremble in the sun, and suddenly the elements uncouple and he feels history beneath the stones at his feet, the nuns behind the walls of the houses, as if at any moment they might come out. Does he feel it too? he wonders, looking to one side. Jean is staring fixedly at a couple some distance away. ‘You see that?’ he whispers. David is doubtful at first, then concentrates; it’s as if there’s a nun sitting there. With a veil. Beside her patron saint. A nun, he’s sure of it now, there’s a sister, a woman locked away.

Mary puts the guidebook back in her bag. ‘Poor women and widows used to live here,’ she says, ‘Not beguines.’ ‘And that chapel then?’ ‘That’s where they had to pray for the owners of the houses. Twenty-four women lived together here.’ He looks unmoved. ‘Pray for their benefactor,’ she repeats, as if the man doesn’t fully understand. ‘What torment.’ ‘They were cared for,’ he observes, folding away his sunglasses. ‘But it’s always women,’ Mary says. ‘It’s always women who live like that.’ ‘Women want a place to settle, a nest.’ This can’t be happening, she thinks. She’s never before felt contempt for her husband; the depth of the emotion shocks her. ‘Mary, what are you getting so upset about? These women were given everything they needed.’ She stares at the chapel in front of her and doesn’t know what to say.

The boy looks at the couple across from him. He recognizes the situation all too well, the eyes and the mouths. He can almost smell the woman’s sadness. Why are women always with men, he thinks. It’s impossible to understand. What do they need them for? He stands up and feels a burning desire to confide in the students. ‘Are you lost?’ Jean tries. ‘Yes,’ says the boy. ‘I need to get to the Botanieken Hof.’ The name, and especially the dialect, thrills David. ‘That’s the park I was talking about, the Astridpark,’ he explains to Jean. ‘It’s nearby here.’ ‘Do you live there?’ the students ask, as they walk past the houses behind the boy. ‘My gran lives there.’ David feels like laying his arm over the boy’s shoulder but doesn’t, not wanting to startle him.

They walk out through the gate. The streets are filling with people who came for the pageant, sauntering and noisy, making plans for dinner. There’s no end to this glorious day, thinks David. And Mary says to herself: that’s it, that one boy is his brother. And she’ll be reassured and forget the boy.


A few months later a psychologist in Philadelphia is consulted by a woman who wants to talk about her marital problems. When he asks how it all started, she can’t answer at first. ‘Begin wherever you like,’ he says. ‘Just let it out.’ She’s silent for a moment, searching for a starting point, for the first seed. She tells of mediaeval streets and church bells. An ancient chapel. A small Gothic window. A pageant with knights, and horse and carriages everywhere. The psychologist is perplexed for a moment. Then he picks up his notebook. ‘Lives in a period drama,’ he writes.

 

 

Translated from Dutch by Liz Waters

 

Liz Waters (1960) translates literary fiction and quality nonfiction from Dutch into English. She has translated books by, among others, Lieve Joris, Annelies Verbeke, Luuk van Middelaar, Jaap Scholten and Douwe Draaisma. Her most recent translations are A Foolish Virgin by Ida Simons and The Many Lives of Jan Six by Geert Mak. She lives in the Netherlands.