Charleroi. 10 gedichten

Erik Lindner

Erik Lindner

Erik Lindner (1968) debuteerde als dichter in 1996 met de bundel Tramontane. Intussen publiceerde hij vijf dichtbundels, de meest recente is Acedia (De Bezige Bij, 2014). In 2013 verscheen zijn eerste roman, Naar Whitebridge. In zijn poëzie speelt het beeld een centrale rol. Volgens Nico Bleutge in de Süddeutsche Zeittung ‘slaagt hij er niet alleen in onze patronen van taal en waarneming te doen kantelen, het lukt hem ook de zintuigen aan te scherpen voor wat mogelijk is.’ Zijn gedichten verschenen in Duitse, Franse en Italiaanse vertaling. De bundel vertalingen van Rosemarie Still Nach Akedia (Matthes & Seitz Verlag Berlin, 2013) werd uitverkoren tot aanbeveling door de Deutsche Akademie für Sprache und Dichttung. Lindner is oprichter en redacteur van het tijdschrift Terras voor internationale literatuur en kunst en werkzaam als schrijver en criticus.

Close

Charleroi Alle citybooks

Download de ePub-versie Print

Charleroi. 10 gedichten

Erik Lindner schreef Charleroi. 10 gedichten naar aanleiding van zijn verblijf in de Waalse mijnstad. Zijn citybook bestaat uit een reeks gedichten waarin 'elektriciteitskabels steken door het trottoir' maar ook 'voor even een regenboog boven het kanaal' staat.

 

I
Schaduwen van bomen op het koren.

Voor het station een brug met een loszittende trede.
Een jongen skateboardt door een sluitende brillenwinkel.

Kokers onder brievenbussen om een opgerolde krant in te steken.
Een wijnhandel vol dozen.

Onder de brug schijnt gekleurd tl-licht op het water.
Boven het station rijden auto’s op de weg.

 

 

II
Een meisje schildert in een vitrine in een passage

Ze stapt het raam uit de deur door de passage in draait zich naar het
raam zet een paar passen achteruit neemt afstand en kijkt.

Op losse stroken papier staan twee bomen. Hun takken buigen naar de vitrine toe.
Hun blaadjes dreigen te vallen.

Ze loopt terug de vitrine in pakt de spuitbus schudt die plakt de papierstroken af met tape.

Tieners zoenen bij de ingang van de passage.

 

 

III
Steenkool blokkeert een draaideur bij de ingang van een fabriek
bovenop de muur cirkelen rollen prikkeldraad

Een vosje loopt over het verlaten terrein, houdt zijn staart
laag bij de grond, houdt stil en kijkt om
loopt de grote fabriekshal in.

Elektriciteitskabels steken door het trottoir.
Uit een opengesprongen kraan spuit water de lucht in.

Er staat voor even een regenboog boven het kanaal.

 

 

IV
Vuilnis op een boot.
Stenen op een boot.
Betonstukken op een aak, afgevoerd over de rivier.

Een dam in de rivier, een loopbrug die omhoog takelt.
Vogels op de kade.

Grijparmen die stenen in de fabriekshal loslaten.

Een brug zo smal als een pijpleiding
met op gelijkmatige afstand meeuwen
ineengedoken als witte knoppen.

 

 

V
De autobussen, de frietkoten, de karaokebars, de periferie, de patrouillerende politie, houten balkonweringen, les traiteurs chinoises, de werkzaamheden, de renovaties, de dichtgetimmerde ramen, de witgeverfde etalages, de steenkoolbergen, de kapsalons, de tatoeages, de piercings, de steegjes tussen achtertuinen, de begraafplaatsen, de volkstuintjes, de jugendstil, de bomen, de graafwagens, de bakstenen huizen, de bankjes, het glas-in-lood, de tekens, de fabriekshallen, de vitrages, de brandweer met sirene, de bazaars, de Kameroens, de Italianen, de benzinestations, de hellingen, de voortuinen, de laadboten, de netten onder afbrokkelende balkons, de ziekenhuizen, de warenhuizen, de funeraria, de jeu-de-boulesbanen, de speelzalen, de dansavonden, de sportvelden, de vliegtuigen die opstijgen, de stewardessen bij de bushalte.

 

 

VI
Vogels vliegen beurtelings de metrohalte binnen
en zetten zich bovenop het bord met de naam van de halte

Een metro rijdt naar een puntbergje, gaat er
niet omheen, rijdt er dwars doorheen.

Een trap van een metrohalte komt boven uit
in de tuin van een bibliotheek.

Weilanden in de stad met bomen aan de rand.

Een man verlaat zijn huis
om buiten in zijn auto te gaan zitten.

Een vrouw opent haar voordeur met in haar hand
een schilderij waar koeien op staan.

 

 

VII
Een taxichauffeur die zijn eerste dag rijdt
de eindeloze voorsteden. Kerktorens
elektriciteitspalen, zendmasten
die boven de heuvel uitsteken.
Rijdt, ziet hoeveel hemel.

Een rij kleine huizen voor een rij hoge bomen.
Een rij kleine huizen voor de spoorbaan.

Een paard dat op zijn rug kronkelt, richt zich op
als iemand aan komt lopen.

Een vogelkooi zo groot als een raam.
Een man brengt folders rond van een restaurant.

 

 

VIII
Een vrouw bij de halte houdt haar handen
onder haar riem op haar heupen.

Op de rotondes staan stripfiguren.
In de wasserette klinkt de radio.

De lambrisering in de cafés, het reliëf in het behang.
Een man begint aan de toog het haar van een vrouw te kammen.

Mensen die binnen komen schudden ieders handen.
Een vrouw staat weer op om te kijken
of er geen kruimels op haar zetel liggen.

De hellende straat in de schemer.
Reflecterende televisiebeelden in de ramen.

 

 

IX
Schaduw van een treinwagon op het koren.
In een schapenveld staan ganzen.

Dakranden naast het spoor geverfd in verschillende kleuren.
Een plastic regenton met houtmotief.

Braakland langs de rivier. Borden met plaatsnamen voor de boten.

Op een rotonde een tramwagon op een stukje rails.
Molshopen in het grasveld voor een kasteel.

Een vrouw gaat voor haar huis zitten
om al etend over het dal uit te kijken.

 

 

X
Op het Beaux-Arts worden de plakletters vervangen
door het programma van de komende week.

Een vrouw vertelt dat mensen van de fabriek houden waar ze werken
dat gaat heel diep, dat is iets anders dan een kantoorbaan.

Het schijnsel van de lichten van een voetbalstadion.
De keien op de binnenplaats van een kazerne.

In de zijgang van de metro staat een katrolwagen.

Het piepen van de panelen in de omkeerbare reclameborden.

Het wegdek bolt. De mensen groeten je op straat.

 

 

Het originele Nederlandstalige citybook Charleroi. 10 gedichten van Erik Lindner verscheen op 20 april 2012 in voorpublicatie in het literaire tijdschrif DW B.

Download de ePub-versie Print

Charleroi. 10 poèmes

Erik Lindner a ramené Charleroi. Dix poèmes dans ses bagages après un séjour dans la cité minière wallonne. Son citybook se compose d’une série de poèmes dans lesquels « des câbles électriques dépassent du trottoir » mais où « un arc-en-ciel se dessine brièvement au-dessus du canal » aussi.

 

I

Ombres des arbres sur les blés.

Devant la gare un pont dont une marche est descellée.
Un garçon fait du skate chez l’opticien qui ferme.

Un cylindre sous les boîtes aux lettres pour y rouler les journaux.
La boutique d’un caviste envahie de cartons.

Sous l’eau du pont la lumière colorée d’un néon brille.
Au-dessus de la gare des voitures sur la route.




II

Dans un passage, dans une devanture, une fille peint.

Sort de la vitrine franchit la porte dans le passage se tourne vers
la vitrine quelques pas pour prendre du recul puis regarde.

Sur des bandes de papier deux arbres. Leurs branches se penchent vers l’étalage.
Leurs feuilles menacent de tomber.

Elle retourne dans la devanture s’empare de la bombe la secoue fixe les bandes de papier avec du scotch.

Deux adolescents s’embrassent à l’entrée du passage.



 

III

Du charbon bloque la porte à tambour de l’entrée d’une usine
au-dessus du mur une ronde de rouleaux de barbelés.

Un renardeau traverse le terrain vague, la queue
au ras du sol, s’immobilise, se retourne
entre dans le hall de l’usine.

Des câbles électriques dépassent du trottoir.
D’un robinet soudain ouvert jaillit de l’eau à la verticale.

Un arc-en-ciel se dessine brièvement au-dessus du canal.




IV

Déchets sur un bateau.
Amas de pierres sur un bateau.
Blocs de béton sur une péniche, transportés sur la rivière.

Un barrage sur la rivière, une passerelle qui se hisse en l’air.
Oiseaux sur le quai.

Bras préhenseurs qui lâchent des blocs de pierre dans le hall de l’usine.

Un pont aussi étroit qu’un tuyau
et à distance égale les unes des autres des mouettes
recroquevillées comme autant de boutons blancs.



 

V

Les autobus, les kots à frites, les bars karaoké, la périphérie, les patrouilles de la police, la balustrade en bois des balcons, les traiteurs chinois, les travaux, les rénovations, les fenêtres condamnées, les devantures peintes en blanc, les terrils, les salons de coiffure, les tatouages, les piercings, les venelles séparant les jardinets, les cimetières, les jardins ouvriers, l’art nouveau, les arbres, les excavatrices, les maisons en brique, les bancs, les vitraux des fenêtres, les signes, les halls des usines, les voilages, les pompiers et leur sirène, les bazars, les Camerounais, les Italiens, les pompes à essence, les collines, les pelouses devant les maisons, les bateaux qui attendent d’être chargés, les filets sous les balcons qui s’effritent, les hôpitaux, les supermarchés, les funérariums, les pistes de pétanque, les salles de jeux, les soirées dansantes, les terrains de sport, les avions qui décollent, les hôtesses de l’air près de l’abribus.




VI

Des oiseaux entrent à tour de rôle dans la station de métro
se posent sur le panneau où est inscrit le nom de la station.

Une rame se dirige vers une butte pointue, ne la
contourne pas, la traverse.

Un escalier d’une des stations débouche
dans les jardins d’une bibliothèque.

Des prés dans la ville bordés d’arbres.

Un homme quitte son domicile
pour prendre place dehors dans sa voiture.

Une femme ouvre sa porte d’entrée, à la main
une toile qui représente des vaches.



 

VII

Un chauffeur de taxi qui fait sa première journée
banlieues à perte de vue. Clochers
pylônes électriques, antennes émettrices
émergeant de la colline.
Roule, voit tant et plus de ciel.

Une rangée de petites maisons devant une rangée de grands arbres.
Une rangée de petites maisons devant la voie ferrée.

Un cheval qui se tortille sur le dos, se redresse
à l’approche d’un passant.

Une cage à oiseaux de la taille d’une fenêtre.
Un homme distribue des dépliants pour un restaurant.



 

VIII

À l’abribus, une femme tient les mains
sous sa ceinture à hauteur des hanches.

Aux ronds-points, des personnages de BD.
À la laverie automatique, une radio allumée.

Les lambris des cafés, les reliefs du papier peint.
Au comptoir, un homme entreprend de peigner les cheveux d’une femme.

Les gens qui arrivent serrent la main à tout le monde.
Une femme se lève une énième fois pour vérifier
qu’il n’y a pas de miettes sur sa banquette.

La rue en pente dans le crépuscule.
Images télévisées se reflétant sur les vitres.





IX

Ombre d’un wagon sur les blés.
Dans un pré à moutons, des oies.

Près de la voie ferrée, les avant-toits peints en différentes couleurs.
Sous la gouttière, un tonneau en plastique simili-bois.

Terres en friche le long de la rivière. Panneaux indicateurs pour les bateaux.

À un rond-point, un wagon sur un tronçon de rails.
Taupinières sur la pelouse d’un château.

Une femme s’assied devant sa maison
pour contempler la vallée tout en mangeant.





X

Aux Beaux-Arts on remplace les lettres adhésives
par le programme de la semaine à venir.

Une femme dit que les ouvriers aiment l’usine où ils travaillent
c’est ancré en eux, bien différent d’une journée au bureau.

La lueur des lumières d’un stade de foot.
Les pavés de la cour d’une caserne.

Dans le tunnel en percement du métro, un wagon-outils.

Le grincement des parois des panneaux publicitaires mécaniques.

La chaussée est bombée. Les gens vous saluent dans la rue.

 


Traduit du néerlandais par Daniel Cunin

 

Lu à haute voix par Guy De Hainaut


Daniel Cunin (1963) est traducteur littéraire néerlandais-français (W.F. Hermans, J. Slauerhoff, Louis Couperus, W.J. Otten, Vonne van der Meer, Stefan Brijs, Bart Moeyaert, Adriaan van Dis, Hafid Bouazza, Abdelkader Benali, Dirk van Bastelaere…). De 1995 à 2006, il a enseigné la traduction littéraire au sein du Département de Néerlandais de la Sorbonne-Paris IV. Depuis 2007, il collabore à Deshima (Revue d’Histoire Globale des Pays du Nord). Il partage sa passion des lettres néerlandaises avec les lecteurs de son blog.

Download de ePub-versie Print

Charleroi. 10 poems

Erik Lindner wrote Charleroi. 10 Poems inspired by his stay in the Wallonian mining town. His citybook is made up of a series of poems in which ‘electric cables stick up through the pavement,’ but in which also ‘for a moment, there’s a rainbow above the canal.’

 

I

Shadows of trees on the corn.

Opposite the station a bridge with a loose step.
A boy skateboards through an optician’s that’s closing.

Tubes under letterboxes for putting rolled-up papers in.
A wine merchant’s full of boxes.

Under the bridge coloured neon lights shine on the water.
Above station height the cars drive down the road.






II

A girl paints in a shop window in an arcade.

She steps out of the window, through the door into the arcade and turns to the
window takes a few steps back detaches herself and looks.

On separate strips of paper are two trees. Their branches bend towards the glass.
Their leaves threaten to fall.

She walks back into the window gets the spray can shakes it masks the strips with tape.

Teenagers kiss at the entrance to the arcade.






III

Coal blocks a revolving door at the entrance to a factory
on top of the walls rolls of barbed wire circle.

A fox crosses the deserted site, keeps its tail
low to the ground, stops and looks round
walks onto the factory shop floor.

Electric cables stick up through the pavement.
From a tap that’s burs open water shoots into the air.

For a moment there’s a rainbow above the canal.






IV

Rubbish on a boat.
Stones on a boat.
Concrete sections on a barge, shipped down the river.

A dam in the river, a gangway with ropes climbing up.
Birds on the quay.

Grabs that release stones on the factory floor.

A bridge as narrow as a pipe, with seagulls at regular intervals
hunched like white buds.






V

The buses, the chip stalls, the karaoke bars, the periphery, the patrolling police, wooden balcony railings, les traiteurs chinois, the road works, the renovations, the boarded-up windows, the shop windows painted white, the mounds of coal, the hairdressing salons, the tattoos, the piercings, the alleys between back gardens, the cemeteries, the allotments, the Art Nouveau, the trees, the diggers, the brick houses, the benches, the stained glass, the signs, the factory floors, the net curtains, the fire brigade with sirens, the markets, the Cameroons, the Italians, the petrol stations, the slopes, the front gardens, the cargo boats, the nets under crumbling balconies, the hospitals, the department stores, the funeral parlours, the pistes de boules, the betting arcades, the sports fields, the aircraft climbing, the stewardesses at the bus stop.






VI

Birds fly in turn into the metro station
and perch on the sign with the name of the station

A metro goes to a pointed slag heap, doesn’t
skirt round it, goes right through it.

The stairs from a metro stop
surface in a library garden.

Meadows in town with trees round the edge.

A man leaves his house
to sit outside in his car.

A woman opens her front door holding
a painting with cows in it.






VII

A taxi driver who in his first day
drives the endless suburbs. Spires
telegraph poles, transmitter masts
sticking out above the hill.
Drives, sees endless sky.

A row of small houses in front of row of tall trees.
A row of small houses along the railway line.

A horse writhing on its back gets up
when someone approaches.

A birdcage as big as a window.
A man delivers restaurant brochures.






VIII

A woman at the stop holds her hands
on her hips under her belt.

On the roundabouts there are cartoon characters.
In the laundrette the radio sounds.

The panelling in the bars, the embossed wallpaper.
A man starts combing a woman’s hair at the bar.

People who come in shake everyone’s hand.
A woman gets up to check
whether there are any crumbs on her seat.

The sloping street in the dusk.
Reflecting TV pictures in the windows.






IX

Shadow of a train carriage on the corn.
In a sheep meadow there are geese.

Eaves by the railway painted in different colours.
A plastic rainwater butt with a wood motif.

Fallow land by the river. Signs with place names for the boats.

At a roundabout a train carriage on a length of track.
Molehills on the lawn in front of a castle.

A woman sits down in front of her house
so as she eats she can look out over the valley.






X

At the Beaux-Arts the stick-on letters are replaced
by next week’s programme.

A woman says that people love the factory where they work
it goes very deep, it’s not like an office job.

The glow of the lights in a football stadium.
The cobbles on the courtyard of a barracks.

In the alley beside the metro is a pulley car.

The squeaking of the panels in the reversible billboards.

The road surface bulges. The people in the street say hello.



 

Translated from Dutch by Paul Vincent

Podcast read by Simon Shrimpton-Smith

 

Paul Vincent studied at Cambridge and Amsterdam, and after teaching Dutch at the University of London for over twenty years became a full-time translator in 1989. Since then he has published a wide variety of translated poetry, non-fiction and fiction, including work by Achterberg, Claus, Couperus, Elsschot, Jellema, Mulisch, De Moor and Van den Brink. He is a member of the Society of Dutch Literature in Leiden.