Aangifte

Arnon Grunberg

Arnon Grunberg

Arnon Grunberg (Amsterdam, 1971) werd op zeventienjarige leeftijd van school gestuurd. Zijn eerste roman, Blauwe maandagen (1994), werd een bestseller in heel Europa, won de Anton Wachterprijs voor het beste debuut en werd vertaald in dertien talen. Zijn daaropvolgende romans vielen ook meermaals in de prijzen, hij won onder meer de AKO literatuurprijs, de Libris Literatuurprijs en de Gouden Uil, en zijn oeuvre verscheen in meer dan twintig landen. Naast romans, essays, poëzie, theater- en journalistieke stukken schrijft Grunberg als columnist voor o.a. de Volkskrant, Vrij Nederland en HUMO.

Close

Lublin Alle citybooks

Download de ePub-versie Print

Aangifte

© Brecht Evens, De Morgen

Aangifte en een interview met Arnon Grunberg werden op 9 mei 2012 gepubliceerd als speciale bijlage in De Morgen.
(download pdf)

 


Geachte burgemeester, geacht gemeentebestuur, geachte volksvertegenwoordigers, mijn naam is Danuta Kalinowska, ik ben 24 jaar en geboren en getogen in onze mooie stad. Mijn moeder heet Hildegarda Kalinowska en mijn vader was Ferdzik Kalinowski, die helaas bij een tragisch auto-ongeluk op weg naar Warschau in de winter van 2007 is omgekomen. Officieel heette hij Ferdynand, maar hij werd door iedereen Ferdzik genoemd en op zijn grafsteen staat ook Ferdzik. Voor mij heeft hij nooit anders geheten dan Ferdzik.

Ik ben enig kind en om redenen die ik hier niet uit de doeken kan doen zorg ik voor mijn lieve moeder Hildegarda, die verder geen familieleden in Lublin heeft en ook niet in de buurt van onze stad. Met de broer van mijn vader, mijn oom Paweł, heeft ze al het contact verbroken.

Ik schrijf u deze brief vanwege een voor mij en mijn moeder zeer onaangename aangelegenheid en ik hoop dat u de tijd wilt nemen om deze brief in alle rust te lezen. Uiteraard ben ik graag bereid alles mondeling toe te lichten, mocht dat nodig zijn, en ook mijn moeder heeft het een en ander te vertellen over de nare gebeurtenissen, al hoop ik dat u rekening houdt met haar gezondheidstoestand.

Ik heb een opleiding gevolgd tot secretaresse en ik kan Engels en Duits. Volgens velen heb ik een talenknobbel. Nu ben ik Spaans aan het leren. In de zomer van 2009 zijn mijn moeder en ik naar Barcelona gevlogen en daar hebben we genoten van de musea en het eten. Helaas werd op de boulevard ons fototoestel uit mijn handen gegrist door een onguur Afrikaans type. We waren dan ook blij toen we weer terug waren in onze stad. Mijn moeder zei: ‘Ik ga nooit meer naar Spanje, hier in Lublin is alles wat we nodig hebben.’

Daar ben ik het mee eens. Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens.

Aangezien ik vanwege de gezondheidstoestand van mijn moeder alleen parttime kan werken geef ik af en toe rondleidingen door onze mooie stad om wat bij te verdienen. Zoals u weet komen de meeste toeristen in de zomer, bang als zij zijn voor een vlokje sneeuw en een beetje vrieskou. Wij inwoners van Lublin houden van de sneeuw en de kou en mijn moeder zegt altijd: ‘Lubliners worden hard van de kou.’ Zo is dat.

Mijn lieve vader, God hebbe zijn ziel, die in de nacht van 21 op 22 januari 2007 door een vrachtwagen tegen een boom werd gedrukt op weg naar Warschau, was de beste gymnastiekleraar van Lublin. Velen van u zullen zich hem nog herinneren. Hij was niet alleen gymnastiekleraar, maar ook de coach van het meisjesvolleybalteam in onze stad en zo heeft hij veel vrienden gemaakt. Hij was de meest godsvruchtige persoon die ik ooit heb gekend. Hij hield van drinken, hij stookte zelf brandewijn, maar zelfs als hij dronken was, bleef hij godsvruchtig en riep hij Maria aan. Maria heeft hem nooit in de steek gelaten, behalve dan in de nacht van 21 op 22 januari 2007, maar dat kwam door een vrachtwagenchauffeur uit Wrocław, een goddeloze man die dacht dat hij er zich vanaf kon maken met een bosje rozen. Mijn moeder heeft die rozen meteen bij de vuilnis gezet. Daar zijn wij niet van gediend.

Geachte heren, hoe is het mogelijk dat Wrocław de Europese Culturele Hoofdstad zal worden en Lublin niet?

Zoals u ongetwijfeld weet, en nu kom ik op de reden van mijn brief, maar het is van het grootste belang dat u begrijpt hoe onze familiesituatie is, en mijn lieve moeder vraagt mij u door te geven dat wij nog nooit een boete hebben gehad. Zelfs mijn vader, die toch van drinken hield, heeft nooit een verkeersovertreding begaan. Wij hebben ons altijd aan de wetten gehouden, ook als de wetten ons niet aanstonden. Zoals u ongetwijfeld weet is deze winter een Nederlandse schrijver op bezoek geweest in onze stad. Arnon Grunberg.

Het precieze doel van zijn bezoek weet ik nog steeds niet. Ik ben maar een eenvoudige vrouw en ik doe wat mij gevraagd wordt. Vooral omdat ik momenteel zonder werk zit. Mijn oom Paweł had mij als secretaresse ingehuurd voor zijn import- en exportbedrijf Best Global Tools maar u weet ongetwijfeld hoe dat is afgelopen en mijn moeder en ik hebben het contact verbroken met mijn oom en ik heb besloten me te concentreren op toeristen, want toeristen liggen me meer dan de import en de export. Dat zegt mijn moeder ook. Ik was dan ook blij dat een vriendin van een vriendin mij had gevraagd meneer Grunberg rond te leiden door onze stad omdat hij wilde weten waar hij was beland. Zo had ik dat gehoord tenminste want toen ik hem ontmoette merkte ik direct dat het hem niets kon schelen in welke stad hij was. Hij had net zo goed in Japan kunnen zijn.

Normaal gesproken geef ik alleen in de zomer rondleidingen, maar als een vreemdeling in de winter naar Lublin komt, maak ik natuurlijk een uitzondering. Zeker nu oom Paweł mij op straat heeft gezet.

Van de mevrouw van het culturele bureau, Małgorzata, God zegen haar, kreeg ik een boek van de schrijver, zodat ik wist wat voor vlees ik in de kuip had. Had ik toen maar naar mijn innerlijke stem geluisterd. Ik heb spijt als haren op mijn hoofd dat ik mijn innerlijke stem heb genegeerd en ook de stem van mijn moeder. Die zag een foto van de schrijver en zij zei meteen: ‘Die man die deugt niet.’

Ik heb meneer Grunbergs boek Fantoompijn in het Pools gelezen. Niet helemaal, maar wel zo dat ik ongeveer wist waar het over ging en ik vraag u in alle bescheidenheid: noemen ze dat literatuur? Is er niemand die dat kan verbieden? Ik zou er een stokje voor steken als ik in de politiek zat.

Maar ik schrijf u niet vanwege boekenkwesties, ik schrijf u vanwege de misdaden die in onze stad hebben plaatsgevonden. Ik heb ook de politie ingelicht, maar omdat ik niets heb gehoord, ook al heb ik aangedrongen, wilde ik u alvast op de hoogte brengen.

Laat ik bij het begin beginnen.

Op maandag 20 februari liep ik naar hotel Campanile om de schrijver op te halen en hem rond te leiden.

Hij was, dat moet ik wel zeggen, beleefd. Hij gaf me complimentjes over mijn laarzen en mijn roze sjaal die ik zelf heb gebreid en later zei hij ook nog wat aardigs over mijn spijkerbroek. Ik geloof dat er geen kledingstuk is geweest dat ik die dag aanhad dat hij niet voorzien heeft van de nodige complimenten. Uiteraard vermeed ik het nare onderwerp van zijn boek en gelukkig begon hij er ook niet over, want ik ben een eerlijk mens en dan had ik moeten zeggen dat het niet gezond is om zo’n boek te lezen en ook niet om het te schrijven.

Wij liepen door de stad en ik vertelde over de geschiedenis van Lublin en de heldhaftige strijd van het Poolse volk, maar ik merkte dat zijn gedachten afdwaalden want hij zei: ‘Het begint nu aardig koud te worden.’

Ik wilde hem meenemen naar een echt Lublins café, Café Heca, maar hij wilde alleen naar Café Vanilla. Hij zei: ‘Daar ben ik al een paar keer geweest, daar is de wijn goed.’

Ik ben beleefd, dus ik ben met hem meegegaan naar Café Vanilla, waar hij een dure salade bestelde en een glas rode wijn. Ik hield het bij water.

Hij zag er nog steeds ontevreden uit, dus ik vroeg hoe het met hem ging.

‘Slecht,’ zei hij. En hij keek mij aan en hij zei: ‘Heel slecht. Ik heb de halve nacht liggen woelen.’

Ik had daar misschien niet op moeten reageren maar het is nu eenmaal mijn taak in het leven om de mensen te helpen. Daarnaast ben ik een optimistisch mens. Ook mijn lieve vader heb ik geholpen toen er na zijn dood nog steeds schandelijke leugens over hem de ronde deden, onder andere dat hij de aanvoerster van het volleybalteam zwanger had gemaakt. Mijn moeder zei: ‘Fatsoenlijke vrouwen krijgen op hun zestiende geen kind.’ Daarin heeft ze natuurlijk gelijk.

Zoals ik zei, deze brief gaat niet over mijn vader, maar ik word emotioneel als ik het over hem heb.

De schrijver antwoordde op mijn vraag waarom het zo slecht met hem ging terwijl hij in zo’n mooie stad was beland, dat niemand van hem hield. Daarna zei hij dat hij een monsterlijk persoon was.

Terwijl hij over dit onderwerp verder doorzeurde, at hij de dure salade alsof hij dagen niet had gegeten en van de vriendin van mijn vriendin had ik gehoord dat hij niet eens hoefde te betalen voor zijn hotel, dus ik begreep dat gezeur niet.

Toen was hij eindelijk klaar met zijn jeremiade.

Als gids ben ik altijd optimistisch gebleven terwijl ik heel wat tegenslag in mijn leven heb gehad, maar je zult mij niet horen zeuren. Je moet de stemming er een beetje in houden, dus daarom zei ik tegen hem: ‘Dat moet u niet zeggen, meneertje. Er is voor iedereen wel iemand op deze wereld. Zo monsterlijk bent u nu ook weer niet.’

Daarna keek hij mij aan alsof hij het in Keulen had horen donderen en hij vroeg: ‘Hebt u dan al de ware gevonden?’

Ik heb mijn verloving verbroken, omdat mijn verloofde een smeerlap was, dus daarom moest ik een klein beetje huilen toen de schrijver vroeg of ik de ware al had gevonden. Ik ben gevoelig. Mijn moeder zei meteen al de eerste keer dat ze mijn verloofde zag: ‘Die is erger dan moderne kunst.’ Had ik maar naar haar geluisterd.

Meneer Grunberg troostte mij (wat ik hier vertel heb ik trouwens ook allemaal in de brief aan de politie verteld en ik ben er ook een paar keer langs gegaan, maar ik kon niet alles kwijt). Hij bestelde eerst een glas rode wijn voor mij en gaf me daarna een papieren zakdoekje. Vervolgens zei hij dat hij ook niemand op deze wereld had, dat er overal crisis was maar in zijn hoofd nog wel het meest. Veel geld had hij ook niet. Het kwam erop neer dat hij geen geld en geen liefde had maar dat hij mij had ontmoet en dat iedereen die mij had ontmoet geen geld en liefde meer nodig had. Zoiets in elk geval, ik heb het niet allemaal onthouden.

Ik drink normaal gesproken wodka met jus d’orange, maar ik kijk een gegeven paard niet in de bek. Dus ik goot de rode wijn zo naar binnen, want ik houd niet van rode wijn en hoe minder je proeft hoe beter het is.

Ik vroeg hem: ‘Wat zou u van onze mooie stad willen zien? Wilt u naar de beroemde kapel?’

Want daarvoor was ik gekomen, toch?

Toen zei hij: ‘Ik heb het mooiste van de stad al gezien. Dat ben jij.’

Mijn vader Ferdzik zei al toen ik twaalf was tegen me: ‘Jij bent niet de dunste maar wel de mooiste.’ Toen ik veertien was, zei hij het nog steeds tegen me hoewel ik acne had die niet alleen op mijn gezicht zat maar ook op mijn rug, maar mijn vader hield nu eenmaal van zijn dochter en zijn liefde ging dwars door alle acne van de wereld heen.

Een vrouw wil graag horen dat ze mooi is, heren. Ook al kwam het compliment dan uit zijn mond, ik besloot er toch van te genieten. Beter een vogel in de hand dan tien in de lucht.

‘Maar wat wilt u van de stad zien?’ vroeg ik aan de schrijver. ‘Ik ben hier om u iets van de stad te laten zien. Wilt u soms iets over de geschiedenis van Lublin weten?’

Hij zei: ‘Ik zou alleen maar jou willen zien. Ik ben een ongelukkig mens, maar als ik naar jou kijk word ik weer een klein beetje gelukkig.’

Ik dacht dat hij het meende en ik wilde niet weer dat gezeur over de liefde en het monster horen, daarom zei ik: ‘Ik wil best wel een keertje wodka met jus d’orange met u drinken, maar nu ga ik u rondleiden.’

Ik was een beetje op mijn hoede, maar ik ga altijd uit van het beste in de mens. Want in december 2011 was ik gevraagd een Poolse schrijver door onze stad rond te leiden, ik zal zijn naam niet noemen. Die weigerde zijn appartement uit te komen en hij dwong me boodschappen voor hem te doen. Ik kan u verzekeren dat hij dingen met mij gedaan heeft die je niet met een vrouw doet, maar mij hoort u niet klagen. Van een Poolse schrijver accepteer je ook meer dan van een vreemdeling.

De Nederlandse schrijver begon mij allemaal vragen te stellen. Voor de beroemde kapel had hij totaal geen interesse. Ik was aan het vertellen over de schilderijen en de fresco’s en hij zei opeens: ‘Nu moeten we stil zijn, want we moeten mediteren.’

Terwijl hij aan het mediteren was, greep hij mijn hand en de tranen liepen over zijn wangen, maar ik heb ze daar laten lopen want er zijn grenzen. Maar toen hij na vijf minuten nog steeds aan het snotteren was zei ik: ‘Hoge bomen vangen veel wind, meneer.’ Daarna zijn we naar hotel Lublinianka gelopen, waar hij in de bar een wodka met jus d’orange voor mij heeft besteld en rode wijn voor zichzelf.

Ik heb hem alles verteld, over mijn moeder, die na de dood van mijn vader in de war is geraakt maar niet zo dat ze moet worden opgenomen, en over de aanvoerster van het volleybalteam, die beweert dat mijn vader een kind bij haar heeft gemaakt, maar mijn moeder en ik weten beter.

Dat interesseerde hem allemaal enorm. ‘Ongelooflijk,’ zei hij. ‘Jouw familie heeft veel meegemaakt. Jij bent een bijzonder mens.’

Daarna zijn we naar hotel Campanile gelopen, en daar heeft hij mij uitgenodigd op zijn kamer. In zijn klerenkast stond een fles rode wijn en die heeft hij toen met mij opgedronken. Ook heeft hij ongevraagd dingen met mij gedaan die een man niet met een vrouw doet en die ik daarom niet hier zal noemen.

De volgende dag ging ik weer naar hem toe, want ik moest hem rondleiden. Om eerlijk te zijn begon ik op dat moment al wel een beetje aan zijn oprechte interesse in mij te twijfelen, want toen hij uit de lift kwam, gaf hij mij een handkus en hij zei: ‘Ik wil je bedanken dat je mijn leven mooier maakt.’

Overdreven vond ik dat. Ik kende hem amper. Voor het mooier maken van een leven is wel meer nodig. Zo snel gaat dat niet.

Hij wilde naar Majdanek. We liepen daar wat rond en hij zei weinig. Wel wilde hij weten of de flatgebouwen naast het concentratiekamp er ook al stonden tijdens de oorlog. Ook durfde hij te zeggen dat het vast niet zo prettig is om over een concentratiekamp uit te kijken.

Na Majdanek gingen we naar mijn moeder, want hij wilde een oudere Poolse vrouw ontmoeten die hem kon vertellen over hoe het vroeger in Lublin was.

Sinds de dood van mijn vader lijdt mijn moeder aan stemmingswisselingen. Soms komt ze haar bed niet uit, dan weer nodigt ze al haar vrienden uit. Ze is 56, maar ondanks haar slechte gezondheid ziet ze eruit alsof ze 46 is, misschien zelfs nog een paar jaartjes jonger.

Mijn moeder spreekt geen Engels dus ik vertaalde.

De schrijver complimenteerde haar met haar rok, hij vertelde dat hij een onmens was en een monster en dat hij geen liefde in zijn leven had en dat het geld ook op was, vanwege de crisis, en toen de avond begon te vallen pakte hij haar hand. Hij deed precies hetzelfde bij mijn moeder als bij mij en het ergste was nog wel dat hij leek te zijn vergeten dat ik erbij was.

Mijn moeder is een gastvrije vrouw en ze droeg me op een soep te maken en de fles wodka op tafel te zetten. En toen ik tegensputterde sputterde zij tegen, maar zij is beter in tegensputteren dus ik maakte de soep.

Na de soep en de wodka vroeg meneer Grunberg of hij mocht blijven slapen, want hij zei dat hij het niet meer uithield in Campanile. Hij zei dat hij altijd dacht dat hij van hotels hield, maar dat hij nu wist dat hij op zoek was naar warmte, menselijke warmte. En hij beweerde dat de Poolse warmte de echte menselijke warmte was. Hij had het over smerige, menselijke liefde, maar u en ik weten dat er niets smerigs is aan de menselijke liefde.

Mijn moeder is net zo’n gevoelige vrouw als ik en daarom heeft ze hem warmte gegeven.

In de winter slapen we in één bed om de stookkosten laag te houden. Eerst deed hij met mij wat je niet doet met een eerbare vrouw en daarna met mijn moeder. Ik zal er verder niet over spreken. Maar als u de details wilt weten kunt u beslist bij mijn moeder terecht.

De volgende ochtend ging hij het huis uit en een kwartier later kwam hij terug met twee bossen bloemen. Hij trok bij ons in, hij nam eten en wodka mee en hij noemde mijn moeder ‘een engel’ en mij ‘de dochter van een engel’. Ik wilde het niet, maar zoals ik al zei, wij zijn gastvrij. En de appel valt nu eenmaal niet ver van de boom.

Ik geloof dat hij de rest van zijn verblijf amper ons bed uit is gekomen. Elke avond om zeven uur kroop hij in ons bed en dan droeg hij mijn moeder en mij op naast hem te komen liggen en dan moesten we volksliedjes zingen. Af en toe citeerde hij een dichter, maar ik weet niet meer welke.

Ik zal nu de voorwerpen opsommen die uit onze woning zijn verdwenen:

2 verzilverde theelepels

1 vaas, volgens mijn moeder antiek

1 commode, deze commode heeft mijn moeder hem geschonken maar op dat moment wist ze niet wat ze deed en toen de commode de volgende dag door twee mannen werd afgehaald, durfde ze er niets meer van te zeggen, want gegeven is gegeven

1 bruidsjurk, van mijn moeder

1 pak dat nog van mijn vader is geweest

1 verzameling zeldzame munten

1 zilveren kandelaar, volgens mijn moeder een museumstuk.

Ik sluit een foto van de commode bij. Ik vermoed dat de schrijver deze commode aan iemand in Lublin heeft verkocht, dus als u de commode ziet kunt u hem in beslag nemen en weer aan ons teruggeven. Als het zo doorgaat moeten wij een onderhuurder nemen en dan kunnen we die commode goed gebruiken.

Die theelepels zullen niet veel waard zijn, maar het gaat om het principe. Wie het kleine niet eert is het grote niet weerd.

Mijn moeder en ik hebben het niet gemakkelijk maar elke vrijdagavond is er een salon om het leven aangenaam te maken. Bezoekers kunnen dan een enveloppe met iets extra’s achterlaten op het aanrecht want dit zijn moeilijke tijden voor hardwerkende mensen. Wij geven warmte en we willen er niet veel voor terug.

U hoort mij niet zeggen dat alle Nederlanders dieven zijn of dat alle schrijvers dingen doen met vrouwen die geen fatsoenlijk mens zou doen, maar ik hoop van harte dat u optreedt tegen deze dief, deze oplichter, deze man, die een gevaar is voor mens en samenleving, en die geen enkele moraal heeft als het gaat om fatsoen.

Uw toegewijde dienares,

Danuta Kalinowska

 


P.S. Als u op vrijdag naar onze salon komt, wilt u s.v.p. zachtjes doen op de trap? Een kleine bijdrage aan de stookkosten wordt zeer op prijs gesteld.

 


Arnon Grunberg's citybook Aangifte over de Poolse stad Lublin verscheen op 9 mei 2012 in voorpublicatie in De Morgen.


 

Download de ePub-versie Print

Skarga


Szanowny Panie Burmistrzu, Szanowna Rado Miasta, Szanowni Reprezentanci Narodu. Nazywam się Danuta Kalinowska, mam 24 lata, urodziłam się i wychowałam w naszym pięknym mieście. Moja mamusia to Hildegarda Kalinowska, a tatuś Ferdzik Kalinowski, ale on, niestety, zginął w tragicznym wypadku samochodowym, w drodze do Warszawy, zimą 2007 roku. Tak naprawdę tatuś nazywał się Ferdynand, jednak wszyscy wołali na niego Ferdzik i nawet na grobie stoi Ferdzik. Dla mnie nigdy nie nazywał się inaczej niż Ferdzik.

Jestem jedynaczką i z powodu, którego nie mogę ujawnić, opiekuję się moją kochaną mamusią Hildegardą, ona nie ma żadnej rodziny ani w Lublinie, ani w okolicy. Z bratem tatusia, wujkiem Pawłem, zerwała wszelkie kontakty.

Piszę do Państwa list z powodu niezręcznej sytuacji, w jakiej znalazłyśmy się z mamusią. Mam nadzieję, że znajdą Państwo trochę czasu, aby go w spokoju przeczytać. Oczywiście jestem gotowa wyjaśnić Państwu to i owo osobiście, o ile zajdzie taka potrzeba. Mamusia też może Państwu niejedno opowiedzieć o tych nieprzyjemnych zajściach, chociaż mam nadzieję, że będą się Państwo liczyli ze stanem jej zdrowia.

Ukończyłam szkołę dla sekretarek, znam język angielski i niemiecki. Podobno mam talent do języków, teraz uczę się hiszpańskiego. Latem 2009 roku poleciałyśmy z mamusią na wakacje do Barcelony, z przyjemnością obejrzałyśmy muzea i poznałyśmy hiszpańską kuchnię. Niestety podczas spaceru po bulwarze jakiś ponury afrykański typ wyrwał mi z ręki aparat fotograficzny. Odetchnęłyśmy z ulgą, kiedy wróciłyśmy do naszego miasta. Mamusia powiedziała:

„Już nigdy nie pojadę do Hiszpanii. Tu, w Lublinie mamy wszystko czego nam trzeba”.

Zgadzam się z nią w zupełności. Wszędzie dobrze, ale w domu najlepiej. Z uwagi na zdrowie mamusi, mogę pracować tylko w niepełnym wymarze godzin, dlatego dorabiam sobie oprowadzając gości po naszym pięknym mieście. Jak Państwo wiedzą, większość turystów odwiedza nas w lecie, w zimie boją się tych paru płatków śniegu i odrobiny mrozu. My, mieszkańcy Lublina, kochamy śnieg i mróz, mamusia mówi:

„Mróz hartuje Lublinian”.

To prawda.

Mój drogi tatuś, Panie świeć nad jego duszą, został w nocy z 21 na 22 stycznia 2007 roku, w drodze do Warszawy, zpechnięty z drogi przez ciężarówkę. Był najlepszym nauczycielem wf-u w Lublinie. Wielu z Państwa zapewne jeszcze go pamięta. Był nie tylko nauczycielem, ale również trenerem dziewczęcej drużyny siatkówki naszego miasta i tak zdobył wielu przyjaciół. Tatuś był najbardziej pobożną osobą jaką znałam. Lubił wypić, robił bimber, ale nawet jak był pijany to był bardzo pobożną osobą i wzywał Maryję. Maryja nigdy go nie zawiodła, oprócz tej nocy z 21 na 22 stycznia 2007 roku, ale to wina kierowcy ciężarówki z Wrocławia, bezbożnego człowieka, który myślał, że może wszystko załagodzić przynosząc nam bukiet róż. Mamusia od razu wyrzuciła te róże do śmieci. Wypraszamy sobie coś takiego.

Szanowni Państwo, jak to możliwe, że Wrocław zostanie stolicą kulturalną Europy, a Lublin nie?

Zapewne Państwo wiedzą, i teraz dochodzę do powodu napisania tego listu, ale to niezmiernie ważne, aby Państwo dobrze zrozumieli moją sytuację rodzinną. Droga mamusia prosiła, abym przekazała Państwu, że my nigdy nie płaciliśmy żadnej kary. Nawet mój tatuś, który lubił wypić, nigdy nie przekroczył przepisów ruchu drogowego. Zawsze przestrzegaliśmy przepisów, nawet gdy nam się nie podobały.

Jak Państwo niewątpliwie wiedzą, nasze miasto odwiedził tej zimy holenderski pisarz – Arnon Grunberg.

Do tej pory nie znam dokładnie celu jego wizyty. Jestem prostą kobietą, robię to, o co mnie proszą. Szczególnie teraz, kiedy nie mam pracy. Wujek Paweł zatrudnił mnie w charakterze sekretarki w swojej firmie importowo-eksportowej Best Global Tools, ale pewnie Państwo wiedzą, jak to się skończyło. Zerwałyśmy z mamusią kontakty z wujkiem i zdecydowałam skoncentrować się na turystach, turyści leżą mi bardziej niż import i eksport. Mamusia też tak mówi. Ucieszyłam się, kiedy przyjaciółka mojej przyjaciółki poprosiła mnie, abym oprowadziła pana Grunberga po naszym mieście, ponieważ chciał się zorientować gdzie się znajduje. Przynajmniej tak słyszałam, bo kiedy go spotkałam, to od razu zauważyłam, że jest mu wszystko jedno gdzie się znajduje. Równie dobrze mógłby być w Japonii.

Zazwyczaj oprowadzam turystów tylko w lecie, jeśli jakiś cudzoziemiec zjawi się w Lublinie zimą, to oczywiście robię wyjątek. Szczególnie teraz, kiedy wujek Paweł wyrzucił mnie na ulicę.

Od pani Małgorzaty z Towarzystwa Edukacji Kulturalnej, niech Bóg ją błogosławi, dostałam książkę pisarza, żebym wiedziała, co w trawie piszczy. Gdybym tak wtedy posłuchała swojego głosu wewnętrznego! Głęboko żałuję, że go wówczas nie posłuchałam, ani zdania mojej mamusi. Ona popatrzyła na zdjęcie pisarza i od razu powiedziała:

„To nie jest porządny człowiek”.

Przeczytałam po polsku książkę pana Grunberga pod tytułem Ból fantomowy. Nie do końca, na tyle, żeby wiedzieć o co chodzi i skromnie zapytam: czy to można nazwać literaturą? Czy nikt nie może tego zabronić? Zajęłabym się tym, gdybym była politykiem.

Nie piszę jednak w kwestii książek, a w sprawie przestępstw, jakie miały miejsce w naszym mieście. Zawiadomiłam już policję, ale ponieważ mimo nalegań nie otrzymałam żadnej reakcji, chciałabym zaznajomić Państwa z sytuacją.

Zacznę od początku.

W poniedziałek dnia 20 lutego poszłam do hotelu Campanile, żeby zabrać pisarza na wycieczkę po mieście.

Muszę przyznać, że był uprzejmy. Skomplementował moje kozaczki i różowy szaliczek, który sama zrobiłam na drutach, a potem powiedział coś miłego na temat dżinsów. Zdaje się, że wyraził uznanie dla każdej części garderoby, jaką tego dnia miałam na sobie. Oczywiście unikałam rozmowy na temat nieprzyjemnej treści jego książki i na szczęście sam nie zagadnął mnie o to, ponieważ jestem uczciwą osobą i musiałabym wtedy powiedzieć, że to niezdrowo czytać taką książkę i niezdrowo też pisać coś takiego.

Spacerowaliśmy po mieście, opowiadałam mu o historii Lublina i bohaterskiej walce polskiego narodu, ale zauważyłam, że jego myśli krążą gdzie indziej, bo oświadczył:

„Robi się bardzo zimno”.

Chciałam go zabrać do prawdziwie lubelskiej kawiarni Heca, lecz on chciał iść tylko do kawiarni Wanilia, bo jak mówił:

„Byłem tam już parę razy i mają tam dobre wino”.

Jestem dobrze wychowana, więc poszłam z nim do kawiarni Wanilia, gdzie zamówił drogą sałatkę i kieliszek czerwonego wina. Ja pozostałam przy wodzie.

Cały czas wyglądał na niezadowolonego, dlatego zapytałam, jak się czuje.

„Źle” – odpowiedział.

Popatrzył na mnie i dodał:

„Bardzo źle. Całą noc wierciłem się w łóżku”.

Być może nie powinnam była reagować na tę wypowiedź, ale moim życiowym przeznaczeniem jest pomaganie ludziom.

Poza tym jestem z natury optymistką. Pomogłam nawet kochanemu tatusiowi, kiedy po jego śmierci zaczęły się rozchodzić skandaliczne plotki, że napastniczka drużyny siatkówki zaszła z nim w ciążę. Mamusia powiedziała:

„Porządne kobiety nie rodzą dziecka w wieku szesnastu lat”.

Oczywiście miała rację w tym wypadku.

Jak już zaznaczyłam, ten list nie dotyczy mojego tatusia, jednak wzruszam się wspominając go.

W odpowiedzi na moje pytanie, dlaczego tak źle się czuje przebywając w naszym pięknym mieście, pisarz odpowiedział, że nikt go nie kocha. Potem dodał, że jest potwornym człowiekiem.

Narzekając, dalej jadł drogą sałatkę, zupełnie jakby od paru dni nic nie miał w ustach, a od przyjaciółki mojej przyjaciółki słyszałam, że nawet nie musi płacić za hotel, więc nie rozumiem tego narzekania.

Wreszcie skończył tę jeremiadę.

W pracy przewodnika spotkałam się z wieloma przeciwnościami losu, mimo to nadal pozostaję optymistką i nie narzekam. Trzeba dbać o nastrój, więc powiedziałam:

„Proszę tak nie mówić, proszę pana. Każdy ma swoją drugą połowę na tym świecie. Nie jest pan znowu taki straszny”.

Popatrzył na mnie z osłupieniem w oczach i zapytał:

„Czy pani znalazła prawdziwą miłość?”

Zerwałam swoje zaręczyny, bo mój narzeczony był łajdakiem, więc łzy pociekły mi po policzkach, kiedy pisarz zapytał o prawdziwą miłość. Jestem wrażliwą osobą. Kiedy mamusia pierwszy raz zobaczyła mojego narzeczonego, to od razu powiedziała:

„On jest gorszy od sztuki nowoczesnej”.

Gdybym jej wtedy posłuchała!

Pan Grunberg pocieszał mnie (nawiasem mówiąc, wszystko co tutaj opisuję, napisałam też w liście do policji i nawet jeszcze parę razy do nich zachodziłam, nie mogłam jednak opowiedzieć wszystkiego). Najpierw zamówił dla mnie kieliszek czerwonego wina, a potem podał mi papierową chusteczkę. Następnie dodał, że nie ma nikogo bliskiego na tym świecie, że na całym świecie jest kryzys, a największy kryzys panuje w jego głowie. Nie ma też pieniędzy. Wychodziło na to, że on nie ma ani miłości, ani pieniędzy, jednak spotkał mnie, a kto mnie spotyka, nie potrzebuje już ani miłości, ani pieniędzy. W każdym razie coś takiego, dokładnie nie pamiętam.

Normalnie pijam wódkę z sokiem pomarańczowym, ale darowanemu koniowi w zęby się nie zagląda, więc szybko wypiłam to wino, bo właściwie nie lubię czerwonego wina i im mniej smaku poczuję, tym lepiej. Zapytałam:

„Co chciałby pan zobaczyć w naszym pięknym mieście? Może sławną kaplicę?”

Po to przecież spotkałam się z nim, nieprawdaż? Odpowiedział wtedy:

„Zobaczyłem przecież najpiękniejsze oblicze miasta. Ciebie”.

Już kiedy miałam dwanaście lat mój tatuś Ferdzik mówił:

„Nie jesteś najszczuplejsza, ale za to najładniejsza”.

Powtarzał tak jeszcze kiedy miałam czternaście lat i trądzik obsypał mi nie tylko całą twarz, lecz także i plecy, jednak tatuś bardzo kochał swoją córeczkę, a jego miłość przebijała na wskroś wszystkie trądziki świata.

Kobieta chętnie słucha, że jest piękna, proszę Państwa. Mimo iż komplement pochodził z jego ust, to postanowiłam się nim cieszyć. Lepszy wróbel w garści niż gołąb na dachu.

„A co chciałby pan zobaczyć?” – zapytałam pisarza – „Chciałabym panu pokazać trochę miasta. Może chce się pan czegoś dowiedzieć o historii Lublina?”

Odparł na to:

„Tylko na Ciebie chcę patrzeć. Jestem nieszczęśliwym człowiekiem, ale kiedy na Ciebie patrzę, to staję się troszeczkę bardziej szczęśliwy”.

Myślałam, że mówi prawdę i nie chciałam znowu słuchać biadolenia o miłości i potwornym człowieku, więc odpowiedziałam:

„Kiedyś chętnie napiję się z panem wódki z sokiem pomarańczowym, lecz teraz oprowadzę pana po mieście”.

Byłam trochę ostrożna, jednak wierzę w człowieka. Na przykład w grudniu 2011 roku oprowadzałam po naszym mieście polskiego pisarza, jego nazwiska tutaj nie wymienię. Odmówił wychodzenia ze swojego apartamentu i zmusił mnie do robienia zakupów dla niego. Zapewniam państwa, że robił ze mną rzeczy, jakich porządny człowiek nie robi z kobietą, ale nie będę narzekała. Polskiemu literatowi wybacza się więcej niż obcemu.

Holenderski pisarz zaczął mi zadawać różne pytania. Sławna kaplica wcale go nie interesowała. Opowiadałam mu o obrazach i freskach, gdy on nagle oświadczył:

„Teraz trzeba milczeć, musimy pomedytować”.

Kiedy tak medytował, wziął mnie za rękę, a łzy spływały po jego policzkach, lecz pozwoliłam mu dalej płakać, przecież są jakieś granice. Jednak kiedy po pięciu minutach nadal pociągał nosem zauważyłam:

„Korona czasem ciąży na głowie, proszę pana”.

Potem udaliśmy się do hotelu Lublinianka, gdzie pisarz zamówił dla mnie w barze wódkę z sokiem pomarańczowym, a dla siebie czerwone wino.

Wszystko mu opowiedziałam, o mamusi, której po śmierci tatusia trochę pomieszało się w głowie, chociaż nie na tyle, żeby ją oddać do zakładu, o napastniczce drużyny siatkówki, która twierdzi, że zaszła w ciążę z moim tatusiem, ale my z mamusią wiemy, jaka jest prawda.

To wszystko bardzo go interesowało.

„Niewiarygodne”. – westchnął – „Twoja rodzina wiele przeszła, jesteś niezwykłym człowiekiem”.

Potem poszliśmy do hotelu Campanile, gdzie pisarz zaprosił mnie do swojego pokoju. W szafie na ubrania stała butelka czerwonego wina, wypiliśmy ją razem. Wcale nieproszony wyprawiał ze mną rzeczy, których porządny mężczyzna nie robi z kobietami, więc nie będę ich tutaj wymieniała.

Następnego ranka znowu zjawiłam się u niego, ponieważ musiałam mu pokazać miasto. Szczerze mówiąc w tym momencie zaczęłam nieco wątpić w jego uczciwe zainteresowanie moją osobą, ponieważ kiedy wyszłam z windy pocałował mnie w rękę i oświadczył:

„Chcę ci podziękować za to, że upiękniłaś moje życie”.

Uważam, że trochę przesadził. Ledwo go znałam. Do upiększenia życia potrzeba nieco więcej czasu. Nie da się tego tak szybko zrobić.

Chciał pojechać do Majdanka. Pospacerowaliśmy tam trochę, niewiele się odzywał. Chciał wiedzieć, czy bloki mieszkalne obok obozu koncentracyjnego stały tam już w czasie wojny. Ośmielił się zauważyć, że to niezbyt przyjemne, kiedy okna wychodzą na obóz.

Po zwiedzeniu Majdanka poszliśmy do mamusi, ponieważ pisarz chciał poznać Polkę starszego pokolenia, która mogłaby mu opowiedzieć, jak to dawniej było w Lublinie.

Od śmierci tatusia mamusia cierpi na zmienność nastrojów. Czasami wcale nie wychodzi z łóżka, a innym razem zaprasza do siebie wszystkie przyjaciółki. Ma pięćdziesiąt sześć lat, ale mimo złego stanu zdrowia wygląda na czterdzieści sześć lat, może nawet parę lat mniej.

Mamusia nie mówi po angielsku, więc ja służyłam za tłumaczkę.

Pisarz skomplementował jej spódniczkę, opowiedział jakim jest nieludzkim człowiekiem i potworem, że nikt go nigdy nie kochał, pieniądze skończyły mu się z powodu kryzysu, a kiedy zapadł wieczór wziął mamusię za rękę. Robił z nią dokładnie to samo co ze mną, a najgorsze było to, że chyba zapomniał o mojej obecności.

Mamusia jest gościnną kobietą, więc kazała mi ugotować zupę i postawić butelkę wódki na stole. Kiedy zaczęłam protestować, to naburczała na mnie, a ponieważ jest lepsza w zrzędzeniu, to musiałam ugotować tę zupę.

Po zupie i wódce pan Grunberg zapytał, czy może zostać na noc, bo już nie może wytrzymać w tym hotelu Campanile. Powiedział, że myślał iż lubi hotele, ale przekonał się, że szuka ciepła, ludzkiego ciepła. I twierdził, że polska czułość jest prawdziwym, ludzkim ciepłem. Mówił coś o brudnej, ludzkiej miłości, ale i Państwo, i ja wiemy przecież, że w ludzkiej miłości nie ma nic brudnego.

Mamusia jest kobietą tak samo wrażliwą jak ja, więc obdarowała go czułością.

W zimie śpimy w jednym łóżku, żeby nie płacić tyle za ogrzewanie. Pisarz wyprawiał najpierw ze mną rzeczy, jakich nie robi się z szanującą się kobietą, a potem to samo powtórzył z mamusią. Nie będę o tym dalej pisała. Jeśli Państwo chcą poznać szczegóły, to proszę zwrócić się do mamusi.

Następnego ranka wyszedł z domu na piętnaście minut i wrócił z dwoma bukietami kwiatów. Wprowadził się do nas, zabrał ze sobą jedzenie i wódkę, nazywał mamusię „aniołem”, a mnie „córeczką anioła”. Wcale o to nie zabiegałam, ale jak już wspominałam jesteśmy bardzo gościnne. Widać jabłko pada niedaleko od jabłoni.

Wydaje mi się, że przez resztę pobytu nie wychodził z naszego łóżka. Co wieczór o siódmej godzinie kładł się do łóżka, kazał mamusi i mnie położyć się obok niego i śpiewać piosenki ludowe. Co trochę cytował jakiegoś poetę, już nie wiem jakiego.

Wymienię teraz przedmioty, które zniknęły z naszego mieszkania:

2 łyżeczki posrebrzane

1 wazon – mamusia mówiła, że antyk

1 komoda – mamusia podarowała mu tę komodę, wtedy nie wiedziała co robi, a kiedy następnego dnia dwóch mężczyzn przyszło ją zabrać, nie śmiała protestować, bo kto daje i odbiera ten się w piekle poniewiera.

1 suknia ślubna – mamusi

1 garnitur – jeszcze mojego tatusia

1 kolekcja rzadkich monet

1 świecznik – według mamusi wartości muzealnej.

Dołączam zdjęcie komody. Podejrzewam, że pisarz sprzedał ją komuś w Lublinie, więc gdybyście tak Państwo mogli ją odzyskać i nam oddać. Jeśli tak dalej pójdzie, będziemy musiały odnająć pokój i komoda bardzo by nam się przydała.

Te łyżeczki nie są wiele warte, ale chodzi o zasadę. Kto nie szanuje małego, nie jest godzien dużego.

Nie jest nam łatwo z mamusią, więc co piątek wieczór otwieramy salon, żeby uprzyjemnić sobie życie. Goście mogą zostawić jakąś drobną sumę w kopercie na blacie kuchennym, bo to są trudne czasy dla ciężko pracujących ludzi. Dajemy im ciepło i niewiele żądamy w zamian.

Nie mówię, że wszyscy Holendrzy to złodzieje, albo że wszyscy pisarze wyczyniają z kobietami rzeczy, jakich porządny człowiek nigdy nie robi, ale mam głęboką nadzieję, że podejmą Państwo działania przeciwko temu złodziejowi, oszustowi stanowiącemu zagrożenie dla ludzi i społeczeństwa, człowiekowi pozbawionemu wszelkiej moralności jeśli chodzi o przyzwoitość.

 

Zawsze gotowa do Państwa usług,

Danuta Kalinowska


PS: Jeśli Państwo mają zamiar odwiedzić nasz salon w piątek, to bardzo proszę o ciche wchodzenie po schodach. Niewielka suma na koszty ogrzewania zostanie przyjęta z wdzięcznością.

 

 

 

Przekład z języka niderlandzkiego: Małgorzata Diederen Woźniak

 

Małgorzata Diederen Woźniak (1960) ukończyła SGPiS, od 1990 roku mieszka w Holandii. Wrażenie, jakie wywarła na niej lektura książki Geerta Maka W Europie. Podróże przez XX wiek. zaprowadziło ja na ścieżkę kariery tłumacza literatury niderlandzkiej. Przetłumaczyła między innymi: W Europie i Most (Geert Mak); Joe Speedboat (Tommy Wieringa); Twierdza Europa (Tom Lanoye). http://literairvertalen.org

 

Print

Klag

Naar aanleiding van citybooks Stellenbosch vertaalde Rentia Bartlett-Möhl twaalf Nederlandstalige Radioboeken en citybooks naar het Afrikaans. Bekijk hier het overzicht.


Geagte burgemeester, geagte munisipale raad, geagte volksverteenwoordigers, my naam is Danuta Kalinowska. Ek is 24 jaar oud en gebore en getoë in ons mooi stad. My ma se naam is Hildegarda Kalinowska en my pa was Ferdzik Kalinowska. Hy is ongelukkig oorlede in ’n tragiese motorongeluk op pad na Warschau in die winter van 2007. Sy formele naam was Ferdynand, maar almal het hom Ferdzik genoem en op sy grafsteen staan ook Ferdzik. Vir my was hy nooit enigiets anders as Ferdzik nie.

Ek is die enigste kind en om redes wat ek nou nie hier kan onthul nie, sorg ek vir my liewe ma Hildegarda. Sy het verder geen familielede in Lublin of omgewing nie. Met my pa se broer, my oom Pawel, het sy alle kontak verbreek.

Ek skryf hierdie brief vanweë ’n baie onaangename ding wat met my en my ma gebeur het en ek hoop dat u die tyd sal neem om hierdie brief noukeurig te lees. Natuurlik is ek bereid om alles mondeling te verduidelik, sou dit nodig wees. Ook my ma het die een en ander te vertel oor die nare gebeurtenis. Tog hoop ek dat u haar swak gesondheid in ag sal neem.

Ek is as sekretaresse opgelei en is Engels en Duits magtig. Baie mense sê ek het ’n kop vir tale. Op die oomblik leer ek Spaans. In die somer van 2009 het ek en my ma na Barcelona gereis en daar het ons al die museums en kos van die stad geniet. Helaas is ons kamera uit my hande gegryp deur ’n ongure Afrika-karakter. Ons was natuurlik toe ook bly toe ons weer terug was in ons stad. My ma het gesê: “Ek gaan nooit weer Spanje toe nie, hier in Lublin is alles wat ons nodig het.”

Daarmee stem ek saam. Oos, wes, tuis, bes.

Aangesien ek, as gevolg van my ma se swak gesondheid, net halfdag kan werk, gee ek af en toe begeleide toere deur ons mooi stad om ’n bietjie ekstra te verdien. Soos u weet, kom die meeste toeriste in die somer, bang soos hulle is vir ’n vlokkie sneeu en ’n bietjie koue. Ons inwoners van Lublin hou van die sneeu en die koue en my ma sê altyd: “Lubliners word hard van die koue.” So is dit ook.

My liewe pa, is op die nag van 21 Januarie 2007 op pad Warschau toe deur ’n vragmotor teen ’n boom vasgedruk. Hy was die beste gimnastiekafrigter in Lublin. Baie van u sal hom nog onthou. Hy was nie net gimnastiekafrigter nie, maar ook die afrigter van ons stad se meisies-vlugbalspan en só het hy baie vriende gemaak. Hy was die vroomste mens wat ek ooit geken het. Hy het van drink gehou; het self brandewyn gestook. Maar self as hy dronk was, het hy vroom gebly en Maria opgeroep. Maria het hom nooit in die steek gelaat nie, behalwe dan natuurlik in die nag van 21 Januarie 2007, maar dit was deur die toedoen van ’n vragwabestuurder uit Wroclaw, ’n goddelose man wat gedink het dat hy daarvoor kon opmaak met ’n bossie rose. My ma het dadelik die rose in die asblik gegooi. Wat moes ons met ’n bossie rose doen?

Geagte here, hoe is dit moontlik dat Wroclaw die Europese Kulturele Hoofstad gaan word en nie Lublin nie?

Soos u ongetwyfeld weet, en nou kom ek by die rede vir my brief, maar ... wag ʼn bietjie, dit is wel van die grootste belang dat u eers my gesinsopset verstaan en my liewe ma het my gevra om aan u te beklemtoon dat ons nog nooit ’n boete gehad het nie. Selfs my pa, wat tog graag gedrink het, het nooit ’n verkeersoortreding gemaak nie. Ons het onsself altyd aan die wette gehou, ook as die wette ons nie aangestaan het nie. In elk geval, soos u ongetwyfeld weet het daar ’n Nederlandse skrywer hierdie winter ons stad besoek. Arnon Grunberg.

Ek weet steeds nie wat die presiese doel van sy besoek was nie. Ek is maar ’n eenvoudige vrou en ek doen wat daar van my gevra word. Veral omdat ek op die oomblik sonder werk sit. My oom Pawel het my aangestel as sekretaresse vir sy in- en uitvoerbesigheid, Best Global Tools. Maar u weet ongetwyfeld wat die uiteinde daarvan was en ek en my ma het kontak verbreek met my oom en ek het besluit om op toeriste te konsentreer, want toeriste lê my nader aan die hart as die in- en uitvoerbedryf. Dit sê my ma ook. Ek was toe ook bly toe ’n vriendin van ’n vriendin my vra om meneer Grunberg deur ons stad te begelei omdat hy wou weet waar hy beland het. Of eerder: dis wat ek gehoor het, want toe ek hom ontmoet het, het ek dadelik raakgesien dat dit hom niks kon skeel in watter stad hy was nie. Hy kon netsowel in Japan wees.

Normaal gesproke gee ek net in die somer begeleide toere, maar as ’n vreemdeling in die winter Lublin toe kom, maak ek natuurlik ’n uitsondering. Veral noudat oom Pawel my op straat gesit het.

Van die vrou van die kultuurburo, Malgorzata, God seën haar, het ek ’n boek van die skrywer gekry sodat ek kon weet waarvoor ek my inlaat. Het ek maar na my intuïsie geluister. Ek kan myself skop dat ek my innerlike stem en ook die stem van my ma geïgnoreer het. Sy het ’n foto van die skrywer gesien en dadelik gesê: “Dié man deug nie.”

Ek het meneer Grunberg se boek Fantoompijn in Pools gelees. Nie die hele boek nie, maar wel genoeg dat ek min of meer weet waaroor dit gaan en ek vra u in alle beskeidenheid: noem hulle dit literatuur? Is daar niemand wat dit kan verbied nie? Ek sou ’n stokkie daarvoor steek as ek in die politiek was.

Maar ek skryf nie aan u oor boeksake nie, ek skryf vanweë die misdade wat in ons stad plaasgevind het. Ek het ook die polisie daaroor ingelig, maar omdat ek nog niks gehoor het nie, ook al het ek daarop aangedring, wil ek u solank op hoogte bring.

Laat ek begin by die begin.

Op Maandag 20 Februarie het ek na die hotel Campanile geloop om die skrywer te gaan haal en hom die stad te wys.

Hy was, en dit moet ek wel erken, beleefd. Hy het my komplimentjies gegee oor my stewels en my pienk serp wat ek sélf gebrei het en later het hy ook nog iets moois oor my jeans gesê. Ek glo dat daar geen kledingstuk was wat ek dié dag aangehad het wat hy nié voorsien het van die nodige komplimente nie. Natuurlik het ek die nare onderwerp van sy boek vermy en gelukkig het hy nie begin om daaroor te praat nie, want ek is ’n eerlike mens en dan sou ek moes sê dat dit nie gesond is om só ’n boek te lees nie en ook nie om dit te skryf nie.

Ons het deur die stad geloop en ek het vertel van die geskiedenis van Lublin en die heldhaftige stryd van die Poolse volk, maar ek het gemerk dat sy gedagtes afdwaal want hy het sê: “Dit begin nou behoorlik koud te word.”

Ek wou hom saamneem na ’n tipiese Lublinse kafee, Café Heca, maar hy wou opsluit na Café Vanilla toe. Hy’t gesê: “Ek was al ’n paar keer daar; hulle het goeie wyn.”

Ek is beleefd, en daarom is ek saam met hom na Café Vanilla, waar hy ’n duur slaai en ’n glas rooiwyn bestel het. Ek het by water gehou.

Hy’t steeds ontevrede gelyk, en daarom het ek hom gevra hoe dit met hom gaan.

“Sleg,” het hy gesê. En hy het my aangekyk en beklemtoon: “Baie sleg. Ek het meeste van die nag lê en rondrol in my bed.”

Ek moes miskien nie daarop reageer het nie, maar dit is nou maar eenmaal my taak in die lewe om die mense te help. Boonop is ek ’n optimistiese mens. Ook my liewe pa het ek gehelp toe daar ná sy dood nog steeds skandelike leuens oor hom die ronde gedoen het, onder andere dat hy die kaptein van die meisies-vlugbalspan swanger gemaak het. My ma het gesê: “Ordentlike meisies kry nie op sestien kinders nie.” Sy’s natuurlik reg.

Soos ek sê, hierdie brief gaan nie oor my pa nie, maar ek word wel emosioneel as ek oor hom praat.

Die skrywer se antwoord op my vraag oor waarom dit so sleg met hom gaan terwyl hy dan in so ’n mooi stad beland het, was dat niemand vir hom lief is nie. Daarná het hy gesê dat hy ’n monsteragtige persoon is.

Terwyl hy verder oor hierdie onderwerp kla, het hy die duur slaai geëet asof hy dae lank niks geëet het nie en van die vriendin van my vriendin het ek gehoor dat hy nie eens hoef te betaal het vir sy hotel nie, so ek kon die geklaery glad nie verstaan nie.

Toe was hy uiteindelik klaar met sy treurmare.

As gids het ek nog altyd optimisties gebly terwyl ek heelwat teenslae in my lewe gehad het, maar my sal jy nie hoor kla nie. ’n Mens moet die blink kant bo hou, daarom sê ek toe vir hom: “Dit moet u nie sê nie, Meneer. Daar is vir almal wel iemand op hierdie aarde. Só monsterlik is u nou ook nie.”

Daarna het hy my in stomme verbasing aangekyk en gevra: “Hetjy dan al die regte een gevind?”

Ek het my verlowing verbreek omdat my verloofde ’n smeerlap was; daarom kon ek nie anders as om ’n klein bietjie te huil toe die skrywer vra of ek al die regte een gevind het nie. Ek is sensitief. My ma het dadelik die eerste keer toe sy my verloofde gesien het, gesê: “Die man is erger as moderne kuns.” Het ek maar na haar geluister.

Meneer Grunberg het my getroos (wat ek hier vertel het ek trouens ook alles in die brief aan die polisie vertel en ek was ook ’n paar keer daarlangs, maar alles kon ek nie kwytraak nie). Hy’t vir my ’n glas rooiwyn bestel en my daarna ’n sneesdoekie aangegee. Vervolgens het hy gesê dat hy ook niemand in hierdie wêreld het nie, dat daar oral krisis is, maar in sy kop selfs nog die meeste. Baie geld het hy ook nie. Dit kom daarop neer dat hy geen geld en geen liefde het nie maar dat hy my ontmoet het en dat almal wat my ontmoet het, geen geld en geen liefde meer nodig het nie. So iets in elk geval, ek kan dit nie alles meer onthou nie.

Normaal gesproke drink ek vodka met lemoensap, maar ek kyk nie ’n gegewe perd in die bek nie. Ek het die rooiwyn met een teug na binne gegooi. Ek hou nie van rooiwyn nie en hoe minder mens proe, hoe beter.

Ek vra hom toe: “Wat sal u van ons mooi stad wil sien? Wil u na die bekende kapel gaan?

Want daarvoor het ek tog gekom?

Toe sê hy: “Ek het die mooiste van die stad reeds gesien. Dit is jy.”

My pa Ferdzik het al toe ek twaalf was vir my gesê: “Jy is nie die maerste nie, maar wel die mooiste.” Toe ek veertien was, het hy dit steeds gesê hoewel ek aknee gehad het, nie net op my gesig nie, maar ook op my rug, maar my pa het nou maar eenmaal van sy dogter gehou en sy liefde het dwarsdeur al die aknee in die wêreld gekyk.

Menere, ’n vrou wil graag hoor dat sy mooi is. Ook al het die kompliment dan uit sý mond gekom, het ek tog besluit om dit te geniet. Een mossie in die hand is beter as tien in die bos.

“Maar wat wil u tog van die stad sien?” het ek aan die skrywer gevra. “Ek is hier om u iets van die stad te wys. Wil u nie ’n bietjie meer oor Lublin se geskiedenis weet nie?

Hy’t gesê: “Al wat ek wil sien, is vir jou. Ek is ’n ongelukkige mens, maar as ek na jou kyk, word ek weer ’n klein bietjie gelukkig.”

Ek het gedink dat hy dit bedoel het en ek wou nie weer daardie gekla oor die liefde en die monster hoor nie, daarom het ek gesê: “Ek sou regtig graag ’n keertjie saam met u ’n vodka en lemoensap drink, maar nou gaan ek u rondlei.”

Ek was ’n bietjie op my hoede, maar ek gaan altyd uit van die beste in die mens. Want in Desember 2011 is ek gevra om ’n Poolse skrywer deur ons stad rond te lei, sy naam sal ek nie noem nie. Hy het geweier om uit sy woonstel te kom en het my gedwing om vir hom inkopies te doen. Ek kan u verseker dat hy dinge met my gedoen het wat mens nie met ’n vrou doen nie, maar my hoor u nie kla nie. Van ’n Poolse skrywer aanvaar mens ook meer as van ’n vreemdeling.

Die Nederlandse skrywer het begin om my allerhande vrae te vra. Vir die beroemde kapel het hy geen belangstelling getoon nie. Ek was nog besig om te vertel van die skilderye en die fresco’s, toe hy sê: “Nou moet ons stil wees, want ons moet mediteer.”

Terwyl hy besig was om te mediteer, het hy my hand gegryp en die trane het oor sy wange geloop, maar ek het hulle maar laat loop, want daar is grense. Maar toe hy ná vyf minute steeds aan die snotter was, het ek gesê: “Hoë bome vang die meeste wind, meneer.” Daarna het ons na hotel Lublinianka geloop, waar hy in die kroeg vir my ’n vodka met lemoensap en vir homself ’n glas rooiwyn bestel het.

Ek het hom alles vertel, oor my ma, wat ná my pa se dood die kluts kwyt geraak het maar tog nou nie soveel dat sy opgeneem hoef te word nie en oor die kaptein van die vlugbalspan, wat beweer het dat my pa ’n kind by haar verwek het, maar ek en my ma weet natuurlik van beter.

Dit alles het hom geweldig interesseer. “Ongelooflik,” het hy gesê. “Jou familie is deur diep waters. Jy is ’n besonderse mens.”

Daarna het ons na hotel Campanile geloop, en daar het hy my uitgenooi om saam na sy kamer te gaan. In sy klerekas was ’n bottel rooiwyn wat hy toe saam met my opgedrink het. Ook het hy toe ongevraagd allerhande dinge met my gedoen wat ’n man nie met ’n vrou doen nie en daarom sal ek dit nie weer hier herhaal nie.

Die volgende dag het ek weer na hom toe gegaan, want ek moes hom rondlei. Om eerlik te wees het ek op daardie oomblik wel al ’n bietjie aan sy opregte belangstelling in my begin twyfel, want toe hy uit die hysbak kom, het hy my hand gesoen en gesê: “Ek wil vir jou dankie sê dat jy my lewe mooier maak.”

Dit was vir my oordrewe. Ek het hom skaars geken. Vir die mooier maak van ’n lewe is seer sekerlik meer nodig. So vinnig gebeur dit nie.

Hy wou Majdanek toe gaan. Ons het daar rondgeloop en hy het maar min gesê. Hy wou wel weet of die woonstelblokke langs die konsentrasiekamp ook al tydens die oorlog daar gestaan het. Hy het ook sover gegaan om te sê dat dit waarskynlik nie so lekker is om oor ’n konsentrasiekamp uit te kyk nie.

Ná Majdanek is ons na my ma toe, want hy wou graag ’n ouer Poolse vrou ontmoet wat hom kon vertel oor hoe dinge vroeër in Lublin was.

Sedert my pa se dood ly my ma aan buierigheid. Soms kom sy nie uit die bed nie, ander kere nooi sy weer al wat vriendin is oor. Sy is 56, maar ten spyte van haar slegte gesondheid lyk dit of sy 46 is, miskien selfs ’n paar jare jonger.

My ma praat nie Engels nie, so ek moes vertaal.

Die skrywer het haar romp komplimenteer, hy het haar vertel dat hy ’n onmens is en ’n monster en dat hy geen liefde in sy lewe het nie en dat die geld ook op is, as gevolg van die krisis. Toe dit begin aand word, het hy haar hand gevat. Hy het presies dieselfde met my ma gedoen as met my, en die ergste nog, dit gelyk het of hy vergeet het dat ek by was.

My ma is ’n gasvrye vrou en sy het my beveel om sop te maak en die bottel vodka uit te haal. En toe ek teëstribbel, het sy ook gestribbel, maar sy is beter met teëstribbel, dus het ek die sop gemaak.

Ná die sop en die vodka het meneer Grunberg gevra of hy mag oorslaap, want hy’t gesê hy hou dit nie meer uit in Campanile nie. Hy’t gesê dat hy altyd gedink het dat hy van hotelle hou, maar dat hy nou weet dat hy op soek is na warmte, menslike warmte. En hy het beweer dat Poolse warmte die egte menslike warmte is. Hy’t gepraat van smerige menslike liefde, maar u en ek weet dat daar niks vuil is aan menslike liefde nie.

My ma is net so ’n sensitiewe vrou soos ek en daarom het sy hom warmte gegee.

In die winter slaap ons in een bed om die verhittingskoste laag te hou. Eers het hy met my gedoen wat ’n mens nie met ’n eerbare vrou doen nie, en daarna met my ma. Verder sal ek nie daaroor praat nie. Maar as u die details wil weet kan u beslis by my ma teregkom.

Die volgende oggend het hy die huis verlaat en ’n kwartier later was hy terug met twee bosse blomme. Hy het by ons ingetrek, kos en vodka aangedra, my ma “’n engel” en my “die dogter van ’n engel” genoem. Ek het nie daarvan gehou nie, maar soos ek al gesê het, ons is gasvry. En die appel val nou maar eenmaal nie ver van die boom af nie.

Ek glo dat hy vir die res van sy verblyf skaars uit ons bed uitgekom het. Elke aand om seweuur het hy in ons bed gekruip en my en my ma dan beveel om langs hom te kom lê en dan moes ons volksliedjies sing. Af en toe het hy ’n digter aangehaal, maar ek kan nie meer onthou wie nie.

Ek sal nou die voorwerpe opsom wat uit ons huis verdwyn het:

2 versilwerde teelepels

1 vaas, volgens my ma antiek

1 laaikas, hierdie laaikas het my ma aan hom geskenk maar op daardie oomblik het sy nie mooi geweet wat sy doen nie en toe die laaikas die volgende dag deur twee mans opgelaai word, het sy nie meer die moed gehad om iets daaroor te sê nie, want gegee is gegee

1 trourok, van my ma

1 pak wat nog aan my pa behoort het

1 versameling seldsame munte

1 silwer kandelaar, volgens my ma ’n museumstuk.

Ek sluit ’n foto van die laaikas hierby in. Ek vermoed dat die skrywer hierdie laaikas aan iemand in Lublin verkoop het, dus as u dit sien kan u dit in beslag neem en aan ons terugbesorg. As dinge só verder gaan, sal ons ’n onderverhuurder moet inneem en dan sal die laaikas handig te pas kom.

Die teelepels is waarskynlik nie veel werd nie, maar dit gaan om die beginsel. Wie nie met min tevrede is nie, verdien ook nie om meer te kry nie.

Ek en my ma het dit nie breed nie, maar elke Vrydagaand organiseer ons ’n geselligheid om die lewe ’n bietjie aangenaam te maak. Besoekers kan dan ’n koevert met iets ekstra op die kombuistoonbank agterlaat want dit is moeilike tye vir hardwerkende mense. Ons gee warmte en ons wil nie veel daarvoor terug hê nie.

U hoor my nie sê dat alle Nederlanders diewe is of dat alle skrywers dinge doen met vroue wat geen fatsoenlike mens sal doen nie, maar ek hoop van harte dat u sal optree teen hierdie dief, hierdie bedrieër, hierdie man, wat ’n gevaar is vir mens en samelewing en wat geen enkele beginsel het as dit kom by ordentlikheid nie.

U toegewyde dienares,

Danuta Kalinowska


P.S. As u op Vrydag na ons geselligheid kom, sal u asb. saggies loop op die trap? ’n Klein bydrae tot die verhittingskoste word hoog op die prys gestel.

 

Vertaal deur Rentia Bartlett-Möhl
Geredigeer deur Amelia de Vaal

Voorgelees deur Rentia Bartlett-Möhl

Print

Plângere penală


Stimate domnule primar, stimate autorități locale, stimați deputați, numele meu este Danuta Kalinowska, am 24 ani, m-am născut și am crescut în frumosul nostru oraș. Mama se numește Hildegarda Kalinowska, iar Ferdzik Kalinowski a fost tatăl meu, care, din păcate, și-a pierdut viața într-un tragic accident de mașină, în drum spre Varșovia, în iarna lui 2007. Numele lui oficial era Ferdynand, dar toată lumea îi spunea Ferdzik, și pe piatra funerară tot Ferdzik scrie. Pentru mine, numele lui n-a fost niciodată altul decât Ferdzik.

Sunt singură la părinți și din motive pe care nu le pot dezvălui aici, o îngrijesc pe scumpa mea mamă, Hildegarda, care nu are alte rude în Lublin și nici în apropierea orașului nostru. Cu fratele tatălui meu, unchiul Paweł, a rupt orice legătură.

Vă scriu această scrisoare în urma unui incident deosebit de neplăcut pentru mine și mama mea și sper că vă veți face timp să citiți aceste rânduri în tihnă.

Firește, aș fi încântată să clarific totul personal, dacă va fi necesar, iar mama mea are și ea una-alta de povestit despre întâmplările neplăcute, sper însă că veți ține cont de starea ei de sănătate.

Am urmat un curs de secretariat și vorbesc engleză și germană. După părerea multora, am un talent deosebit pentru limbile străine. Acum învăț spaniola. În vara lui 2009, eu și mama am mers cu avionul la Barcelona și acolo ne-am bucurat de muzee și de mâncare. Din păcate, pe faleză, aparatul foto mi-a fost smuls din mână de către un individ respingător de origine africană. Am fost, deci, bucuroase să ne întoarcem în orașul nostru. Mama a spus: “Nu mai merg niciodată în Spania, aici în Lublin avem tot ce ne trebuie.”

Cu asta sunt și eu de acord. Fie pâinea cât de rea, tot mai bine-n țara mea.

Având în vedere că pot lucra doar part-time din cauza stării de sănătate a mamei, organizez din când în când plimbări prin frumosul nostru oraș, pentru a câștiga ceva bani în plus. După cum știți, majoritatea turiștilor vin vara, speriați cum sunt de câțiva fulgi de zăpadă și de puțin ger. Noi, locuitorii Lublinului, iubim zăpada și frigul, iar mama spune mereu: “Frigu-i întărește pe lublinezi.” Așa și este.

Dragul meu tată, Dumnezeu să-i ocrotească sufletul, care în noaptea de 21 spre 22 ianuarie 2007 a fost lovit de un camion și izbit de un copac, pe drum spre Varșovia, era cel mai bun profesor de gimnastică din Lublin. Mulți dintre dumneavoastră și-l vor mai aminti. El nu a fost doar profesor de gimnastică, ci și antrenorul echipei de volei feminin din oraș și astfel și-a făcut mulți prieteni. A fost persoana cea mai pioasă pe care am cunoscut-o vreodată. Îi plăcea să bea, își făcea singur rachiu, dar chiar și beat, tot pios rămânea și se închina Mariei. Maria nu l-a lăsat niciodată de izbeliște, cu excepția nopții de 21 spre 22 ianuarie 2007, dar asta s-a întâmplat din cauza unui șofer de camion din Wrocław, un păcătos, care a crezut că poate scăpa basma curată cu un buchet de trandafiri. Mama a dus imediat trandafirii ăia la gunoi. Ne descurcăm și fără.

Stimați domni, cum este posibil ca Wrocław să devină Capitală Culturală Europeană și Lublin nu?

După cum fără îndoială știți, și acum ajung la motivul scrisorii mele, dar este de o importanță majoră ca dumneavoastră să înțelegeți situația familiei noastre, iar scumpa mea mamă mă roagă să vă transmit că nu am primit niciodată o amendă. Nici măcar tata, căruia, vorba-ceea, îi plăcea să bea, nu a încălcat niciodată regulile de circulație. Am respectat întotdeauna legea chiar și când legea nu ne-a convenit. După cum fără îndoială știți, iarna aceasta, un scriitor neerlandez a venit în vizită la noi în oraș. Arnon Grunberg.

Scopul exact al vizitei sale îmi este în continuare necunoscut. Nu sunt decât o femeie simplă și fac ce mi se cere. Mai ales pentru că momentan nu am un loc de muncă. Unchiul Paweł mă angajase temporar ca secretară la firma sa de import-export, Best Global Tools, dar știți fără îndoială cum s-a încheiat povestea asta, iar eu și mama am rupt legătura cu unchiul meu și eu am decis să mă concentrez pe turiști, fiindcă turiștii sunt mai pe placul meu decât importul și exportul. Asta spune și mama. De aceea m-am bucurat când o prietenă a unei prietene m-a rugat să-i arăt domnului Grunberg orașul nostru, pentru că voia să știe unde a nimerit. Cel puțin, eu așa auzisem, dar atunci când l-am întâlnit, am observat imediat că nu-i păsa deloc în ce oraș era. Putea la fel de bine să fie și-n Japonia.

În mod normal, organizez plimbări prin oraș numai vara, dar dacă un străin vine iarna în Lublin, fac, bineînțeles, o excepție. Mai ales acum că unchiul Paweł m-a aruncat în stradă.

De la doamna de la biroul cultural, Małgorzata, Dumnezeu s-o binecuvânteze, am primit o carte a scriitorului, ca să știu ce-i poate pielea. De mi-aș fi ascultat atunci vocea interioară! Regret amarnic că mi-am ignorat vocea interioară, precum și pe cea a mamei. Ea a văzut o fotografie a scriitorului și a spus imediat: “Bărbatul ăsta nu-i bun de nimic.”

Am citit cartea domnului Grunberg, Fantoompijn, în poloneză. Nu pe toată, dar destul cât să știu cam despre ce e vorba și vă întreb cu toată modestia: asta numesc ei literatură? Nu există nimeni care să o poată interzice? Dac-aș fi politician, i-aș pune bețe în roate.

Dar nu vă scriu din pricina unor chestiuni ce țin de cărți, vă scriu din cauza infracțiunilor ce au avut loc în orașul nostru. Am înștiințat și poliția, dar pentru că nu am primit niciun răspuns, deși am insistat, am vrut să vă informez, în prealabil, și pe dumneavoastră.

Să începem cu începutul.

Luni, 20 februarie, am mers la hotel Campanile, să-l întâmpin pe scriitor și să-i arăt orașul.

A fost politicos, ce-i drept. Mi-a făcut mici complimente despre cizme și despre șalul roz pe care mi-l tricotasem singură, iar mai târziu, a zis ceva drăguț și despre blugii mei. Cred că nu a existat niciun articol vestimentar din cele pe care le purtam în acea zi care să fi fost privat de complimentele necesare. Firește, am evitat subiectul neplăcut al cărții lui și, din fericire, nici el nu a adus vorba despre asta; fiind o persoană sinceră, ar fi trebuit să spun că nu este sănătos să citești o astfel de carte și nici să o scrii.

Ne plimbam prin oraș și îi povesteam despre istoria Lublinului și despre lupta eroică a poporului polonez, dar am observat că era cu gândul în altă parte, pentru că a zis:

-S-a cam lăsat frigul.

Voiam să-l duc la o cafenea tipic lublineză, Café Heca, dar el nu voia decât la Café Vanilla.

A spus:

-Am mai fost acolo de câteva ori, au un vin bun.

Fiind politicoasă, m-am dus cu el la Café Vanilla, unde el a comandat o salată scumpă și un pahar de vin roșu. Eu am preferat apă.

Părea în continuare nemulțumit, așa că l-am întrebat cum îi merge.

-Rău, a răspuns el. S-a uitat la mine și a spus: Foarte rău. M-am foit aproape toată noaptea.

Poate că n-ar fi trebuit să-i răspund, dar, ce să fac, menirea mea în viață este să ajut oamenii. În plus, sunt o persoană optimistă. Și pe iubitul meu tată l-am ajutat când, după moartea sa, încă mai circulau minciuni rușinoase despre el, printre altele că ar fi lăsat-o însărcinată pe coordonatoarea echipei de volei feminin. Vorba mamei:

-Femeile care se respectă nu fac fac copii la șaișpe ani.

Are perfectă dreptate.

După cum spuneam, scrisoarea asta nu e despre tatăl meu, dar devin sentimentală atunci când vorbesc despre el.

La întrebarea de ce îi merge atât de rău de vreme ce ajunsese într-un oraș atât de frumos, scriitorul a răspuns că nimeni nu-l iubește. După aceea a spus că este un monstru.

În timp ce continua să se lamenteze de acest subiect, mânca din salata scumpă de parcă nu mâncase de zile întregi și de la prietena prietenei mele auzisem că nici măcar nu a trebuit să-și plătească hotelul, așa că n-am înțeles de ce se lamenta atât.

Apoi a terminat în sfârșit cu văicăreala.

Fiind ghid, am rămas mereu optimistă, deși am avut o grămadă de necazuri în viață, dar pe mine nu mă veți auzi plângându-mă. Cineva trebuie să asigure buna dispoziție, de aceea i-am zis:

-Nu trebuie să spuneți asta, domnule drag. Pentru fiecare se găsește cineva pe lumea asta. Și nici măcar nu sunteți așa un monstru.

Apoi s-a uitat la mine ca picat din cer și m-a întrebat:

-Înseamnă că dumneavoastră v-ați găsit deja alesul?

Eu am rupt logodna pentru că logodnicul meu era un porc. De aceea mi-au dat puțin lacrimile când scriitorul m-a întrebat dacă mi-am găsit deja alesul. Sunt sensibilă. Mama a zis din prima clipă în care mi-a văzut logodnicul: “Ăsta-i mai rău decât arta modernă.” De-aș fi ascultat-o atunci!

Domnul Grunberg m-a consolat (tot ceea ce povestesc aici, am povestit oricum și în scrisoarea către poliție și am trecut de câteva ori pe acolo, dar n-am apucat să spun tot ce aveam pe suflet). Mi-a comandat mai întâi un pahar de vin roșu, iar apoi mi-a dat o batistă de hârtie. După aceea, a spus că nici el nu are pe nimeni pe lumea asta, că peste tot era criză, dar în capul lui probabil cel mai mult. Nici mulți bani nu avea. Concluzia era că nu avea nici bani și nici dragoste, dar că mă întâlnise pe mine și că oricine m-a întâlnit pe mine nu mai avea nevoie nici de bani, nici de dragoste. Oricum, așa ceva, n-am reținut chiar tot.

În mod normal, beau vodcă cu suc de portocale, dar calul de dar nu se caută la dinți. Așa că am dat pe gât vinul roșu, pentru că nu-mi place vinul roșu și cu cât îi simți mai puțin gustul, cu atât mai bun e.

L-am întrebat:

-Ce ați vrea să vedeți din frumosul nostru oraș? Vreți să mergem la renumita capelă?

Doar pentru asta eram acolo, nu-i așa?

Apoi a zis:

-Am văzut deja ce-i mai frumos din oraș. Pe tine.

Tatăl meu Ferdzik îmi spunea încă de la vârsta de doisprezece ani: “Nu ești tu cea mai slabă, dar ești cea mai frumoasă.” Când aveam paisprezece ani, încă-mi mai spunea asta, deși aveam acnee nu doar pe față, ci și pe spate, dar ce să-i faci, tata-și iubea fiica, iar dragostea lui era mai puternică decât orice acnee din lume.

Domnilor, să știți că unei femei îi place să audă că este frumoasă. Chiar dacă acest compliment venea din partea lui, am decis totuși să mă bucur de el. Nu da vrabia din mână pe cioara de pe gard.

-Dar ce-ați dori să vă arăt din oraș? l-am întrebat eu pe scriitor. Eu sunt aici ca să arăt ceva din oraș. Ați dori cumva să aflați ceva despre istoria Lublinului?

El a spus:

-Nu vreau să te văd decât pe tine. Sunt un om nefericit, dar când mă uit la tine, devin din nou un pic de tot mai fericit.

Am crezut că vorbește serios și nu voiam să aud din nou toată văicăreala aia despre dragoste și ce monstru era, așa că i-am zis:

-Cândva, mi-ar plăcea să beau o vodcă cu suc de portocale cu dumneavoastră, dar acum o să vă arăt orașul.

Eram puțin sceptică, dar mereu văd ce-i mai bun în oameni. Și asta pentru că în decembrie 2011 am fost rugată să-i arăt orașul unui scriitor polonez, nu-i dau numele. Care scriitor a refuzat să iasă din apartament și m-a obligat să-i fac cumpărături. Vă pot asigura că a făcut cu mine lucruri pe care nu le faci cu o femeie, dar pe mine nu mă veți auzi plângându-mă. De la un scriitor polonez accepți oricum mai multe decât de la un străin.

Scriitorul neerlandez a început să-mi pună tot felul de întrebări. De renumita capelă nu era deloc interesat. Îi povesteam despre tablouri și despre fresce, când deodată mi-a zis:

-Acum hai să tăcem, să medităm.

În timp ce medita, m-a luat de mână și lacrimile îi curgeau pe obraji, dar le-am lăsat acolo să curgă pentru că totul are o limită. Dar, când după cinci minute, tot se smiorcăia, am spus:

-Pe cine vor zeii să-l dărâme, îl ridică cât mai sus, domnule.

Apoi ne-am plimbat până la hotelul Lublinianka unde, la bar, el a comandat o vodcă cu suc de portocale pentru mine și un vin roșu pentru el.

I-am povestit totul, despre mama, care după moartea tatălui meu a început să fie tot mai confuză, dar nu într-atât încât să fie internată, și despre coordonatoarea echipei de volei, care susține că tata i-a făcut un copil, dar eu și mama știm mai bine.

Toate astea-l interesau enorm.

-Incredibil, a spus el. Familia ta a trecut prin multe. Ești un om deosebit.

După aceea, ne-am plimbat până la hotelul Campanile, și acolo m-a invitat la el în cameră. În dulap avea o sticlă de vin roșu pe care am golit-o împreună. Neîntrebat, a făcut și el cu mine lucruri pe care un bărbat nu le face cu o femeie și pe care, de aceea, nu le voi numi aici.

Următoarea zi, m-am dus din nou la el, pentru că trebuia să-i arăt orașul. Ca să fiu sinceră, în acel moment am început să mă îndoiesc puțin de interesul lui sincer față de mine, pentru că atunci când a ieșit din lift, mi-a sărutat mâna și a spus:

-Vreau să-ți mulțumesc că-mi faci viața mai frumoasă.

De-a dreptul exagerat mi s-a părut. Abia dacă-l cunoșteam. Totuși, ca să faci viața cuiva mai frumoasă e nevoie de mai mult. Nu merge așa repede.

Voia să meargă la Majdanek. Ne-am plimbat puțin pe acolo și el n-a vorbit prea mult. În schimb, voia să știe dacă blocurile de lângă lagărul de concentrare erau acolo și în timpul războiului. A mai și îndrăznit să spună că sigur nu-i prea plăcut să ai vedere spre un lagăr de concentrare.

După Majdanek am mers la mama, pentru că voia să întâlnească o femeie poloneză mai în vârstă, care să-i poată povesti cum era înainte în Lublin.

De la moartea tatălui meu, mama suferă de tulburări de dispoziție. Uneori nu se dă jos din pat, alteori își cheamă iar toți prietenii în vizită. Are 56 ani, dar în ciuda stării proaste de sănătate, arată de parc-ar avea 46, poate chiar mai tânără cu câțiva ani. Mama nu vorbește engleză, deci am tradus eu.

Scriitorul i-a complimentat fusta, i-a povestit că e o brută și un monstru și că nu are parte de dragoste în viață și că i se terminaseră și banii, din cauza crizei, și când a început să se lase seara a luat-o de mână. A făcut cu mama exact același lucru ca și cu mine și probabil cel mai grav era că părea să fi uitat că eram și eu acolo.

Mama e o femeie ospitalieră și m-a trimis să fac o supă și să pun sticla de vodcă pe masă. Iar când eu am comentat, a comentat și ea, dar ea se pricepe mai bine la comentat, așa că am făcut supa.

După supă și vodcă, domnul Grunberg a întrebat dacă poate rămâne peste noapte, fiindcă a spus că nu mai rezistă la Campanile. A zis că el întotdeauna a crezut că-i plac hotelurile, dar acum știa că de fapt căuta căldură, căldură umană. Și a susținut că doar căldura poloneză este adevărata căldură umană. El se referea la dragostea umană, scârboasă, dar atât dumneavoastră cât și eu știm că nu e nimic scârbos la dragostea umană.

Mama e o femeie la fel de sensibilă ca mine și de aceea i-a oferit căldură. Iarna dormim într-un singur pat ca să facem economie la costurile de încălzire. Întâi a făcut cu mine ce nu se face cu o femeie respectabilă și apoi cu mama. Mai multe nu vreau să spun despre asta. Dar dacă vreți să aflați detalii, vă puteți adresa, fără doar și poate, mamei. În dimineața următoare, a ieșit din casă și după un sfert de oră a venit înapoi cu două buchete de flori. S-a mutat la noi, a adus cu el mâncare și vodcă și a numit-o pe mama un “înger” și pe mine “fiica unui înger”. Eu n-am fost de acord, dar, după cum am spus deja, suntem oameni ospitalieri. Iar așchia nu sare departe de trunchi, ăsta-i adevărul.

Dacă nu mă înșel, tot restul șederii, abia dacă s-a ridicat din patul nostru. În fiecare seară, la ora șapte, se furișa la noi în pat și apoi ne cerea mie și mamei să ne întindem lângă el și după aceea, să cântăm cântece populare. Din când în când cita un poet, dar nu mai știu pe care.

Acum voi enumera obiectele care au dispărut din locuința noastră:

2 lingurițe argintate

1 vază, de epocă, după spusele mamei

1 comodă, mama i-a făcut cadou această comodă, dar pe moment nu știa ce face și când, în ziua următoare, comoda a fost ridicată de doi bărbați, n-a mai îndrăznit să spună nimic, pentru că ce e dat e bun dat

1 rochie de mireasă, a mamei

1 costum care a rămas de la tata

1 colecție de monede rare

1 sfeșnic din argint, după spusele mamei, o piesă de muzeu

Anexez o fotografie a comodei. Presupun că scriitorul a vândut comoda cuiva din Lublin, deci dacă vedeți comoda, o puteți confisca și returna nouă. Dacă situația rămâne la fel trebuie să luăm pe cineva în gazdă și atunci ne va fi de folos comoda.

Lingurițele probabil că nu valorează prea mult, dar aici e vorba de principiu. Cine nu prețuiește fierul, nu va număra nici florinul.

Mie și mamei nu ne e ușor, dar în fiecare seară de vineri ținem un salon să ne facem viața mai plăcută. Musafirii ne pot lăsa pe bufet un plic cu ceva bănuți în plus, pentru că sunt vremuri grele pentru oameni muncitori. Noi oferim căldură și, în schimb, nu cerem prea multe.

Pe mine nu mă veți auzi spunând că toți neerlandezii sunt hoți sau că toți scriitorii fac lucruri pe care nici un om decent nu le-ar face cu o femeie, dar sper din suflet că veți lua atitudine împotriva acestui hoț, acestui impostor, acestui bărbat, care este un pericol pentru om și societate, și care nu are pic de morală, atunci când vine vorba despre decență.

 

A dumneavoastră slujitoare devotată,

Danuta Kalinowska

 

P.S: Dacă veniți vinerea la salonul nostru, v-aș ruga să urcați în liniște pe scări. V-am fi foarte recunoscătoare pentru o mică contribuție la costurile de încălzire.

 

 

Podcast: Alexa Stoicescu

 

Tradus de studenții Secției de Neerlandeză din cadrul Universității din București, promoția 2012-2015, coordonați de Alexa Stoicescu:
Sabina Andrei, Anamaria Andreiași, Alina Catană (redactor), Mădălina Epure, Andreea Ferigeanu, Delia Grosu, Andreea Iliescu, Petruș Mitrofan, Mădălina Nistor, Cătălina Oșlobanu, Victor Paraschiv, Adriana Prodea, Cătălin Revnic, Daniel Simion, Alida Stănică, Monica Toboiu, Doinița Tudor


Download de ePub-versie Print

Déposition

© Brecht Evens, De Morgen

Le 09.05.2012 le quotidien flamand De Morgen a publié la version originale du citybook Aangifte et une interview avec Arnon Grunberg. (download pdf)

 


Monsieur le Maire, Mesdames et Messieurs du Conseil municipal, Mesdames et Messieurs les Membres de l’Assemblée,


Je m’appelle Danuta Kalinowska, j’ai 24 ans, je suis née et j’ai grandi dans notre belle ville. Ma mère est Hildegarda Kalinowska, mon père était Ferdzik Kalinowski mais il est hélas décédé dans un accident de voiture tragique sur la route de Varsovie pendant l’hiver 2007. Officiellement, il s’appelait Ferdynand, mais tout le monde l’appelait Ferdzik et c’est aussi Ferdzik qui est gravé sur sa tombe. Pour moi, il ne s’est jamais appelé autrement que Ferdzik.

Je suis fille unique et, pour des raisons que je ne puis dévoiler ici, je m’occupe de ma chère mère Hildegarda, qui n’a par ailleurs aucun parent à Lublin, ni à proximité de notre ville. Avec le frère de mon père, mon oncle Paweł, tous les contacts ont été rompus.

Je vous écris cette lettre à cause d’un incident très désagréable pour moi et pour ma mère et j’espère que vous voudrez bien prendre sur votre temps pour en prendre connaissance. Je suis naturellement disposée à tout vous expliquer de vive voix, si cela s’avère nécessaire, et ma mère a elle aussi plein de choses à raconter sur ces regrettables événements, même si j’espère que vous tiendrez compte de sa santé.

J’ai suivi une formation de secrétaire et je maîtrise l’anglais et l’allemand. Beaucoup de gens disent que j’ai le don des langues. Aujourd’hui, j’apprends l’espagnol. Pendant l’été 2009, ma mère et moi sommes allées en avion à Barcelone et nous avons beaucoup aimé les musées et la nourriture. Malheureusement, sur les boulevards, notre appareil photo m’a été arraché des mains par une racaille africaine. Nous étions donc vraiment contentes d’être revenues dans notre ville. Ma mère a dit : « Je ne retournerai jamais en Espagne. Ici, à Lublin, on a tout ce qu’il faut. »

Je suis d’accord avec elle. On n’est nulle part aussi bien que chez soi.

Comme je peux seulement travailler à temps partiel à cause de la santé de ma mère, je fais parfois des visites guidées de notre belle ville pour arrondir les fins de mois. Vous n’ignorez pas que la plupart des touristes viennent en été, effrayés qu’ils sont par le moindre flocon de neige ou la plus petite gelée. Nous, habitants de Lublin, nous aimons la neige et le froid, et ma mère dit tout le temps : « Le froid aguerrit les Lublinois. » C’est absolument vrai.

Mon cher papa – paix à son âme ! – qui a été écrasé contre un arbre par un poids lourd sur la route de Varsovie dans la nuit du 21 au 22 janvier, était le meilleur prof de gymnastique de Lublin. Beaucoup d’entre vous se souviennent encore de lui. Il n’était pas seulement professeur de gymnastique, mais aussi entraîneur de l’équipe féminine de volley de notre ville, et il s’est fait ainsi de nombreux amis. C’était la personne la plus pieuse que je j’aie jamais connue. Bouilleur de cru à l’occasion, il aimait bien boire, mais même saoul, il restait pieux et invoquait la vierge Marie. Jamais la Vierge ne l’a laissé tomber, sauf dans la nuit du 21 au 22 janvier 2007, mais c’était la faute d’un camionneur de Wrocław, un impie qui s’imaginait pouvoir s’en tirer avec un bouquet de roses. Ma mère les a tout de suite jetées à la poubelle. Ses roses, il pouvait se les garder,

Je vous le demande, Messieurs, comment est-il possible que Wrocław devienne la capitale culturelle de l’Europe et pas Lublin ?

Vous savez sans doute, et j’arrive maintenant à la raison de ma lettre, mais il est crucial que vous compreniez la situation de notre famille, et ma mère adorée me demande de vous signaler que nous n’avons encore jamais eu d’amende. Même mon père, qui aimait bien boire, n’a jamais commis aucune infraction au code de la route. Nous avons toujours respecté les lois, même celles qui ne nous plaisaient pas. Vous savez sans aucun doute qu’un écrivain néerlandais a visité notre ville cet hiver, le dénommé Arnon Grunberg.

Je ne comprends toujours pas le but précis de sa visite. Je ne suis qu’une femme ordinaire et je fais ce qu’on me demande. Surtout depuis que je suis momentanément sans travail. Mon oncle Paweł m’avait engagée comme secrétaire dans son entreprise d’import-export Best Global Tools, mais vous savez sans doute comment cela s’est terminé et ma mère et moi avons rompu le contact avec lui et j’ai décidé de me concentrer sur les touristes parce que les touristes sont davantage dans mes cordes que l’import-export. Ma mère est aussi de cet avis. J’ai donc été très contente quand l’amie d’une amie m’a demandé de faire visiter la ville à M. Grunberg parce qu’il voulait savoir où il avait atterri. Enfin, c’est ce qu’on m’avait dit, parce que quand je l’ai rencontré, j’ai tout de suite remarqué que la ville où il se trouvait lui était complètement indifférente. Il aurait tout aussi bien pu se trouver au Japon.

Normalement, je ne fais des visites guidées que pendant l’été, mais quand un étranger vient à Lublin en hiver, bien sûr que je fais une exception. D’autant plus depuis que l’oncle Paweł m’a mise à la porte.

La dame de l’office culturel, Małgorzata – Dieu la bénisse ! – m’a procuré un livre de l’écrivain pour que je sache à qui j’avais affaire. Si seulement j’avais écouté mon intuition à ce moment-là ! Je me mords encore les doigts de ne pas l’avoir écoutée, pas plus que celle de ma mère d’ailleurs. À la vue d’une photo de l’écrivain, elle a tout de suite dit :

- Ce n’est pas un homme bon.

J’ai lu Douleur fantôme, le livre de M. Grunberg, en polonais. Pas tout, mais assez pour avoir une idée de quoi ça parle et je vous demande en toute modestie : ça mérite le nom de littérature, ça ? Il n’y a personne pour interdire ça ? Si je me mêlais de politique, j’y mettrais vite le holà.

Mais je ne vous écris pas pour des histoires de livres, je vous écris à cause des méfaits qui ont eu lieu dans notre ville. J’en ai aussi informé la police, mais comme malgré toute mon insistance, je n’ai pas eu de réponse, j’ai tenu à vous mettre au courant dès à présent.

Mais commençons par le commencement.

Le lundi 20 février, je me suis rendue à l’hôtel Campanile pour accueillir l’écrivain et lui faire visiter la ville.

Il était poli, je dois le reconnaître. Il m’a fait des compliments sur mes bottes et mon écharpe rose que j’ai tricotée moi-même et plus tard, il m’a aussi dit un mot gentil sur mon jean. Je crois qu’il n’y a pas un seul des vêtements que je portais ce jour-là sur lequel il ne se soit fendu d’un compliment. J’ai naturellement évité toute allusion désobligeante à son livre et, par chance, lui non plus n’a pas entamé le sujet, parce que je suis quelqu’un de franc et j’aurais dû lui dire qu’il est malsain de lire un livre pareil et aussi de l’écrire.

Nous avons marché en ville et j’ai expliqué l’histoire de Lublin ainsi que la lutte héroïque du peuple polonais, tout en notant bien qu’il avait l’esprit ailleurs quand il m’a dit : -

- Il commence à faire frisquet. »

Je voulais l’amener dans un authentique café lublinois, le café Heca, mais le seul où il voulut se rendre était le café Vanilla. Il m’a dit :

- J’y suis déjà allé plusieurs fois, ils ont du bon vin. »

Comme je suis polie, je l’ai accompagné au café Vanilla, où il a commandé une salade hors de prix et un verre de vin rouge. Moi, j’ai juste demandé de l’eau.

Comme il gardait son air renfrogné, je lui ai demandé comment il allait.

- Mal, m’a-t-il répondu.

Puis il a ajouté en me regardant :

- Très mal, j’ai passé la moitié de la nuit à gigoter.

Peut-être que je n’aurais pas dû réagir, mais ma mission dans la vie est d’aider les gens. De plus, je suis quelqu’un d’optimiste. Mon père aussi, je l’ai aidé quand d’infâmes mensonges ont persisté à circuler après sa mort, entre autres qu’il aurait mis enceinte la capitaine de l’équipe de volley. Ma mère disait : « Une femme un peu décente n’a pas d’enfant à seize ans. » On ne peut que lui donner raison.

Comme je l’ai dit, cette lettre ne concerne pas mon père, mais j’ai du mal à contenir mes émotions dès que je parle de lui.

À la question de savoir pourquoi il allait si mal alors qu’il se trouvait dans une si belle ville, l’écrivain m’a répondu que personne ne l’aimait. Puis il a déclaré qu’il était un monstre.

Tout en continuant à se plaindre, il engloutissait sa salade hors de prix comme s’il avait été privé de nourriture depuis plusieurs jours alors que je savais par l’amie de mon amie qu’il n’avait même pas besoin de payer son hôtel, donc je ne comprenais pas toutes ces jérémiades.

À un moment, il a arrêté ses lamentations.

Je garde toujours mon optimisme quand je fais le guide alors que j’ai encaissé pas mal de coups durs dans la vie, mais je ne suis pas du genre à me plaindre. Il ne faut pas se laisser abattre, donc je lui ai dit :

- Vous n’avez pas le droit de dire ça, mon petit monsieur. À chacun sa chacune dans ce monde. Vous n’êtes pas si monstrueux que ça.

Alors il m’a regardée comme s’il n’en revenait pas et il m’a demandé :

- Et vous, vous avez trouvé l’homme de votre vie ?

J’ai rompu mes fiançailles parce que mon fiancé était un salaud, donc la question de l’écrivain sur l’homme de ma vie m’a fait un peu pleurer. Je suis sensible. Ma mère m’avait dit la première fois qu’elle a vu mon fiancé : « Il est pire que l’art moderne. » Si seulement je l’avais écoutée !

M. Grunberg m’a consolée (je précise que ce que je raconte ici, je l’ai déjà raconté dans ma lettre à la police et que j’y suis aussi passée plusieurs fois, mais impossible de tout leur expliquer). Il a commencé par commander pour moi un verre de vin rouge, et puis il m’a donné un mouchoir en papier. Ensuite, il a dit que lui aussi n’avait personne dans ce monde, que la crise régnait partout, mais nulle part plus fort que dans sa tête. Quant à l’argent, il n’en avait pas beaucoup non plus. Bref, il n’avait ni amour ni argent, mais il m’avait rencontrée et tous ceux qui m’avaient rencontrée n’avaient plus besoin ni de l’un ni de l’autre. Un truc dans ce genre, je n’ai pas tout retenu en détail.

Normalement, je bois de la vodka orange mais quand on m’invite, je ne fais pas la difficile. Donc, j’avalais mon vin rouge à toute vitesse parce que je n’aime pas ça et que moins on sent le goût, mieux ça vaut.

Je lui ai demandé :

- Vous aimeriez voir quoi dans notre belle ville ? La célèbre chapelle, vous voulez qu’on y aille ? »

Il était venu pour ça, non ?

Alors il a dit :

- J’ai déjà vu ce qu’il y a de plus beau dans cette ville : vous.

Mon père Ferdzik me l’avait déjà dit quand j’avais douze ans : « Tu n’es pas la plus mince, mais c’est toi la plus belle. » À quatorze ans, il a continué à me le dire alors que j’avais de l’acné non seulement sur le visage, mais aussi sur le dos, mais mon père aimait sincèrement sa fille et son amour passait par-dessus toute l’acné du monde.

Les femmes aiment entendre qu’elles sont belles, mesdames et messieurs. Ce compliment, j’ai donc décidé qu’il me faisait plaisir, même s’il sortait de sa bouche. Un tiens vaut mieux que deux tu l’auras.

- Mais vous voulez voir quoi dans cette ville ? ai-je demandé à l’écrivain. Je suis ici pour vous la faire visiter. Vous êtes peut-être intéressé par l’histoire de Lublin ?

Il a répondu :

- J’aimerais ne voir que vous. Je suis un homme malheureux, mais quand je vous regarde, je retrouve le goût du bonheur.

J’ai pensé qu’il était sincère et je ne voulais plus qu’il me casse les pieds avec son manque d’amour et sa monstruosité, donc je lui ai dit :

- Je veux bien boire à l’occasion une vodka orange avec vous, mais maintenant, on va visiter la ville.

J’étais un tantinet sur mes gardes, mais je vois toujours le bon côté des gens. En décembre 2011, on m’avait demandé de faire visiter la ville à un écrivain polonais, dont je préfère taire le nom. Il a refusé de sortir de son appartement et il m’a obligée à faire ses courses. Je peux vous assurer qu’il a fait avec moi des choses qu’on ne fait pas à une femme, mais je ne suis pas du genre à me plaindre. On accepte plus facilement des choses d’un écrivain polonais que de la part d’un étranger.

L’écrivain néerlandais s’est mis à me poser des tas de questions. La célèbre chapelle ne l’intéressait pas du tout. J’étais en train de donner des explications sur les peintures et les fresques quand il m’a interrompue tout d’un coup :

- Maintenant, il faut faire silence parce que nous devons méditer.

Pendant la méditation, il m’a saisi la main et des larmes lui coulaient le long des joues. Je les ai laissées couler : il y a des limites à tout. Mais comme il continuait à sangloter au bout de cinq minutes, j’ai dit :

- Aux grandes portes battent les grands vents.

Puis nous avons marché vers l’hôtel Lublinianka, où il a commandé au bar une vodka orange pour moi et un vin rouge pour lui.

Je lui ai tout raconté, sur ma mère, qui a perdu la boule après la mort de mon père, mais pas assez pour être internée, et sur la capitaine de l’équipe de volley, qui prétend que mon père lui a fait un enfant, mais ma mère et moi, on la connaît.

Ça l’a énormément intéressé.

- C’est incroyable ce qui est arrivé à votre famille, a-t-il réagi. Vous êtes vraiment quelqu’un de particulier.

Ensuite, nous avons marché jusqu’à l’hôtel Campanile, et là il m’a invitée dans sa chambre. Il avait une bouteille de vin rouge dans sa penderie, il l’a bue avec moi. Il a aussi fait avec moi sans y être invité des choses qu’on ne fait pas à une femme et que je préfère donc passer sous silence.

Le lendemain, je suis retournée le voir, parce que je devais lui faire visiter la ville. À vrai dire, j’ai commencé dès ce moment à douter de la sincérité de son intérêt pour moi parce qu’à peine sorti de l’ascenseur, il m’a fait le baisemain en me disant :

- Je tiens à vous remercier de rendre ma vie plus belle. »

Ça me paraissait exagéré. Je le connaissais à peine. Il en faut bien davantage pour embellir une vie. Ça ne marche pas aussi vite.

Il a voulu aller à Majdanek. Là-bas, nous avons marché un moment et il ne disait pas grand-chose. Pourtant, il a voulu savoir si les immeubles près du camp de concentration étaient déjà là pendant la guerre. Il a également osé dire qu’il n’était sûrement pas très rigolo d’avoir des fenêtres donnant sur un camp de concentration.

Après Majdanek, nous sommes allés chez ma mère, parce qu’il tenait à rencontrer une Polonaise plus âgée qui pourrait lui parler du Lublin d’autrefois.

Ma mère souffre de sautes d’humeur depuis la mort de mon père. Parfois, elle ne sort pas de son lit, et d’autres fois, elle invite tous ses amis. Elle a 56 ans, mais malgré sa mauvaise santé, elle en paraît 46, peut-être même encore un peu moins.

Ma mère ne parle pas anglais, donc je traduisais.

L’écrivain lui a fait des compliments sur sa jupe, il lui a expliqué qu’il était un sale type, un monstre, que sa vie était sans amour et qu’il n’avait plus d’argent non plus à cause de la crise, puis quand le soir a commencé à tomber, il lui a pris la main. Il faisait exactement le même numéro à ma mère qu’à moi et le pire était qu’il semblait avoir oublié que j’assistais à la scène.

Ma mère a le sens de l’hospitalité. Elle m’a demandé de faire de la soupe et de poser la bouteille de vodka sur la table. Comme je rouspétais, elle a rouspété à son tour, mais elle est meilleure rouspéteuse que moi et j’ai fait la soupe.

Après la soupe et la vodka, M. Grunberg a demandé s’il pouvait rester dormir, parce qu’il ne supportait plus le Campanile. Il s’était toujours imaginé qu’il aimait les hôtels, mais ce jour-là, il avait compris qu’il était en quête de chaleur, de chaleur humaine. Il a prétendu que la chaleur polonaise était la vraie chaleur humaine. Il a parlé de l’amour humain dégueulasse, alors que vous et moi savons qu’il n’y a rien de dégueulasse à l’amour humain.

Ma mère est une femme aussi sensible que moi et elle lui a donc donné de la chaleur.

En hiver, nous dormons dans un seul lit pour économiser le chauffage. Il a d’abord fait avec moi ce qu’on ne fait pas à une honnête femme, puis il l’a fait avec ma mère. Je n’en dirai pas plus. Mais si les détails vous intéressent, aucun doute que vous pouvez vous adresser à ma mère.

Le lendemain matin, il est sorti de la maison pour revenir un quart d’heure plus tard avec deux bouquets de fleurs. Il s’est installé chez nous, il a apporté des provisions et de la vodka, et il a appelé ma mère « un ange » et moi-même « la fille d’un ange ». J’ai protesté, mais comme je l’ai déjà signalé, nous avons le sens de l’hospitalité. D’ailleurs, telle mère telle fille.

Je crois qu’il n’est presque plus jamais sorti de notre lit tout au long du reste du séjour. Il s’y glissait tous les soirs à sept heures, nous sommant de venir nous coucher près de lui, et puis nous devions lui chanter des chansons populaires. Il citait de temps à autre un poète, mais je ne saurais plus dire lequel.

Voici maintenant la liste des objets qui ont disparu de notre maison :


2 cuillères à thé argentées
1 vase, d’après ma mère, une antiquité
1 commode : ma mère la lui a offerte mais à ce moment-là, mais elle ne savait pas ce qu’elle faisait et quand deux hommes sont venus chercher la commode le lendemain, elle n’a plus rien osé dire parce que donné, c’est donné et reprendre c’est voler.
1 robe de mariée, de ma mère
1 costume ayant appartenu à mon père
1 collection de monnaies rares
1 chandelier en argent, d’après ma mère, une pièce de musée.

Je joins une photo de la commode. Je suppose que l’écrivain l’a vendue à quelqu’un de Lublin, donc si vous la voyez, vous pouvez la confisquer pour nous la rendre. Si ça continue comme ça, nous allons devoir prendre un sous-locataire, auquel cas la commode serait bien utile.

Ma mère et moi, nous n’avons pas la vie facile, mais on tient salon tous les vendredis soir pour prendre un peu de bon temps. Les visiteurs peuvent laisser une enveloppe avec un petit supplément à côté de l’évier car les temps sont difficiles pour les gens qui travaillent dur. Nous offrons de la chaleur et nous ne demandons pas grand-chose en contrepartie.

Je ne prétends pas que les Néerlandais soient tous des voleurs ou que tous les écrivains fassent avec les femmes des choses qu’un homme décent ne se permettrait jamais, mais j’espère de tout cœur que vous interviendrez contre ce voleur, cet escroc, cette personne qui représente un danger pour l’humanité et la société et qui n’a pas une once de morale dans le domaine de la décence.

Votre dévouée,

Danuta Kalinowska


P.S. Si vous venez un vendredi à notre salon, pourriez-vous éviter de faire du bruit dans l’escalier s.v.p. ? Une modeste contribution aux frais de chauffage serait très appréciée.

 

 

Traduit du néerlandais par Olivier Vanwersch-Cot


Lu à haute voix par Jérôme Colin


Download de ePub-versie Print

A Reported Offence

© Brecht Evens, De Morgen

The 9th of May 2012 the Belgian newspaper De Morgen published the original Dutch citybook Aangifte and an interview with Arnon Grunberg in a separate literature supplement. (download pdf)


Honored mayor, honored municipal council and delegates, my name is Danuta Kalinowska, I am 24 years old and I was born and raised in our fair city. My mother’s name is Hildegarda Kalinowska and my father was Ferdzik Kalinowski, who was killed, God rest his soul, in a tragic car accident en route to Warsaw in the winter of 2007. His official name was Ferdynand, but everyone called him Ferdzik and his gravestone says Ferdzik as well. I never knew him as anything but Ferdzik.

I am an only child and for reasons I am not at liberty to divulge here I am charged with the care of my beloved mother Hildegarda, who has no other family in Lublin or anywhere close to our city. With my father’s brother, Uncle Pavel, she has broken all ties.

I am writing this letter to you to report an incident that was extremely unpleasant for me and my mother, and I hope you will take the time to read it carefully. I am, of course, more than willing to elucidate further in person, if need be, and my mother also has a thing or two to say about these nasty events, although I hope you will take her poor health into account.

Having attended secretarial school, I am able to speak and write both English and German. Many people say I have an aptitude for languages. I am currently learning Spanish. In the summer of 2009 my mother and I flew to Barcelona, where we enjoyed that city’s museums and restaurants. Unfortunately, one day on the street there our camera was torn from my hands by an unsavory African character. We were therefore very happy to be back at last in our own city. My mother said: “I’ll never go to Spain again, we have everything we need right here in Lublin.”

I fully agree with that. East or west, home is best.

Seeing as I am able to work only part-time due to my mother’s poor health, I occasionally give guided tours of our fair city in order to earn a little pocket money. As you know, the majority of tourists arrive in the summertime, afraid as they are of a snowflake or a little cold snap. We citizens of Lublin love the snow and the cold, and my mother always says: “Cold weather makes a Lubliner sturdy.” How right she is.

My dear father, God rest his soul, who was smashed against a tree by a truck on the road to Warsaw on the night of January 22, 2007, was the best gym teacher in all of Lublin. Many of you will be sure to remember him. He was not only a gym teacher, but also the coach of the girls’ volleyball team in our town, and so he had a great many friends. He was the most devout person I have ever known. He liked to drink, he made his own brandy, but even when intoxicated he remained devout and called loudly upon Mary, the Mother of God. The Virgin Mary never abandoned him, except for on the night of January 22, 2007, but that was the fault of a truck driver from Wroclaw, a godless man who thought he could make amends to us with a bouquet of roses. My mother put those roses out with the garbage right away. What was he thinking?

My respected municipal representatives, how can it be that Wroclaw is the new European Capital of Culture, and not Lublin?

As you undoubtedly know - and I must say this before I arrive at the reason for this letter, for it is of utmost importance that you understand our family situation, and my dear mother has asked me to let you know - we have never received a fine in our lives. Even my father, who did enjoy a drop now and then, never committed a traffic violation. We have always been law-abiding, even when the laws did not please us. As you undoubtedly know, our city was visited this winter by a Dutch writer, Arnon Grunberg.

I still don’t know the exact reason for his visit. I am only a simple woman and do what is asked of me – especially seeing as I am unemployed at the moment. My Uncle Pavel had hired me as a secretary for his import and export firm, Best Global Tools, but I am sure you know how that venture ended up, and my mother and I have severed all contact with my uncle and I have decided to concentrate on tourists, because tourists are more my cup of tea than the import and export business. My mother says that too. And so I was delighted when one of my girlfriend’s girlfriends asked me to show Mr. Grunberg around our city, so that he would have a sense of where he was. That, at least, was what I had been told, for as soon as I met him I noticed that he did not care a whit about which town he was in. He might just as well have been in Japan.

Normally speaking, I only work as a tour guide during the summer, but when a foreigner comes to Lublin in the winter I will, of course, make an exception – especially after my Uncle Pavel let me down so badly.

Through the lady from the office of cultural affairs, Malgortza - God bless her - I received one of the writer’s books, so that I would know what kind of character I was dealing with. If only I had listened then to the voice inside me. I now deeply regret having ignored that voice, as well as the voice of my mother. She saw a picture of the writer and said immediately: “This man is no good.”

I read Mr. Grunberg’s book, Phantom Pain, in Polish. Not the whole thing, but enough to know what it was about and I ask you with all due respect: is this what they call literature? Is there no one who can prohibit this? If I were in politics, I would see to it that such things were banned.

But I am not writing to you about literary matters, I am writing to report the offences that have taken place in our city. I have also informed the police, but since I have heard nothing from them, despite repeated requests, I feel I need to inform you as well.

Let me start at the beginning.

On Monday, February 20, I walked to the Campanile Hotel to pick up the writer and guide him around the city.

He was polite, I must admit. He complimented me on my boots and on the pink scarf that I knitted myself and later he also said something nice about my jeans. I believe there was no article of clothing that day that did not receive compliments from him. I naturally avoided the unpleasant subject of his book, and fortunately he did not start in about it himself, for I am an honest person and I would have had to tell him that it is not healthy for one to read a book like this, and writing one isn’t either.

We walked around the city and I told him about the history of Lublin and the courageous struggle of the Polish people, but I noticed that his mind was wandering because he said: “It’s starting to get rather cold now.”

I was planning to take him to a real Lublin café, Café Heca, but he only wanted to go to Café Vanilla. He said: “I’ve been there a couple of times already, the wine there is good.” I am accommodating, so I went with him to Café Vanilla, where he ordered an expensive salad and a glass of red wine. I stuck to water myself.

He still looked unhappy, so I asked how he was doing.

“Badly,” he said. And he looked at me and said, “Very badly. I tossed and turned almost all night.”

Perhaps I should not have responded to that, but I suppose it is simply my lot in life to help people. Besides, I am an optimistic person. I also came to the aid of my dear father when, after his death, scandalous lies were told about him, including that he had gotten the captain of the girls’ volleyball team pregnant. My mother said: “Respectable women don’t have a child at sixteen.” Of course, she is right about that.

As I said, this letter is not about my father, but I become emotional when I talk about him.

When I asked the writer why he was doing so poorly, even though he had ended up in such a lovely town, he replied that it was because no one loved him. Then he said that he was a horrible person.

As he went on whining about this, he ate the expensive salad as though he hadn’t had a bite for days and my girlfriend’s girlfriend had told me that he didn’t even have to pay for his hotel, so I didn’t understand what he was complaining about.

Then, at last, he was finished with his lament.

As a tourist guide, I have always remained optimistic; even though I have faced a great deal of adversity in my own life, you will not hear me complaining. One needs to keep one’s chin up, so I said to him: “You mustn’t say that, my friend. Everyone has someone who is right for them in this world. And you’re not all that horrible.”

Then he looked at me as though he had been poleaxed and he asked: “But have you found true love, then?”

I recently broke off my engagement, because my fiancé was a filthy pig, so I had to cry a little bit when the writer asked whether I had already found true love. I am a sensitive person. My mother, the very first time she saw my fiancé, said: “He is worse than modern art.” If only I had listened to her.

Mr. Grunberg comforted me (what I am telling you here, by the way, I also reported in my letter to the police, and I went by the station house a few times too, but there wasn’t time to tell everything). First he ordered a glass of red wine for me, then he gave me a handkerchief. After that he said that he, too, had no one in this world, that the crisis was everywhere but that it was at its worst inside his head. He didn’t have much money either. What it all came down to was that he had no money and no love, but that he had met me and that anyone who met me no longer needed money or love. Or at least something like that, I can’t remember it all.

I usually drink vodka and orange juice, but who am I to look a gift horse in the mouth? So I drank the red wine very quickly, because I don’t like red wine and the less you taste it the better off you are.

I asked him: “What would you like to see of our beautiful city? Would you like to go to the famous chapel?”

Because that’s why I was there, right?

Then he said: “I have already seen the most beautiful sight in town. And that’s you.”

Back when I was only twelve, my father Ferdzik said to me: “You may not be the skinniest, but you are the prettiest.” When I was fourteen he was still saying that to me, even though I had acne that not only covered my face but also ran all the way down my back. Myfather happened to love his daughter and his love looked right through all the acne in the world. A woman likes to hear that she is pretty, gentlemen. Even though the compliment was coming from this man’s mouth, I decided to enjoy it. A bird in the hand is worth two in the bush. “But what would you like to see in our city?” I asked the writer. “I am here to show you around. Would you like to hear a little about the history of Lublin?”

He said: “The only thing I want to see is you. I am an unhappy person, but when I look at you I feel a little bit happy again.”

I thought he meant it and I didn’t want to hear any more whining about love and the monster, so I said: “I would be pleased to drink a vodka screwdriver with you later, but now I’m going to show you around.”

I was a little bit wary, but I always try to see the best in people. In December of 2011, after all, I was asked to show a Polish writer – whose name I won’t mention – around the city. He refused to leave his apartment and forced me to do his shopping. I can assure you that he did things to me that you shouldn’t do to a woman, but you won’t hear me complain. After all, one is willing to accept more from a Polish writer than from a foreigner.

The Dutch writer began asking me all kinds of questions. He was totally uninterested in our famous chapel. I was telling him about the paintings and the frescoes, when suddenly he said: “Quiet, we have to be quiet now, it’s time to meditate.”

While he was meditating, he reached out and grabbed my hand and the tears flowed down his cheeks, but I let them flow because there are limits, after all. But five minutes later, when he was still blubbering, I told him: “The bigger they are, the harder they fall, my friend.” Then we walked over to the Lublinianka Hotel, where he ordered a vodka screwdriver for me and a glass of red wine for himself.

I told him everything; about my mother, who became confused after my father’s death, but not so badly confused as to have to be hospitalized, and about the captain of the girls’ volleyball team who claims that she bore my father’s child, but my mother and I know better.

He was greatly interested in all of this. “Incredible,” he said. “Your family has been through a lot. You are a very special person.”

Then we walked over to the Campanile Hotel, where he invited me up to his room. He had a bottle of red wine in his closet, which he drank with me. He also did unsolicited things with me, things that a man should not do with a woman, and which I will not mention here.

The next day I went back to see him, because I was supposed to show him around. To be honest, it was at that point that I began to doubt his sincere interest in me, because when he came out of the elevator he kissed my hand and said: “I want to thank you for making my life a little more beautiful.”

That seemed overdone to me. I barely knew him. To make a life more beautiful, you need more than that. It doesn’t happen that quickly.

He wanted to go to Majdanek. We walked around there a bit and he didn’t say much. He did ask me whether the apartment building beside the concentration camp had been there during the war. He also had the nerve to say that it couldn’t be very pleasant to have a view of a concentration camp.

After Majdanek we went to see my mother, because he wanted to meet an older Polish woman who could tell him about how Lublin used to be.

Since my father’s death, my mother has suffered from mood swings. Sometimes she refuses to get out of bed, at other times she invites all her friends over. She is 56, but despite her poor health she looks like a woman of 46, maybe even a few years younger.

My mother doesn’t speak English, so I interpreted.

The writer complimented her on her skirt, he told her that he was sub-human and a monster and that he had no love in his life and that the money was gone too, because of the crisis, and when darkness began to fall he took her hand. He did exactly the same thing to my mother that he had done to me, and the worst of it was that he seemed to forget that I was there.

My mother is a hospitable woman, and she told me to fix a pan of soup and put the vodka bottle on the table. And when I started grumbling she grumbled back, but she is a better grumbler and so I fixed the soup.

After the soup and the vodka, Mr. Grunberg asked whether he could spend the night, because he said he couldn’t stand it at the Campanile anymore. He said he had always thought that he liked hotels, but that now he knew that he was in search of warmth, human warmth. And he claimed that Polish warmth is the real human warmth. He talked about filthy, human love, but you and I know that there is nothing filthy about human love.

My mother is a sensitive woman, like me, and so she gave him warmth.

In the winter we sleep in the same bed, to save on heating costs. First he did to me what you do not do with a virtuous woman, and then he did that to my mother. I will not go on about it. But if you are interested in the details, you can definitely ask my mother.

The next morning he left the house and came back fifteen minutes later with two bouquets. He moved in with us. He bought food and vodka and he called my mother “an angel” and he called me “the daughter of an angel”. I didn’t like it much, but as I said, we are hospitable. And the apple, of course, never falls far from the tree.

I believe that for the rest of his stay he almost never got out of our bed. Every evening at seven he crawled in between the sheets and then he told my mother and I to come lie beside him and then we had to sing folksongs. Occasionally he quoted some poet, but I can’t remember which one.

I will now present a summary of the items that disappeared from our house:

2 silver-plated teaspoons

1 vase, which my mother says was an antique

1 chest of drawers, which my mother gave him as a present at a moment when she was not in full possession of her senses (when two men came to pick up the chest of drawers the next day, she didn’t dare to complain, because she didn’t want to go back on her word).

1 wedding dress, belonging to my mother

1 suit that used to belong to my father

1 silver candlestick, which my mother says is a museum piece

Enclosed here you will find a photograph of the chest of drawers. I suspect that the writer sold this chest of drawers to someone in Lublin, so if you see it you can have it confiscated and given back to us. If things go on this way we will have to sublet a room in our apartment, and then the chest of drawers could come in handy.

The teaspoons are probably not worth much, but it’s the principle that matters. Take care of the pennies and the pounds will take care of themselves.

My mother and I do not have an easy life, but every Friday evening we organize a salon in order to cheer things up a bit. Visitors can then leave an envelope on the counter with something in it, for these are hard times for a working person. We provide warmth, and we do not ask for much in return.

You will not hear me claim that all Dutch people are thieves or that all writers do things with women that no respectable person would ever do, but I sincerely hope that you will take action against this thief, this fraud, this man, who presents a danger to individuals and to society, and who has no morality when it comes to decency.

 

Your humble servant,

 

Danuta Kalinowska

 

P.S. If you decide to visit our salon on Friday evening, would you please be quiet on the stairs? A modest contribution to the costs of heating would be extremely welcome.

 

 

 

Translated from Dutch by Sam Garrett

Podcast read by Simon Shrimpton-Smith

 

Sam Garrett (1956) was born in the United States. He lives and works alternately in Amsterdam and the French Pyrenees. Apart from works by Frank Westerman, he translated books by Karel Glastra van Loon, Arnon Grunberg, Tim Krabbé, Lieve Joris, Geert Mak and Nanne Tepper, among others. For his translation of Ararat (Ararat, Harvill Secker, Londen, 2008) by Frank Westerman he received the Vondel Translation Prize 2009.