9 brieven aan Maria M.

Gustaaf Peek

Gustaaf Peek

Gustaaf Peek (Haarlem, 1975) schreef na zijn studie Engelse en Amerikaanse letterkunde aan de Universiteit Leiden enkele jaren voornamelijk poëzie. In 2006 verscheen zijn eerste roman Armin, gevolgd door Dover twee jaar later. In 2010 verscheen zijn roman Ik was Amerika, die bekroond wordt met de BNG Nieuwe Literatuurprijs en de F. Bordewijkprijs. Peek is redacteur van het literaire tijdschrift De Revisor en schrijft artikelen over kunst en literatuur voor verschillende media. Hij woont en werkt in Amsterdam.

Close

Semarang Alle citybooks

Download de ePub-versie Print

9 brieven aan Maria M.

1.

Lieve,

Ik ben weer terug, maar gelukkig op een plek die ik niet herken. Vanuit Jakarta gekomen, maar die stad is weinig van mij. Dus weer op weg, de witte kist in met gapende onrust achter de ramen. Niet afleiden nu, er is weinig tijd. Je zou m’n ogen moeten zien. Ik heb te laat leren slapen.

Toch nog even kort over Batavia. M’n vader vertelde me ooit dat hij m’n moeder eens buiten slapend aantrof. Hier, maar natuurlijk niet hier, in ieder geval niet een plek die jij en ik in onze dromen doordwalen. Het gaat over thuis of wat hij vergat zo te noemen. Na een avond drinken zag hij haar onderuitgezakt als een falende wachter bij de poort van z’n pension. Te weinig details, hoe had hij haar nou gewekt? Met een por of aai of zoet of bars gefluisterd woord? Ik werd ouder en ging met steeds scherpere vingers langs de contouren van dit ridderverhaal.

Dit zijn de eerste dagen, vergeef me m’n dwalende gedachten.

Simpang Lima leeft. Een plein met gras en een betonnen baan en palmbomen en late kinderen op rolschaatsen. Het is m’n uitzicht, m’n routine.

Deze stad zal m’n voeten voelen. Dat ik m’n schoenen had gepoetst, wist je door de vettige geur. Voorwaarts, ik moet straattaal spreken.

Semarang, zoek het maar op de kaart. Of wacht op me tot ik het je eindelijk kan wijzen. Op een paar uur hiervandaan rookt m’n broer z’n sigaretten. Vanavond wil ik een film zien. Ik leer de taal en denk aan ondertitels. Buiten krijgen mensen woorden op hun borst. Ze kunnen mij niet lezen.

De oude stad gezien, vergeten foto’s te maken. Ik zag iemand met tedere handen op de hanenmarkt. Zwarte vleugels, de handen streelden schoon water over de zwarte borst. Later, in de kerk, dacht ik aan een walvis op een strand, aan grijs gearceerde baleinen. Nederlandse dominees op de Indische Mayflower, een vinger naar de groene kust.

Aankomst, m’n naam in iemands armen na de schuifdeuren. Er hingen netten over de velden, een man rookte boven de natte rijst. De chauffeur vertelde een verhaal over de verkeerde Japanse oorlog. De hoge zon verbergt m’n schaduw. Ik zal wat maken, voor jou, misschien is dit het wel, het hoeft niet veel te kosten. De nachtrit. De hotelkamer.

 

 

2.

Lieve,

Gisteravond het plein weer afgelopen, m’n ronde gedraaid. Nee gezegd, naar kinderen gelachen, in het sigarettenlicht gelopen. Foto’s gemaakt, niet te veel. Deze woorden geschreven: ‘De speelhal, de plastic hoofden koppen met hoofddoeken, blanke koppen hoofden met violette kappen.’ Als kind waste m’n moeder haar haren met as.

Ik versta voorbijgangers net genoeg om niet te hoeven luisteren. ‘Jalan, jalan, Boss?’ Stoep, straat, autoland, motorland; m’n gewandel is excentriek. Van zondag tot tweede dinsdag, een paar routes. De lift uit, naar rechts, langs steeds een andere lachende jongen met de deur in z’n hand, dan kort rechtdoor tot de verlovingsringen, dan weer naar rechts, langs de kindertafels en de hoge bedden, tot de clown op de bank, de rode balie, eindelijk naar buiten, tussen de auto’s door naar de opening in de omheining, de oude vrouwen op de treden en met hun bekers, dan de spanning van het oversteken, de arm omhoog, snelle stappen naar de overkant, de hal met AC, de laatste koelte voor de zon en de hete stoepen en de niet te dempen dorst.

Ooit had deze stad acht bioscopen. Jongkie Tio heeft ze voor mij geteld. Z’n vingers hebben tegenwoordig wat moeite met de toetsen, maar hij kan nog lachen, om het grappige en het grimmige. Ik zei onbezonnen dingen, hij trakteerde me op een maaltijd in z’n restaurant.

M’n moeder was dertien toen ze overbleef met haar vader en haar zusters. Ik ken hem nog net niet van de foto’s die ik van hem heb gemaakt. Heb ontwikkeld. Heb doorgedrukt en tegengehouden.

Een lange man, net als ik. Van paard en wagen naar de ronkend volle rotondes. Op de veranda moet hij dit hebben overdacht. Hij kon niet lezen en schrijven. Javaans is een taal, m’n gehoor vat het op als grommend en binnensmonds.

Dit zou hij zeggen:

‘Lieve dochter, jij bent daar en ik ben hier. Je moeder herkende me meteen toen ik arriveerde, ik wist onmiddellijk dat zij het was. Je zussen zijn ook veilig aangekomen, ze hadden honger en vroegen hoe het met ons ging. We hebben gegeten en naar het verre getik van een vork op een schaal geluisterd, de geluiden zijn hetzelfde. We kunnen je zien, maar denk niet dat we altijd kijken. Op een dag ben je hier en dan zitten we naast elkaar, koel en stil in de schaduw met uitzicht op het zonlicht op de lege straat. Hier ben ik geen oude man meer, schrik niet als je me ziet. Blijf daar zolang je kunt. We wilden je laatst troosten, maar we konden het niet. Je moeder heeft moeite je te verstaan, geen zorgen, ik heb haar alles uitgelegd. Ze nam me mee naar een plek die ik niet herkende, we moeten allemaal wennen, het is niet erg. Er groeit fruit aan de bomen, de zon is warm op m’n hand. Er is hier ruimte voor alles wat ik heb nagelaten, maar kom nog niet.’

 

 

3.

Lieve,

Vandaag naar de markt in de Chinese wijk. Vliegen op de kip, rijp ruikende schelpen, de draaiende motor van de machine voor het gehakt. De schone wortelen en tomaten, melindjo, de bolle repen peté, alles blad en plastic en oliepapier. Geen mannen langs de tafels, alleen ik en ik telde niet. Inktvis in zwart water, het was al acht uur, te laat voor ijs. Parasols en opengevouwen dozen als kartonnen luifels voor de schaduw over het middenpad.

Een vrouw die voor weinig wilde helpen dragen, een grote mand aan een doek op haar rug. Soms liep ze voorop, soms achteraan, ze kende haar kramen, waar de verborgen rot, waar de heldere vissenogen. Ze leek al wat ouder, maar pittig. Er was concurrentie, maar ze kwam over als iemand die de andere manden gemakkelijk op afstand hield.

Ze werd m’n moeder, natuurlijk. En zo keek ik naar haar, met schaamte. Haar gedienstigheid, de manier waarop ze het doek met de zware mand keer op keer anders om haar schouders moest hangen, de holle lach wanneer haar adviezen strandden, de gretigheid waarmee ze waren aanprees, producten tevoorschijn trok, de schaamteloosheid, de implicatie van complot, van commissie, de vlugge handen die tot elk overleven bereid leken.

M’n moeder heeft als kind en jonge vrouw op de markt gestaan, daar kwam het door, door die verhalen. Gelukkig heb ik haar ook anders meegemaakt. Als mevrouw, terwijl ik achter haar liep en de tassen met sinaasappels en haring droeg. De dame met geld, aan de andere kant opeens. Wellicht zijn er sommigen in haar eigen land die zich nog het meisje van vroeger herinneren, maar wie haar daar nu op de markt ziet naderen, lacht en steekt een hand uit, het gebaar van beneden naar boven. En zo hoort het. Ze heeft het verdiend.

Ik heb vandaag niets gekocht, wel iets gekregen. Het was zoet, er zat iets van vlees in of een soort wortel. Kleefrijst in bananenblad, een grijsoranje vulling, m’n tweede ontbijt. Ik kauwde en keek naar buiten, naar de sporters op Simpang Lima. Een Olympische ochtend, ik zag speerwerpers, hardlopers en verspringers. Het zwembad, enkele verdiepingen onder m’n raam, was leeg. Viersterren, een zacht bed. Zeg me dat ik het verdien.

 

 

4.

Lieve,

In 1988 kwam ik voor het eerst in dit land en een winkel was toen een kraam of een tafel of een smal hok in een betonnen rij of de drukkende ruimtes van Sarinah, waar ze roltrappen hadden en prijzen aan de artikelen.

Shopping malls. Men heeft het ook in Nederland geprobeerd.

Tempo doeloe. Het witte boord, de knevel, het glimmende gezicht. De veranda, het dienblad, de djati-tafel. De soos, de trage tijd, het geweer, de gasten om het huis. Het olielicht, de restanten van het eten, het bruine lijf. De Hollandse straten, dag moeder dag vader, de foto’s en klamme brieven. De dans, de school, de hand in het donker, de weken op zee. De slang, het kraambed, de treeplank, het garnizoen. De audiëntie, de schemer, de beste vriend, de opgetrokken knieën aan het strand. Het lege woud, het zachte pad, de ogen bij de luiken. De maan op het water, de vloek, de bijslaap, de tijgertand. De vreemde familie, de motordood, het laatste glas, alles alles voor de stootjukken van de kampen.

Shopping malls. Als je hier was, zou je het begrijpen. Elke dag gaat Indonesië om 10.00 uur open.

Gisternacht een film gezien, een gruwelijk ding over de Onafhankelijkheidsoorlog. Na wat zoeken, ontdekte ik dat de film Merah Putih heet, naar de Indonesische tweekleur of naar al het bloed op de blanke huiden, maar die tweede heb ik zelf verzonnen. Brute Nederlandse soldaten die hun verdiende loon krijgen van heroïsche Indonesische strijders. Wellicht ben ik gewend geraakt aan een cultuur waarbij zelfs de held z’n gezicht afwendt van de dood die hij zelf heeft veroorzaakt. Juichen na een slachting, dat doet alleen de tegenstander. In Birth of a Nation (1915) van D.W. Griffith zijn de helden leden van de Klu Klux Clan. Griffith had zich hier weinig om bekommerd. Hij was meer geïnteresseerd in het geraas van paarden, de nieuwe plekken voor de camera, het gewapper van vlaggen, de massa’s mensen, de dwarrelende rook uit de lopen.

Shopping malls. De bourgeoisie laat haar gouvernantes tegenwoordig in verpleegstersuniformen rondlopen. Ze dragen en sussen de kleine kinderen op enkele passen achter de ouders. Met ijskoffie voor me op tafel las ik Abel Gholaerts, opende ik m’n post. Het was er koel en schoon. Daarna nam ik de roltrap naar de tweede, glimmende verdieping. Ik had geen enkele reden om aan te nemen dat ik niet in Indonesië was.

 

 

5.

Lieve,

Ik moet je iets schrijven over de Chinese admiraal van Semarang. Het gaat om Cheng Ho of Zheng He, ook wel Sam Po Tao Lang of Sam Po Tay Djien, een voor zijn tijd (14e-15e eeuw) buitengewoon lange vent. Volgens de overlevering was hij 7 chi hoog (zo’n twee meter). Z’n afkomst leest als een Bijbelse geslachtslijst. Hij schijnt in ieder geval nog wat Perzisch bloed te hebben gehad. Cheng Ho is een held hier, hij wordt vereerd, hij heeft een standbeeld. Hij was een eunuch, niet ongebruikelijk voor die tijd. Maar hij is vooral bekend vanwege z’n ontdekkingsreizen. Zeven expedities, waarvan twee naar de kust van deze stad.

Had ik m’n Poems from the Chinese maar bij me, met die zwarte kaft, van Amy Lowell, hoewel ze de gedichten niet zelf heeft vertaald. Ik voel een drang om iets te zeggen vergezeld van een citaat. ‘Home is where the books are’, schreef Richard Burton (de acteur). Maar ik zoek eigenlijk meer iets dat met jou of met dit land of met alles wat ik denk te maken heeft. (Al die jaren gelezen voor een leeg hoofd)

Toen we bij de tempel kwamen, was Jongkie er toevallig ook. Hij leidde een man rond die als jongen van Nederland naar Australië was verhuisd. We keken naar de reusachtige kaarsen op het plein, Jongkie wees naar iets, de man maakte een foto. Binnen was alles rood en betegeld, maar ook leeg en ongebruikt. Ik zag niemand bidden. Jongkie ging de verschillende nissen af, z’n Nederlands werd steeds beter en wat hij niet in die vergeelde taal wist uit drukken, vulde hij aan met Engelse termen.

Eerder, in z’n restaurant, had ik hem gevraagd wat er met de Chinezen in Semarang was gebeurd tijdens de crisis van ’98. Jongkie antwoordde dat het niet zo erg was geweest als in Solo of Jakarta. In Semarang kon de woede met geld worden gesust.

Hij zei: ‘In de kampong laten ze jou eerder binnen.’

We raakten Jongkie kwijt in de drukte van de zaterdagavondmarkt in de Chinese wijk. Tegenover de kraam waar we zaten, zongen mannen en vrouwen in het licht van een tv hun harten leeg op straat. Daniel had ergens dure sateh babi gevonden, ik had kip, van darm tot ei, op m’n stokjes. We aten aan de straat tot de regen de terrassen onmogelijk maakte. De speakers aan de overkant verdwenen onder vuilniszakken. Onder een afdak wachtten we op het einde van de bui, tot het water onze schouders en ruggen op waaide. Daarna duurde het nog langer voordat we durfden te rennen.

 

 

6.

Lieve,

Toen ik haar vertelde dat ik hierheen zou komen, zei m’n moeder (1944, Solo, gemiddeld 30˚ Celsius): ‘Ugh. Warm.’ Het is hier heet. De hitte bedekt me elke dag met dikke dekens tijdens m’n wandelingen. Zeewind veegt de lucht leeg voor de zon. Ik draag lange pijpen, lange mouwen.

Vreemd te weten dat m’n vader hier in februari nog was, in Indonesië bedoel ik. Hij heeft toen drie Ray-Ban-zonnebrillen gekocht, gouden montuur met groene glazen. Een voor hemzelf, een voor m’n jongere broer en een voor m’n Indonesische broer. Hij is enkele weken gebleven, ik weet niet precies hoe lang, in maart was hij in ieder geval weer thuis.

M’n moeder zei dat ‘ie anders maar bleef liggen, niemand zou ‘m gebruiken. Ze gaf me de bril, het statische doekje zat nog in plastic. Ik nam het ding mee naar huis, pakte het in. Het is de bril die ik hier draag.

Semarang heeft stoepen en grote tegels over de slokan, ik heb zelfs over geribbelde paden voor blinden gelopen. Soms stuit ik op andere wandelaars, vooral oudere vrouwen, die hurkend in de smalle schaduw van bomen en struiken bijkomen voor het volgende stuk.

Vooruit. Het laatste woord op m’n neus, voor m’n schaduw. Alsof er as zit in de goudkleurige veren. Hij mag gestolen worden, ik zal het niet erg vinden.

De verloofde van m’n jongere broer die hier wil blijven, heeft een auto. Op een dag vroeg m’n vader haar om hem naar de kust te brengen. Semarang ligt niet ver van Solo. Het werd dus de kust van deze stad. Hij leunde op z’n kruk en keek uit over zee. Na tien minuten wilde hij weer terug. De zee gezien, niet het zand van Ancol of het water van Tanjung Priok, maar hij had de zee gezien. Afgestreept.

 

 

7.


I:  Ik ben Kerstmis niet.

G:  Daar kom ik ook niet vaak genoeg voor.

I:  Ondankbaar.

G:  Het is niet dat je me hebt vastgehouden. Me kleedde, me met volle buik naar bed hebt gebracht.

I:  Je bent rijk. Kom.

G:  Nu klink je als een bedelaar.

I:  Je beledigt me.

G:  Bedelaars zijn nooit beledigd.

I:  Mijn trots is jouw trots. Pas op.

G:  Je treft me te laat hiervoor. Het idee van een hartland heeft me al lang verlaten.

I:  Denk wat je wilt. Wat in de spiegel is, blijft.

G:  Alleen jij herinnert me er nog aan.

I:  Je zelfvertrouwen heeft je arrogant gemaakt. Maar je bent net als de anderen.

G:  Ooit werd ik op straat voor iemand anders aangezien. Ik was een vriend, maar bleek het niet.

I:  Wees eerlijk. Het heeft je veel opgeleverd.

G:  Ik weet niet wie ik anders zou zijn geweest. Niemand weet dat.

I:  Al het opmerkelijke aan je komt door mij.

G:  Alles is niets.

I:  Ontkenners zijn het ergst.

G:  Ik heb je opgezocht toen ik jonger was, je in m’n kamer op de muur gehangen.

I:  Nu ben je me liever. Zo weerloos door je dochter, je eigen nieuwe generatie.

G:  Je zult niet meer dan een droom voor haar zijn, een vaag verhaal. I: Zoals elke eerste aanleiding.

G:  Kies een land, elk land. Je bent toeval.

I:  Maar je bent nu weer hier. Ze kwamen bij jou met mij.

G:  Ik zal over je schrijven.

I:  Dat boek waar je altijd mee dreigt.

G:  Je botten brengen te weinig op.

I:  Ik ben een genre, een standard. Geen niche zoals je hoopt.

G:  Wat ruik ik? Zijn dat de zoete geuren? Hou maar op. Ik ken je niet in tropenhoed, ik heb je zieke ribben niet meegemaakt onder de Jap.

I:  Mahieu is van mij. Ik zag je spartelen door Havelaar.

G:  M’n moeder, m’n vader. Niemand heeft het met je uitgehouden.

I:  Waar denk je dat je vader nu is?

G:  Ik heb batik shirts gedragen, ‘selamat tidur’ gezegd.

I:  Je bent een zoon, een echte zoon.

G:  Ik dood je en begraaf je. Ik zal m’n dochter vertellen waar je ligt.

I:  Ze zal komen. Met bloemen.

 



8.

Lieve,

Bewaar deze brief goed.

1. M’n grootouders kwamen met de boot en hun twee zoons in 1946 aan in Jakarta, het vroegere Batavia. In 1988 liep m’n vader tijdens het drukke middagverkeer langs gevels en straten, stegen en dichte deuren, maar hij kon z’n oude huis niet vinden.

2. M’n vader zat op een school van de Carpentier Alting Stichting. Op een klassenfoto is hij even tenger als de Indische jongens.

3. Hij was geen ijverige leerling. Z’n vader stoorde hem eens tijdens een partijtje voetbal met de mededeling dat hij was overgegaan. M’n vader hoorde het aan, ging daarna verder met voetballen.

4. Op een dag zat hij achterop de fiets bij z’n vader, ze reden naar een bestemming die hem niet was verteld. Ze arriveerden bij een huis. Z’n vader zei dat het niet lang zou duren, maar het duurde lang en m’n vader mocht niet naar binnen.

5. Toen de problemen door Sukarno begonnen, verbrandde z’n vader z’n uniform van de BS in de achtertuin.

6. Z’n vader vertrok als eerste, in 1953.

7. Z’n broer werd van school gestuurd, iets over een te vroeg vel met antwoorden.

8. In 1956 was hij er alleen met z’n moeder. Hij hoefde nog maar één jaar, maar het werd te lastig. Hij had er tien jaar gewoond, van z’n achtste tot z’n achttiende.

9. Van een kind buiten naar een man binnen. Het ging hem niet goed af. Toen hij net z’n rijbewijs had en z’n eerste auto (een Kever) werd hij aangereden door een vrachtwagen. Hij kwam in een sterfkamer terecht, maar overleefde het. Hij was z’n milt kwijt.

10. Zes maanden studeerde hij economie in Amsterdam. Maar hij kreeg te weinig geld van z’n vader, zei hij. Hij monsterde aan, een schip van CalTex.

11. Iets over weinig slapen, veel drinken en het zoeken naar een sleutel in een diepe, dikke laag olie. Sleutel gevonden.

12. Toch weer in Nederland. Hij had altijd veel gelezen. Het werd journalistiek. Tijdens het sollicitatiegesprek wees de man van Elsevier uit het raam en vroeg hem: ‘Familie van u?’ Een filiaal van P&C in de ruit. Het was zijn versie van succes. Zo ging dat vroeger.

13. Krijt op het bord achter de bar aan de Oude Molstraat, ook iets van vroeger. Een streep per glas.

14. Hij sprak de taal. In 1969 verscheen z’n eerste artikel in Het Vrije Volk. Hij zat toen nog in Singapore. Hij moest weer wennen. Achteloos had hij het raam van z’n kamer open gelaten, het vocht van de stad deed z’n schrijfmachine vastroesten. Hij moest een nieuwe kopen.

15. Hij schreef: ‘Duizenden soldaten, onder wie mariniers en paratroepen, zijn de laatste dagen Djakarta binnengetrokken en hebben postgevat bij universiteiten, scholen en overheidsgebouwen. Pantserwagens worden gereedgehouden en op verscheidene punten zijn machinegeweren in stelling gebracht.’

16. Hij ontmoette m’n moeder, waarschijnlijk ergens in 1970. Hij was 32, zij 26 en moeder van twee kinderen.

17. Ze was nog getrouwd met een soldaat, maar die wilde er nog een vrouw bij en toen ze hem die toevoeging weigerde, verdween hij.

18. Haar kinderen, een jongen en een meisje, liet ze achter bij haar oudste zuster om in Jakarta geld te verdienen.

19. Hij schreef elke week over Indonesië en was na verloop van tijd niet meer welkom. Hij vroeg m’n moeder naar Nederland te komen. Hij vroeg het niet aan haar kinderen.

20. Ze landde in Londen, waar ze haar vasthielden als illegale vreemdeling. M’n vader moest naar Engeland om haar vrij te krijgen. Het was haar eerste reis met een vliegtuig.

21. Ze woonden korte tijd in zijn stad Den Haag, daarna kort in Leiden, daarna kort in Nieuw-Vennep. Z’n vader was niet aanwezig op de bruiloft, die moest voor iets dringends in Italië zijn, zei hij.

22. Ze kregen een zoon en daarna nog een en nadat ze naar H. waren verhuisd, kregen ze hun laatste zoon. M’n vader had met zijn vader en moeder en broer de oorlogsjaren in H. doorgebracht.

23. M’n moeders eerste kinderen woonden nog altijd bij hun tante, van wie ze moesten koken en schoonmaken.

24. Ze ging niet vaak terug. Een keer met haar jongste zoon toen hij nog een baby was, een keer zeven jaar later.

25. De Nederlandse zoons waren alledrie goed op school, snel op het veld. Ze waren tenger en verlegen.

26. Hij kreeg wat geld van z’n vader. Daarna raakte hij z’n galblaas kwijt. Een nieuw spoor liep kruiselings over z’n buik. In bed maakte hij plannen voor een reis.

27. Het gezin ging. In Jakarta sliepen ze bij z’n oude hospita. Z’n zoons zaten geen van drieën in de vragende leeftijd.

28. Hij kende z’n schoonfamilie niet. Ze arriveerden in het donker, voor het eerste licht. De zoons schrokken toen hun moeder in tranen uitbarstte.

29. Iets wat haar oudste zuster zou hebben gezegd. Hij vertrok en beval iedereen mee te komen. Later kreeg hij spijt of dacht hij zich vergevingsgezind. Hoe dan ook, hij zou achterblijven met de zoons en zij moest maar terug naar Solo.

30. In Jakarta, in Hotel Sabang, een week op haar gewacht.

31. Drie jaar later mocht ze daar langer blijven. Hij werkte toen al niet meer als journalist.

32. Hij zou meerdere keren terugkomen, maar dan om weinig nieuws te doen, hij hield van routine. In 2003 pakte hij uit met een grote ‘Aziëreis’, veelsterrenhotels voor iedereen. Thee en daarna de rij voor een taxi bij The Raffles. Z’n middelste zoon was niet meegegaan.

33. In Nederland tuurde hij wat naar z’n tuin, kocht hij af en toe een nieuwe auto, hij droeg nog altijd een mes in z’n jas.

34. Haar eerste kinderen hadden kinderen gekregen.

35. De laatste keer dat hij ging, kon hij niet meer staan zonder stok. Hij zat vooral op de veranda van de zoon van z’n vrouw en rookte z’n sigaren. Af en toe dartelde een kat langs met een van de kleine meervallen van de buurman in z’n bek.

36. Hij was waar hij was en kwam niet meer verder.

37. ‘Van onze speciale correspondent’

 

 

9.

Lieve,

Ik ben in het ziekenhuis geboren en heb dus geen geboortehuis. Semarang heeft nog veel van vroeger. Widja nam me mee naar haar geboortehuis, haar broer woont er nog steeds. Een trots bewaarde stadsvilla. Binnen wezen broer en zus tegelijkertijd naar de kamer waar ze allebei zijn geboren, waar hun ouders en voorouders zijn geboren. Ik dronk goede koffie, bladerde door de boeken die ik kreeg aangereikt.

Toen we weer vertrokken, zwaaide ze naar haar broer, hij zwaaide terug.

Gebruik deze brieven om me alles te durven vragen.

Voor altijd de jouwe,

G

 

Download de ePub-versie Print

9 Surat kepada Maria M.

1.

Kasih,

Aku sudah kembali tapi, syukurlah, di tempat yang tidak kukenali. Datang dari Jakarta, tapi kota itu hanya sedikit milikku. Jadi lanjut lagi, masuk peti putih dengan kegalauan menguap di balik jendela. Jangan ganggu konsentrasiku sekarang, waktu hanya sedikit. Kau harus melihat mataku. Aku terlambat belajar tidur.

Tetapi masih ada juga cerita mengenai Batavia. Ayahku berkata bahwa ia pernah mendapatkan ibuku tertidur di luar. Di sini, tapi tentu saja tidak di sini, pokoknya bukan tempat embara dalam mimpi-mimpi kita. Kisahnya mengenai rumah dan mengenai tempat yang ia lupa menyebut rumah. Setelah semalaman minum ia melihat ibuku duduk menggelongsor seperti penjaga gagal di pintu depan tempat penginapannya. Detailnya terlalu sedikit, bagaimana caranya ia membangunkannya? Dengan sodokan atau elusan atau kata bisikan lembut atau galak? Aku menjadi dewasa dan jariku makin tajam menelusuri kontur kisah ksatria itu.

Ini adalah hari pertama, maafkan pikiranku yang berkelana.

Simpang Lima hidup. Lapangan berumput dan lintasan beton dan pohon palem dan anak-anak malam memakai sepatu roda. Ini adalah pemandanganku, rutinitasku.
Kota ini akan merasakan kakiku. Aku telah menyikat sepatuku, kamu tahu itu dari bau semirnya.

Maju terus, aku harus bicara bahasa jalanan.

Semarang, cari saja di peta. Atau tunggulah sampai aku bisa menunjukkannya kepadamu. Beberapa jam dari sini kakakku merokok. Nanti malam aku mau menonton film. Aku belajar bahasanya dan mengarang teks terjemahannya. Di luar, orang-orang mendapat kata di dada. Mereka tidak bisa membacaku.

Sudah melihat Kota Lama, lupa membuat foto. Aku melihat seorang dengan tangan mesra di pasar ayam jago. Sayap-sayap hitam, tangan membelai air bersih pada dada hitam. Kemudian, di gereja, aku teringat ikan paus di pantai, tulang-tulang yang diarsir kelabu. Pendeta Belanda di Mayflower Indis, jari telunjuk ke arah pantai hijau.

Kedatangan, namaku dalam pelukan orang setelah pintu geser. Jaring menggantung di atas sawah, seorang lelaki merokok di atas padi yang basah. Sopir menceritakan kisah mengenai perang Jepang yang salah. Matahari tinggi menyembunyikan bayanganku. Aku akan membuat sesuatu, buat kamu, mungkin inilah, tidak perlu mahal. Perjalanan di tengah malam. Kamar hotel.

 

2.

Kasih,

Kemarin malam aku mengelilingi lapangan lagi, menyelesaikan putaranku. Mengatakan ‘Tidak”, senyum pada anak-anak, melangkah dalam cahaya rokok. Membuat foto, tidak terlalu banyak. Menulis kata-kata ini: ‘Tempat bermain, kepala plastik dengan kerudung, kepala putih dengan tudung ungu.’ Ketika masih anak-anak, ibuku keramas dengan abu.

Aku memahami pejalan kaki cukup baik untuk tidak perlu mendengarkan. ‘Jalan-jalan, Boss?’ Trotoar, jalan, negeri mobil, negeri motor; acara jalan-jalanku ganjil. Dari hari Minggu sampai hari Selasa kedua, beberapa rute. Keluar lift, belok kanan, melewati pemuda yang tiap hari berbeda, yang tersenyum memegang pintu, lalu jalan lurus sebentar sampai ke cincin pertunangan, lalu belok kanan lagi, melewati meja-meja anak-anak dan ranjang-ranjang tinggi, sampai ke badut di bangku, meja pelayanan merah, akhirnya ke luar, di antara mobil-mobil menuju celah dalam pagar, perempuan-perempuan tua di tangga memegang gelas plastik, lalu rasa tegang sewaktu menyeberang, tangan diangkat, langkah-langkah cepat ke seberang, lobi dengan AC, keteduhan terakhir sebelum matahari dan trotoar panas dan kehausan yang tak kunjung redam.

Pernah kota ini mempunyai delapan gedung bioskop. Jongkie Tio menghitungnya buat aku. Jari-jarinya sekarang agak sulit menemukan huruf-huruf di papan ketik, tapi dia masih bisa tertawa karena hal-hal yang lucu dan yang menakutkan. Aku berbicara tanpa berpikir, dia menraktir aku di restorannya.

Ibuku berumur tiga belas tahun ketika ia tinggal dengan kakak-kakak perempuannya dan ayahnya. Aku nyaris mengenali ayahnya pada foto-foto yang kubuat. Yang kucuci. Yang kutekan dan kutolak.

Pria yang tinggi, seperti aku. Dari kuda dan kereta ke rotonde penuh deru. Di beranda depan ia pasti sudah mempertimbangkan ini. Ia tidak bisa membaca atau menulis. Bahasa Jawa adalah bahasa yang kutangkap dengan pendengaranku sebagai derum dan gumam. Ia akan mengatakan ini:

‘Anak perempuanku tercinta, kamu di sana, aku di sini. Ibumu langsung mengenaliku ketika aku tiba, aku langsung mengenali dia. Kakak-kakakmu juga sampai dengan selamat, mereka lapar dan menanyakan kabar kita. Kita makan dan mendengarkan bunyi jauh denting garpu di atas piring, bunyi-bunyinya sama. Kami bisa melihatmu, tapi jangan mengira kami selalu mengamati. Suatu hari kamu di sini dan kita akan duduk berdampingan, sejuk dan diam dalam bayangan dengan pemandangan sinar matahari di jalan yang lengang. Di sini aku tidak lagi laki-laki tua, jangan terkejut kalau melihatku. Kamu harus terus di sana selagi bisa. Tempohari kami mau menghiburmu, tapi tidak mampu. Ibumu kesulitan memahamimu, tapi jangan kuatir, aku telah menjelaskan semuanya padanya. Ia mengajakku ke tempat yang tak kukenali, kita semua harus membiasakan diri, tidak apa-apa. Buah tumbuh di pohon, matahari hangat di tanganku. Ada ruang untuk segala sesuatu yang kuwariskan, tapi janganlah datang dulu.’

 

3.

Kasih,

Hari ini ke pasar Pecinan. Lalat di ayam, kerang yang berbau matang, mesin yang berputar mencincang daging. Wortel dan tomat yang bersih, melinjo, pita-pita petai yang bergelembung, semuanya daun dan plastik dan kertas minyak. Tidak ada orang laki-laki yang berjalan melewati meja-meja, hanya aku dan aku tidak berarti. Cumi-cumi dalam air hitam, sudah jam 8, terlalu siang untuk es. Payung dan dos-dos yang dibuka sebagai pelindung kardus untuk menaungi jalan di tengah.

Seorang perempuan yang rela dibayar sedikit untuk menggendong keranjang besar dalam selendang di punggungnya. Terkadang ia berjalan di depan, terkadang di belakang, ia kenal pedagang-pedagangnya, ia tahu di mana busuk bersembunyi, di mana mata ikan yang jernih. Tampaknya dia tidak muda lagi, tapi sigap. Ada saingan, tapi ia memberi kesan sebagai orang yang dengan mudahnya menjauhkan keranjang-keranjang yang lain.

Ia menjadi ibuku, tentu saja. Dan begitulah aku mengamati dia, dengan rasa malu. Keinginannya untuk melayani, cara ia berkali-kali harus mengatur kembali selendang di bahu yang menopang keranjangnya yang berat, tawa kosongnya ketika saran-sarannya tidak diterima, semangatnya ketika memuji dagangan, menarik barang-barang agar kelihatan, tidak merasa sungkan, ada implikasi komplot, komisi, tangan-tangan cepat yang bersedia bertahan hidup dengan segala cara.

Ibuku dulu berjualan di pasar ketika masih anak-anak dan sebagai wanita muda, itulah sebabnya, semua cerita itu. Syukurlah aku juga telah melihatnya dalam keadaan lain. Sebagai seorang nyonya, sementara aku berjalan di belakangnya dan membawakan tas-tas berisi jeruk dan ikan. Seorang wanita yang membawa uang, tiba-tiba di pihak yang berseberangan. Mungkin di negaranya sendiri ada beberapa orang yang masih ingat anak gadis dari dulu, tetapi orang yang sekarang melihatnya di pasar, akan tertawa dan mengulurkan tangan, suatu isyarat dari bawah ke atas. Dan itu sudah sepantasnya. Ia layak mendapatkannya.

Aku tidak beli apa-apa hari ini, tapi aku mendapat sesuatu. Rasanya manis, isinya daging atau sejenis akar. Ketan dalam daun pisang, di dalamnya ada isi agak oranye abu-abu, sarapanku yang kedua. Aku mengunyah dan melihat ke luar, ke orang-orang yang berolahraga di Simpang Lima. Olahraga olimpiade, aku melihat pelempar galah, pelari dan pelompat jauh. Kolam renang, beberapa tingkat di bawah jendelaku, kosong. Bintang empat, ranjang yang empuk. Katakanlah bahwa aku layak mendapatkannya.

 

4.

Kasih,

Tahun 1988 untuk kali pertama aku tiba di negeri ini dan di zaman itu toko berarti kios atau meja atau kandang sempit dalam sederet beton atau ruang panas di Sarinah, di mana ada eskalator dan harga-harga digantung pada barang-barang.

Shopping mall. Telah dicoba juga di Belanda.

Tempo doeloe. Kerah tegak putih, kumis, wajah mengilap. Serambi, nampan, meja kayu jati. Soos (1), waktu yang lamban, senapan, tamu-tamu di rumah. Lampu minyak, sisa makanan, tubuh sawo matang. Jalan-jalan Belanda, sampai jumpa Ibu, sampai jumpa Ayah, foto-foto dan surat-surat berkeringat. Dansa, sekolah, tangan di dalam gelap, minggu-minggu di laut. Ular, ranjang untuk melahirkan, jembatan kapal, garnisun. Audiensi, senja, sahabat karib, lutut terangkat di pantai. Hutan kosong, jalan lembek, mata di jendela. Bulan di atas air, sumpah serapah, gundik, gigi macan. Famili yang asing, mesin yang mati, gelas terakhir, semua semua untuk sepur badug di kamp Jepang.

Shopping mall. Seandainya kau di sini kau akan mengerti. Setiap hari Indonesia buka jam 10.00.

Kemarin malam aku menonton film sangat mengerikan mengenai perang kemerdekaan. Setelah mencari-cari, aku tahu bahwa filmnya berjudul Merah Putih, sesuai bendera dwiwarna Indonesia atau sesuai darah pada kulit orang putih, tapi yang kedua ini imajinasiku sendiri. Serdadu Belanda kejam yang mendapat ganjaran setimpal dari pejuang Indonesia yang heroik. Mungkin aku terbiasa pada budaya di mana bahkan protagonis memalingkan wajah dari kematian yang diakibatkannya sendiri. Bersorak-sorai setelah menjagal, hal itu hanya dilakukan musuh. Dalam Birth of a Nation (1915) karya D.W. Griffith, pahlawannya adalah anggota Ku Klux Klan. Griffith tidak terlalu peduli. Dia lebih tertarik pada derap kuda, tempat-tempat baru untuk kamera, kibar bendera, massa manusia, asap mengepul dari mulut senapan.

Shopping mall. Kalangan atas sekarang menyuruh penjaga anak mereka memakai seragam perawat. Mereka menggendong dan menenangkan anak-anak kecil beberapa langkah di belakang orang tua mereka. Dengan es kopi di meja aku membaca buku Abel Gholaerts, membuka surelku. Tempatnya sejuk dan bersih. Kemudian aku naik eskalator ke lantai dua yang mengilap. Tidak ada alasan untuk merasa bahwa aku tidak sedang berada di Indonesia.

 

5.

Kasih,

Aku harus cerita mengenai admiral Cina dari Semarang. Tentang Cheng Ho atau Zheng He, juga bernama Sam Po Tao Lang atau Sam Po Tay Djien, pria yang bertubuh sangat tinggi untuk zaman itu (abad ke-14 – 15). Konon tingginya 7 chi (kira-kira dua meter). Asal-usulnya bagaikan daftar keturunan di Alkitab. Rupa-rupanya ia juga keturunan Persia. Cheng Ho adalah pahlawan di sini, dia dipuja, dibuatkan patung. Dia adalah orang kasim, bukan sesuatu yang luar biasa pada waktu itu. Tetapi dia terutama terkenal karena petualangannya. Tujuh ekspedisi, dua di antaranya ke pantai kota ini. Seandainya saja saya membawa Poems from the Chinese, yang sampulnya hitam, karya Amy Lowell, meskipun dia tidak menerjemahkan puisinya sendiri. Saya merasakan dorongan untuk mengatakan sesuatu dibarengi dengan kutipan. ‘Home is where the books are’, rumah adalah tempat di mana buku-buku berada, tulis Richard Burton (sang aktor). Tetapi sebenarnya aku mencari sesuatu yang ada hubungannya dengan kamu atau dengan negeri ini atau dengan apa saja yang aku pikirkan. (Selama ini aku membaca untuk kepala kosong).

Ketika kami tiba di kelenteng, Jongkie kebetulan juga di situ. Ia mengantar seorang pria yang pindah dari Belanda ke Australia ketika masih anak-anak. Kami memandangi lilin-lilin raksasa di halaman kelenteng, Jongkie menunjuk ke satu benda, tamunya membuat foto. Di dalam kelenteng semuanya merah dan ditegel, tapi juga kosong dan tidak dipakai. Aku tidak melihat seorang pun sembahyang. Jongkie melewati beberapa meja altar, bahasa Belandanya makin baik dan apa yang tidak bisa diungkapkannya dalam bahasa yang berwarna sepia itu, dilengkapinya dengan istilah Inggris.

Sebelum itu, di restorannya, aku bertanya kepadanya apa yang terjadi pada orang Cina di Semarang pada masa krisis tahun 1998. Jongkie menjawab, tidak separah apa yang terjadi di Solo atau Jakarta. Di Semarang amarah dapat dininabobokkan dengan uang. Dia berkata: ‘Di kampung kamu lebih cepat diterima.’

Kami kehilangan jejak Jongkie dalam keramaian sebuah pasar Sabtu malam di Pecinan. Di seberang warung tempat kami duduk, lelaki dan perempuan menyanyi dalam sinar temaram sebuah televisi, mencurahkan hati mereka di jalan. Daniel menemukan sate babi mahal di sebuah tempat, aku membeli ayam, dari usus sampai telur, di tusuk bambu. Kami makan di jalan sampai hujan membuat serambi menjadi tempat yang tidak mungkin. Speaker di seberang dimasukkan plastik sampah. Di bawah atap kami menunggu hujan berhenti, sampai air meniup ke bahu dan punggung. Setelah itu masih lebih lama lagi sampai kami berani lari.

 

6.

Kasih,

Ketika aku cerita pada ibuku (1944, Solo, rata-rata 30˚ Celsius) bahwa aku akan ke sini, ia berkata: ‘Uh. Panas.’ Di sini sangat panas. Panas menutupiku dengan selimut tebal setiap kali aku berjalan kaki. Angin laut mengusir awan untuk matahari, langit kosong. Aku memakai celana panjang, kemeja lengan panjang.

Aneh memikirkan bahwa ayahku di sini bulan Februari, di Indonesia maksudku. Dia membeli tiga kacamata gelap riben, bingkai emas dan lensa hijau. Satu untuk dirinya sendiri, satu untuk adik laki-lakiku dan satu untuk kakak Indonesiaku. Dia tinggal selama beberapa minggu, aku tidak tahu tepatnya berapa lama, pokoknya bulan Maret dia sudah pulang lagi.

Ibuku berkata bahwa kacamatanya cuma tergeletak begitu saja, tidak ada orang yang memakainya. Ia memberikannya kepadaku, kain pembersihnya masih terbungkus plastik. Aku membawanya pulang, mengemasnya. Kacamata itu yang kupakai di sini.

Semarang mempunyai trotoar dan tegel-tegel besar di atas selokan, bahkan ada jalan bertakik-takik untuk orang buta. Terkadang aku bertemu pejalan kaki lain, terutama perempuan-perempuan tua, yang berjongkok di bayangan tipis pohon dan semak, mengatur nafas untuk bagian berikut.

Maju. Kata terakhir di atas hidungku, di depan bayanganku. Seakan ada abu di per-per berwarna emas kacamataku. Boleh dicuri, aku tidak akan merasa kehilangan. Tunangan adik laki-lakiku yang ingin tinggal di sini, punya mobil. Satu hari ayahku memintanya mengantar ke pantai. Semarang tidak jauh letaknya dari Solo. Jadilah ia diantar ke pantai kota ini. Ia bersandar pada tongkatnya dan memandang jauh ke laut. Setelah sepuluh menit dia ingin kembali. Sudah melihat laut, bukan pasir Ancol atau air Tanjung Priok, tapi dia sudah melihat laut. Coret.

 

7.

I: Aku bukan Natal.
G: Memang aku terlalu jarang datang untuk itu.
I: Tidak tahu berterima kasih.
G: Bukan karena kau menggendongku. Memakaikan baju padaku, menaruhku di ranjang dengan perut kenyang.
I: Kamu kaya. Datanglah.
G: Sekarang nadamu seperti mengemis.
I: Kamu menghinaku.
G: Pengemis tak pernah merasa terhina.
I: Kebanggaanku adalah kebanggaanmu. Hati-hati.
G: Kau terlambat memengaruhiku. Gagasan negeri hati sudah lama lenyap dari diriku.
I: Pikirlah apa yang kamu mau berpikir. Apa yang terlihat di kaca akan tetap.
G Hanya kau yang mengingatkan aku.
I: Rasa percaya dirimu membuatmu angkuh. Tapi kamu sama saja seperti yang lain.
G: Pernah di jalan aku dikira orang lain. Aku adalah sahabat, tapi ternyata bukan.
I: Jujurlah. Kau banyak meraih keuntungan dari itu.
G: Aku tidak tahu menjadi siapa selain diriku. Tidak ada orang yang tahu.
I: Segala yang istimewa pada dirimu berasal dari aku.
G: Segala sama saja dengan tidak apa-apa.
I: Orang yang menyangkal adalah yang paling parah.
G: Aku mengunjungimu ketika aku lebih muda, menggantungmu di dinding kamarmu.
I: Sekarang aku lebih cinta kamu. Begitu tak berdaya karena kehadiran anakmu,generasi penerusmu sendiri.
G: Kau tidak lebih dari mimpi buat dia, cerita kabur.
I: Seperti setiap alasan pertama.
G: Pilihlah sebuah negeri, yang mana saja. Kau adalah sebuah kebetulan.
I: Tapi kau kembali ke sini. Mereka datang mengunjungimu bersama aku.
G: Aku akan menulis tentang dirimu.
I: Buku yang selalu saja kau jadikan ancaman.
G: Tulangmu tidak dapat kujual mahal.
I: Aku adalah sebuah genre, sebuah standar. Bukan sekedar segmen seperti apa yang kauharapkan.
G: Apa yang kucium? Bau manis? Berhenti sajalah. Aku tidak mengenalimu memakai topi kolonial, aku tidak mengalami tulang rusukmu yang sakit gara-gara orang Jepang.
I: Mahieu (2) adalah milikku. Aku melihatmu bergulat membaca Havelaar (3).
G: Ibuku, ayahku. Tidak ada yang tahan bersamamu.
I: Menurut kamu, ayahmu di mana sekarang?
G: Aku telah mengenakan baju batik, mengucapkan ‘selamat tidur’.
I: Kamu seorang anak laki-laki, benar-benar anak laki-laki.
G: Aku membunuhmu dan menguburmu. Aku akan bercerita kepada anak perempuanku di mana tempat pembaringanmu.
I: Dia akan datang. Membawa bunga.

 

8.

Kasih,

Simpanlah surat ini baik-baik.

1. Kakek dan nenekku pada tahun 1946 tiba dengan kapal di Jakarta, dulu bernama Batavia, bersama kedua anak laki-laki mereka. Tahun 1988 ayahku berjalan dalam keramaian lalu lintas siang, melewati rumah dan jalan, gang dan pintu tertutup, tetapi ia tidak dapat menemukan rumahnya yang lama.
2. Ayahku duduk di sekolah milik yayasan Carpentier Alting. Di foto kelas ia sama kurusnya seperti anak-anak Indo.
3. Ia bukan murid yang rajin. Pernah ayahnya mengganggunya ketika bermain sepak bola, dengan pemberitahuan bahwa ia naik kelas. Ayahku mendengarkannya, dan melanjutkan permainannya.
4. Pada suatu hari ia membonceng ayahnya di sepeda, mereka pergi ke tujuan yang tidak diterangkan kepadanya. Mereka tiba di sebuah rumah. Ayahnya mengatakan tidak akan lama, tapi ia harus menunggu lama dan ia tidak boleh masuk.
5. Ketika masalah yang dibuat oleh Sukarno mulai, ayahku membakar seragam militernya di halaman belakang.
6. Ayahnya berangkat sebagai orang pertama, tahun 1953.
7. Abangnya diusir dari sekolah, sehubungan dengan lembar jawaban yang terlalu dini.
8. Tahun 1956 dia masih sendirian dengan ibunya. Masih satu tahun lagi, tapi terlalu merepotkan. Ia telah tinggal di sini selama sepuluh tahun, dari umur delapan sampai umur delapan belas tahun.
9. Anak dari luar tumbuh menjadi laki-laki dari dalam. Dia tidak beruntung. Ketika baru saja mempunyai SIM dan mobilnya yang pertama (VW kodok), ia ditabrak truk. Dia dimasukkan ke kamar mayat, tapi bertahan hidup. Dia kehilangan limpanya.
10. Selama enam bulan dia belajar ekonomi di Amsterdam. Tapi uang yang diterimanya dari ayahnya tidak cukup, terangnya. Ia ikut kapal CalTex.
11. Ada kisah mengenai tidur sedikit, minum banyak dan mencari kunci dalam lapisan tinggi oli kental. Kunci ditemukan.
12. Kembali ke Belanda. Selama itu dia banyak membaca. Jadilah ia memasuki dunia jurnalistik. Ketika melamar, penginterviu dari Elsevier menunjuk ke luar jendela dan bertanya: ‘Keluarga anda?’ Cabang perusahaan Peek & Cloppenburg (4) di kaca jendela. Versi dia mengenai sukses. Seperti itulah dulu.
13. Kapur di papan tulis di belakang bar di Jalan Oude Mol, juga dari dulu. Satu garis untuk satu gelas.
14. Ia menguasai bahasanya. Tahun 1969 artikelnya yang pertama dimuat dalam Het Vrije Volk. Waktu itu ia masih tinggal di Singapura. Ia harus membiasakan diri lagi. Tanpa berpikir ia membiarkan jendela kamarnya terbuka, udara lembab kota itu menyebabkan mesin ketiknya berkarat. Ia harus membeli yang baru.
15. Ia menulis: ‘Ribuan serdadu, di antaranya marinir dan penerjun payung, hari-hari terakhir ini memasuki kota Djakarta dan berjaga-jaga di universitas, sekolah dan kantor pemerintah. Mobil panser disiapkan dan di berbagai lokasi, senapan mesin dipasang.’
16. Ia berjumpa dengan ibuku, sangat mungkin di tahun 1970. Ayahku berusia 32 tahun, ibuku berusia 26 tahun dan mempunyai dua orang anak.
17. Waktu itu ibuku masih menikah dengan seorang tentara, tapi dia ingin istri lagi dan ketika ibuku menolak penambahan itu, dia menghilang.
18. Anak-anaknya, seorang anak laki-laki dan seorang anak perempuan, dititipkannya pada kakak perempuannya yang sulung, supaya ia bisa bekerja di Jakarta.
19. Ayahku setiap minggu menulis mengenai Indonesia dan setelah beberapa waktu ia tidak diinginkan lagi. Ia meminta ibuku datang ke Belanda. Ia tidak meminta anak-anaknya.
20. Ibuku mendarat di London. Di sana ia ditahan sebagai imigran gelap. Ayahku harus ke Inggris untuk membebaskannya. Perjalanan pertama ibuku dengan pesawat.
21. Untuk waktu yang pendek mereka tinggal di kota ayahku, Den Haag, kemudian untuk waktu yang pendek di Leiden, lalu untuk waktu yang pendek di Nieuw-Vennep. Ayahnya tidak menghadiri pesta pernikahan, katanya ia harus ke Italia untuk urusan mendesak.
22. Mereka mendapat anak lelaki dan setelah itu satu lagi dan setelah pindah ke H., anak lelaki bungsu lahir. Ayahku dulu menghabiskan masa perang di H. bersama ayahnya, ibunya dan abangnya.
23. Anak-anak pertama ibuku masih terus tinggal bersama bibi mereka, yang menyuruh mereka masak dan membersihkan rumah.
24. Ibuku tidak sering kembali. Satu kali dengan anaknya yang bungsu ketika masih bayi, dan satu kali tujuh tahun kemudian.
25. Anak-anak Belandanya tiga-tiga terampil dalam olah raga, gesit di lapangan. Mereka berperawakan kecil dan pemalu.
26. Ia mendapat sedikit uang dari ayahnya. Lalu ia kehilangan kandung empedu. Bekas luka baru membentuk garis diagonal di perutnya. Di tempat tidur ia membuat rencana untuk sebuah perjalanan.
27. Keluarga itu berangkat. Di Jakarta mereka menginap di ibu kosnya yang lama. Anak-anaknya sedang tidak dalam fase mempertanyakan segala sesuatu.
28. Ia tidak kenal keluarga mertuanya. Mereka tiba dalam kegelapan, sebelum fajar. Anak-anaknya terkejut ketika melihat ibu mereka menangis terisak.
29. Sesuatu yang dikatakan oleh kakak perempuannya. Ayahku berangkat dan memerintahkan seluruh keluarganya ikut. Kemudian ia menyesal, atau ia menjadi pemaaf. Bagaimana pun juga, ia akan tetap tinggal di Belanda dan ibuku harus ke Solo saja.
30. Di Jakarta, di Hotel Sabang, ia menunggu ibuku satu minggu.
31. Tiga tahun kemudian ibuku diperbolehkan tinggal lebih lama. Ayahku tidak lagi bekerja sebagai wartawan.
32. Ia kembali beberapa kali lagi, tetapi tidak melakukan banyak hal baru, ia suka rutinitas. Tahun 2003 ia mengejutkan keluarga dengan ‘Tur Asia’, hotel bintang empat untuk semua orang. Teh dan antrian menunggu taksi di The Raffles. Anaknya yang tengah tidak ikut.
33. Di Belanda ia memandangi kebunnya, sekali-sekali membeli mobil baru, ia masih tetap membawa pisau dalam jasnya.
34. Anak-anak istrinya yang tertua sudah mempunyai anak.
35. Terakhir kali ia pergi, ia tidak lagi dapat berdiri tanpa tongkat. Ia terutama duduk di serambi anak lelaki istrinya dan merokok. Kadang-kadang ada kucing lewat menggondol ikan lele milik tetangga.
36. Ia berada di mana ia berada dan tidak melanjutkan.
37. ‘Dari koresponden khusus kami’.

 

9.

Kasih,

Aku lahir di rumah sakit, jadi tidak punya rumah kelahiran. Semarang masih menyimpan banyak hal dari zaman dulu. Widja mengajakku ke rumah kelahirannya, abangnya masih tinggal di sana. Rumah yang dirawat dengan penuh kebanggaan. Di dalam rumah, kedua kakak beradik bersamaan menunjuk ke kamar tempat mereka lahir, tempat ayah dan kakek mereka lahir. Aku minum kopi yang enak, membaca buku yang disodorkan.

Ketika kami pergi lagi, Widja melambaikan tangan kepada abangnya, dia membalas.

Pakailah surat-surat ini untuk bertanya apa saja kepadaku.

Milikmu selamanya,

G

 

Keterangan
(1) Soos: Gedung tempat orang Belanda bersenang-senang dan bersantai setelah bekerja
(2) Mahieu: Vincent Mahieu adalah nama samaran Jan Boon, orang Indo-Belanda terkemuka (nama samarannya yang lain adalah Tjalie Robinson)
(3) Havelaar: Max Havelaar, novel historis karya Multatuli (nama samaran Eduard Douwes Dekker)
(4) Peek & Cloppenburg: nama toko busana yang mempunyai banyak cabang di Belanda dan Belgia.

 

Diterjemahkan dari bahasa Belanda oleh Widjajanti Dharmowijono

 

Widjajanti (Inge) Dharmowijono lahir dan besar di Semarang. Ia melanjutkan studi di Leuven dan Amsterdam dan bekerja sebagai dosen bahasa Belanda dan penerjemah sastra. Yayasan Budaya Widya Mitra yang diketuainya mengadakan berbagai kegiatan budaya di samping mengelola sebuah perpustakaan dan mengadakan kursus bahasa Belanda. Warisan budaya sangat berarti baginya.

 

Download de ePub-versie Print

9 lettres à Maria M.

1.

Douce,

De retour là-bas, heureusement en un lieu que je ne reconnais pas. Arrivé de Jakarta, une ville en réalité bien peu à moi. Nouveau départ donc, à bord du cercueil blanc, en proie à une fébrilité béante derrière les hublots. Pas le moment de tergiverser, le temps manque. Si tu voyais mes yeux. J’ai appris trop tard à dormir.

Quelques mots quand même sur Batavia. Mon père m’a raconté avoir trouvé un jour ma mère endormie dehors. Ici, mais bien entendu pas ici même, du moins pas en un lieu où on erre, toi et moi, dans nos rêves. Chez eux ou ce qu’il oubliait d’appeler ainsi. Après une soirée passée à boire, il la voit avachie près du portail de leur pension comme une sentinelle manquant à ses devoirs. Trop peu de détails, comment donc l’a-t-il réveillée ? D’une bourrade, d’une caresse, d’un mot doux ou brusque glissé à l’oreille ? Avec les années, je me suis mis à délimiter, avec des doigts toujours plus sagaces, les contours de cette histoire de chevalerie.

Voilà pour les premiers jours, pardonne les errements de ma pensée.

Simpang Lima vit. Une place herbeuse, une piste en béton, des palmiers et des enfants, pas encore couchés malgré l’heure, en patins à roulettes. Mon panorama, ma routine.

Cette ville va sentir le passage de mes pieds. Mes chaussures brillent, tu le sais puisque tu as relevé l’odeur de cirage. En avant, pour une plongée dans la langue locale.

Semarang – cherche sur la carte. Ou attends que je sois à même de te l’indiquer. À quelques heures d’ici, mon frère fume ses cigarettes. Ce soir, je veux voir un film. J’apprends la langue et imagine des sous-titres. Dehors, les gens se retrouvent avec des mots sur la poitrine. Eux ne peuvent me lire.

Vu la vieille ville, oublié de prendre des photos. Vu quelqu’un aux mains affectueuses sur le marché aux coqs. Ailes noires, les mains qui étalent avec douceur l’eau potable sur la poitrine noire. Plus tard, dans l’église, j’ai pensé à une baleine sur une plage, à des fanons hachurés de gris. À des pasteurs hollandais sur le Mayflower d’Insulinde, doigt tendu en direction du littoral verdoyant.

À l’arrivée, mon nom dans les bras de quelqu’un au-delà des portes coulissantes. Des filets suspendus au-dessus des champs, un homme qui fumait au-dessus du riz mouillé. Le chauffeur m’a raconté une histoire sur la guerre aberrante avec le Japon. Le soleil haut masque mon ombre. Pour toi, je vais faire quelque chose, peut-être ce que je suis en train de faire, pas besoin que ça coûte cher. Le trajet de nuit. La chambre d’hôtel.

 

2.

Douce,

Hier soir, ai de nouveau parcouru la place, fait mon petit tour. Ai dit non, souri à des enfants, marché à la lumière de cigarettes. Pris des photos, pas trop. Écrit ces mots : « La salle de jeux, les têtes en plastique encapuchonnées coiffées d’un foulard, des têtes blanches à la coiffe capuche violette. » Enfant, ma mère se lavait les cheveux avec de la cendre.

Je comprends suffisamment ce que disent les passants pour ne pas avoir à tendre l’oreille. « Jalan, jalan, Boss ? » Trottoir, rue, pays des voitures, pays des motos ; mes vagabondages sont excentriques. De dimanche à mardi en huit, quelques itinéraires. À la sortie de l’ascenseur, à droite, bref passage devant une série de garçons qui tous sourient, main tenant une porte, puis tout droit sur une courte distance jusqu’aux bagues de fiançailles, encore à droite en longeant les tables des enfants et les lits élevés, jusqu’au clown sur le banc, la réception rouge, dehors enfin, slalom entre des voitures vers la porte de la grille, les vieilles femmes sur les marches, gobelet à la main, la tension au moment de traverser, bras levé, à pas rapides, le hall où l’air conditionné offre un dernier brin de fraîcheur avant le soleil, puis les trottoirs brûlants et la soif impossible à étancher.

À une époque, cette ville comptait huit salles de cinéma. Jongkie Tio les a dénombrées pour moi. Ses doigts ont aujourd’hui un peu de peine à se promener sur les touches, mais il est encore capable de rire au sujet de choses drôles ou effroyables. Je lui ai tenu des propos irréfléchis, il m’a offert un repas dans son restaurant.

Ma mère avait treize ans quand elle est restée là avec son père et ses sœurs. Je suis à deux doigts de le reconnaître sur les photos que j’ai faites de lui. Développées. Assombries. Éclaircies.

Un homme de haute taille, comme moi. De la charrette tirée par un cheval aux ronds-points encombrés, vrombissants. Sur la véranda, il doit avoir pensé à cette évolution. Il ne savait ni lire ni écrire. Le javanais est une langue, mon oreille l’interprète comme des grognements et des marmonnements.

Voici ce qu’il dirait :

« Ma tendre fille, tu es là-bas et je suis ici. Ta mère m’a reconnu dès mon arrivée, j’ai tout de suite su que c’était elle. Tes sœurs sont elles aussi revenues saines et sauves, elles avaient faim et ont demandé comment on allait. On a mangé, écouté le lointain cliquetis d’une fourchette sur un plat, les bruits n’avaient pas changé. On peut te voir, mais ne crois pas qu’on passe notre temps à regarder. Un beau jour, tu seras ici et nous serons assis à l’ombre l’un à côté de l’autre, glaciaux et silencieux, avec vue sur la lumière du jour qui baigne la rue vide. Ici, je ne suis plus un vieillard, ne sois pas effrayée en me voyant. Reste là-bas aussi longtemps que tu le peux. On voulait il y a peu te réconforter, mais on en était incapables. Ta mère a du mal à te comprendre, t’inquiète pas, je lui ai tout expliqué. Elle m’a emmené dans un lieu que je n’ai pas reconnu, il nous faut tous nous réhabituer, ce n’est pas grave. Des fruits poussent sur les arbres, le soleil est chaud sur ma main. Il y a ici de la place pour tout ce que j’ai abandonné, mais attends encore un peu avant de venir. »

 

3.

Douce,

Aujourd’hui, au marché du quartier chinois. Mouches sur le poulet, coquillages dont l’odeur révèle qu’ils convient de les manger sans tarder, ronron du hachoir à viande. Belles carottes et tomates, melindjo, lanières renflées de peté – papiers de couleur transparents, emballages en plastique, feuilles en nombre. Aucun homme aux tables, uniquement moi, moi qui ne comptais pas. Des seiches dans de l’eau noire, il était déjà huit heures, trop tard pour les pains de glace. Des parasols et des cartons dépliés en guise d’auvents pour ombrager l’allée centrale.

Une femme prête à porter des marchandises en échange d’une misère, un grand panier fixé sur son dos par le moyen d’une pièce de toile. Par moments, elle marchait devant, par moments derrière, elle connaît chaque étal, ici la pourriture cachée, là les yeux brillants de poissons. Elle semble avoir déjà un certain âge, tout en étant pleine d’énergie. Il y a de la concurrence, mais elle paraît à même de tenir facilement les autres paniers à distance.

Bien entendu, elle est devenue ma mère. Et c’est ainsi que je l’ai considérée, non sans honte. Sa serviabilité, sa façon de placer différemment à chaque fois la pièce de toile autour de ses épaules pour soutenir le lourd panier, son rire creux quand ses conseils restent vains, son empressement à louer certaines denrées ou à faire surgir du néant des produits, son impudeur, l’incidence des combines, des commissions touchées, les mains prestes apparemment prêtes à toute forme de survie.

Enfant et jeune femme, ma mère avait sa place sur le marché, c’est à cause de ça, de ces histoires. Heureusement, je l’ai aussi connue sous un autre jour. En tant que dame, tandis que je marchais derrière elle en portant les sacs d’oranges et de harengs. La dame avec de l’argent, soudain passée de l’autre côté. D’aucuns dans son pays se souviennent sans doute encore de la jeune fille d’autrefois, mais quiconque la voit approcher à présent sur le marché, sourit et tend une main, un geste de bas en haut. Comme il sied. Elle le mérite.

Aujourd’hui, je n’ai rien acheté, mais on m’a offert des aliments. Un truc doux garni de viande ou de quelque chose qui ressemblait à de la carotte. Du riz gluant dans une feuille de bananier, une farce gris orangé, mon deuxième petit déjeuner. Alors que je mâchais, j’ai regardé, dehors, les sportifs au Simpang Lima. Un matin olympique, j’ai vu des lanceurs de javelot, des coureurs à pied et des sauteurs en longueur. La piscine, quelques étages en contrebas de ma fenêtre, était vide. Quatre étoiles, un lit douillet. Dis-moi que je l’ai bien mérité.

 

4.

Douce,

En 1988, lors de mon premier séjour dans ce pays, une boutique n’était encore qu’une simple échoppe, un étal, une table, un recoin dans un alignement de béton ou dans les espaces oppressifs de Sarinah, où il y avait des escalators et des articles étiquetés.

Shopping malls. Aux Pays-Bas aussi, on a essayé d’en construire.

Tempo doeloe. Le col blanc, la grosse moustache, le visage luisant. La véranda, le plateau, la table en teck. Le club, le temps lent, le fusil, les invités autour de la maison. La lumière diffusée par la lampe à huile, les restes du repas, le corps brun. Les rues hollandaises, bonjour maman au revoir papa, les photographies et les lettres moites. La danse, l’école, la main dans l’obscurité, les semaines en mer. Le serpent, le lit où la femme accouche, le marchepied, la garnison. L’audience, le crépuscule, le meilleur ami, les genoux ramenés contre la poitrine sur la plage. La forêt déserte, le sentier où les pieds s’enfoncent, les yeux près des volets. La lune sur l’eau, la malédiction, la sieste crapuleuse, la dent de tigre. L’étrange famille, la mort dans un accident de moto, le dernier verre, tout, tout ça avant le butoir des voies de chemin de fer des camps japs.

Shopping malls. Si tu étais ici, tu comprendrais. Tous les jours, l’Indonésie ouvre à 10h00.

Hier soir tard, j’ai vu un film, un truc horrible sur la guerre d’indépendance. Après quelques recherches, j’ai découvert qu’il avait pour titre Merah Putih, d’après les deux couleurs du drapeau indonésien ou – mais cela je l’invente tout seul – tout le sang sur les peaux blanches. Des soldats néerlandais brutaux qui reçoivent ce qu’ils méritent de la part d’héroïques combattants indonésiens. Sans doute me suis-je habitué à une culture où le héros lui-même, pareil à tout un chacun, détourne le visage devant la mort dont il est pourtant à l’origine. Seul l’adversaire pousse des cris de joie après une boucherie. Dans Naissance d’une nation (1915), les héros sont des membres du Ku Klux Clan. D.W. Griffith, le réalisateur, n’aurait pas fait beaucoup de cas de ces questions. Le fracas des chevaux, les nouveaux spots pour la caméra, le battement des drapeaux, les foules, la fumée s’échappant des canons, le captivaient bien plus.

Shopping malls. De nos jours, la bourgeoisie laisse ses gouvernantes se trimballer en uniformes d’infirmière. Elles portent les enfants, les apaisent, quelques pas derrière les parents. Un café frappé devant moi sur la table, j’ai lu Abel Gholaerts (1), ouvert mon courrier. Il faisait frais et beau. Ensuite, j’ai pris l’escalator jusqu’au deuxième, un étage au sol brillant. Je n’avais aucune raison de croire que je n’étais pas en Indonésie.

 

5.

Douce,

Il faut que je t’écrive un mot à propos de l’amiral chinois de Semarang. Il s’agit de Cheng Ho ou Zheng He, encore appelé Sam Po Tao Lang ou Sam Po Tay Djien, un type d’une taille peu commune pour son temps (XIVe-XVe siècle). Selon la tradition, il mesurait 7 chi (deux mètres). Son arbre généalogique se lit comme une lignée biblique. En tout cas, il semble avoir eu un peu de sang persan. Ici, Cheng Ho est un héros, on le vénère, on lui a érigé une statue. C’était un eunuque, en rien un cas unique à l’époque. En fait, sa renommée repose surtout sur sa vie d’explorateur. Sept voyages dont deux qui l’ont conduit sur la côte de cette ville.

Que n’ai-je avec moi mes Poems from the Chinese, le volume à couverture noire sur laquelle figure le nom d’Amy Lowell, même si ce n’est pas elle qui les a traduits. J’éprouve le besoin de dire quelque chose en recourant à une citation. « Home is where the books are », a écrit Richard Burton (l’acteur). En réalité, je recherche plutôt une phrase qui aurait un rapport avec toi ou avec ce pays ou encore avec tout ce que je pense. (Toutes ces années passées à lire et n’en avoir rien gardé.)

Quand nous sommes arrivés au temple, le hasard a voulu que Jongkie se trouve là lui aussi. Il servait de guide à un homme qui, durant son enfance, avait quitté avec sa famille les Pays-Bas pour s’établir en Australie. Nous avons regardé les cierges géants sur la place ; Jongkie a attiré l’attention de l’homme sur quelque chose et ce dernier a pris une photo. À l’intérieur, tout était rouge et carrelé, vide et à l’abandon. Je n’ai vu personne prier. Jongkie a parcouru les différentes niches, s’exprimant toujours mieux en néerlandais ; quand il ne trouvait pas ses mots dans cette langue jaunie, il complétait ses phrases avec des termes anglais.

Plus tôt, dans son restaurant, je l’avais interrogé sur le sort des Chinois à Semarang lors de la crise de 1998. Jongkie m’a répondu qu’ils s’en étaient mieux tirés qu’à Solo et Jakarta. À Semarang, il avait été possible d’apaiser la colère avec de l’argent.

Il m’a dit : « Au kampong, on te laissera entrer avant eux. »

Le samedi soir, en plein quartier chinois, nous avons perdu Jongkie dans la cohue du marché. À même la rue, en face de l’étal où nous étions assis, des hommes et des femmes vidaient leur cœur en chantant à la lumière d’un téléviseur. Daniel avait déniché contre un prix exorbitant du sateh babi ; sur mes brochettes, du poulet à ses différents stades, de l’œuf à l’intestin. On a mangé là jusqu’à ce que la pluie nous chasse des terrasses. De l’autre côté de la rue, les haut-parleurs disparaissaient sous les ordures. À l’abri d’un auvent, on a attendu la fin de l’averse jusqu’à ce que le vent mouille nos épaules et notre dos. Ensuite, il nous a fallu plus de temps encore pour oser nous mettre à courir.

 

6.

Douce,

Quand j’ai dit à ma mère (1944, Solo, 30 ˚ C. en moyenne) que j’allais venir ici, elle m’a dit : « Ugh. Chaud. » Ici, ça cogne. Au cours de mes promenades quotidiennes, la chaleur m’enveloppe d’épaisses couvertures. Une brise de mer nettoie le ciel à l’arrivée du soleil. Je porte des jambes longues, des manches longues.

Ça fait bizarre de savoir que mon père était ici pas plus tard qu’en février, je veux dire ici en Indonésie. Il a alors acheté trois paires de Ray-Ban, monture dorée et verres de couleur verte. Une pour lui, une pour mon frère cadet et la troisième pour mon frère indonésien. Il a séjourné ici quelques semaines, je ne sais exactement combien de temps ; ce qui est sûr, c’est qu’en mars, il était rentré à la maison.

Ma mère m’a dit « elles vont traîner sans que personne n’en fasse rien ». Elle m’a donné la paire de lunettes de soleil, la lingette antistatique était encore dans sa pochette en plastique. Je les ai prises, mises dans mon bagage. Ce sont les lunettes que je porte ici.

Semarang est pourvue de trottoirs, il y a de grandes dalles sur les slokans (2), et même des passages piétons pour aveugles. Il m’arrive de croiser d’autres promeneurs, en particulier des femmes âgées qui, se tenant accroupies à l’ombre parcimonieuse d’un arbre ou d’un fourré, récupèrent avant de se remettre en marche.

Allez ! Le dernier mot sur mon nez, pour avoir mon ombre. Comme s’il y avait de la cendre dans les plumes couleur or. On peut me les voler, je n’en ferai pas une histoire.

La fiancée de mon frère cadet, lequel souhaite rester ici, possède une voiture. Un jour, mon père lui a demandé de le conduire sur la côte. Semarang n’étant pas très éloignée de Solo, ils se sont rendus sur le littoral de cette ville. Appuyé sur sa béquille, mon père a regardé le large. Au bout de dix minutes, il a demandé à rentrer. Il avait vu la mer, pas le sable d’Ancol non plus que l’eau de Tanjung Priok, mais au moins la mer. Biffé.

 

7.

I : Je ne suis pas Noël.

G : Je ne viens pas assez souvent pour que tu le sois.

I : Ingrat.

G : Ce n’est pas que tu m’aies tenu dans tes bras. Habillé, mis au lit le ventre plein.

I : Tu es riche, voyons.

G : On a l’impression d’entendre un mendiant.

I : Tu m’insultes.

G : Un mendiant ne se sent jamais insulté.

I : Ma fierté, c’est ta fierté. Méfie-toi.

G : Pour ça, tu tombes un peu tard. Il y a longtemps que j’ai renoncé à l’idée d’un pays de cœur.

I : Pense ce que bon te semble. Ce qui est dans le miroir demeure.

G : Tu es la seule à me rappeler ça.

I : Ta confiance t’a rendu arrogant. En fait, tu es comme les autres.

G : Un jour, dans la rue, on m’a pris pour quelqu’un d’autre. Pour un ami, mais ça s’est avéré faux.

I : Sois honnête. Ça t’a rapporté beaucoup.

G : Je ne sais pas qui j’aurais été autrement. Personne ne le sait.

I : Tout ce qu’il y a de singulier en toi vient de moi.

G : Tout est rien.

I : Nier, il n’y a rien de pire.

G : Quand j’étais plus jeune, je t’ai rendu visite. J’avais ta photo accrochée dans ma chambre.

I : Je te préfère maintenant. Tellement désarmé à cause de ta fille, ta nouvelle génération.

G : Tu ne seras guère plus qu’un rêve pour elle, une vague histoire.

I : Comme toute cause première.

G : Choisis un pays, chaque pays. Tu es hasard.

I : Mais tu es de nouveau ici. Ils sont venus chez toi avec moi.

G : Je vais écrire sur toi.

I : Ce livre que tu ne cesses de brandir comme une menace.

G : Tes os rapportent trop peu.

I : Je suis un genre, un standard. Pas une niche comme tu l’espères.

G : Mais qu’est-ce que je sens ? Les odeurs suaves ? Arrête, voyons. Je ne t’ai jamais vue coiffée d’un chapeau tropical, je n’ai pas connu ta cage thoracique amaigrie sous la domination japonaise.

I : Mahieu (3) est à moi. Je t’ai vu barboter dans Havelaar (4).

G : Ma mère, mon père. Personne n’a tenu le coup avec toi.

I : Où crois-tu que ton père se trouve aujourd’hui ?

G : J’ai porté des chemises de batik, prononcé les mots « selamat tidur ».

I : Tu es un fils, un vrai fils.

G : Je te tue et t’enterre. Je dirai à ma fille où tu gis.

I : Elle viendra. Avec des fleurs.

 

8.

Douce,

Conserve bien cette lettre.

1. Mes grands-parents ont débarqué à Jakarta, l’ancienne Batavia, en 1946 avec leurs deux fils. En 1988, dans la cohue d’un après-midi, mon père a arpenté rues, venelles, passant devant des façades et des portes fermées, mais sans parvenir à retrouver son ancienne maison.

2. Mon père fréquentait une école de la Fondation Carpentier Alting. Sur une photo de classe, il apparaît aussi fluet que les petits Indonésiens.

3. Ce n’était pas un élève particulièrement zélé. Un jour, son père l’a interrompu au milieu d’un match de foot pour lui annoncer qu’il redoublait. Mon père l’a écouté puis s’est remis à jouer au foot.

4. Un jour, il était assis sur le porte-bagage de son père. Il ignorait tout de l’endroit où ils se rendaient. Ils sont arrivés près d’une maison. Son père lui a dit qu’il n’en avait pas pour longtemps, mais ça a duré longtemps et mon père n’était pas autorisé à entrer.

5. Quand les problèmes apparurent à cause de Sukarno, son père a brûlé dans le jardin son uniforme des Forces néerlandaises.

6. Son père a été le premier à partir, en 1953.

7. Son frère a été renvoyé de l’école, au prétexte d’une feuille qui contenait des réponses qu’il n’aurait pas dû avoir.

8. En 1956, il s’est retrouvé seul avec sa mère. Il n’avait plus qu’une année à faire, mais ça s’est avéré trop compliqué. Il avait vécu là dix ans, de ses huit ans à ses dix-huit ans.

9. De l’enfant vivant dehors à l’homme confiné à l’intérieur. Les choses ne se passèrent pas bien pour lui. Le permis à peine en poche, il eut, au volant de sa première voiture (une Coccinelle), un accident avec un camion. On l’a conduit dans une chambre mortuaire, mais il a survécu après une ablation de la rate.

10. Durant six mois, il a suivi des cours d’économie à Amsterdam. Mais, assurait-il, son père lui donnait trop peu d’argent. Il s’est enrôlé sur un bateau de CalTex.

11. Des histoires sur un manque de sommeil, des abus d’alcool, la recherche d’une clé dans une épaisse flaque de mazout. Clé trouvée.

12. Nouveau retour aux Pays-Bas. Depuis toujours, il lisait beaucoup. Il s’orienta vers le journalisme. Au cours de l’entretien d’embauche, le type d’Elsevier lui montra la fenêtre et lui demanda : « De la famille à vous ? » Une filiale de P&C dans l’encadrement. Sa version du succès. C’est comme ça que ça se passait à l’époque.

13. De la craie sur le tableau derrière le bar, rue Oude Molstraat, là aussi une chose du passé. Un tiret par verre.

14. Il parlait la langue. En 1969, son premier article parut dans Het Vrije Volk. Il vivait alors encore à Singapour. Nouvelle période d’adaptation. Insouciant, il avait laissé la fenêtre de son bureau ouverte, l’humidité de la ville a fini par rouiller sa machine à écrire. Il dut en acheter une autre.

15. Il a écrit : « Des milliers de soldats, parmi lesquels des fusiliers marins et des parachutistes, sont entrés ces derniers jours dans Jakarta, se postant près des universités, des écoles et des bâtiments publics. Des véhicules blindés se tiennent prêts et en différents points de la ville, on a positionné des mitrailleuses. »

16. Il a rencontré ma mère, probablement en 1970. Il avait trente-deux ans et elle vingt-six. Elle avait deux enfants.

17. Elle était mariée à un soldat, mais ce dernier souhaitait avoir une seconde femme ; il disparut de sa vie après qu’elle lui eut opposé un refus.

18. Elle confia ses enfants, un garçon et une fille, à sa sœur aînée afin de pouvoir gagner de l’argent à Jakarta.

19. Il écrivait chaque semaine sur l’Indonésie ; au bout d’un certain temps, il n’était plus le bienvenu. Il demanda à ma mère de venir aux Pays-Bas. Il ne le demanda pas à ses enfants.

20. Elle débarqua à Londres, où on la retint en temps qu’étrangère en situation irrégulière. Mon père dut se rendre en Angleterre pour obtenir sa libération. Elle effectua alors son premier voyage en avion.

21. Ils vécurent durant une brève période à La Haye, la ville de mon père, puis une brève période à Leyde, ensuite une brève période à Nieuw-Vennep. Le père de mon père, retenu selon ses dires en Italie par une affaire urgente, n’était pas présent à leur mariage.

22. Ils eurent un premier fils, puis un deuxième, et après leur installation à H., un troisième et dernier. C’est à H. que mon père avait passé les années de guerre avec son père, sa mère et son frère.

23. Les premiers enfants de ma mère vivaient toujours chez leur tante qui exigeait d’eux qu’ils cuisinent et fassent le ménage.

24. Ma mère ne retournait pas souvent là-bas. Une fois avec son benjamin alors qu’il était encore bébé, une autre fois sept ans plus tard.

25. Ses trois fils hollandais étaient doués pour l’école, pour le sport. Ils étaient frêles et timides.

26. Il reçut un peu d’argent de son père. Puis il subit l’ablation de la vésicule biliaire. Une nouvelle trace dessinait une croix sur son ventre. Au lit, il faisait des projets de voyage.

27. La famille partit. À Jakarta, ils logèrent chez son ancienne logeuse. Aucun de ses trois fils n’était alors à l’âge où l’on pose beaucoup de questions.

28. Il ne connaissait pas sa belle-famille. Ils arrivèrent dans le noir, avant le lever du jour. Les fils prirent peur en voyant leur mère fondre en larmes.

29. Une histoire qu’aurait rapportée la sœur aînée. Il partit et ordonna à tous de le suivre. Plus tard, il devait le regretter ou se crut disposé à pardonner. Quoi qu’il en soit, il devait rester avec leurs fils tandis qu’il demandait à sa femme de retourner à Solo.

30. À l’Hôtel Sabang de Jakarta, une semaine à attendre cette dernière.

31. Trois ans plus tard, il l’autorisa à y rester plus longtemps. À l’époque, il ne travaillait plus comme journaliste.

32. Il devait y revenir à plusieurs reprises, mais pour ne pas faire grand-chose de nouveau – il aimait routine. En 2003, il se mit en frais pour effectuer un grand voyage en Asie, hôtels de luxe pour tout le monde. Thé puis la queue pour prendre le taxi devant The Raffles. Son fils cadet ne les accompagnait pas.

33. Aux Pays-Bas, il regardait par moments dans son jardin, achetait de temps à autre une nouvelle voiture. Il portait encore et toujours un couteau dans sa veste.

34. Les premiers enfants de sa femme eurent des enfants.

35. La dernière fois qu’il y est retourné, il ne tenait plus debout sans sa canne. Il passa le plus clair de son temps sur la terrasse du fils de sa femme, fumant des cigares. Parfois, un chat gambadait devant lui, un des petits poissons-chats du voisin dans la gueule.

36. Il était où il était et ne bougeait plus d’un pouce.

37. « De notre envoyé spécial. »

 

9.

Douce,

Je suis né à la clinique et n’ai donc pas de maison natale. La Semarang d’aujourd’hui ressemble encore beaucoup à la Semarang d’autrefois. Widja m’a conduit à sa maison natale où son frère vit encore. Une villa conservée avec fierté. Là, le frère et la sœur m’ont montré en même temps la chambre où tous deux sont nés, où leurs parents et ancêtres sont nés. J’ai bu un bon café, ai feuilleté les livres qu’ils me tendaient.

Quand nous sommes repartis, elle a fait un signe de la main à son frère, lui a agité la sienne.

Utilise ces lettres afin d’oser tout me demander.

À toi pour toujours,

G

 

(1) Œuvre du romancier flamand Louis Paul Boon (1912-1979).
(2) Caniveaux.
(3) L’écrivain et journaliste Vincent Mahieu, connu aussi sous le pseudonyme Tjalie Robinson, de son vrai nom Jan Johannes Theodorus Boon (1911-1974). Il a passé une grande partie de sa vie en Indonésie.
(4) Allusion au roman Max Havelaar ou les ventes de café de la compagnie commerciale des Pays-Bas (1860) de Multatuli (trad. Philippe Noble, Actes Sud, collection Babel, 2003).

 

 

Traduit du néerlandais par Daniel Cunin

Podcast lu à haute voix par Guy De Hainaut


Daniel Cunin (1963) est traducteur littéraire néerlandais-français (W.F. Hermans, J. Slauerhoff, Louis Couperus, W.J. Otten, Vonne van der Meer, Stefan Brijs, Bart Moeyaert, Adriaan van Dis, Hafid Bouazza, Abdelkader Benali, Dirk van Bastelaere…). De 1995 à 2006, il a enseigné la traduction littéraire au sein du Département de Néerlandais de la Sorbonne-Paris IV. Depuis 2007, il collabore à Deshima (Revue d’Histoire Globale des Pays du Nord). Il partage sa passion des lettres néerlandaises avec les lecteurs de son blog.

 

Download de ePub-versie Print

9 letters to Maria M.

1.

My dear,

I’m back here again, but luckily this place is unfamiliar. Came from Jakarta, but that city doesn’t hold much for me. So on my way again, into the white coffin, restless yawns behind the windows. Don’t get distracted, there isn’t much time. You should see my eyes. I got into the habit of going to bed too late.

A little about Batavia, all the same. My father once told me he stumbled across my mother asleep outside. Here, but not here of course, in any case, not anywhere you or I would traverse in our dreams. It’s about home or the place he forgot to call that. After a night of drinking, he saw her slumped over like a useless watchman at the gate of his boarding house. Not enough details, how did he awaken her again? With a poke or a stroke or a whispered word, sweet or hostile? I grew older and got to tracing the contours of this knightly tale with fingers that became ever more pointed.

It’s still early days, forgive my wandering thoughts.

Simpang Lima is alive. A square with grass and a concrete path and palm trees and late children on roller-skates. It’s my view, my routine.

This city will feel my feet. You could tell from the greasy smell that I’d polished my shoes. Onwards, I must use the language of the street.

Just look it up on the map, Semarang. Or wait until I can point it out to you at last. My brother is smoking cigarettes a few hours away. I want to watch a film tonight. I learn the language and think up subtitles. Outside, people get words on their chests. They cannot read me.

Visited the old city, forgot to take photos. I saw someone at the cock market with tender hands. Black wings, the hands caressing clean water over the black breast. Later, in the church, I thought about a beached whale, about the grey stripes of whalebones. Dutch ministers aboard the East Indies Mayflower, a finger pointing at the green coastline.

Arrival, someone holding up my name after the sliding doors. Nets strung across the fields, a man smoking above the wet rice. The driver told me a story about the wrong Japanese war. The high sun hid my shadow. I’ll make something for you, perhaps that’s it, it doesn’t have to cost much. The journey by night. The hotel room.

 

2.

My dear,

Last night another circuit of the square, walked my lap. Said no, smiled at children, walked in the cigarette haze. Took photos, not too many. Wrote these words: ‘The arcade, plastic faces heads with headscarves, white heads faces with purple caps.’ When she was a child, my mother used to wash her hair with ashes.

I understand the passersby just enough not to have to listen. ‘Jalan-jalan, Boss?’ Pavement, street, car territory, motorbike territory; my walking is eccentric. From Sunday to Tuesday week, a few routes. Out of the lift, turn right, past yet another smiling boy holding the door, then briefly straight, to the engagement rings, then right again, past the children’s tables and raised beds, to the clown on the sofa, the red counter, outside at last, through the cars to the opening in the fence, the old women on the steps with their cups, then the tension of crossing over, arm held high, hurried steps to the other side, the hall with AC, the last coolness before the sun and the hot pavements and the unquenchable thirst.

This city had eight cinemas once. Jongkie Tio counted them for me. His fingers struggle with the keys now, but he still laughs at things that are funny, and grim. I jabbered away, he treated me to dinner in his restaurant.

My mother was thirteen when she and her father and her sisters were left behind. I don’t quite know him from the pictures I took of him. Had developed. Dodged and burned.

A tall man, like me. From horse and carriage to the roar of busy roundabouts. He must have pondered this on his veranda. He couldn’t read or write. Javanese is a language; my ears take it in as mumbles and grunts.

This is what he would say:

‘My dear daughter, you are there and I am here. Your mother recognized me as soon as I arrived. I knew right away it was her. Your sisters also arrived safely, they were hungry and asked how we were doing. We ate and listened to the distant tapping of a fork on a dish; the sounds are the same. We can see you, but don’t think that we are always watching. One day you’ll be here and then we’ll sit together, cool and quiet in the shadows, with a view of the sunlight on the empty street. I’m not an old man here anymore, don’t be alarmed when you see me. Stay there for as long as you can. We wanted to comfort you recently, but we couldn’t. You mother has trouble understanding you, don’t worry, I explained everything to her. She took me to a place I didn’t recognize, we all need to get used to it, it’s not a problem. Fruit is growing on the trees, the sun feels warm on my hand. There is space here for everything I left behind, but don’t come yet.’

 

3.

My dear,

Today to the market in the Chinese quarter. Flies on the chicken, ripe-smelling scallops, the whirring of the meat mincer’s engine. Clean carrots and tomatoes, melinjo, fat strings of petai beans, everything leaf and plastic and oil paper. No men at the tables, only me and I didn’t count. Squid in black water, it was already eight, too late in the day for ice. Parasols and unfolded boxes as cardboard awnings to provide shade over the central aisle.

A woman who offered to help carry for a trifle, a large basket tied to her back with a cloth. Sometimes she walked ahead, sometimes behind, she knew her stalls, where the hidden rot was, where to find bright fish eyes. She looked on the elderly side, but strong-bodied. There was competition, but she seemed like someone who would easily keep the other baskets at a distance.

She became my mother, of course. And that’s how I regarded her – with shame. Her servility, the way she had to keep adjusting the cloth on her shoulders that supported the heavy basket, the hollow laugh when her recommendations were ignored, the eagerness with which she appraised the wares, brought out products, the shamelessness, a suggestion of conspiracy, of commission, the rapid hands which seemed prepared for any form of survival.

My mother had worked on the market, as a child and young woman, that’s where it came from, from her stories. Luckily I knew her as someone different, as a lady, me walking behind her and carrying the bags of oranges and herring. The moneyed lady, all of a sudden on the other side. There must be people in her own country who still remember the girl she used to be, but see her approaching on the market now, smile and offer a hand, the gesture from lower to higher. And that’s how it should be. She’s earned it.

I bought nothing today but was given something. It was sweet, it had something meaty in it or a kind of root. Sticky rice in banana leaves, a greyish orange filling, my second breakfast. I chewed and looked outside, at the athletes on Simpang Lima. An Olympic morning, I saw javelin throwers, runners and long-jumpers. The swimming pool, a few storeys below my window, was empty. Four stars, a soft bed. Tell me I deserve it.

 

4.

My dear,

I came to this country for the first time in 1988 and back then a shop was a stall or a table or a narrow cubbyhole in a concrete row, or the oppressive space of Sarinah, where they had escalators and prices on the merchandise.

Shopping malls. They tried that in the Netherlands too.

Tempo dulu, the good old days. White collar, skinny moustache, shiny face. Veranda, tray, teak table. Club, the slow passing of time, a gun, guests around the house. Oil lamp, left-overs, brown body. The Dutch streets, goodbye mother goodbye father, photos and clammy letters. Dancing, school, a hand in the dark, weeks at sea. Snakes, childbirth, the running board, garrison. Audience, twilight, best friend, knees drawn up on the beach. Empty forest, soft path, eyes peering through shutters. Moon on the water, curses, concubines, a tiger’s tooth. Foreign relatives, engine dead, the last glass, everything, everything before the buffer stops of the camps.

Shopping malls. If you were here, you’d understand. Indonesia opens at 10 o’clock every day.

Saw a film last night, a horrible thing about the War of Independence. After a bit of searching, I discovered the film was called Merah Putih, after the Indonesian bicolor or all the blood on white skins, but I made that second one up. Brutish Dutch soldiers being given their just deserts by heroic Indonesian fighters. Perhaps I have become accustomed to a culture where even the hero turns his face away from any death he is responsible for. Only the enemy cheers when it massacres. In Birth of a Nation (1915) by D.W. Griffith, the heroes are members of the Ku Klux Klan. Griffith didn’t care. He was more interested in the sound of hooves, new places for the camera, flapping flags, crowds of people, smoke swirling from the barrels of the gun.

Shopping malls. The bourgeoisie has its governesses dress in nurse’s uniforms these days. They carry and hush the small children a few paces behind the parents. My iced coffee in front of me on the table, I read Abel Gholaerts, opened my post. It was cool and clean there. After that I took the escalator to the gleaming second floor. I had no reason to believe I wasn’t in Indonesia.

 

5.

My dear,

I have to tell you something about Semarang’s Chinese Admiral. We’re talking about Cheng Ho or Zheng He, a.k.a. Sam Po Tao Lang or Sam Po Tay Djien, an unusually tall man for his time (14th – 15th century). According to legend he was 7 chi tall (about 2 metres). His ancestry reads like Biblical genealogy. In any case, they say he had some Persian blood. Cheng Ho is a hero here, he is venerated, there’s a statue of him. He was a eunuch, not so unusual in that period. But he’s mainly known for his voyages of discovery. Seven expeditions, two of which were to this city’s coast.

If only I’d brought my Poems from the Chinese with me, with the black cover, by Amy Lowell, although she didn’t translate the poems herself. I feel an urge to write something accompanied by a quote. ‘Home is where the books are,’ Richard Burton (the actor) wrote. But I’m looking for something that has more to do with you or with this country or with everything I’m thinking about. (All those years of reading for an empty head)

When we arrived at the temple, Jongkie happened to be there too. He was acting as a guide for a man who’d moved from the Netherlands to Australia as a child. We looked at the gigantic candles on the square, Jongkie pointed something out, the man took a picture. Inside, everything was red and tiled, but also empty and unused. I didn’t see anyone praying. Jongkie went into the various niches, his Dutch was improving and whatever gaps there were in his knowledge of that fading language, he filled with English terms.

Earlier, in his restaurant, I’d asked him what had happened to the Chinese in Semarang during the ’98 crisis. Jongkie said that it hadn’t been as bad as in Solo or Jakarta. Anger could be appeased with money in Semarang.

He said: ‘They’re more willing to let you into the kampong.’

We lost Jongkie in the bustle of the Saturday evening market in the Chinese quarter. Men and women were singing their hearts out in the light of a television on the street opposite the stall we’d stopped at. Daniel had found some expensive pork satay somewhere, I had chicken on my skewers, from entrails to egg. We ate on the street until rain made the terraces uninhabitable. The speakers on the other side disappeared under bin bags. We waited under a canopy for the shower to finish, until water blew up our backs and shoulders. After that, it was a while before we dared to make a dash for it.

 

6.

My dear,

When I told her I was coming here, my mother (1944, Solo, average temp. 30°C) said: ‘Ugh. Hot.’ It is boiling hot here. The heat covers me every day with thick blankets during my walks. The sea breeze sweeps the sky clean for the sun. I wear long trousers, long sleeves.

Strange to think that my father was here in February – Indonesia I mean. He bought three pairs of Ray Bans with gold frames and green lenses. One pair for himself, one for my younger brother and another for my Indonesian brother. He stayed a few weeks, I’m not sure exactly how long, but he was back home in March in any case.

My mother said they would just sit there otherwise, no one would use them. She gave me the glasses, the wipe was still in its plastic wrapper. I took them home, packed them. They’re the glasses I’m wearing.

Semarang has pavements and concrete slabs over the gutters, I’ve even walked over ribbed paths for the blind. Sometimes I come across other walkers, usually older women, who squat in the shadows of bushes and trees to recover before the next leg.

Onwards. The last word on my nose, ahead of my shadow. Like ash in golden feathers. They might get stolen, I wouldn’t mind.

The fiancée of my younger brother, who wants to stay here, has a car. One day my father asked her to drive him to the coast. Semarang isn’t far from Solo so it has become that city’s coast. He leaned on his stick and stared out to sea. After ten minutes he wanted to go back. Seen the sea, not the sands of Ancol nor the waters of Tanjung Priok, but he’d seen the sea. Tick.

 

7.

I: I’m not Christmas.

G: I don’t come often enough for that.

I: Ingrate.

G: It’s not like you held me. Clothed me, put me to bed with a full belly.

I: You are rich. Come.

G: Now you sound like a beggar.

I: You’re insulting me.

G: Beggars are never insulted.

I: My pride is your pride. Watch out.

G: You’ve caught me too late for that. The idea of a heartland has long since abandoned me.

I: Think what you want. You can’t get rid of what you see the mirror.

G: You’re the only one who reminds me.

I: Your self-confidence has made you arrogant. But you’re no different from the rest.

G: Someone once mistook me for someone else on the street. I was a friend but then turned out not to be.

I: Be honest. It served you well.

G: I don’t know who I would have been otherwise. No one does.

I: Everything remarkable about you comes from me.

G: Everything is nothing.

I: Deniers are the worst.

G: I looked you up when I was younger, hung you on my bedroom wall.

I: Now I like you better. Your daughter has rendered you defenceless, your own new generation.

G: You won’t be anything more than a dream to her, some vague story.

I: Like any catalyst.

G: Chose a country, any country. You are coincidence.

I: But you’re here again now. They came to you through me.

G: I’ll write about you.

I: That book you’re always threatening with.

G: Your bones aren’t worth enough.

I: I’m a genre, a standard. Not a niche like you’d hoped.

G: What’s that smell? Are those the sweet scents? Stop it. I never saw you in a pith helmet, never saw your sickly ribs under the Japs.

I: Mahieu is mine. I saw you struggling through Max Havelaar.

G: My mother, my father. No one could endure you.

I: Where do you think your father is now?

G: I’ve worn batik shirts, said ‘selamat tidur’.

I: You’re a son, a true son.

G: I’ll kill you and bury you. I’ll tell my daughter where to find the body.

I: She’ll come. Bearing flowers.

 

8.

My dear,

Take good care of this letter.

1. In 1946, my grandparents and their two sons arrived by boat in Jakarta, formerly Batavia. In 1988, my father walked through the busy afternoon traffic, past house-fronts and streets, alleyways and closed doors, but couldn’t find his old house.

2. My father went to a Carpentier Alting Foundation school. On the class photo he’s as slender as the Indo boys.

3. He wasn’t a diligent student. His father interrupted a game of football to tell him he’d passed his exams. My father stopped to listen and then carried on playing.

4. One day he went somewhere on the back of his father’s bike, he wasn’t told where they were going. They arrived at a house. His father said he wouldn’t be long, but he was long and my father wasn’t allowed inside.

5. When Sukarno started stirring things up, his father burned his BS uniform in the back garden.

6. His father was the first to leave, in 1953.

7. His brother was expelled from school, something about having a sheet with answers too soon.

8. In 1956, only he and his mother were left. He had just a year to go, but it became too difficult. He’d lived there for ten years, from eight to eighteen.

9. From a child outside to a man inside. The transition wasn’t smooth. He’d just got his driving license and his first car (a Beetle) when he was hit by a truck. He was put on the terminal ward, but survived. He lost his spleen.

10. He studied economics for six months in Amsterdam. But his father didn’t give him enough money, he said. He signed up as a crew member on a Caltex ship.

11. Something about little sleep, lots of alcohol and looking for a key in a deep, thick layer of oil. Key found.

12. Back in the Netherlands again. He’d always been a keen reader. Opted for journalism. During the interview the man from Elsevier pointed out of the window and asked: ‘Relatives of yours?’ A branch of Peek & Cloppenburg. It was his version of success. That was how things used to be.

13. Chalk on the blackboard behind the bar on the Oude Molstraat, also something from the past. One tally per glass.

14. He spoke the language. In 1969, his first article appeared in Het Vrije Volk. He was still in Singapore at the time. He had to get used to it again. He’d thoughtlessly left his window open, the city’s humidity rusted his typewriter. He had to buy a new one.

15. He wrote: ‘Thousands of soldiers, including marines and paratroopers, have invaded Djakarta over the past few days and taken over universities, schools and government buildings. Armoured vehicles are being kept at the ready and machine guns have been positioned at several locations.’

16. He met my mother, probably somewhere in 1970. He was 32, she was 26 and the mother of two children.

17. She was still married to a soldier, but he’d wanted to take a second wife as well and when she’d refused, he’d disappeared.

18. She’d left her children, a boy and a girl, with her oldest sister so she could earn money in Jakarta.

19. He wrote about Indonesia every week and after a while he was no longer welcome. He asked my mother to come to the Netherlands. He didn’t ask her children.

20. She landed in London, where she was detained as an illegal immigrant. My father had to go to England to get her released. It was her first time on a plane.

21. They lived in The Hague briefly, then briefly in Leiden, briefly in Nieuw-Vennep. His father didn’t attend the wedding, he had urgent business in Italy, he said.

22. They had a son and then another one and after moving to H., they had their final son. My father had spent the war years in H. with his father, mother and brother.

23. My mother’s first children were still living with their aunt, who made them cook and clean.

24. She didn’t return often. Once with her youngest son when he was still a baby, another time seven years later.

25. All three of the Dutch sons were good at school, fast on the field. They were slender and shy.

26. His father gave him some money. After that he lost his gall bladder. A new track diagonally across his belly. He planned a trip from his bed.

27. The whole family went. They stayed with his old landlady in Jakarta. None of his three sons had reached the questioning age.

28. He didn’t know his in-laws. They arrived in the dark, before dawn. The sons were startled when their mother burst into tears.

29. Something her older sister must have said. He left and ordered everyone else to come too. Later he regretted it, or thought himself the forgiving type. Whatever the case, he would remain behind with the sons and she had to go back to Solo.

30. In Jakarta, in Hotel Sabang, waited for her for a week.

31. Three years later she could stay longer. By then he had stopped working as a journalist.

32. He would return several times, but not to do anything very different, he liked routine. In 2003, he splashed out on a big tour of Asia, multi-starred hotels for everyone. Tea and then the taxi queue in front of Raffles. His middle son didn’t go.

33. In the Netherlands he studied his garden and bought a new car from time to time. He still carried a knife in his coat pocket.

34. Her first children had children themselves.

35. The last time he went he could no longer stand without a stick. He mainly sat on the veranda at his wife’s son’s house and smoked his cigars. Occasionally a cat would dash past with one of the neighbour’s little catfish in its mouth.

36. He was where he was and didn’t venture any further.

37. ‘From our special correspondent’

 

9.

My dear,

I was born in hospital, no house to go back to. Semarang is still much like it was before. Widja took me to the house where she was born, her brother still lives there. A townhouse kept with pride. Inside, brother and sister simultaneously pointed out the room where they were born, where their parents and grandparents were born. I drank good coffee, leafed through the books they handed me.

Then we left, she waved to her brother, he waved back.

Use these letters as permission to ask me anything.

Forever yours,

G

 

 

Translated from Dutch by Michele Hutchison

Podcast read by Richard Wells


Michele Hutchison (UK, 1972) studied at UEA, Cambridge and Lyon and has lived in Amsterdam since 2004. She works as a freelance translator, editor and blogger. Recent translations include Craving by Esther Gerritsen, Fortunate Slaves by Tom Lanoye and La Superba by Ilja Leonard Pfeijffer.