32, Rue aux Juifs. Een tweespraak.

Chris Van Camp

Chris Van Camp

Chris Van Camp (Antwerpen, 1963) vat haar biografie liefst samen als: ‘ze deed alles wat je schrijvend ongestraft kan doen.’ Dat is ook ongeveer haar parcours. Telkens ze als een discipline min of meer onder de knie heeft, gaat ze een nieuwe schrijvende uitdaging aan. Haar columns uit De Morgen werden gebundeld in een boek Wild camperen op maandag. Verder werkt ze mee aan scripts voor tv, schrijft theatermonologen en prequels en sequels in boekvorm bij films en series. Sinds het schrijven van het Radioboek Mensen zoals wij legt ze zich meer en meer op fictie toe.

Close

Chartres Alle citybooks

Download de ePub-versie Print

32, Rue aux Juifs. Een tweespraak.

De Franse stad Chartres inspireerde Chris Van Camp tot een theatertekst. 32, Rue aux Juifs is een dialoog tussen de oude prof Marcel en zijn jonge geliefde Isis. Nadat Marcel lelijk ten val komt op het plein voor de kathedraal, horen we de overwegingen over verleden, heden en (onmogelijke?) toekomst van het stel. Kan een labyrint ook dienen om jezelf terug te vinden, in plaats van te verliezen?

 

Twee spelers, een oudere man en een jonge vrouw, richten zich allebei tot hun publiek. Ze spreken naast mekaar en vullen elkaar aan.

Marcel
Het is niets ergs. Een banale buil, meer niet.

Het moet de hitte buiten geweest zijn, en de plotse overgang naar de luwte van de kathedraal. Het labyrint zit er ook voor iets tussen. Misschien heb ik de voorbije weken te vaak die eigenzinnige kronkelpaden gevolgd.


Isis

Je wordt er nog gek van, Marcel.


Marcel

Isis begrijpt de plicht tot vorsen niet die een wetenschapper heeft. Ze begrijpt niet dat je elke steen moet omdraaien, elk spoor moet volgen om het vervolgens in twijfel te trekken. Ze houdt ook niet van feiten. Ze gelooft er niet in, zegt ze. Ze is jong en gulzig, ze wil liefst alle opties openhouden.


Isis

Ik had met hem te doen. Zoals hij daar zo verslagen zat. De elleboog op de keukentafel, het hoofd rustend in zijn hand. Die grote pleister op zijn voorhoofd maakte hem zo breekbaar. Het was niets ergs, zei hij. Hij was gevallen in de kathedraal. De vloer is er geboend door de eeuwen, daar is zelfs de stoerste rubberen zool niet tegen opgewassen. Hij let ook niet op waar hij loopt, als hij zo opgaat in zijn obsessief gedraaf door dat labyrint. Sakkerend op kinderen die er een spel van maken. Geërgerd door New Age-toeristen die er bizarre rituelen in opvoeren. Ik maak me ongerust over die zestiger die daar, in opperste concentratie, pijnlijk tegen de vlakte ging. Marcel. Professor emeritus Marcel Manievski.

Waar is de flamboyante man gebleven, die voor mij de deur naar de wereld openzette?


Marcel

Waarom heb ik haar meegebracht? Ze beweert dat het noodlot dat gedicteerd heeft, dat ik niet anders kon. Dat ik van haar hou. Dat ik me laaf aan haar jeugd. Ik? Iemand die verliefd kan worden op een duizend jaar oude madonna?

Misschien was het de lucht in de crypte die me zo draaierig maakte. Tenslotte is die benauwde ruimte eeuwenlang het toevluchtsoord van lijders aan al wat een ongelukkige onder de leden kan hebben. Voor velen werd het hun eindbestemming. Ze hebben zich daar een pleuris gehoest, geijld en gestonken… allemaal in de hoop dat de zwarte madonna met de geloken ogen zou pleiten om genade voor hun ziel. Zoveel rampspoed en rottigheid zijn niet te neutraliseren met een luchtverfrisser en wat vloerzeep.


Isis

We dachten allebei dat deze zomer in Chartres een nieuw licht op de dingen… op ons zou kunnen werpen. Maar het enige wat hem hier bezighoudt is dat eeuwige gewriemel in crypten en kerkers waar hij in kruipt om uitgerekend het licht te zien! Arme man.


Marcel

Isis! Ze was de derde studente van rechts op de tweede rij in de aula. ‘Jij heet dus echt zo? Zijn je ouders ouwe hippies of archeologen, egyptofielen?’ Isis! Dat zat zomaar op de schoolbanken, letterlijk naar hem op te kijken. Hoe gepredestineerd om geschiedenis te studeren kan een mens zijn. Ze haalde haar schouders op. Zij hield meer van Iris, of Luna. Kinderen houden zelden van hun naam. Met een naam als Isis word je in ieder geval geen caissière… Isis is één van de oudste en belangrijkste vrouwelijke godheden van het oude Egypte. Isis werd beschouwd als beschermvrouw van het gezin, de vrouwelijke vruchtbaarheid, de geneeskunde en de magie. Isis en haar tweelingbroer Osiris, kinderen van de god van de aarde en de godin van de hemel, trouwden en regeerden als koning en koningin over de Egyptische kosmos. Tot ver in de Romeinse tijd, maar ook geografisch was de verering van Isis wijdverbreid. Er zijn oude tempels voor Isis ontdekt aan de oevers van de Donau en de Theems. De mythe van Isis is blijven weerklinken door de mythologie en de symboliek van het christelijke tijdperk. De manier waarop de madonna met kind meestal wordt weergegeven, lijkt opvallend veel op de talloze afbeeldingen van Isis met Horus aan haar borst. Maria heeft ook veel benamingen van Isis overgenomen: Zetel der Wijsheid, Sterre der Zee en Koningin des Hemels. ..


Isis

We kennen elkaar vijftien jaar. Hij was een midden veertiger, ik een wicht van twintig. Hij mijn prof, ik zijn onbeschreven blad. Hij was zoveel boeiender dan de anderen. We deelden een humor die niemand anders begreep. Woordspelletjes, taalstrijd, pennengevechten … en passie bovendien. Tot hij zich verongelijkt ging voelen, miskend, een levend anachronisme. Tot hij de oorlog verklaarde aan de wereld en aan onze tijd.


Marcel

De ratio voorbij, zat ik vanmorgen naar het eeuwenoude beeld te staren. Als een ordinaire bedevaarder smeekte ik om antwoorden. Er zijn zoveel verwijzingen naar Isis… niet de mijne maar die van Osiris. Zoveel gelijkenissen met de oercultus uit Egypte, maar zo weinig sluitende bewijzen. Soms benijd ik hen die gewoonweg geloven, zij hebben niets te onderzoeken of te staven. Ik word zo moe van het willen weten.

Ik had me niet mogen laten afleiden. Het heeft zeker twee weken geduurd vooraleer mijn werk hier echt een aanvang nam. Ik volgde Isis, blindelings, verblind. We kuierden, zaten op terrasjes, dronken en aten meer dan goed voor ons was. We winkelden, stel je voor. Ik die me aansloot bij het leger der wachtende mannen die met droefenis in de ogen post vatten bij pashokjes. ‘Ja mooi, nee die is beter. Weet je wat, neem ze allebei!’ Wat kunnen mij die frivoliteiten schelen! Maar goed, zij beweerde dat onze relatie zulke banaliteiten af en toe nodig had. Wat kon ik zeggen. Ik zie hoe jonge nietsnutten naar haar kijken, hoe haar aanblik hun bloed doet stromen.

Ik zie hoe zij zich in die blikken wentelt als een krolse kat. Ik weet ook hoeveel moeite het haar kost om de rituelen van ons samenzijn uit te voeren. Gearmd lopen, de krant delen, haar handen die mijn schouders kneden, ik die haar rode jurk dichtrits, een zachte aai door mijn haar, mijn vingers op haar lippen, die vluchtige nachtzoen. Elke dag vallen ze haar zwaarder, de handelingen van onze gezamenlijkheid. Ik heb angst voor de weerzin die ik bij haar zal oproepen. Voor de onafwendbare haat.


Isis

Een doordeweekse midlifecrisis had ik kunnen begrijpen. Een motor voor de deur, te hippe kleren en de vraag of ik zijn grijzende haar zou willen verven.Dan had ik me vertederd en met lichte spot laten meeslepen met zoveel verweer tegen de vergankelijkheid. Maar dit tijdperk van verbittering hypothekeert ook mijn leven. Ik crepeer onder zijn negativisme, zijn eeuwige weerzin tegen alles en iedereen. Zonder hoop voel ik me verwelken. Vroegtijdig uitdoven door de zuurstof die hij opgebruikt in de stolp waaronder we leven.


Marcel

Ze doet zo haar best om niet los te laten. Ik ben zo leeg, ik heb haar niets meer te bieden dan oponthoud. Daarom zoek ik de kracht, de spirituele nieuwe vonk die toelaat om weer in vreugde te leven. Vreugde zou nog iets zijn om te delen. Momenteel delen we niets meer dan die kleine tweekamerflat in de Rue aux Juifs.


Isis

Zijn val kwam ongelegen. Als ik het zo zeg, lijkt dat vanzelfsprekend: vervelende of pijnlijke gebeurtenissen komen nooit gelegen. Maar dit is complexer dan je zou denken, een kwestie van slechte timing. Ik voel me schuldig. In het licht van de ratio totaal belachelijk, maar mijn magisch denken gaat wel vaker creatief aan de slag met oorzaak en gevolg.

Ken je het verschijnsel dat er in de natuur naast elke giftige plant een tegengif groeit? Wel, zo is het gekomen. Fabrice… was een redmiddel, meer niet, dat me voor de voeten liep achter de kathedraal, op de steile helling bij het labyrint van gras. Drie uur lang had ik het ondergaan, het doordrammen van Marcel over de symboliek van de roos, en ik was de uitputting nabij…


Marcel

In de oude culturen van het middellandsezeegebied was de roos opgedragen aan Venus of Aphrodite, en daarom leggen sommigen het verband met vrouwelijke seksualiteit. Maar Venus of Aphrodite stond voor veel meer dan alleen seks en seksualiteit. Ze stond voor de romantische liefde en voor de liefde op verscheidene niveaus en verwees niet uitsluitend naar de geslachtsgemeenschap. Ze droeg Eros in zich, maar ook iets van Agape. Als een teken van de romantische liefde wordt de kleur van de roos belangrijk. Het vroege kleursymbolisme van de roos was eenvoudiger dan tegenwoordig, want de hedendaagse, door de romantiek geïnspireerde taal van de roos is almaar complexer geworden naarmate de keuze aan kleurschakeringen bij de bloemist werd uitgebreid. Vroege en middeleeuwse christenen kenden rozen in slechts vier kleuren: wit betekende onschuldige of zuivere liefde, roze eerste liefde, rood ware liefde en geel vergeet het maar, het is voorbij.


Isis

…en het was nog lang niet voorbij. Hij declameert nog altijd zoals hij dat vroeger in de aula deed. Alleen ben ik nu de enige die luistert. Luistert? Ik ken de verhalen, de theorieën, door en door. Ik kijk naar de plekken en details die hij aanwijst. Ik knik wanneer hij zijn betoog staakt en bevestiging zoekt. Af en toe maak ik op zijn vraag een zin af.

Ik voel de blikken van de omstanders, ik hoor de commentaren. We zien er incestueus uit, ik weet het. De oudere man met zijn getaande, doorgroefde gezicht, de regenjas losjes om de schouders, en de dertiger in zomerjurk. Zo ziet de keerzijde van de medaille eruit. Van het mooie ereteken dat ik destijds kreeg opgespeld: teacher’s favourite. Nu moet ik hem nu delen met zijn dokter, zijn kwalen, en de vrouwen uit zijn historische boeken. Meer en meer.


Marcel

Wat echter in verband met Maria aan de roos belangrijk is, is de doorn. Het was een gangbare opvatting – die niet op de bijbel was geënt – dat rozen en rozenstruiken in de hof van Eden geen doornen hadden. Bijgevolg was een rozenstruik die afgebeeld stond in de buurt van Maria, in het bijzonder op een weergave van de maagd met het kind, altijd een verwijzing naar het paradijs.


Isis

Zo stel ik me de hel voor. Eerder koud dan warmhartig. Het zijn niet de vlammen maar de troosteloosheid en het totale gebrek aan perspectief die de diepte in trekken. ‘Zou het kunnen dat ik depressief ben?’ Ik zei het niet echt tegen Marie, een vriendin die al een paar uur pogingen deed om een conversatie met mij gaande te houden, het kwam er gewoon vanzelf uit. De weinige contacten die ik buiten hem nog heb, verknoei ik nu met mijn oeverloos deprimerend geweeklaag... Depressief? Marie gierde het uit, ze proestte. Alsof ik er beschamend laat was achtergekomen dat sinterklaas niet bestaat. Zoveel naïviteit werkt blijkbaar danig op de lachspieren. Ze kwam niet meer bij. Ze snoot haar neus, gniffelde nog wat na en sprak toen zonder overgang bijzonder ernstig: ‘Je moet er dringend tussenuit!’ Naar Ibiza, hersenloos shaken voor we er te oud voor zijn, of met een Vespa door Italië rijden in schandelijk korte jurkjes. Tango leren dansen in Buenos Aires, verstrengeld met zo’n naar tabak ruikende nachtdanser. Straatkinderen helpen in Bogota, het kappen van het regenwoud gaan tegenhouden… Marie vond dat ik dringend iets moest doen dat me weer zin zou geven in het leven. Anders ging ik vanbinnen dood en volgens haar kon je dat al een beetje zien gebeuren.

Maar het werd Chartres… met hem.


Marcel

Het was Maria die de aanzet gaf tot het proces van onze terugkeer naar het paradijs, naar de plaats waar de rozen zonder doornen zijn. De roos werd daarmee een symbool, een aanwijzing zo je wilt, van Maria’s rol bij de redding van de mens. Haar roos was een teken van genade; ergo werd het roosvenster ontworpen tot meerdere eer en glorie van Maria de moeder.


Isis

Hij blijft praten. De bel gaat nooit, zijn lessen duren een eeuwigheid. Bovendien ken ik het hele boekje al uit het hoofd. Toch ben ik de verdoemde zittenblijver. Zijn Maria-betoog wekt agressie bij mij op. Ik bijt op mijn lip om hem niet uit te schelden. Ik veranker mijn gebalde vuisten in mijn jaszak om hem niet te slaan. Hou op! Hou op! Jij wereldvreemde oude zeur. De woorden doen pijn als ze zich nog maar vormen in mijn hoofd. Ze gaan tekeer als giftige padden die met bolle vingertoppen hameren op mijn schedeldak. Ik moet naar buiten. Lucht!

Licht, vooral.


Marcel

Isis keert me de rug toe. Zonder iets te zeggen. Ze rent als bezeten. Regelrecht naar de zijingang. Onderweg botst ze tegen oude besjes en fotograferende Japanners aan. Niemand die haar afremt. Weg is ze. Mensen staren mij aan als was ik schuldig. Ik moet haar zo vreselijk overstuur gemaakt hebben. Terwijl ik alleen maar mooie dingen met haar deelde. Inzichten, wetenschap. Ik besluit haar niet achterna te gaan. Ik kan niet. Mijn benen wegen als lood. Mijn ruggengraat lijkt te verkruimelen. Een stoel, even zitten.


Isis

De buitenlucht doet mij goed. Alsof ik het leven zelf inadem. Ik loop, erger, ik huppel. Voor het eerst valt het mij op hoe mooi de terrassen achter de kathedraal zijn. Er zitten mensen te lezen, koppeltjes leunen innig verstrengeld tegen de eeuwenoude muren en kussen af en toe, als ze daar zin in hebben. Vier vrienden drinken wijn en spelen jeu de boules. Blij als een kind loop ik de trapjes af. Terras na terras dieper de vallei in. Verder weg van zijn kathedraal. Sneller en sneller, tot op de helling naast het labyrint van gras. Een steile afdaling, mijn voeten blijven rennen, als bezeten. Mijn armen molenwieken. Ik gil, ik weet het zeker. Net wanneer ik dreig neer te storten, is hij daar. ‘Oh oh, accident!’ Een knappe jongeman grijpt me vast om mij tot staan te brengen. We vallen samen op de grond. Onze kinderlijke, chaotische val brengt hem aan het lachen. Ik lach mee, zij het eerder uit schaamte. Groene grassprieten steken uit mijn haar, mijn knieën zijn geschaafd. Een hak van mijn sandaaltjes heeft het begeven en mijn rok hangt ergens halfstok. Wanhopig probeer ik me enigszins te fatsoeneren. De jongeman klimt de helling een eindje op en plukt mijn weg gekatapulteerde handtas van het gras. ‘Wat was dat voor een kamikazeactie? Ik ben Fabrice, uw redder.’ Hij steekt lachend zijn hand uit. Ik reageer wat onbehouwen, lees de codes van het beschaafd kennismaken niet meteen. Iets buiten mezelf stuurt me. Ik negeer zijn hand en kus hem op de wang. ‘Merci! Ik ben Isis.’ Isis, de handpop van de waanzin.


Marcel

‘Pardon!’ Ik hinder de priester op zijn pad naar het bizarre biechtlokaaltje. Dat is wat het is, anders kan ik het niet noemen. Tussen twee biechtstoelen zit er een lichtblauw geschilderd kamertje met een groot venster. Het lijkt wel een poppenhuis. De priester gaat naar binnen en steekt het licht aan. Geroutineerd hangt hij zijn overjas aan de kapstok en zet zich aan het tafeltje. Hij bladert in de krant die de vorige priester van wacht heeft achtergelaten. Een man op zijn werk. Is dit de nieuwe openheid van de kerk? Denkt men met het etaleren van huiselijkheid zielen te winnen? Hij legt de krant weg en verdiept zich in zijn gsm-verkeer. Het tafereel doet denken aan het beeld van de signerende auteur op een boekenbeurs, die geen volk trekt en zich achter zijn stapels onverkochte exemplaren een houding moet geven. De curé slaagt er niet echt in. Ik heb met hem te doen. Wij zijn allebei even werkloos. Ik zonder pupillen, hij zonder berouwvolle zondaars.


Isis

Ik wandel met de vreemde man door de stad. We lopen van het rijke verleden dat Marcel toebehoort naar de gezellige bovenstad waar het leeft. Niemand kijkt ervan op. We drinken kir op een terras onder de bomen. Fabrice is een jazzpianist uit Lyon, die is ingehuurd voor het zomerfestival van Chartres. Morgen treedt hij op met zijn eigen trio. Hij is een vlotte, spontane prater. Ik koketteer, ik weet het. Ik doe alsof ik aandachtig luister, friemel in mijn haar en vraag me af hoe het zou zijn om met hem te leven. De kir doet zijn werk. Fabrice streelt mijn wang. Heb ik tijd?Ik vraag het me ook af. Wat heb ik eigenlijk, buiten die onmetelijke tristesse die mijn vacuüm vult met leegte? Hij kust me. Anders dan Marcel. Mannen verleren de kunst van het kussen gaandeweg. Fabrice is nog jong, hij kust me vol op de mond. Gulzig en passioneel. Hij rekent af, neemt me bij de hand. Hitsigheid en haast jagen ons door het labyrint van straten. Hij troont me mee naar het dakappartement dat voor de duur van het zomerfestival het zijne is. Het is er warm. Ik heb me zelden zo welkom gevoeld.


Marcel

Hij ontvangt me niet in het gezellige kamertje. Hij verdoemt me tot een ouderwetse knieval in het aangrenzend donkerhouten hok. Ik weet niet waarom. Terwijl ik hem zonet nog fel belicht kon observeren als was hij een bonobo in de zoo, zit er nu een fijn raster tussen ons in. Tot zover de kerkelijke openheid. Ik adem de boenwasgeur in. De geur voert me terug in de tijd. Ik ben weer de jongen die het concept zonde niet eens begrijpt. De priester mompelt wat en dan luistert hij. Het woord is aan mij. Godverdomme, is dit zinsverbijstering? Wat doe ik hier? Ik die neerkijk op warrige psychologen. Ik die behalve goede wijn zelfs niets wil delen met vrienden… wil ik tot bekentenissen overgaan tegen een wildvreemde? Ik slik, mijn mond is droog. De woorden kraken: ‘Ik heb het recht niet haar te gijzelen. Ik maak haar ongelukkig, en ik ben me er bewust van. Ik ben haar emotioneel aan het uithongeren…’


Isis

Ik kijk uit over de stad. Leun genietend van het gevaar op de krakkemikkige balustrade van het balkonnetje. Fabrice staat achter me. Zijn handen strelen mijn contouren. De lenige vingers van de pianist bespelen mijn zinnen. Ik doe niets dan ontvangen. Ik blijf strak voor me uitstaren. Wellicht uit angst om mezelf te verliezen als ik de ogen sluit. Ik kan helemaal tot Parijs zien, zo lijkt het toch. Hij kust mijn hals. Mijn greep op de balustrade verstrakt. Ik ben me ongelofelijk bewust van wat er gebeurt. Niets in mijn lijf heeft zin om hem te stoppen. Zijn handen kneden zacht mijn borsten. Ik schaam me voor mijn verlossende zucht. Een hand tilt mijn rok omhoog en volgt de weg van mijn verlangen. Ik wil alles, alles nu.

Hij tilt me op als was ik een fijn poppetje en laat me in zijn armen drijven tot aan het onopgemaakte bed. Hij strijkt behoedzaam mijn haren naar achter en bestudeert mijn gezicht. Hij lacht. Ik omhels hem als een drenkeling. Zijn vingers wandelen over mijn rugwervels. We vrijen zoals alleen nieuwe geliefden dat doen, gefascineerd door elkaars nog niet vertrouwde lichaam. Vol overgave en tegelijk bang dat straks alles voorbij zal zijn.


Marcel

De schuld druipt van me af. Ik voel me de dief van haar jeugd, de sloper van haar onstuimigheid. Ik heb haar kinderen ontzegd. Haar vrouw-zijn als een bonsaiboompje beknot. Af en toe stijgt er gemompel op vanachter het raster. Protesterend gemor dat weigert schuld te zien in mijn biecht. Hoe kan zo’n man, die onmenselijke geloften aflegde, mijn rouw ook begrijpen? Ik heb iemand meegesleurd in mijn hardnekkigheid, mijn hardleersheid, mijn negatie van het leven zelf. Het maakt me triest. Ik wil geen achteloze vergeving zonder begrip. Ik vlucht uit het benauwde hokje. Laat de prevelaar verweesd achter. Mijn hoofd tolt. Iets drijft me naar het centrum van het labyrint… Ik ga niet langs de geijkte paden, ik loop meteen naar het hart. En daar gebeurt het, alsof een bliksemschicht mij treft. Ik hoor mensen gillen. Ik voel mijn lichaam instorten, mijn knieën kraken op de grond. Mijn vermoeide hoofd krijgt de impact van de koude steen te verduren. Daarna volgt de rust.


Isis

Ik kijk verwonderd naar de zuiderse man die naast me ligt te slapen. Ik ken hem niet en toch lijkt dit zo vertrouwd. Alles is verlopen volgens een eeuwenoud scenario. Een man begeert een vrouw en zij geeft zich over. Compleet. Mijn huid tintelt nog. Mijn geheugen kan zijn aanrakingen zo terug oproepen. Levendig zelfs. Hij was doortastend en teder tegelijk. Ik heb nog nooit met een mij volkomen vreemde man geslapen. Moet ik gaan voor hij wakker wordt? Zal ik een briefje achterlaten? Ik heb geen idee hoe het nu verder moet. Ik sluip stilletjes uit bed. Of liever: ik doe een poging. Zonder zijn ogen te openen grijpt hij mijn arm en trekt me weer tegen zich aan. Hij kust me en zegt hoe mooi en lekker ik ben. Zijn handen strelen me. Ik voel hoe hij weer bezit van me neemt. Ik bied geen weerstand, mompel hoogstens dat ik moet gaan… Hij hoort me niet, voelt alleen hoe gewillig ik blijf. Dit is mijn feest voor lichaam en ziel. Niet denken…

 

Marcel
Een nat doekje dat indringend naar citroen ruikt, brengt me terug bij bewustzijn. Met tegenzin. De roes van het wegglijden is heerlijk. Als de dood lijkt op het vacuüm waarin je verglijdt bij flauwvallen, kan ik niet wachten tot de man met zeis komt. ‘Hij is terug, arme kerel. Is hij hier alleen?’ Enkele bijna bejaarde dames op hun paasbest staan over mij gebogen. Het perspectief is niet flatterend. Ze zijn waarschijnlijk even oud als ik. Ze zijn vol goede wil en lopen over van zorg. Ik moet uit hun klauwen blijven. De priester komt eraan. Hij verjaagt de tros amateurverpleegsters en helpt me overeind. Gearmd lopen we naar een nis waar ik kan zitten. Het is wellicht zijn eigen plekje in de zon. ‘Niet weglopen.’ Hij zegt het streng, met vermanende vinger. Ik verroer me niet. Het briesje doet me goed. Vrijwel meteen komt hij terug met een gedeukte verbandkist. Als een médecin manqué begint hij me op te kalefateren. Pas nu hij het met watten wegveegt, besef ik dat mijn gezicht onder het bloed zat. Het ontsmettingsmiddel bijt, ik verbijt de pijn. Zorgzaam knipt hij de grootste pleister ooit af en behangt er mijn voorhoofd mee. Hij blijft me strak aankijken. Hij kijkt hoe ik het maak. Alles gaat goed, beter alleszins. Hij buigt zich voorover tot vlak bij mijn oor. Discreet en afgemeten, zoals alleen de clerus dat beheerst, legt hij mij de penitentie op en schenkt hij me absolutie: ‘Geef haar de vrijheid, en je schuld zal verdwijnen.’ Zijn hand rust vaderlijk op mijn schouder. Hij neemt afscheid en verdwijnt. Ik vat de tocht aan naar de Rue aux Juifs, voetje voor voetje.


Isis

De zon valt niet langer in streepjes door de balkonluiken. Ik moet gaan. Marcel! Hij weet niet waar ik uithang. We eten elke avond samen, hij heeft vast al honger. Naarstig pluk ik mijn kleren van de vloer. Plots overvalt me de schaamte die eigen is aan de verdrijving uit het paradijs. In de kleine badkamer reconstrueer ik mezelf tot ik weer de oude ben. Maar dan met meer glans, met fonkelende ogen en lippen rood van opwinding. Ik wil liefst wegrennen, ver van hier, om daarna ergens uit te hijgen en me te bezinnen. Maar zoveel lafheid laat Fabrice niet toe. Op mijn vlucht naar buiten loop ik recht in zijn armen. ‘Ik wil je terugzien. Echt, dit was niet zomaar iets… het is een begin, Isis, geen einde.’ Hij geeft me zijn telefoonnummer. ‘Jij belt, ik wacht. Morgen spelen we op de Place des Epards, ik zie je daar.’ We kussen, ik verzink in verwarring, schuld en verlangen. Nu blijven, nooit meer terug naar AF gaan… Het zou zo simpel zijn.


Marcel

Isis komt binnenstormen. Ze lijkt verwilderd, ze kijkt me aan als een bang dier. Mijn hoofdwonde stelt haar zeker niet gerust. Ze blijft op veilige afstand staan en slaat de handen voor de mond. Te laat, er valt niets meer te verhullen. Noch mijn kwetsbaarheid achter de pleister, noch haar gekuste mond achter haar vingers. 

 

Voor het eerst in de lezing kijken de twee spelers elkaar aan en richten het woord rechtstreeks tot elkaar.


Marcel

Het is niets ergs.


Isis

Ben je gevallen?


Marcel

Ik weet het niet precies, ik weet alleen dat ik weer naar huis wil.


Isis

Zo plots? Zal ik onze spullen pakken? En je werk? Hoe moet het dan met je werk?


Marcel

Ik pak mijn koffer wel. Jij blijft. Het appartement is nog zes weken voor jou. Maak het me niet moeilijk, wil je.


Isis

Waarom zou ik? Misschien moeten we…


Marcel

Isis! Er is geen ‘we’. Heb alsjeblief tenminste wat respect voor me en maak me niets wijs! Ik zie wat ik zie. Ik voel het, ik ruik het!


Isis

Het is niet wat je denkt.


Marcel

Godverdomme, bespaar me de clichés.


Isis richt zich tot het publiek.

 

Isis
Marcel kijkt me niet aan. Hij zit verslagen aan de keukentafel. Onaanraakbaar. Versteend in zijn fundamentele eenzaamheid. Ik durf niet te naderen.

Isis spreekt tegen Marcel.


Isis

Marcel, ik wil je geen pijn doen.


Marcel

Het noodlot heeft toegeslagen Isis, niet jij.


Isis

Ik heb zo mijn best gedaan Marcel, maar ik wist niet langer waar ik de kracht moest halen…


Marcel

Dat weet je nu wel, Isis. Laat me, zorg voor jezelf.


Isis

Hoe dan? Dacht je dat er een plan was?


Marcel

Nee, daar verdenk ik je niet van. In dat geval was je niet zo zichtbaar ongelukkig geweest.


Isis

Wat moet ik doen?


Marcel richt zich tot het publiek.


Marcel

Ze zinkt op haar knieën voor mijn voeten. Mijn verstand zegt dat het een normale respons op haar stimulus zou zijn als mijn hand nu troostend door haar haren zou strijken. Maar mijn hand weigert. Ze weigert te gaan waar anderen haar voor waren. Ik ben ook een man, ik ben niet louter geest en rede. Ik probeer mijn beven te bedwingen. God, wat heb ik de voorbije jaren vaak over dit onafwendbare moment gefantaseerd. Maar dit is het dus…en het is helemaal anders. Ik heb me verslikt in te veel vragen.


Isis spreekt tegen Marcel.

Isis
Wat moet ik doen, Marcel?

Marcel
Alles komt goed, Isis. Jij bent het die alle antwoorden hebt, niet ik. Ik heb je alleen maar omwegen laten maken, verder en verder weg van je waarheid.


Jazzy tune… Isis kijkt nog een keer naar Marcel en gaat weg. Marcel is verslagen, het hoofd gebogen.

Marcel
Sorry.

 

 

Podcast voorgelezen door de auteur en Jesse De Reu

 

Download de ePub-versie Print

32, rue aux Juifs Un dialogue

Avec 32, rue des Juifs, Chris Van Camp a écrit à Chartres un dialogue entre le vieux professeur Marcel et sa jeune flamme Isis. Une mauvaise chute de Marcel sur la place devant la cathédrale, donne lieu à une série de considérations sur le passé, le présent et un (improbable) avenir pour le couple. Ou est-ce qu’un labyrinthe peut aussi servir à se retrouver au lieu de se perdre ?

 

Deux acteurs, un vieil homme et une jeune femme, s’adressent tous deux à leur public. Ils parlent l’un à côté de l’autre et se complètent.

Marcel
Pas grave. Une simple bosse, rien de plus.

C’est sans doute à cause de la chaleur dehors et de la transition un peu brusque vers la tiédeur dans la cathédrale. Et puis, il y a aussi ce labyrinthe. J’ai peut-être un peu abusé de ses dessins tortueux ces dernières semaines.

Isis
Il te rendra fou, Marcel.


Marcel

Isis ne comprend pas le devoir de recherches du scientifique. Elle ne comprend pas qu’il faut retourner le moindre caillou, suivre la moindre trace pour ensuite les remettre en question. Elle n’aime pas trop les faits non plus. Elle n’y croit pas, dit-elle. Elle est jeune et gourmande, elle préfère garder toutes les options ouvertes.


Isis

J’avais un peu pitié de lui. À cause de sa façon d’être assis là, vaincu. Le coude appuyé sur la table de cuisine et la tête reposant dans sa main. Le grand pansement sur son front le rendait si fragile. Pas grave, dit-il. Il avait fait une chute dans la cathédrale. Le sol y est ciré par les siècles, même les semelles en caoutchouc les plus robustes n’y suffisent pas. C’est qu’il ne fait pas attention non plus où il met les pieds quand il se perd dans sa course obsessive à travers ce labyrinthe. Râlant sur les enfants qui en font un jeu. Irrité par les touristes New Age qui y exécutent des rites bizarres. Je me fais du mouron, moi, pour ce sexagénaire chutant si douloureusement alors qu’il était en pleine concentration. Marcel. Le professeur émérite Marcel Manievski.

Que reste-t-il de cet homme flamboyant qui m’a ouvert les portes de l’univers ?


Marcel

Pourquoi l’ai-je emmenée ici ? Elle prétend que la fatalité l’a imposé, que je ne pouvais faire autrement. Que je l’aime. Que je m’abreuve à sa jeunesse. Moi ? Moi qui serais capable de tomber amoureux d’une madone millénaire ?

Mais peut-être était-ce l’air dans la crypte qui me faisait tourner la tête. Au bout du compte, cet espace étouffant est depuis des siècles le refuge de ceux qui souffrent de tout ce qu’un misérable peut traîner comme saloperies sous la peau. Pour beaucoup, ce fut même le terminus. Ils y ont attrapé la crève, se sont mis à délirer, à puer… tout ça dans l’espoir que la madone noire aux yeux clos intercède en faveur du salut de leur âme. Tant d’infortune et de pourriture ne se neutralisent point à l’aide d’un désodorisant ou de savon de Marseille.


Isis

Nous pensions tous les deux que cet été à Chartres donnerait un nouvel éclairage sur les choses et… sur nous. Mais la seule chose qui l’intéresse ici est cet éternel tripatouillage dans des cryptes et des cachots où il s’enfonce précisément pour trouver la lumière !
Pauvre homme !


Marcel

Isis ! La troisième en partant de la droite au deuxième rang de l’auditoire. « Tu t’appelles réellement comme ça ? Tes parents étaient d’anciens hippies ? Des archéologues ? Des égyptophiles ? » Isis ! Et voilà qu’elle était simplement assise sur un banc d’école, les yeux levés vers lui. Était-il possible d’être davantage prédestinée à étudier l’histoire ? Mais elle haussait les épaules. Elle aurait préféré Iris, ou Luna, par exemple. Il est rare que les enfants aiment leur prénom. Avec un nom comme Isis, on ne devient de toute façon pas caissière… Isis est une des divinités féminines les plus anciennes et les plus importantes de l’Égypte antique. Elle y était considérée comme la patronnesse de la famille, de la fertilité des femmes, de la médecine et de la magie. Isis et son frère jumeau Osiris, nés du dieu de la terre et de la déesse des cieux, se marièrent et devinrent les souverains du cosmos égyptien. Jusque loin dans l’ère romaine. Géographiquement aussi, le culte d’Isis était très répandu. On a découvert d’anciens temples d’Isis tant sur les rives du Danube que de la Tamise. Le mythe d’Isis a continué à résonner dans la mythologie et le symbolisme de l’ère chrétienne. La façon dont est souvent représentée la madone avec son enfant ressemble manifestement beaucoup aux innombrables représentations d’Isis avec Horus à son sein. Marie a d’ailleurs repris de nombreux épithètes d’Isis : Siège de la Sagesse, Étoile de la Mer, Reine des Cieux…


Isis

On se connaît depuis quinze ans. Lui au milieu de la quarantaine, moi une jeunette de vingt ans. Lui mon prof, moi sa page vierge. Il était tellement plus passionnant que les autres. On partageait un humour que personne d’autre ne comprenait. Des jeux de mots, des enjeux linguistiques, des combats de plume… et par-dessus tout, la passion. Jusqu’à ce qu’il commence à se sentir traité injustement, ignoré, anachronisme vivant. Jusqu’à ce qu’il déclare la guerre à son époque et à la terre entière.


Marcel

J’étais là ce matin à fixer au-delà du raisonnable la sculpture séculaire. Comme le plus banal des pèlerins, je suppliais d’obtenir une réponse. Il y a tant de références à Isis… pas les miennes mais celles d’Osiris. Tant de ressemblances avec le culte originel en Égypte, mais si peu de preuves décisives. Parfois, j’envie ceux qui croient tout simplement, qui n’ont rien à examiner ou à prouver. Je me sens si las de vouloir savoir.

Je n’aurais pas dû me laisser distraire. Cela m’a pris au moins deux semaines avant que j’aie réellement entamé mon travail ici. Aveuglé, je suivais aveuglément Isis. On se baladait, on s’installait aux terrasses, on buvait et mangeait plus que de raison. On faisait les magasins, imaginez-vous ça ! Moi, me faisant recruter par l’armée de maris au regard ennuyé et triste, postés en attente près des cabines d’essayage. « Oui, c’est joli, non, celle-là te va mieux. Tu sais quoi, prends-les toutes les deux ! » Je n’en avais rien à foutre de ces frivolités ! Mais bon, elle prétendait que notre relation avait de temps en temps besoin de telles banalités. Qu’aurais-je pu dire ? Je vois comment de jeunes vauriens la regardent, comment sa simple apparition porte leur sang à ébullition.

Je vois comment elle se vautre dans ces regards comme une chatte en chaleur. Et je sais aussi combien ça lui coûte d’exécuter les rites de notre vie commune. Nous donner le bras, partager le journal, ses mains me massant les épaules, moi fermant la fermeture éclair de sa robe rouge, une petite caresse dans mes cheveux, mes doigts sur ses lèvres, un rapide baiser avant de nous endormir. Chaque jour, il lui en coûte davantage d’exécuter toutes ces actions de notre vie commune. J’ai peur de la répulsion que je provoquerai auprès d’elle. De la haine inévitable.


Isis

Un banal démon de midi, j’aurais pu comprendre. Une moto devant la porte, des fringues trop branchées et une requête de bien vouloir teindre ses cheveux grisonnants. Je me serais attendrie et laissée entraîner avec une petit air moqueur devant tant de résistance au caractère fugace du temps. Mais cette ère d’amertume hypothèque aussi ma vie à moi. Je crève de son négativisme, de son éternelle répugnance envers tout et tout le monde. Je me sens m’étioler sans la moindre ondée d’espérance, m’éteindre précocement par manque d’oxygène puisqu’il consomme tout sous la cloche dans laquelle nous vivons.


Marcel

Elle fait tellement son possible pour ne pas lâcher. Je suis si vide. Je n’ai plus rien à lui offrir que du temps d’arrêt. C’est pourquoi je cherche la force, la nouvelle étincelle spirituelle permettant de vivre à nouveau dans la joie. La joie serait encore quelque chose à partager. Pour l’instant, on ne partage plus rien sinon le petit F2 de la rue aux Juifs.


Isis

Cette chute est vraiment mal tombée. En le disant ainsi, cela paraît d’une telle évidence : les événements pénibles ou douloureux tombent toujours mal. Mais là, c’est bien plus complexe que cela, une question de mauvais timing. Je me sens coupable. Raisonnablement, c’est totalement ridicule, mais il n’est pas rare que ma réflexion magique s’emmêle les pinceaux quand il s’agit des liens entre cause et effet.

Vous connaissez ce phénomène naturel qu’à côté de chaque plante vénéneuse pousse aussi l’antidote ? C’est arrivé ainsi. Fabrice… était une bouée de sauvetage, rien de plus, sur laquelle j’ai trébuché derrière la cathédrale, sur la pente raide du labyrinthe de gazon. Marcel venait de me casser les oreilles pendant trois heures en pérorant sur le symbolisme de la rose et j’étais au bord de l’épuisement…


Marcel

Dans les cultures anciennes des régions méditerranéennes, la rose était dédiée à Vénus ou Aphrodite et c’est la raison pour laquelle certains établissent un lien avec la sexualité féminine. Mais Vénus – ou Aphrodite – représentait bien davantage que le sexe ou la sexualité. Représentant aussi l’amour romantique et l’amour à différents degrés, elle ne désignait certes pas exclusivement l’acte charnel. Elle portait Eros en son sein, mais aussi un peu d’Agapè. En tant que signe de l’amour romantique, la couleur de la rose prenait alors de l’importance. L’ancien symbolisme des couleurs de la rose était plus simple qu’aujourd’hui, car le langage de la rose inspiré par le romantisme est devenu de plus en plus complexe au fur et à mesure que la palette de nuances s’enrichissait chez le fleuriste. Les premiers chrétiens et ceux du moyen âge ne connaissaient que quatre couleurs de roses : la blanche pour l’amour innocent ou pur, la rose pour le premier amour, la rouge pour l’amour vrai et la jaune pour dire oublie-moi, c’est fini.


Isis

… et c’était loin d’être fini. Il déclame encore toujours comme il le faisait jadis dans l’auditoire. Seulement, je ne suis plus que la seule à écouter. Écouter ? Je connais ses histoires et ses théories sur le bout des doigts. Je regarde les endroits et les détails qu’il pointe. Je hoche la tête quand il interrompt son exposé en quête d’un signe d’approbation. Parfois, à sa demande, je finis une de ses phrases.

Je sens les regards des passants, j’entends les commentaires. On dégage comme un air d’inceste, je le sais bien. Le monsieur vieillissant au visage tanné creusé de rides, à l’imper nonchalamment jeté sur les épaules, et la jeune femme dans la trentaine en robe d’été. Voilà le revers de la médaille, de cette belle médaille dont je fus honorée jadis : la chouchou du prof. Maintenant, je dois le partager avec son médecin, ses maux divers, les femmes dans ses livres historiques. De plus en plus.


Marcel

Mais ce qui importe dans la rose par rapport à Marie, c’est l’épine. Il était communément admis – sans la moindre référence biblique – que dans le jardin d’Eden, roses et rosiers n’avaient point d’épines. Par conséquent, la représentation d’un rosier dans l’entourage de la Vierge, en particulier de la Vierge avec l’enfant, faisait indubitablement référence au paradis.


Isis

C’est ainsi que je m’imagine l’enfer. Plutôt froid que chaleureux. Ce ne sont pas les flammes mais la désolation et l’absence totale de perspective qui entraînent vers l’abîme. « Serait-il possible que je déprime ? » Je ne l’ai pas dit consciemment à Marie, une amie à qui revenait tout le mérite d’une conversation qu’elle tentait depuis deux heures d’entretenir avec moi, c’est sorti comme ça… Déprimer ? Marie s’est esclaffée, elle pouffait de rire. Comme si je venais de découvrir scandaleusement tard que le Père Noël n’existait pas. Tant de naïveté fait apparemment tordre de rire. Elle n’arrivait pas à se reprendre, elle se moucha le nez, eut encore quelques petits coups de rire et prit sans transition un ton particulièrement sérieux : « Tu as un besoin urgent de changement d’air ! » Partir à Ibiza et sortir en boîte à y perdre la boule avant qu’on soit trop vieilles ou traverser l’Italie à Vespa vêtues de jupes outrageusement courtes. Apprendre à danser le tango à Buenos Aires, enlacées à un de ces danseurs nocturnes sentant le tabac. Partir au secours des enfants des rues à Bogota, aller empêcher l’abattage de la forêt amazonienne… Marie estimait qu’il était urgent d’entreprendre un truc pour que je retrouve le goût de vivre. Sous peine de mourir intérieurement à petit feu ce qui, à son avis, avait déjà visiblement commencé.

Mais ce fut Chartres… avec lui.


Marcel

C’est Marie qui fit démarrer le processus de notre retour au paradis, vers l’endroit où les roses sont sans épines. Par là, la rose devint le symbole, une indication si on préfère, du rôle de Marie dans le salut de l’homme. Sa rose devint un signe de grâce et c’est ainsi que fut créée la rosace à la gloire de Marie en tant que mère.


Isis

Et il continue de parler. Pas de sonnette pour lui, ses cours durent une éternité. En plus, je connais tout le livret par cœur. Ce qui ne m’empêche pas de redoubler éternellement, comme une damnation. Sa démonstration mariale suscite les pires instincts en moi. Je me mords la lèvre pour ne pas l’insulter. J’enfonce mes poings fermés au fond de mes poches pour ne pas le battre. Arrête ! Arrête ! Espèce de vieux radoteur déphasé. Les mots me font mal dès qu’ils se forment dans ma tête. Ils se démènent comme des crapauds venimeux qui tapent de leurs bouts de doigts arrondis sur les parois de mon crâne. Il faut que je sorte. De l’air !

De la lumière surtout !


Marcel

Isis me tourne le dos. Sans rien dire. Elle court comme une forcenée. Tout droit vers la sortie latérale. En passant, elle se cogne à de petites vieilles ou à des Japonais n’ayant d’yeux que pour l’objet à photographier. Personne ne la retient. La voilà partie. Les gens me fixent comme si c’était moi le coupable. J’ai dû la bouleverser terriblement. Alors que je ne partageais que de jolies choses avec elle. Des idées, de la science. Je décide de ne pas la suivre. Je ne peux pas. Mes jambes pèsent des tonnes. Ma colonne vertébrale semble partir en miettes. Une chaise. Un moment.


Isis

L’air frais me fait du bien. Comme si je respirais la vie même. Je cours, non, je sautille. Je remarque pour la première fois combien les terrasses derrière la cathédrale sont avenantes. Il y a des gens qui lisent, des couples tendrement enlacés contre les murs séculaires, qui s’embrassent de temps en temps selon que l’envie leur en prend. Quatre copains boivent du vin et jouent à la pétanque. Avec un bonheur enfantin, je descends les étroits escaliers. Terrasse après terrasse, plus avant dans la vallée. Toujours plus loin de sa cathédrale à lui. De plus en plus vite, jusque sur la pente à côté du labyrinthe en pelouse. La pente est raide, mes pieds m’emportent, comme ensorcelés. Mes bras moulinent. Je crie, j’en suis sûre. Et juste au moment où je risque de m’écraser, il est là. « Oh, oh, accident ! » Un beau jeune homme m’attrape pour m’arrêter. On fait ensemble la culbute avant de se retrouver par terre. Cette chute enfantine et chaotique le fait rire. Je ris avec lui, fût-ce plutôt de honte. Des brins d’herbe verts dépassent de mes cheveux, j’ai les genoux égratignés. Le talon d’une de mes sandales s’est détaché et ma jupe est toute de travers. J’essaie désespérément de me refaire tant bien que mal une beauté. Le jeune homme remonte un bout sur la pente et cueille mon sac qui a été catapulté sur la pelouse. « C’était quoi, cette action kamikaze ? Je m’appelle Fabrice, votre sauveur. » Il me tend la main en riant. Je sens ma réaction un peu fruste, je ne reconnais pas d’emblée les codes de la rencontre civilisée. Quelque chose hors de moi me propulse. J’ignore sa main et lui donne une bise sur la joue. « Merci ! Je m’appelle Isis. » Isis, marionnette de la folie.


Marcel

« Pardon ! » Je barre involontairement la route au prêtre qui se rend vers le bizarre petit espace de confession. Je n’ai pas d’autre mot pour le désigner. Entre deux confessionnaux a été aménagée une petite pièce peinte en bleu clair avec une grande fenêtre. Elle a l’air d’une maison de poupée. Le prêtre y pénètre et allume la lumière. De manière routinière, il accroche son manteau au porte-manteau et s’installe à la petite table. Il feuillette le journal abandonné par le prêtre de garde qui l’a précédé. Un homme au boulot. Ça ferait partie de la nouvelle ouverture de l’église ? On pense gagner des âmes en faisant étalage d’une certaine familiarité ? Il écarte le journal et se plonge dans la consultation de son portable. Le tableau évoque un auteur en séance de signature pendant une foire du livre : ne voyant venir personne, il doit bien se donner un air derrière son tas de livres invendus. Monsieur le curé n’y réussit pas vraiment. J’ai un peu pitié de lui. Nous sommes tous les deux sans emploi. Moi sans élèves, lui sans pécheurs repentants.


Isis

Je me balade en ville avec cet homme étranger. Nous passons de la partie riche en histoire appartenant à Marcel à l’animation et la convivialité de la ville haute. Personne ne s’étonne. Nous prenons un kir à une terrasse sous les arbres. Fabrice est pianiste de jazz à Lyon, mais présentement sous contrat pour le festival d’été de Chartres. Il joue demain avec son propre trio. Il a la parole facile et spontanée, je fais la coquette et je le sais. Je fais semblant de l’écouter attentivement, je tripatouille mes cheveux et me demande comment ce serait de vivre avec lui. Le kir ne rate pas ses effets. Fabrice caresse ma joue. J’ai du temps devant moi ? C’est ce que je me demande, moi aussi. Qu’ai-je d’autre, en fait, hors cette tristesse incommensurable qui remplit mon vide avec du rien ? Il m’embrasse. Autrement que Marcel. Les hommes désapprennent au fur et à mesure à embrasser. Fabrice est jeune encore, il m’embrasse en plein sur la bouche. Goulûment, passionnément. Il paie et me prend par la main. L’ardeur soudaine et la hâte nous poussent à travers le labyrinthe de ruelles. Il m’entraîne vers l’appartement sous les combles qu’il occupe pour la durée du festival d’été. Il y fait chaud. Je me suis rarement sentie aussi bien venue.


Marcel

Il ne me reçoit pas dans la petite pièce conviviale. Il me condamne à une génuflexion démodée dans le cagibi attenant en bois sombre. J’ignore pourquoi. Alors qu’il y a à peine un instant, je l’observais encore en pleine lumière comme s’il avait été un bonobo au zoo, nous sommes maintenant séparés par un treillis très fin. L’ouverture ecclésiale a ses limites. Je respire l’odeur de la cire. Je me trouve projeté en arrière dans le temps. Je suis de nouveau le petit garçon qui ne comprenait même pas le concept de péché. Le prêtre marmonne un truc et puis il écoute. La parole me revient. Nom de Dieu, mais c’est une aberration ! Qu’est-ce que je fous là ? Moi qui méprise l’embrouillamini des psychologues. Moi qui, mis à part un bon vin, refuse de partager quoi que ce soit avec des amis… je suis sur le point de passer aux aveux envers un parfait étranger ? Je déglutis, ma bouche est sèche. Les paroles grincent comme un vieux parquet : « Je n’ai pas le droit de la garder en otage. Je la rends malheureuse et j’en suis conscient. Je suis en train de l’affamer émotionnellement… »


Isis

Je contemple la ville de haut. Jouissant du danger, je m’appuie sur la balustrade décrépite du petit balcon. Fabrice est derrière moi. Ses mains caressent mes contours. Les doigts agiles du pianiste interprètent une partition pour tous mes sens. Je me contente de recevoir. Je garde le regard fixé droit devant moi. Peut-être de peur de me perdre corps et âme en fermant les yeux. J’ai l’impression que mon regard porte jusqu’à Paris. Il m’embrasse dans le cou. Mes mains se raidissent sur la balustrade. Je suis incroyablement consciente de ce qui se passe. Pas une seule parcelle de mon corps n’a envie de l’arrêter. Ses mains pétrissent doucement mes seins. J’ai un peu honte de mon soupir de délivrance. Une main relève ma jupe et poursuit le chemin de mon désir. Je veux tout. Tout et tout de suite.

Il me soulève comme si j’étais une mince poupée et ses bras me portent sur une vague jusqu’au lit défait. Il écarte avec soin les cheveux de mon visage pour l’examiner de près. Il rit. Je l’embrasse comme une naufragée. Ses doigts font des arpèges sur ma colonne vertébrale. Nous faisons l’amour comme le font des amants tout neufs, fascinés réciproquement par nos corps pas encore familiers. Totalement abandonnés mais en même temps inquiets que tout puisse se terminer tout à l’heure.


Marcel

Je baigne dans la culpabilité. Je me sens le voleur de sa jeunesse, le démolisseur de son impétuosité. Je lui ai dénié l’enfantement. Comme pour un bonsaï, j’ai rogné sa féminité. De temps en temps, un marmonnement monte de derrière la grille. Un grognement de désaccord qui refuse de reconnaître une culpabilité dans ma confession. Comment un homme pareil, ayant prononcé des vœux inhumains, serait habilité à comprendre mon deuil ? J’ai entraîné quelqu’un dans mon obstination, mon entêtement, ma négation de la vie même. Ça me rend triste. Je ne veux pas d’un pardon nonchalant sans réelle compréhension. Je m’échappe de l’oppression de cet isoloir. J’abandonne l’ombre marmonnante à sa solitude. La tête me tourne. Quelque chose me pousse vers le centre du labyrinthe… Je ne prends pas le cheminement balisé, j’avance droit vers le cœur. Et c’est là que… comme si j’avais été frappé par la foudre. J’entends hurler des gens. Je sens mon corps s’effondrer, mes genoux craquent sur le sol. Ma tête fatiguée accuse l’impact des pierres froides. Après s’installe un calme plat.


Isis

Je contemple avec étonnement l’homme de type méridional qui dort à mes côtés. Je ne le connais pas et tout cela me semble néanmoins si familier. Tout s’est déroulé d’après un scénario séculaire. Un homme désire une femme et elle s’abandonne. Totalement. J’en ai encore des fourmillements sur la peau. Ma mémoire peut reconstituer sur-le-champ toutes ses caresses. Vivement même. Il a été ferme et tendre en même temps. Je n’ai encore jamais couché avec un homme qui me soit totalement étranger. Vaudrait-il mieux que je m’en aille avant qu’il se réveille ? Dois-je laisser un mot ? Je n’ai pas la moindre idée de la suite à donner à cette histoire. Je glisse doucement hors du lit. Ou plutôt : j’essaie. Sans ouvrir les yeux, il m’attrape par le bras et me ramène tout contre lui. Il m’embrasse et me dit combien je suis belle et bonne. Ses mains me caressent. Je sens comment il reprend possession de moi. Je ne résiste pas, susurrant tout au plus qu’il faut que je m’en aille… Il ne m’entend pas, sentant seulement combien je demeure docile. Ceci est une fête pour mon corps et mon âme. Ne pas réfléchir…


Marcel

Une lingette humide à l’odeur pénétrante de citron me ramène parmi les vivants. À contrecœur. C’est une merveilleuse ivresse que de se sentir partir. Si la mort ressemble à ce vide dans lequel on glisse en s’évanouissant, je suis presque impatient de voir arriver la camarde. « Il revient, le pauvre homme. Il est seul ici ? » Quelques dames endimanchées d’un certain âge sont penchées au-dessus de moi. Un angle pas très flatteur. Elles doivent avoir approximativement mon âge, pleines de bonne volonté et débordant de sollicitude. Il faut m’arracher de leurs griffes. Voilà l’abbé. Il écarte la grappe d’infirmières d’occasion et m’aide à me relever. Bras dessus bras dessous, nous progressons vers une niche où je peux m’asseoir. C’est peut-être sa propre petite place au soleil. « Ne vous enfuyez pas ! » Il le dit d’un ton sévère, le doigt levé en guise d’avertissement. Je ne bouge pas. La petite brise me fait du bien. Il revient presque aussitôt avec une boîte de secours cabossée. À la manière du médecin ayant raté sa vocation, il entreprend de me remettre en état. Ce n’est que maintenant, en voyant les cotons, que je me rends compte que mon visage était couvert de sang. Le désinfectant me brûle, j’essaie de refouler la douleur. Avec le plus grand soin, il découpe le plus grand pansement imaginable et l’applique sur mon front. Pendant toute l’opération, il n’arrête pas de me fixer. Il tente de savoir comment je vais. Tout va bien, ou du moins, mieux. Il se penche en avant jusqu’à presque toucher mon oreille. De façon posée et discrète, selon un art que seul maîtrise le clergé chevronné, il m’impose la pénitence en me donnant l’absolution : « Rends-lui sa liberté et ta culpabilité disparaîtra. » Il a posé une main paternelle sur mon épaule. Il prend congé et disparaît. J’entreprends le voyage vers la rue aux Juifs, pas à pas.


Isis

Le soleil ne pose plus ses rayures à travers les volets du balcon. Il faut que j’y aille. Marcel ! Il ne sait pas où je suis. On est toujours ensemble pour le dîner, il doit commencer à avoir faim. Avec application, je cueille mes vêtements éparpillés par terre. Soudain, la honte particulière de se sentir évincée du paradis, me tombe dessus. Dans la petite salle de bain, je me reconstruis jusqu’à retrouver mon ancien moi. Mais un moi plus rayonnant, les yeux brillants et les lèvres rouges d’excitation. Je voudrais surtout m’enfuir loin d’ici, courir avant de m’arrêter quelque part pour retrouver mon souffle et ma raison. Mais Fabrice fait obstacle à tant de lâcheté. En voulant fuir, je tombe tout droit dans ses bras. « Je veux te revoir. Vraiment. Ce n’était pas seulement… tu sais… c’est un commencement, Isis, pas une fin. » Il me donne son numéro de téléphone. « Tu appelles. Moi, j’attends. Demain, on joue sur la place des Épards, je te verrai là. » On s’embrasse, je suis submergée de confusion, de culpabilité et de désir. Rester, maintenant, ne plus jamais passer par la case départ…. Ce serait si simple.


Marcel

Isis entre en trombe. Elle a l’air hirsute, elle me regarde comme un animal anxieux. Ma blessure à la tête n’est pas faite pour la rassurer. Elle demeure à distance tout en portant les mains devant la bouche. Trop tard, il n’y a plus rien à cacher. Ni ma vulnérabilité derrière le pansement, ni sa bouche encore rouge de baisers derrière ses mains.

 

Pour la première fois de cette lecture, les acteurs se regardent et s’adressent directement la parole.


Marcel

Ce n’est pas grave.


Isis

Tu es tombé ?


Marcel


Je ne sais pas exactement, je sais seulement que je veux rentrer.


Isis

Tout d’un coup ? Tu veux que je fasse nos valises ? Et ton boulot ? Comment feras-tu pour ton boulot ?


Marcel

Je ferai ma valise. Toi, tu restes. Il te reste six semaines dans cet appartement. Ne me rends pas les choses plus difficiles encore, tu veux ?


Isis

Pourquoi le ferais-je ? Peut-être devrions-nous…


Marcel

Isis ! Il n’y a plus de ‘nous’ ! Aie au moins un peu de respect pour moi et ne me raconte pas de salades ! Je vois ce que je vois. Je le flaire, je le sens !


Isis

Ce n’est pas ce que tu penses.


Marcel

Nom de Dieu ! Tu pourrais au moins m’épargner les clichés.

 

Isis s’adresse au public.

 

Isis
Marcel ne me regarde pas. Il reste assis à la table de cuisine, abattu. Intouchable. Pétrifié dans sa solitude fondamentale. Je n’ose pas m’approcher.

 

Isis se tournant vers Marcel.

 

Isis
Marcel, je ne veux pas te faire de mal.


Marcel

C’est la fatalité qui a frappé, Isis, pas toi.


Isis

J’ai tellement fait mon possible, Marcel, mais à la longue, je ne savais plus où puiser la force…


Marcel

Maintenant tu le sais, Isis. Laisse-moi, prends soin de toi.


Isis

Et comment ? Tu penses que ça fait partie d’un plan ?


Marcel

Non, je ne te suspecte pas de ça. Dans ce cas, tu n’aurais pas eu l’air si ostensiblement heureuse.


Isis

Que dois-je faire ?

 

Marcel s’adressant au public.

 

Marcel
Elle glisse à genoux à mes pieds. Ma raison me dit que la réponse normale au stimulus émanant d’elle serait de passer une main réconfortante dans ses cheveux. Mais ma main refuse. Elle refuse d’aller là où d’autres l’ont précédée. Je suis un homme de chair aussi, pas uniquement d’esprit et de raison. Je m’efforce de maîtriser mes tremblements. Mon Dieu, combien de fois au cours des dernières années ne me suis-je pas imaginé cet instant inéluctable ! Mais le voici donc… et il est tout à fait différent. Je me suis embrouillé dans trop de questions.

 

Isis s’adresse à Marcel.

 

Isis
Et je fais quoi maintenant, Marcel ?


Marcel

Tout ira bien, Isis. C’est toi qui as toutes les réponses, pas moi. Moi, je t’ai seulement fait faire des détours, en t’éloignant toujours plus de ta vérité.


Petit air jazzy… Isis regarde une dernière fois Marcel et puis s’en va. Marcel demeure abattu, tête baissée.

 

Marcel
‘xcuse-moi.

 

 

 

Traduit du néerlandais par Michel Perquy

Lu à haute voix par Gwennaelle Anglade et Thierry Plantegenet


Michel Perquy traduit du et vers le français. Il est né à Bruges (1943) et a étudié les langues romanes à la KULeuven, après ses humanités gréco-​latines. En tant que professeur de français, il était très actif dans le théâtre de son école et, dans cette optique, il a commencé à traduire (Boris Vian, Molière, Giraudoux, René Girard). Ensuite, il a été nommé directeur adjoint de la Maison des Etudiants belges à Paris et il a continué à développer ses activités de traduction (www.perquy.net). Actuellement, il habite à Bruxelles. Traduire et peindre (www.oparijs.eu) sont ses activités principales.

 

Download de ePub-versie Print

32, Rue aux Juifs. A dialogue

In Chartres, Chris Van Camp wrote 32, Rue aux Juifs, a dialogue between the old professor Marcel and his lovely young thing Isis. After Marcel takes a bad fall on the square in front of the cathedral, we become privy to the careful considerations of the past, present and (impossible?) future of the couple. Can a labyrinth also serve as a means by which to find yourself, rather than only to lose your way?

 

Two actors, an older man and a young woman both turn to face the public. They speak in turn, each taking up where the other leaves off.

 

Marcel
It’s nothing serious.

Just a bump on the head, that’s all. It must have been the sudden transition from the heat of the day into the cool of the cathedral. And there’s something about that labyrinth, poised in the middle. Perhaps I followed its wayward, winding paths too often these past weeks.


Isis

You’ll drive yourself mad at this rate, Marcel.

 

Marcel
Isis doesn’t understand an academic’s duty to get to the bottom of an issue. She doesn’t understand that you have to turn over every stone, follow every trail and then cast doubt on your findings. She doesn’t like facts, either. She doesn’t believe in them, she says. She’s young and greedy, she wants to keep all options open.


Isis

I felt sorry for him. He looked so defeated sitting there, leaning on the kitchen table with his head in his hands. The big plaster on his forehead made him look so vulnerable. It was nothing to worry about, he said. He had fallen over in the cathedral. Its flagstones have been polished smooth over the centuries; the stoutest rubber soles skate about on them. And he doesn’t look where he’s going when he’s trotting obsessively round that labyrinth, lost in thought. Grumbling at the children who turn it into a game. Irritated by New Age tourists using it to perform bizarre rituals. I’m worried about this sixty-year-old man who, lost in concentration, took such a painful tumble. Marcel. Retired Professor Marcel Manievski.

What happened to that flamboyant man who opened the door to the world for me?

 

Marcel
Why did I bring her along? She claims that it was fate, that I didn’t have any choice in the matter. That I love her. That I am slaking my thirst at the fount of her youth. Me? Someone who can fall in love with a thousand-year-old Madonna?

Perhaps it was the airless crypt that made me so dizzy. For centuries, after all, that stifling oppressive space was a place of refuge for unfortunates suffering from every malady under the sun. For many, it became their final destination. There they coughed up their pleurisy-ridden guts, shivered in delirium, spread their stench…All in the hope that the Black Madonna with the unseeing eyes would plead for mercy on their souls. It takes more than a squirt of air freshener and a bucket of floor cleaner to wipe out so much adversity and wretchedness.


Isis

We both thought that this summer in Chartres could shed a fresh light on things… on us. But all he does is root around in crypts and dungeons. And why is he creeping into these dark and shadowy places? To see the light!
Poor man.

 

Marcel
Isis! She was the third student from right in the second row of the auditorium. ‘So that’s really your name? Are your parents old hippies, archaeologists or just into Egypt?’ Isis! A divine apparition on the benches of the lecture theatre. Looking up at him. Talk about being predestined to study history! She shrugged. She would have preferred to be called Iris, or Luna. Children rarely like their names. At least with a name like Isis you’re not likely to end up working on a supermarket till… Isis is one of the oldest and most powerful female deities of ancient Egypt. She was the patron of the family, female fertility, medicine and magic. Isis and her twin brother Osiris, children of the god of the earth and the goddess of the heaven, married and ruled over the Egyptian cosmos. Isis was worshipped until late into the Roman era, far beyond Egypt’s borders. Ancient temples dedicated to her have been found on the banks of the Danube and the Thames. Her legend has continued to echo through mythology and the symbols of the Christian church. The way in which the Madonna with Child is typically depicted is strikingly similar to images of Isis with Horus at her breast. Mary has also taken over many of the titles associated with Isis. Seat of Wisdom, Star of the Sea and Queen of Heaven…


Isis

We’ve known each other for fifteen years. He was in his mid-forties, I was a mere girl of twenty. He was my mentor, I was his blank slate. He was such an exciting teacher compared to the others. We shared a sense of humour that no one else understood. It sparked word games, linguistic duels, polemics… and passion. Until he started to feel wronged, misjudged, a living anachronism. Until he declared war on the world and on our age.

 

Marcel
I sat staring at that centuries-old statue this morning, beyond the reach of reason. Like all those simple pilgrims before me I begged for answers. There are so many pointers to Isis… not my Isis, Osiris’s Iris. So many similarities with the ancient Egyptian cult, but so little evidence. I sometimes envy those who simply believe; they have no need of research, nothing to prove. I am exhausted by that eternal need to know.

I shouldn’t have let myself be distracted. It took at least two weeks before I really started my research here. I followed Isis, blindly, blinded. We strolled about, sat at pavement cafes, drank and ate more than was good for us. We went shopping, can you believe it. Me, joining that army of waiting men who station themselves outside changing rooms, looking mournful. ‘Yes, lovely, no, that one’s nicer. Hey, why don’t you get both!’ What do I care about such things? But she claimed that it was important for our relationship to do ‘normal stuff’ once in a while. What could I say? I see how young layabouts look at her, how her appearance excites them.

I see how she revels in those glances like a cat on heat. I also know how much effort it costs her to perform the rituals of our being together. Walking arm in arm, sharing the paper, massaging my shoulders, getting me to zip up her red dress, running a hand through my hair, my fingers touching her lips, that fleeting good night kiss. Each day she finds it a little harder to go through the motions of our togetherness. I’m frightened of the repulsion that I will inspire in her. Of the inevitable hatred.


Isis

A common or garden midlife crisis I could have understood. The sudden purchase of a motorbike, overly hip clothing and a request to dye his grey hair. I would have allowed myself to be won over, would have found it touching, and would have pulled his leg a little at his efforts to stave off mortality. But this age of bitterness is taking its toll on my life too. His negativity and eternal resentment against everything and everybody is killing me. I have lost hope and feel myself wilting, prematurely extinguished as he uses up all the oxygen in the dome under which we live.

 

Marcel
She’s trying so hard not to let go. I’m so empty; I can offer her nothing more than delay. Hence my quest for strength, for the new spiritual flame that will restore joy to my life. Joy would be something else to share. At the moment we share nothing more than the little two-room flat in the Rue aux Juifs.


Isis

His fall was inconvenient. That sounds obvious: things that are tiresome or painful are never convenient. But this is more complex than you might think; a question of bad timing. I feel guilty. Totally irrational, of course, but my magical thinking has a habit of putting a creative spin on cause and effect.

You know how in nature, a poisonous plant is said to have its own antidote growing nearby? Well, that’s how it came about. Fabrice… was a means of rescue, no more, he bumped into me behind the cathedral, on the steep slope next to the grass labyrinth. I had put up with three whole hours of Marcel banging on about the symbolism of the rose, and I was close to exhaustion …

Marcel
In ancient Mediterranean cultures, the rose was associated with the goddess of love – known to the Romans as Venus, and the Greeks as Aphrodite – and that’s why some see a link with female sexuality. But the goddess stood for much more than sex and sexuality. She represented romantic love and different categories of love; not just sexual intercourse. She contained Eros, but also an element of Agape. A rose’s colour came to have a romantic meaning. In previous centuries its symbolism was simple. These days, as rose colours have proliferated to reflect the romantic language the flower inspires, it has grown ever more complex. Early and mediaeval Christians knew only four colours of rose: white stood for innocent or pure love, pink meant first love, red true love and yellow forget it, it’s finished.


Isis

… and he hadn’t finished by any means. He was still lecturing, like he used to do at university. Except I’m the only one listening now. Listening? I know the stories and the theories back to front. I look at the places and details that he points out. I nod when he stops holding forth and looks at me for confirmation. Sometimes he gets me to finish a sentence.

I’m aware of the glances we attract, I hear the comments. We look an incestuous couple, I know. The older man with his weathered, lined face, his anorak over his shoulders, and the thirty-year-old in a summer dress. That’s what the other side of the medal looks like. The shiny medal pinned to my chest back then, the one with ‘teacher’s pet’ engraved on it. These days I have to share him with his doctor, his health problems and the women in his history books. My share keeps getting smaller.

 

Marcel
But what’s important about the rose as far as Mary is concerned, is the thorn. It was widely held – though the Bible is silent on this subject – that the roses and rose bushes in the Garden of Eden did not have thorns. So when you see a rose bush in paintings of Mary, especially in images of the Virgin and Child, it is a reference to Paradise.


Isis

This is how I imagine hell. With cold rather than heat at its core. Instead of flames, its depths exude desolation and a chilling absence of future prospects. ‘Do you think I’m depressed?’ I didn’t really intend to say this to Mary, a friend who had been trying for a few hours to keep up a conversation with me, it just popped out. I’m alienating the few contacts that I still have besides him; they get sick of my endless moaning. Depressed? Mary burst out laughing; she was so amused she almost choked. As if I had cottoned on embarrassingly late to the fact that Santa Claus does not exist. My naiveté was apparently hilarious; she was quite incapable of speech for a while. She blew her nose, enjoyed a few last chuckles and then addressed me with sudden seriousness. ‘You really need to get away! What say we go to Ibiza, for some mindless partying before we’re too old for it, or tour Italy on a Vespa in indecently short skirts? Learn to dance the tango in a nightclub in Buenos Aires, wrapped around men who smell of tobacco. Work with street children in Bogota, join rainforest activists…’ Mary said I desperately needed to do something that would give my life meaning once again. Otherwise I would die inside, and according to her you could already see that starting to happen.

But instead I went to Chartres… with him.

 

Marcel
It was Mary who initiated the process of our return to Paradise, to the place where the roses do not have thorns. So the rose became a symbol, an allusion if you like, to Mary’s role in redeeming humanity. Her rose was a sign of grace; that’s how the rose window came to be devised to the greater honour and glory of Mother Mary.


Isis

He goes on talking. The bell never rings, his lessons last for an eternity. And I know the book by heart anyway. But I’m the one who’s doomed to repeat a class. The more he talks about Mary, the angrier I get. I bite my lip, so as not to swear at him. I thrust my clenched fists deep into my jacket pockets, so as not to hit him. Stop it! Stop it! You’ve lost touch with reality, you’re an old man who just drones on. Even as the words form in my head they hurt. They hop about like venomous toads, hammering on my skull with their spatulate fingers. I have to get out. I need air!

And above all, light.

 

Marcel
Isis turns her back on me. Without saying anything. She runs like someone possessed, heading straight for the side door. She collides with little old ladies and Japanese tourists busy taking pictures. But no one holds her back. She disappears. People stare at me as if it were my fault. I must have done something terrible to upset her like that. But I was just sharing some beautiful things with her. Insights, learning. I decide not to pursue her. I can’t, my legs feel as heavy as lead. My spine seems to be disintegrating. A chair – I have to sit down for a minute.


Isis

The fresh air does me good. It’s like breathing in life itself. I walk, no, worse, I skip. For the first time I notice how beautiful the terraces behind the cathedral are. People are sitting there reading; entwined couples lean against the ancient walls, kissing each other when the fancy takes them. Four friends drink wine and play jeu de boules. I walk down the steps, happy as a child. Descending further with each terrace. Further away from the cathedral. Faster and faster, till I reach the slope next to the grass labyrinth. It’s a steep descent, my feet continue to run as if possessed. I wave my arms like windmills. I’m pretty sure I cry out. Just as I’m about to fall flat on my face, he appears. ‘Attention!’ A good-looking young man tries to stop me by grabbing hold of me. As a result we both fall down. Our childish, chaotic tumble makes him laugh. I laugh too, though shamefacedly. There’s grass in my hair, I’ve scraped my knees. The heel has come off one of my sandals, and my skirt is at half mast. I make desperate attempts to look a bit more decent. The young man climbs back up the slope a little way and retrieves my catapulted handbag from the grass. ‘What kind of a kamikaze stunt was that? I’m Fabrice, your rescuer.’ He laughs and holds out a hand. I respond clumsily, not quick enough to decode the signals for a civilised introduction. Driven by some external power, I ignore his hand and kiss him on the cheek. ‘Merci! I’m Isis.’ Isis, the puppet of lunacy.

 

Marcel
Pardon!’ I get in the priest’s way as he heads for his bizarre confessional quarters. I can’t think what else to call them. Nestled between two confessional boxes is a little blue-painted room with a big window. It looks like a dolls’ house. The priest goes in and puts the light on. In a matter-of-fact way he hangs his overcoat from a coat peg and sits down at the little table. He leafs through the paper that the previous duty priest has left behind. A man at work. Is this the church’s new transparency? Is this showcasing of domesticity supposed to win souls? He puts the paper away and checks his phone for messages. He reminds me of those authors you see at book fairs, sitting at little tables, waiting in vain for someone to ask them to sign a book, trying hard to look occupied among the unsold piles. It’s a hard act to pull off and the curé fails to be truly convincing. I feel sorry for him. Both of us are temporarily unemployed. I lack pupils, he lacks penitent sinners.


Isis

I walk through the city with a strange man. We leave the rich past that belongs to Marcel behind us, heading up towards the lively city, with all its attractions. No one gives us a second glance. We drink kir at a pavement cafe under the trees. Fabrice is a jazz pianist from Lyon, who is here in Chartres for the summer festival. Tomorrow he will perform with his own trio. He speaks easily and without reserve. I am flirting and I know it. I pretend to listen attentively, fiddle with my hair and wonder what it would be like to live with him. The kir does its work. Fabrice strokes my cheek. Am I free? It’s a question that I ask myself, too. What have I actually got apart from the overpowering sadness that fills my inner void with emptiness? He kisses me. Not like Marcel does. Little by little, men lose the art of kissing. Fabrice is still young, he kisses me full on the mouth. Greedily and passionately. He pays the bill and takes me by the hand. We hurry through the labyrinth of streets, driven by lechery. He carries me off to the penthouse flat that is his while the summer festival lasts. It’s a snug little place. I’ve seldom felt so welcome.

 

Marcel
He does not receive me in the cosy little room. Instead I am doomed to prostrate myself in the dark wooden hutch next door. I don’t know why. Whereas I could observe him just now under bright lights, as if he were a bonobo at the zoo, we’re now separated by a fine grill. So much for the transparency of the church. I inhale the smell of beeswax. It takes me back to my youth, to a time when I didn’t even understand the concept of sin. The priest mumbles something and then listens. It’s my turn to speak. God damn it, have I lost my mind? What am I doing here? Me, a man who despises psychologists and their addle-headed notions. Me, a man who shares nothing with friends, except good wine… am I suddenly turning to a total stranger to confess? I swallow, my mouth is dry. The words sound rusty, ‘I don’t have the right to hold her hostage. I’m making her unhappy, and I know it. I’m starving her emotionally …’


Isis

I look out over the city. Lean against the balcony’s wobbly railing, enjoying the danger. Fabrice stands behind me. His hands caress me. His agile, pianist’s fingers play my senses. I just stand there passively, looking out at the view. Perhaps I am afraid of losing myself if I shut my eyes. It’s as if I can see all the way to Paris. He kisses my neck. I tighten my grip on the railing. I’m in a state of heightened awareness. There isn’t an atom in my body that wants him to stop. His hands softly knead my breasts. I’m ashamed of the sigh of release that escapes me. A hand lifts my skirt and follows the route of my desire. Now I want everything, everything.

He picks me up like a doll and I float in his arms to the unmade bed. He smooths my hair back carefully, and studies my face. He smiles. I clutch hold of him as if I were drowning. His fingers walk down my spine. We make love in the way that all new lovers do, fascinated by the unfamiliarity of each other’s bodies. With abandon, and yet frightened that it will suddenly all be over.

 

Marcel
Guilt oozes out of every pore. I feel like the thief of her youth, the destroyer of her impetuosity. I have denied her children. Pruned her womanhood like a Bonsai tree. Every now and then a murmur comes from behind the grill. A protesting grumble that refuses to see guilt in my confession. How can a man like this, who has taken inhuman pledges, understand my remorse? I have dragged someone along in my pigheadedness, my denseness, my negation of life itself. It makes me sad. I don’t want casual forgiveness without understanding. I flee from the stifling little box, leaving the orphaned mumbler behind. My head spins. Something drives me to the centre of the labyrinth… I do not follow the official paths, I walk straight to its heart. And that’s where it happens, as if I were struck by lightning. I hear voices cry out. I feel my body crumple, my knees crack against the flagstones. My tired head collides with cold stone. Then blessed rest.

 


Isis

I look in amazement at the southern man asleep beside me. I don’t know him, and yet it all seems so familiar. Everything happened according to an age-old script. A man desires a woman and she capitulates. Entirely. My skin still tingles. Recollections of his touch come back to me. They’re so vivid. He was masterful and yet tender at the same time. I’ve never made love to a complete stranger before. Should I go before he wakes up? Should I leave a note? I’ve no idea what to do next. I creep quietly out of bed. That is, I try to. Without opening his eyes he grabs hold of my arm and pulls me back against him. He kisses me and tells me how beautiful and delectable I am. His hands caress me. I feel him taking possession of me once more. I do not resist, only mumble that I must go… He does not hear me, only feels how willingly I stay. This is a celebration of my body and soul. I mustn’t think …

 

Marcel
A wet rag, smelling overpoweringly of lemon, restores me to consciousness. Against my will, it has to be said. The sensation of fading away is an intoxicating experience. If death resembles that slide into nothingness when you faint, I can’t wait for the Grim Reaper to show up. ‘He’s come round, poor soul. Is he by himself?’ Some ladies, verging on the elderly and dressed to the nines, are bending over me. From where I lie, the view is unflattering. They are probably the same age as me. Bursting with goodwill, they couldn’t possibly be more concerned. I must keep out of their clutches. Luckily the priest is on his way. He drives the gaggle of amateur nurses away and helps me to my feet. Arm in arm, we walk to a niche where I can sit down. Perhaps it’s his own little spot in the sun. ‘Don’t run away,’ he cautions me sternly, with raised finger. I do not stir. The breeze does me good. He returns almost immediately with a battered first aid chest and patches me up with all the zeal of a would-be doctor. It is only now, as he wipes my face with cotton wool, that I realise it is covered in blood. The disinfectant stings; I grit my teeth. He carefully cuts out the world’s largest plaster and wallpapers my forehead with it. He keeps a weather eye on me, wanting to know how I’m doing. Everything is fine, I feel much better. He bends over until his mouth is close to my ear. In the discrete, measured tones that seem to be the preserve of the clergy, he gives me a penance and grants me absolution. ‘Set her free and you will be freed from guilt.’ He places a fatherly hand on my shoulder, takes his leave and disappears. I betake myself gingerly in the direction of the Rue aux Juifs.


Isis

The sun no longer slants through the slats of the balcony shutters. I must go. Marcel! He has no idea where I am. We eat together every evening, he must be hungry by now. I hastily pluck my clothes from the floor, suddenly overcome by the shame that goes with being banished from Paradise. In the little bathroom I reconstruct myself until I look like the old me. But I sparkle more, my eyes are bright, my lips red with excitement. I want to run away, far from here, in order to catch my breath and collect myself. But Fabrice won’t permit such cowardice. As I turn to flee I run straight into his arms. ‘I want to see you again. Truly, this wasn’t just a fling… it’s a beginning, Isis, not an ending.’ He gives me his telephone number. ‘You ring, I’ll wait. Tomorrow we’re performing at the Place des Epards, I’ll see you there.’ We kiss, I sink into confusion, guilt and desire. To remain here now, never to go back to square one… It would be so simple.

 

Marcel
Isis storms in. She looks dishevelled; gazes at me like a frightened animal. The wound on my face must look alarming. She keeps her distance, raising her hands to her mouth. Too late, there’s nothing left to hide. Neither my vulnerability behind the plaster, nor her kissed mouth behind her fingers.

 

For the first time both the actors look at one another and speak directly to each other.

 

Marcel
It’s nothing serious.


Isis

Did you fall?

 

Marcel
I don’t exactly know, I just know that I want to go back home.


Isis

Right away? Shall I pack our things? But your research? What about your research?

 

Marcel
I’ll pack my suitcase myself. You’re staying. The apartment is yours for another six weeks. Don’t make it difficult for me.


Isis

Why should I? Perhaps we should…

 

Marcel
Isis! There is no ‘we’. Please try and have a little respect for me; don’t try and pull the wool over my eyes! I can see what’s in front of my face. I can feel it, smell it!


Isis

It’s not what you think.

 

Marcel
Spare me the clichés, dammit.

 

Isis turns to the public.


Isis

Marcel doesn’t look at me. He sits at the kitchen table, looking crushed. Unapproachable. Turned to stone in his fundamental isolation. I don’t dare go near him.

 

Isis addresses Marcel.


Isis

Marcel, I don’t want to hurt you.

 

Marcel
It’s fate that has struck, Isis, it’s not you.

 


Isis

I really tried my best Marcel, but I just didn’t know where I could find the strength anymore…

 

Marcel
You know now, Isis. Leave me, look after yourself.

 


Isis

How do you mean? Did you think I was plotting something?

 

Marcel
No. If there had been something going on you wouldn’t have been so obviously unhappy.

 


Isis

What should I do?

 

Marcel turns to the audience.

 

Marcel
She sinks to her knees before me. Reason tells me that the normal response to her gesture would be to stretch out my hand and comfort her by stroking her hair. But my hand refuses to move. It refuses to go where others have been before. I am a man like any other, there’s more to me than reason and the life of the mind. I try to stop shaking. God, I’ve so often seen this moment coming over the years and imagined what it would be like. So this is it…and it’s not at all how I thought it would be. I have choked on too many questions.

 

Isis speaks to Marcel.


Isis

What should I do, Marcel?

Marcel
Everything will be ok, Isis. You’re the one who’s got all the answers, not me. I’ve just forced you to make detours, taking you further and further away from your truth.

 

Jazzy music can be heard… Isis takes one last look at Marcel and leaves. Marcel is beaten, his head is bowed.

 

Marcel
Sorry.

 

 

 

Translated from Dutch by Jane Hedley-Prole

 

 

Jane Hedley-Prole studied German and Dutch at the University of Liverpool, after which she settled in the Netherlands. Alongside her job at the Ministry of Foreign Affairs she works as a freelance translator. Since her accreditation as a literary translator by the Dutch Foundation for Literature she has translated Diaghilev; A Life by Sjeng Scheijen (together with S.J. Leinbach), The Fetish Room by Rudi Rotthier, We Are Our Brains by Dick Swaab and What About Me? by Paul Verhaeghe.