Wildebeest (EN)

Wildebeest

Saskia de Coster

Saskia de Coster

Saskia de Coster ( 1976) started to write at the age of two after which she took a long break before making her publishing debut in 2002 with Vrije Val (Free Falling). This was followed two years later by Jeuk (The Itch) and in 2006, Eeuwige roem (Eternal Fame). She was nominated for the 2007 BNG Literature Prize. Her fifth novel, Dit is van mij (This is mine,2009) received excellent reviews and was nominated for the Gouden Uil Literature Prize and the AKO Literature Prize.

Close

Stellenbosch All citybooks

Download the ePub Print

Wildebeest


Mijn moeder zegt dat je tegenwoordig moet scheiden om erbij te horen. Dat is niet de reden waarom ik aan het scheiden ben. Het is niet zo dat ik er per se wil bijhoren. Waarbij, trouwens, bij wie? Mijn moeder zegt ook dat mensen hun best niet meer willen doen. Van zodra ik getrouwd was, ging ik zo hard mijn best doen, dat ik kwaad op mezelf werd omdat ik mezelf niet meer was. En daar werd ik dan weer doodongelukkig van. Dat weet mijn moeder allemaal niet.

Als je gaat scheiden, als dat dan echt moet, om wat voor reden ook, zegt mijn moeder, dan moet je het eerlijk doen. Zorg er bij het scheiden voor dat je elkaar niet het bloed vanonder de nagels haalt, maar verdeel alles eerlijk. Ik ben eerlijk. Heel correct verdeel ik de inboedel in twee. Dat is een enorme klus. Ik heb het eerlijk gezegd een beetje onderschat. Dat merkte ik toen ik in onze ex-woonkamer onze hele ex-inboedel zag staan en dan waren daar nog niet eens de tuinspullen en beautyproducten bij of de ski-jassen uit de vestiairekast die we bijna nooit dragen omdat het haast nooit sneeuwt. Een keer zijn we op skivakantie gegaan naar Europa. Het sneeuwde toen hevig en we kwamen vast te zitten in de bergen tussen Italië en Zwitserland, net voor de Brennerpas. De autoportieren van de huurwagen wilden niet meer open door de koude of een defect. Mijn ex werd haast gek omdat ze vreesde ingesneeuwd te raken. Ze begon overvloedig te zweten en trok mijn pull bijna stuk.

Ja, er hangen zoveel herinneringen vast aan onze inboedel dat ik het gevoel krijg dat ik ook onze herinneringen in twee aan het delen ben en dat de herinneringen eenzaam worden, zo gehalveerd. Een halve herinnering voor mijn ex en een halve voor mij. Telkens als we ze vroeger opdolven en samenlegden, kwamen ze weer tot leven, maar nu zwijgen ze.

En toch. De scheiding zat eraan te komen. Ze sloop stilletjes dichterbij zoals een mol onder de grond nadert. Opeens merk je de molshopen op en besef je dat die mol al een tijdje lag te azen op de aarde onder je gazon. Zo zat dat ook bij mijn ex en mij.

*

Met de wekker op halfzeven stap ik in mijn halve bed. Morgen wordt een zware dag. Vijf dagen per week en soms ook op zondagen teken ik de lijnen op de sportvelden van de universiteit van Stellenbosch. Het is een diepe val voor iemand die tien jaar geleden nog Nelson Mandela de hand schudde. Ik prijs mezelf nochtans gelukkig met deze baan. Ik ben zo ver verwijderd van de wereld van zinloze beleefdheden en eindeloze vergaderingen. Hier vind ik rust. Hier kan ik bestaan. Dagelijks leg ik met mijn karretje vol lijkbleke kalk vele kilometers af, om zo de rugbyvelden, de voetbalvelden en de cricketvelden te begrenzen. Doordat ik de velden afbaken, bestaan ze, net zoals de binnenstad bestaat doordat werkmannen er een ring omheen gelegd hebben.

De velden hebben baat bij permanent onderhoud. Ze moeten zeven dagen op zeven bespeelbaar zijn. Je weet nooit of er onverwachts een team komt spelen. Het is al gebeurd dat ik moest uitrukken voor een noodgeval: een wedstrijd tegen de Tuks die niet op het schema stond. Toen heb ik alles uit de kast moeten halen om op amper een halfuur tijd de lijnen toch proper en duidelijk zichtbaar te krijgen.

Met een kalkwagen rondrijden is mijn baan, al doe ik meer dan enkel dat. Mijn taak houdt niet op bij de begrenzingen. Als er bijvoorbeeld mollen in het gazon van de sportvelden zitten, dan ben ik degene die dat moet oplossen. (Vandaar mijn eerdere vergelijking over mollen. Die kwam niet zomaar uit de lucht gevallen. Niets valt zomaar uit de lucht behalve een doodgevroren verstekeling uit de vrachtruimte van een vliegtuig.)

In mijn halve bed lig ik plannen te maken voor morgen. Mijn ene helft zal morgenvroeg zoals altijd naar de universitaire sportvelden gaan, mijn andere helft gaat de halve inboedel terugbrengen naar mijn ex. Zo moet dat, het leven staat niet stil. De lijnen voor de rugbyvelden, die wachten niet om gekalkt te worden. Die lijnen zullen niet zeggen: ‘O, vandaag voelt hij zich niet zo lekker en heeft hij andere prioriteiten dus wij hoeven vandaag niet te bestaan.’ Het is zoals koeien wier uiers op springen staan of de wijndruiven in Franschhoek die op het puntje staan van hun wijnrank op de grond te tuimelen: iemand moet de verantwoordelijkheid voor hen opnemen en ervoor zorgen dat zij hun bestemming bereiken.

De bestemming van de kalklijnen is het spel. Bonken van mannen zullen over de lijnen rollen en als er discussie is, zijn het de lijnen die tegen de mannen mogen zeggen: ‘Jij was buiten en jij was binnen.’ Vandaar dat ik zelfs op een triestige dag het werk niet kan verwaarlozen. Het werk wacht niet. En ook mijn ex wacht niet. Mijn ex zal niet zeggen: ‘Ik weet wel dat jij met je kalkwagentje aan de slag moet, kom maar eens langs wanneer het je past. Bel me op mijn mobiel en dan zien we wel wanneer we elkaar kunnen treffen. Zo’n haast heeft het niet, die hele halve inboedel.’ Nee, mijn ex houdt van duidelijke afspraken. Zeker nu we uit de echt aan het scheiden zijn en we ons aan het losmaken zijn van elkaar. Ik ben het met haar eens dat zoiets correct dient te gebeuren. De laatste omhelzing ligt achter ons, de laatste uren samen in bed hebben we ook gehad. Toen stal zij de donsdeken en ze rolde zich er helemaal in, alsof ze een worstenbroodje was.

Mijn halve bed voelt aan als een volledig ander bed. Het maakt zelfs mijn gedachten en dromen anders. Zo droom ik dat ik mijn ex tot moes wil kloppen. Zij is zo snel en behendig in het wegduiken dat mijn vuist gaten in de lucht klopt in plaats van blutsen in haar lijf. Het is een mislukte droom, ik kan haar niet raken. De mislukking wekt mijn ergernis op. Ik vlucht de filmzaal van een volgende droom in. Net als de eerste filmbeelden geprojecteerd worden, gooit de bewaker de deuren van de grote, donkere cinema open. De droom spat uit elkaar in het zuivere ochtendlicht.

Ik sta op, zet koffie op het vuur en open de trommel met botermelk-rusks als ontbijt. Terwijl ik een halve rusk eet, prikt een gevoel van machteloosheid mij, als een mug die in mij zit en mij vanbinnen steekt zonder dat ik haar kan verjagen.

Ik neem twee minuten de tijd om op een halve kruk een kop koffie te drinken. Zonder koffie ben ik niet helder en helderheid is geboden vandaag. Ik neem een slok en sluit mijn ogen in het felle morgenlicht. De cafeïnedeeltjes zoeken hun weg door mijn lichaam. Beelden keren terug, als oude bekenden die plots komen aanbellen.

‘Ik heb iets meegebracht voor jou,’ zei mijn oom de dag dat hij, na jaren afwezigheid, onverwachts aan de voordeur stond. Uit een draagtas die haar beste tijd al lang had gehad, haalde hij een geschenkje. Ik had gehoopt op kleurenveters, kogels of granaten. Maar er kwam een mannetje uit het geschenkpapier, een zwart stoffen popje met een hoofd in glanzend, zwart plastic. ‘Een zwart popje!’ riep mijn moeder uit. ‘Dat is veel te gevaarlijk. Je oom brengt altijd gevaar in huis, die pop moet weg.’ Scherpe voorwerpen waarschuwden zelf dat ze gevaarlijk waren en meestal viel dat, volgens mijn moeder, dus wel mee, maar de gladde, ronde voorwerpen, die waren een pak onbetrouwbaarder. Mijn moeder hield niet van gladheid, ‘zeker niet in de vorm van een goedkope pop met een plastieken kop van slechte kwaliteit, waarschijnlijk is die kop nog giftig ook,’ zei ze. De pop mocht niet bij mij in bed slapen. Het compromis was dat hij op mijn nachtkastje mocht staan.

Onder de waakzame knikkerogen van de pop viel ik snel in slaap. Ik zweefde rond in mijn dromen, los van uren en zorgen tot de nacht onverwacht werd opengescheurd. Een paar kleine handen trokken mijn kaken van elkaar. Ik snakte naar adem. De zwarte pop wurmde zich naar binnen, forceerde zich een weg door mijn mondholte en klauterde over mijn verlamde tong verder. Ter hoogte van mijn huig liet hij zich zakken in de mijnschacht van mijn lijf. Zoals een kind van een glijbaan glijdt, zo ging hij door mij, om te landen in mijn maag. Daar bleef de pop liggen, meedeinend op het ritme van mijn ademhaling. De donkere naden van het nachtdeken werden weer dichtgenaaid. Ik sliep verder alsof er niets was gebeurd.

’s Ochtends werd ik misselijk wakker. Met een enorme kracht rekte de pop zich uit en ging rechtop staan. Mijn binnenste werd opengerokken. De pop duwde tegen de wanden, ploegde voort als een monstertruck, legde nieuwe wegen aan in mij.

Zoals iedere ochtend belde mijn buurjongen Marius aan. Hij kwam me halen om samen naar school te gaan. Marius zat twee klassen hoger. Wandelend langs de Eerste Rivier vertelde hij mij zoals gewoonlijk hoe geweldig hij was. Ik luisterde niet maar dacht aan wat er die nacht was gebeurd. Na het zoveelste compliment van Marius aan zichzelf sprong de pop in mij op. Het was niet ik maar hij die mijn voet naar voren schoof zodat Marius struikelde en bleef liggen. Mijn voet schopte vervolgens hard in zijn buik. Ik zag hoe Marius geschrokken zijn hoofd oprichtte. Hij wachtte enkele tellen en sprong toen recht. Marius, de karatekampioen, draaide om zijn as en sloeg met zijn been zo hard tegen mij dat ik meters naar achteren werd geslingerd en hard met mijn hoofd tegen een oude eikenboom knalde.

Op weg naar de spoedgevallen hyperventileerde mijn moeder. Mijn vader gaf plankgas maar vergat toch niet te stoppen bij de rode lichten. Hij was een man die grenzen en regels respecteerde. Mijn moeder kwekte de hele rit: ‘Zie je wel, dit land is veel te gevaarlijk voor ons kind. Nee, elders was dit niet gebeurd. Ja, verklaar me maar zot. Dit kind slorpt alle gevaren op. Dat is niet gezond. Zoiets kan niet goed aflopen. Wij doen ons kind onrecht aan door hier te blijven.’

De verpleegster van de spoedgevallen voerde me naar een pikdonkere kamer. Dat was nodig voor een of andere test. De verpleegster plaatste een niervormig schaaltje op mijn borstkas, gaf me een geruststellend kneepje in de arm en zei dat ze zo terug was. Ik lag er al een eeuwigheid, vergeten in het donker, toen ik in de verte de zware voetstappen van een stevige man hoorde. De man kwam over mij hangen, zei dat hij een foto wilde nemen en beval me stil te liggen. Na de röntgenfoto ging het licht weer aan. De dikke dokter keek tevreden naar mij. Er was geen gevaar, zei hij. Ik had een hersenschudding, een flinke buil en een paar blauwe plekken, meer niet. Bepaald intelligent waren die dokters niet. Ze keken niet verder dan wat er uit hun machines rolde. Een pop was binnengebroken in mij maar dat zagen ze niet.

Ik heb niemand ooit iets verteld over de zwarte pop die zich toen in mij heeft genesteld. En niemand heeft daar ooit iets van gemerkt, behalve een keer. Op een dag kruiste ik mijn grote idool, de rugbyspeler Solly Tyibilika in de straat Dorp. Hij had mij niet gezien maar ik hem wel natuurlijk. Die grote, brede man met zijn notenhuid had in mij zijn grootste fan. Honderden keren had ik zijn hoekige gezicht met krijt op de speelplaats getekend. Zelfs op straat liep hij alsof hij een stapel houtblokken in zijn armen droeg. Zo stoer was hij. Ik liet de hand van mijn moeder los en holde mijn idool achterna. ‘Solly!’ riep ik luid maar terwijl ik hem riep, kreeg ik al spijt. Hij was zo groot en ver en ideaal, dat beeld mocht vooral niet doorgeprikt worden. Maar Solly draaide zich om en wenkte mij. Toen ik voor hem stond, keek hij me recht in de ogen en grijnsde. ‘Ik zie hem wel,’ zei hij. Hij plaatste een priemende, zwarte vinger tegen mijn slaap, deed alsof hij een trekker overhaalde en stapte weg. Twee jaar geleden werd Solly doodgeschoten in de township Gugulethu.

Mijn hoofd valt naar voren. Ik schrik door de bruuske beweging. Ik moet weg. Het is tijd om aan de slag te gaan.

Mijn ene helft trekt het werkuniform aan. Ondertussen maakt mijn andere helft zich klaar om naar mijn ex te gaan en laadt de wagen vol met helften. Mijn jeep beschikt over een heel behoorlijke laadruimte maar toch geraakt hij vol. Er is nog net een klein plaatsje over voor mijn kalkwagentje. Het is een reservewagen, een klein model van amper dertig liter. ‘Hier heb je het kalkwagentje,’ zal ik zeggen, ‘als herinnering aan mij.’ Ik heb afgesproken met mijn ex dat ik er voor negen uur zal zijn. Ik kan er maar beter voor zorgen dat ik op tijd ben. Anders kan ik het vergeten dat er papieren getekend zullen worden.

Groei je op in Stellenbosch, dan ken je de stad als je broekzak. Het stadje is als een kraaknet huis met keurig onderhouden kamers vol opgeboend hout en schoongeborstelde gangen. Het is spannend om dat huis nu te verlaten, alsof ik voor het eerst in lange tijd weer naar buiten mag. Ik zal naar mijn ex rijden die naar Kaapstad verhuisd is.

Dit was het dan, denk ik wanneer ik achter het stuur zit. Spookrijdend door de tijd breng ik een stuk van mijn eigen geschiedenis weg. In films rijden wagens van links naar rechts over het scherm omdat de toekomst rechts van ons ligt. Ik zie mijn halve ik wegrijden, van rechts naar links, naar een plek terug in de tijd. Tegelijkertijd wuif ik mijn andere helft uit die in de deuropening staat en het dubbele alarmsysteem aanschakelt, klaar om te voet naar de sportvelden te vertrekken. Stel dat we een kind hadden, denk ik opeens, hoe zouden we dat dan delen?

Terwijl ik over de R304 scheur en droge aarde verstuif, luister ik naar de radio. Jack Parow zingt tot hij plots onderbroken wordt voor een extra nieuwsflits. De nieuwslezer vertelt dat er net tragisch nieuws is binnengelopen. ‘Twee rugbyspelers van Maties, het rugbyteam van de universiteit van Stellenbosch, zijn zopas omgekomen in een auto-ongeluk. Het is nog onduidelijk onder welke omstandigheden.’ De nieuwslezer zegt dat hij terugkomt bij de luisteraars van zodra hij meer nieuws heeft. Ik ken het voltallige team rugbyspelers. Ik zie hen haast dagelijks. Zij horen bij mijn halve leven. Zouden de jongens zwaar uitgeweest zijn en daarna dronken rondgereden hebben? Het zou me verbazen want het zijn stuk voor stuk welopgevoede, blanke jongens die in dat geval een taxi zouden nemen.

Slikken lukt me opeens niet meer. Mijn keel is droger dan wanneer ik een hele middag in de zomerzon lijnen heb uitgezet op de sportvelden. Ik herinner me dat er nog een flesje water in het handschoenkastje zit. Ik duik naar de passagierskant terwijl ik met een hand het stuur in bedwang houd. Het handschoenkastje klikt makkelijk open. Mijn hand tast rond en omklemt een plastic waterflesje. Op het moment dat ik de klep van het kastje weer dichtdoe, word ik naar voren gekatapulteerd en in het net van mijn gordel geduwd. Ik voel een enorme weerstand tegen de zware metalen grill van de wagen. Instinctief trap ik op de rem. Een fractie van een seconde later hoor ik een enorme klap. Het flesje water blijft even in de lucht hangen en valt dan neer. De motor slaat af. Alles is stilgevallen. Alsof er een doek over de kooi van de wereld is gegooid. Alle mensen en dieren zwijgen. Alle kleuren zijn verbleekt. Er is niemand in de buurt, niet een auto rijdt voorbij.

Europeanen denken dat er in Zuid-Afrika elk moment een wild beest voor je wagen kan springen maar dat is uitgesloten. Ik ben amper Stellenbosch uit, ik ben net voorbij Koelpark. Bovendien is Stellenbosch het wittemensenreservaat van Zuid-Afrika. ‘Wild’ is een woord dat hier niet met dieren geassocieerd wordt. Hier lopen geen wilde beesten rond tenzij iemand hen uit het circus heeft laten ontsnappen.

*

De lederen zetel kermt onder mij wanneer ik ga verzitten. Ik duw het autoportier open. Het is een grote sprong, vanaf de zetel naar de begane grond. Ik buig door de knieën, veer als een kikker weer recht, klop het stof van mijn handen en wandel naar de voorkant van mijn wagen. Ik tref er twee lichamen. Of beter: een hoop bleke, bloedende lichaamsdelen. De aanvaring met mijn jeep heeft deze lichamen geen deugd gedaan.

Ik neem mijn mobiel en bel de ziekenwagen. Bij de hulpdiensten wordt er onmiddellijk opgenomen. Een verkeersongeluk, leg ik uit, met twee zwaar gewonden, misschien zelfs doden. En veel bloed. Ik leg de vrouw uit waar ik mij precies bevind. ‘We zijn er binnen vijf minuten,’ zegt de vrouw en ze legt af.

Ik kijk naar de lichamen waaruit het leven langzaam wegtrekt. ‘Hmgamgga hmwa wa hmmwaa,’ zegt een van de twee met zijn laatste krachten, alsof hij een ijlende baby is die op straat werd achtergelaten. ‘Waaa waa tee.’ Er komt een straaltje bloed uit de openhangende mond. ‘Wa-ter.’ Ik herken het gezicht. Ik herken de diepe groeven van het gezicht dat kan afzien, ik zie het bloemkooloor. Ik probeer me de naam van de rugbyspeler voor de geest te halen maar het lukt me niet. Ik zou hem willen zeggen: ‘John, Chris, of Oscar, ik kan je niet helpen. Ik ben geen arts.’ Maar omdat ik niet op zijn naam kan komen, zwijg ik.

Ik kijk op mijn horloge en zie dat ik nog twee minuten heb vooraleer de ziekenwagen eraan komt. Ik stap naar de achterkant van mijn wagen en zwaai de koffer open. Door de ruwe botsing is het kalkwagentje van plaats verschoven. Ik til het kalkwagentje uit de kofferruimte, plaats het op de rijbaan en leg mijn handen op de handvaten. Ik rijd over het asfalt naar de bloedende mannen. Wanneer ik bij de lichamen ben, draai ik de klep voor de kalktoevoer open. Al wandelend teken ik een dikke witte lijn rond de gehavende lichamen. Ik denk aan mijn ex. De halve inboedel staat nu open en bloot op straat. Ieder moment kan het leven weer op gang komen. Het zal niet lang duren vooraleer mijn wagen leeggeroofd wordt.

Download the ePub Print

Wildebees


Om te behoort, moet mens deesdae skei, sê my ma. Dit is nie hoekom ek besig is om te skei nie. Dit is nie vir my belangrik om bepaald te behoort nie. Trouens, waarby, by wie? My ma sê ook dat mense nie meer hulle bes doen nie. Van die oomblik dat ek getroud was, het ek so hard my bes probeer doen, dat ek kwaad geword het vir myself omdat ek nie meer myself was nie. En daarvan het ek dan weer doodongelukkig geword. Dit alles weet my ma nie.

As jy gaan skei, as dit dan regtig noodsaaklik is, om watter rede dan ook, sê my ma, moet jy dit eerlik doen. Terwyl julle skei, sorg dat julle vir mekaar nie die tande wys nie maar verdeel alles eerlik. Ek is eerlik. Noukeurig verdeel ek die inboedel in twee. Dit is ʼn yslike werk. Om eerlik te wees, ek het dit ʼn bietjie onderskat. Ek kom dit agter toe ek in ons eks-woonkamer ons hele eks-inboedel daar sien staan het – en dan was die tuingereedskap en skoonheidprodukte of die ski-jasse wat ons byna nooit dra nie omdat dit haas nooit sneeu nie, nog nie eers by nie. Een keer was ons na Europa vir ʼn ski vakansie. Dit het toe hewig gesneeu en ons het in die berge tussen Italië en Switserland, net voor die Brennerpas, vasgesit. Die motordeure van ons huurmotor wou as gevolg van die koue of ʼn defek nie meer oopgaan nie. My eks het byna besete geword omdat sy bang was dat ons vas sou sneeu. Sy het oorvloedig begin sweet en het my trui byna stukkend getrek.

Ja, daar hang soveel herinneringe aan ons inboedel dat ek die gevoel kry dat ek besig is om ook al ons herinneringe in twee te verdeel en dat die herinneringe eensaam word, so gehalveer. ʼn Halwe herinnering vir my eks en ʼn halwe vir my. Telkens wanneer ons die herinneringe vroeër opgedelf het en saamgesit het, het hulle tot lewe gekom, maar nou swyg hulle.

En tog. Die egskeiding het gewag om te gebeur. Dit het stilletjies soos ʼn mol onder die grond nader gesluip. Skielik merk jy die molshope op en besef dat die mol al ʼn tydjie onder jou grasperk gelê en aas het. So was dit ook met my en my eks.


*


Met die wekker aan vir halfsewe, klim ek in my halwe bed. Môre gaan ʼn moeilike dag wees. Vyf dae per week en soms ook op Sondae, verf ek die lyne op die sportvelde van die Universiteit Stellenbosch. Dit is ʼn groot agteruitgang vir iemand wat tien jaar gelede nog die hand van Nelson Mandela geskud het. Tog prys ek myself gelukkig met hierdie werk. Ek is so ver verwyderd van die wêreld van sinlose beleefdhede en eindelose vergaderings. Hier vind ek rus. Hier kan ek bestaan. Daagliks lê ek baie kilometers met my karretjie vol lykbleek kalk af, om so die rugbyvelde, voetbalvelde en krieketvelde te begrens. Deurdat ek die velde afbaken, bestaan dit, net soos die middedorp bestaan deurdat werkmans paaie met kruisings daar gelê het.

Die velde baat by permanente onderhoud. Hulle moet sewe uit die sewe dae bespeelbaar wees. Mens weet nooit of daar onverwags ʼn span kom speel nie. Dit het al gebeur dat ek tydens ʼn noodgeval skielik krisis-beheer moes toepas: ʼn wedstryd teen TUKS wat nie op die skema gestaan het nie. Toe moes ek alles insit en met net-net ʼn halfuur tyd die lyne skoon en duidelik sigbaar kry.

Dit is my werk om met ʼn kalkwaentjie rond te ry en tog doen ek meer as net dit. My taak hou nie net by begrensing op nie. As daar byvoorbeeld molle in die grasperke van die sportvelde is, dan is ek die een wat dit moet oplos (vandaar my vroeër vergelyking met molle. Dit val nie sommer net uit die lug uit nie. Niks val sommer net uit die lug uit nie behalwe ʼn doodbevrore verstekeling uit die vragruimte van ʼn vliegtuig).

In my halwe bed lê ek en planne maak vir môre. Helfte van my sal soos altyd môrevroeg na die Universiteitsportvelde gaan, die ander helfte gaan die halwe inboedel na my eks terugneem. So gaan dit, die lewe staan nie stil nie. Die lyne van die rugbyvelde wag nie om gekalk te word nie. Die lyne sal nie sê nie: “O, vandag voel hy nie so lekker nie en het hy ander prioriteite dus hy hoef vandag nie te bestaan nie.” Dit is soos koeie wie se luiers gaan bars of die druiwe in hierdie omgewing wat op die punt staan om van hulle priële op die grond te tuimel: iemand moet verantwoordelikheid daarvoor neem en sorg dat die druiwe en die melk hulle bestemming bereik.

Die bestemming van die kalklyne is die spel. Bonke van mans sal oor die lyne rol en as daar redekawelry is, is dit die lyne wat aan die mans mag sê: “Jy was buite en jy was binne.” Daarom kan ek selfs op ʼn bewolkte dag nie die werk verwaarloos nie. Die werk wag nie. En ook my eks wag nie. My eks sal nie sê: “Ek weet dat jy met jou kalkwaentjie besig is, kom maar eers wanneer dit jou pas verby” nie. “Bel my op my selfoon en dan kyk ons wanneer ons mekaar kan ontmoet. Geen haas, die hele halwe inboedel.” Nee, my eks hou van duidelike afsprake. Veral noudat ons besig is om te skei en doenig is om onsself van mekaar los te maak. Ek stem saam met haar dat so iets op die regte manier moet gebeur. Die laaste omhelsing lê agter ons, die laaste ure saam in die bed het ons helaas gehad. Na dese het sy die donskombers gesteel en haarself heeltemal daarin gerol, asof sy ʼn worsbroodjie was.

My halwe bed voel soos ʼn heeltemal ander bed. Dit maak selfs my gedagtes en drome anders. So droom ek dat ek my eks tot pulp wil slaan. Sy is so rats en behendig besig om weg te duik dat ek met my vuis gate in die lug slaan in plaas van wonde op haar lyf. Dit is ʼn mislukte droom, ek kan haar nie aanraak nie. Die mislukking maak my kwaad. Ek vlug na die filmteater van ʼn volgende droom. Maar net soos die eerste filmbeelde geprojekteer word, gooi die bewaker die deure van die groot donker bioskoop oop. In die suiwer oggendlig spat die droom uitmekaar.

Ek staan op, sit koffie op die stoof en maak die karringmelkbeskuitblik oop. Terwyl ek ʼn halwe beskuit eet, val ʼn gevoel van magteloosheid my lastig, soos ʼn muskiet wat my van binne byt sonder dat ek dit kan wegjaag.

Ek gee myself twee minute om staande nog effens deur die mis ʼn koppie koffie te drink. Sonder koffie is ek nie helder nie en helderheid kan vandag gebruik word. Ek neem ʼn sluk en sluit my oë teen die fel oggendlig. Die kaffeïendeeltjies baan hulle weg deur my lyf. Beelde keer terug, soos ou bekendes wat onverwags opdaag.

‘Ek het iets vir jou saamgebring,’ het my oom gesê, die dag wat hy, na jare se afwesigheid, onverwags voor die voordeur gestaan het. Uit ʼn skouertas wat reeds sy beste dae gehad het, het hy ʼn geskenkie gehaal. Ek het gehoop dat dit helderkleurige skoenveters, koeëls of granate sou wees. Maar daar het ʼn mannetjie uit die geskenkpapier gekruip, ʼn swart lappop met ʼn kop van blink swart plastiek. ‘’n Swart pop!’ het my ma uitgeroep. ‘Dit is heeltemal te gevaarlik. Jou oom bring altyd gevaar huis toe, die pop moet weg.’ Skerp voorwerpe waarsku self dat hulle gevaarlik is en is daarom nie so erg nie – gladde ronde voorwerpe wek beslis meer agterdog. My ma hou nie van gladheid nie, ‘veral nie in die vorm van ʼn goedkoop pop met ʼn plastiekkop van slegte kwaliteit nie, waarskynlik is die kop ook nog giftig,’ het sy gesê. Die pop mag nie by my in die bed geslaap het nie. As middeweg kon hy op my bedkassie staan.

Onder die waaksame albasteroë van die pop het ek vinnig aan die slaap geraak. Ek het in my drome rondgesweef, los van ure en bekommernis tot die nag onverwags oopgeskeur is. ʼn Paar klein hande het my kake van mekaar oopgetrek. Ek het na my asem gesnak. Die swart pop het homself na binne gewurm, ʼn pad vir homself deur die holte van my mond forseer en verder oor my verlamde tong geklouter. Op die hoogte van my kleintongetjie, het hy homself in die mynskag van my lyf gesak. Soos ʼn kind van ʼn glyplank gly, so het hy deur my geseil, om in my maag te land. Daar het die pop gebly, deinend saam met die ritme van my asemhaling. Die donker nate van die nagkombers is weer toegewerk. Ek het verder geslaap asof niks gebeur het nie.

Die volgende oggend het ek mislik wakker geword. Met ʼn tamaai krag het die pop homself uitgestrek en regop gaan staan. My binneste is oopgespalk. Die pop het teen die mure gestoot, soos ʼn monsterlorrie voortgeploeg en nuwe paaie in my gelê.

Soos elke oggend het ons buurseun die klokkie kom lui. Hy het my kom haal om saam skooltoe te gaan. Marius was twee standerds bo my. Lopend langs die Eersterivier het hy my soos gewoonlik vertel hoe fantasties hy is. Ek het nie geluister nie maar het gedink aan wat die nag gebeur het. Na die soveelste kompliment van Marius aan homself, het die pop in my opgespring. Dit was nie ek nie maar dit was hy wat my voet na vore geskuif het sodat Marius gestruikel en bly lê het.

My voet het voorts hard in sy maag geskop. Ek het gesien hoe Marius geskok sy kop optel. Hy het ʼn paar sekondes gewag en toe regop gespring. Marius, die karatekampioen, het om sy as gedraai en met sy been so hard teen my geskop dat ek meters na agter geslinger is en hard met my kop teen ʼn ou eikeboom geknal het.

Op pad na die noodgevalle het my ma gehiperventileer. My pa het gas gegee maar tog nie vergeet om by die rooilig te stop nie. Hy was ʼn man wat grense en reëls gerespekteer het. My ma het die hele rit lank gekwaak: ‘Sien jy nou, hierdie land is heeltemal te gevaarlik vir ons kind. Op ʼn ander plek het dit beslis nie gebeur nie. Dit is nie gesond nie. So iets dra gevolge. Ons doen ons kind ʼn onreg aan om hier te bly.’

Die verpleegster van die noodgevalle het my vir een of ander toets na ʼn donker kamer gestoot. Sy het ʼn niervormige bakkie op my borskas geplaas, my ʼn gerusstellende knypie in my arm gegee en gesê dat sy gou weer terug sal wees. Ek het vergete daar in die donker gelê. Ná wat gevoel het soos ʼn ewigheid, het ek in die verte die swaar voetstappe van ʼn stewige man gehoor. Hy het oor my gehang, gesê dat hy ʼn foto wil neem en my beveel om stil te lê. Ná die x-strale het die lig weer aangegaan. Die vet dokter het tevrede na my gekyk. Daar was geen gevaar nie, het hy gesê. Ek het harsingskudding opgedoen, ʼn erge stamp en ʼn paar blouplekke gekry, maar niks ernstig nie. Die dokters was nie juis slim nie. Hulle het nie verder gekyk as na dit wat uit hulle masjiene gerol het nie. ʼn Pop het by my na binne gebreek maar hulle het dit nie gesien nie.

Ek het niemand ooit enige iets vertel van die swart pop wat homself in my genestel het nie. En niemand het ooit iets daarvan agtergekom nie, behalwe een keer. Op ʼn dag het ʼn groot held van my, die rugbyspeler Solly Tyibilika, my pad in Dorpstraat gekruis. Hy het my nie opgemerk nie maar ek het hom natuurlik gesien. Ek is die groot breë man met die neutbruinvel se grootste bewonderaar. Honderde kere het ek sy hoekige gesig met kryt op die speelterrein geteken. Selfs op straat het hy geloop asof hy ʼn stapel houtblokke in sy arms dra. So bonkig was hy. Ek het my ma se hand laat los en agter my held aangehol. ‘Solly!’ het ek hard geroep maar terwyl ek hom geroep het, was ek spyt. Hy was so groot en ver en ideaal, ek wou nie dat daardie beeld beskadig word nie. Maar Solly het omgedraai en my nader gewink. Toe ek voor hom gestaan het, het hy my reg in die oë gekyk en gegryns. ‘Ja, ek sien hom,’ het hy gesê. Hy het ʼn deurdringende swart vinger teen my slaap gesit, gemaak asof hy ʼn sneller trek en weggestap. Twee jaar gelede is Solly in ʼn sjebeen in Gugulethu doodgeskiet.

My kop val vorentoe. Ek skrik van die skielike beweging. Ek moet wegkom. Dit raak tyd.

My een helfte trek die werksuniform aan. Terselfdertyd maak my andere helfte gereed om na my eks te gaan en laai die wa vol met helftes. My jeep het ʼn groot laairuimte maar hy word vinnig vol. Daar is maar ʼn klein plek vir my kalkwaentjie oor. Dit is ʼn reserwekar, ʼn klein model van net-net dertig liter. ‘Hier is vir jou die kalkwaentjie,’ sal ek sê, ‘as herinnering aan my.’ Ek het met my eks afgespreek dat ek voor nege uur daar sal wees. Ek moet eerder maar sorg dat ek nie laat kom nie. Anders kan ek maar vergeet dat daar papiere geteken gaan word.

Wanneer mens grootword in Stellenbosch, ken jy die dorp soos die palm van jou hand. Die dorp is soos ʼn vlekkelose huis met keurig-onderhoude kamers van poleerde hout en skoongeborselde gange. Dit is opwindend om daardie huis te verlaat, asof ek vir die eerste keer in ʼn lang tyd weer buitentoe mag gaan. Ek sal na my eks ry wat na Kaapstad verhuis het.

So is dit dan, dink ek wanneer ek agter die stuurwiel sit. Soos ʼn slaapwandelaar neem ek ʼn stuk van my eie geskiedenis weg. In flieks ry karre van links na regs oor die skerm omdat die toekoms regs van ons lê, na ʼn plek terug in tyd. Terselfdertyd waai ek vir my ander helfte wat in die deuropening staan en die dubbele alarmsisteem aanskakel, gereed om te voet na die sportvelde te vertrek. Sê nou maar ons het ʼn kind gehad, dink ek skielik, hoe sou ons dit dan deel?

Terwyl ek oor die R304 skeur en die droë aarde verstuif, luister ek na die radio. Jack Parow sing totdat hy skielik deur ʼn addisionele nuusflits onderbreek word. Die nuusleser vertel dat hulle nounet tragiese nuus ontvang het. ‘Twee Maties rugbyspelers van die Universiteit Stellenbosch, is sopas in ʼn motorongeluk oorlede. Dit is nog onduidelik onder watter omstandighede hulle oorlede is.’ Die nuusleser sê dat hy sal terugkom na die luisteraars sodra hy meer nuus het. Ek ken die voltallige rugbyspan. Ek sien hulle byna elke dag. Hulle hoort by my halwe lewe. Sou die ouens ʼn rowwe nag gehad het en daarna dronk rondgery het? Dit sou my verbaas het want hulle is almal welopgevoede, blanke ouens wat in daardie geval tog ʼn taxi sou neem?

Eensklaps sukkel ek om te sluk. My keel is droër as wat dit sou wees as ek ʼn hele middag in die somerson die lyne op die sportvelde sou verf. Ek onthou dat daar nog ʼn bottel water in die paneelkassie lê. Ek duik na die passasierskant terwyl my hand die stuurwiel beheer. Die paneelkassie kliek maklik oop. My hand voel-voel rond en omklem die plastiek waterbottel. Die oomblik dat ek weer die klep van die kassie toemaak, word ek na vore geruk en in die net van my veiligheidsgordel gedruk. Ek voel ʼn enorme weerstand teen die swaar latwerk van die motor. Instinktief trap ek die brieke. ʼn Fraksie van ʼn sekonde later hoor ek ʼn enorme klap. Die waterbotteltjie bly ʼn oomblik in die lug hang en val dan neer. Die enjin stop. Alles val stil. Asof daar ʼn laken oor die bed van die wêreld gegooi word. Alle mense en diere swyg. Alle kleure verblyk. Daar is niemand naby nie, nie ʼn enkele motor ry verby nie.

Europeërs dink dat daar enige oomblik in Suid-Afrika ʼn wilde dier voor jou motor kan inspring maar daardie kans is hier uitgesluit. Ek is skaars Stellenbosch uit, net verby Koelpark. Stellenbosch is bowendien die witmensreservaat van Suid-Afrika. ‘Wild’ is ʼn woord wat nie hier met diere geassosieer word nie. Hier loop geen wilde diere rond nie tensy iemand hulle uit die sirkus laat ontsnap het.


*


Die leersitplek kerm onder my wanneer ek my probeer versit. Ek druk die motordeur oop. Dit is ʼn groot sprong, van die sitplek na die grond. Ek buig my knieë, spring op die grond soos ʼn padda, klop die stof van my hande af en loop na die voorkant van my motor. Daar tref ek twee liggame. Of liewer: ʼn hoop bleek bloedende liggaamsdele. Hierdie liggame het nie goed van die botsing met my Jeep afgekom nie.

Ek kry my selfoon en bel die ambulans. By die nooddienste word daar onmiddellik opgetel. ʼn Verkeersongeluk, lig ek hulle in, met twee ernstig beseerdes, miskien selfs dood. En met baie bloed. Ek verduidelik aan die vrou waar presies ek my bevind. ‘Ons is binne vyf minute daar,’ sê sy en sit die telefoon neer.

Ek kyk na die liggame waaruit die lewe stadig ontsnap. ‘Kmgamgga hmwa wa hmmwaa,’ sê een van die twee met sy laaste kragte, asof hy ʼn ylende baba is wat op straat gelos is. ‘Waaa waa tee.’ Daar kom ʼn straaltjie bloed uit die mond wat oophang. ‘Wa-ter.’ Ek herken die gesig. Ek herken die diep groewe van die gesig wat ek van bo af bekyk, ek sien die blomkooloor. Ek probeer om die gestalte van die rugbyspeler op te bring maar ek kry dit nie reg nie. Ek sou vir hom wou sê: ‘John, Chris of Oscar, ek kan jou nie help nie. Ek is nie ʼn dokter nie.’ Maar omdat ek nie op sy naam kan kom nie, swyg ek.

Ek kyk op my horlosie en sien dat ek nog twee minute het voordat die ambulans aankom. Ek loop na die agterkant van my motor en swaai die kattebak oop. Deur die rowwe botsing het die kalkwaentjie geskuif. Ek tel die kalkwaentjie uit die kattebak, sit dit op die pad en sit my hande op die handvatsels. Ek ry oor die teer na die bloedende mans. Wanneer ek by die liggame kom, draai ek die klep van die kalktoevoer oop. Al lopend teken ek ʼn dik wit lyn rondom die gehawende liggame. Ek dink aan my eks. Die halwe inboedel staan nou oop en bloot op die straat. Enige oomblik kan die lewe weer begin. Dit sal nie lank neem voordat my hele motor rot en kaal besteel word nie.

 

Vertaal deur Rentia Bartlett-Möhl


Voorgelees deur Mari Borstlap


Print

Dzikus


Moja mama mawia, że w dzisiejszych czasach musisz się rozwieść, aby się dopasować. Ale to nie dlatego jestem w trakcie rozwodu. Nie jest wcale tak, że koniecznie muszę gdzieś należeć. Do czego, nawiasem mówiąc, do kogo? Moja mama mówi też, że ludziom nie chce już się starać. Kiedyś, gdy byłem żonaty, starałem się z całych sił, aż wściekałem się na siebie, że nie byłem już sobą. I to z kolei sprawiło, że stałem się rozpaczliwie nieszczęśliwy. Moja mama nie ma o tym pojęcia.

Jak mawia moja mama, jeżeli już naprawdę musisz się rozwieść z jakiegokolwiek powodu, to zrób to uczciwie. Kiedy się rozwodzisz, upewnij się, że nie utrudnicie sobie nawzajem życia. Uczciwie wszystko podzielcie. Ja jestem uczciwy. Bardzo skrupulatnie dzielę nasz majątek na pół. To trudne zadanie. Szczerze mówiąc, nie spodziewałem się tego. Zauważyłem to, kiedy w byłym pokoju dziennym zobaczyłem nasz cały były dobytek, a przecież nie było tam jeszcze mebli ogrodowych, kosmetyków czy też kurtek zimowych z szafy, których to prawie nigdy nie nosiliśmy, bo rzadko padał śnieg. Raz pojechaliśmy na ferie zimowe do Europy. Śnieg padał wtedy bardzo mocno, a my utknęliśmy w górach pomiędzy Włochami i Szwajcarią, tuż przed przełęczą Brenner. Drzwi wynajętego samochodu nie chciały się otworzyć; prawdopodobnie przez zimno albo usterkę. Moja była prawie oszalała, przeraziła się, że możemy zostać zasypani. Zalała się potem i chwyciła mocno mój sweter, prawie rozrywając go na strzępy.

Wszystko, co przeżyliśmy, jest tak bardzo połączone z naszym dobytkiem, że czuję, jakbym dzielił nasze wspomnienia, które podzielone zostaną samotne. Pół wspomnień dla mnie, pół dla mojej byłej. Kiedy je razem odkopywaliśmy i łączyliśmy ze sobą zdawały się ożywać na nowo. Teraz jednak milczą.

Jednak można było się tego spodziewać. Rozwód. Skradał się do nas po cichu, jak kret pod ziemią. Nagle wszędzie zauważasz kretowiska i zdajesz sobie sprawę, że kret już od dłuższego czasu czaił się na ziemię pod twoim trawnikiem. Tak właśnie było z nami.

*

Po ustawieniu budzika na wpół do siódmej kładę się do snu na połowie mojego łóżka. Jutro ciężki dzień. Pięć dni w tygodniu, czasem też w niedziele, rysuję linie na boiskach sportowych Uniwersytetu Stellenbosch. To wielki upadek dla kogoś, kto dziesięć lat temu uścisnął dłoń Nelsona Mandeli. Ale jednocześnie cieszę się z tej pracy. Pozwala mi ona uciec od świata niekończących się spotkań i bezsensownych uprzejmości. Daje mi spokój. Przestrzeń, w której mogę istnieć. Każdego dnia chodzę kilometr za kilometrem z moim wózkiem wypełnionym bladą jak zwłoki kredą, znakując dookoła linie brzegowe boisk do rugby, piłki nożnej i krykieta. Ograniczając teren boisk sprawiam, że zaczynają one istnieć, podobnie jak centrum miasta, które zaistnieje dopiero, gdy robotnicy wybudują dookoła niego obwodnicę.

Boiska potrzebują stałej konserwacji. Muszą być gotowe do użytku każdego dnia. Nigdy nie wiesz, kiedy ktoś przyjdzie pograć. Pewnego dnia miałem nagły przypadek: mecz przeciwko Tuksom, drużynie z Uniwersytetu w Pretorii, którego nie było w planie. Miałem wtedy tylko pół godziny, aby sprawić, żeby linie były dobrze widoczne.

Moja praca to jednak nie tylko jeżdżenie w kółko wózkiem pełnym kredy. To nie tylko malowanie linii granicznych boisk. Na przykład: jeżeli pod boiskiem pojawią się krety, wtedy ja jestem odpowiedzialny za pozbycie się ich. (Stąd moje porównanie odnośnie kretów. Nie wziąłem sobie tego z powietrza. Nic nie bierze się z powietrza, chyba że pasażerowie na gapę, którzy wypadają z podwozia samolotu po tym jak zamarzną.)

Leżąc na mojej połowie łóżka, snuję plany na jutrzejszy dzień. Moja jedna połowa pojedzie wczesnym rankiem jak zawsze na boiska uniwersyteckie, a druga zawiezie połowę dobytku do mojej ex. Tak już trzeba, życie nie stoi w miejscu. Nie mogę odłożyć na później kredowania linii na boisku. Linie nie powiedzą po prostu: „Ach, on dzisiaj nie czuje się dobrze i ma inne priorytety, więc dziś nie musimy istnieć.” To jak z krowami, których wymiona już prawie pękają lub z winogronami w Franschhoek, które prawie spadają z winorośli: ktoś musi wziąć za nie odpowiedzialność i upewnić się, że spełnią swoje zadanie.

Przeznaczeniem linii kredy jest gra. Olbrzymi mężczyźni będą się toczyć przez te linie, a kiedy będzie jakiś spór, to linie mają obowiązek powiedzieć im: „Ty byłeś na zewnątrz, a ty w środku.” I to właśnie dlatego, nawet w taki niemiły dzień, nie mogę zaniedbywać swojej pracy. Praca nie będzie czekać. Ani moja ex. Ona nie powie: „Wiem, że musisz zrobić kilka kółek swoim wózkiem do kredowania boisk, więc wpadnij, kiedy będzie ci pasować. Zadzwoń do mnie i zobaczymy, kiedy będziemy mogli się spotkać. Tak bardzo mi się nie śpieszy z połową dobytku.” Nie, moja ex uwielbia jasne umowy. Szczególnie teraz, gdy rozwiązujemy węzeł małżeński i się rozstajemy. Zgadzam się z nią, że coś takiego musi przebiec prawidłowo. Ostatnie objęcia mamy już za sobą, spędziliśmy również nasze ostatnie godziny razem w łóżku. Zabrała mi wtedy kołdrę i zawinęła się w nią, jakby była gigantycznym hot-dogiem.

Moja połowa łóżka zdaje się być całkowicie innym łóżkiem. Zmienia nawet moje myśli i sny. W jednym z nich chcę stłuc moją ex na kwaśne jabłko. Unika ciosów tak szybko i zwinnie, że zamiast uderzać w nią, moje pięści tylko dziurawią powietrze. To jeden z tych denerwujących snów. Nie mogę jej dotknąć. Niepowodzenie wzmaga moją irytację. Uciekam więc do sali kinowej innego snu. Gdy pierwsze klatki filmu zaczynają wyświetlać się na ekranie, stróż wielkiego, ciemnego kina otwiera z hukiem drzwi. Sen rozpada się w czystym, porannym świetle.

Wstaję, nastawiam kawę i otwieram puszkę z maślanymi sucharami. Gdy zjadłem już pół suchara, uderza we mnie uczucie bezsilności, jakby komar wleciał we mnie i gryzł od środka, a ja nie mogę się jego pozbyć.

Siedząc na stołku wypijam kawę w dwie minuty. Bez kawy nie potrafię myśleć trzeźwo, a jasne myślenie jest dziś wskazane. Biorę łyk i zamykam oczy w jasnym porannym słońcu. Cząsteczki kofeiny poruszają się przez moje ciało. Wspomnienia powracają, jak starzy znajomi, którzy niespodziewanie przyszli z wizytą.

„Przyniosłem coś dla ciebie,” powiedział mój wujek, gdy któregoś dnia, po latach nieobecności, nagle zjawił się przed moim domem. Z torby, która miała już z sobą najlepsze lata, wyjął prezencik. Miałem nadzieję, że będą to kolorowe sznurowadła, naboje lub granaty. Ale z zawiniętego papieru wyłoniła się mała figurka, lalka wykonana z czarnego materiału, ze świecącą, plastikową, czarną głową. „Czarna lalka!” krzyknęła moja matka. „To jest zbyt niebezpieczne. Twój wujek zawsze przynosi do domu niebezpieczeństwo. Ta lalka ma zniknąć.” Według mojej matki ostre przedmioty same dawały o sobie znać, że są niebezpieczne. Ale za to obiekty gładkie i okrągłe były bardziej zdradliwe. Mojej matce nie podobały się gładkie, okrągłe przedmioty, „szczególnie takie w postaci taniej lalki z plastikową głową słabej jakości i w dodatku jeszcze pewnie toksycznej,” mówiła. Lalka nie mogła ze mną spać z łóżku. Kompromisem było to, że mogła ona stać jedynie na mojej szafce nocnej.

Szybko zasnąłem pod czujnym mrugającym okiem lalki. Krążyłem w moich snach, wolny od czasu i zmartwień, gdy nagle i niespodziewanie noc została rozdarta. Para małych rąk otworzyła moje szczęki. Próbowałem złapać oddech. Czarna lalka wpełzła we mnie, utorowała sobie drogę przez usta, wdrapując się na mój sparaliżowany język. Skoczyła z wysokości mojego języka wprost w głąb mojego ciała. Jak dziecko zjeżdżające ze zjeżdżalni, prześlizgnęła się przeze mnie, lądując w moim żołądku. Tam też została, kołysząc się w rytmie mojego oddechu. Koc ciemnej nocy znów został zaszyty. Spałem dalej, jakby nic się nie stało.

Rano obudziłem się chory. Lalka z ogromną siłą rozciągnęła się i wyprostowała. Moje wnętrzności zostały rozdarte. Lalka wciskała się we mnie, przeorała mnie jak jakiś monstertruck, tworząc we mnie nowe drogi.

Tak jak każdego ranka, do drzwi zadzwonił dzwonek. To był Marius, mój sąsiad, który przyszedł po mnie do szkoły. Marius był dwie klasy wyżej. Kiedy spacerowaliśmy wzdłuż Eerste Rivier, jak zwykle chwalił się, jaki jest wspaniały. Nie słuchałem go, myśląc o tym, co zdarzyło się tej nocy. Gdy Marius nadal zachwycał się samym sobą, lalka podskoczyła we mnie. To nie byłem ja, to lalka wystawiła moją nogę do przodu, tak, że Marius potknął się, upadł i zamarł w bezruchu. Potem moja stopa kopnęła go mocno w brzuch. Widziałem, jak przerażony Marius podniósł głowę. Odczekał kilka sekund i potem skoczył na równe nogi. Marius, mistrz karate, obrócił się i kopnął mnie tak mocno, że przeleciałem kilka metrów do tyłu i mocno uderzyłem głową o stary dąb.

W drodze na oddział ratunkowy moja matka wpadła w hiperwentylację. Ojciec wcisnął gaz do dechy, ale jednak nie zapominał o zatrzymywaniu się na czerwonych światłach. Był człowiekiem, który nie przekraczał granic i przestrzegał zasad. Matka ględziła całą drogę: „Widzisz, ten kraj jest zbyt niebezpieczny dla naszego dziecka. Nigdzie indziej nie zdarzyłoby się coś takiego. Tak, nazwij mnie szaloną, ale to dziecko przyciąga wszelkie zagrożenia. To nie jest normalne, to się źle skończy. Robimy naszemu dziecku krzywdę zostając tutaj.”

Pielęgniarka z urazówki zaprowadziła mnie do pokoju ciemnego jak smoła. Ciemność była niezbędna dla jakiegoś badania. Pielęgniarka położyła mi na klatce piersiowej miseczkę w kształcie nerki, uszczypnęła mnie w ramię uspokajająco i zapewniła, że zaraz wróci. Leżałem tam już wieczność, porzucony w ciemnościach, kiedy w oddali usłyszałem czyjeś ciężkie kroki. Potężny mężczyzna pochylił się nade mną, powiedział, że musi zrobić mi prześwietlenie i kazał leżeć nieruchomo. Po rentgenie światło zostało włączone. Gruby doktor patrzył na mnie radośnie. Nie ma żadnego zagrożenia, powiedział. Miałem wstrząśnienie mózgu, dużego guza i parę siniaków, nic więcej. Ci lekarze nie byli szczególnie inteligentni, nie wykraczali myślą poza wyniki, które wytaczały się z ich maszyn. Lalka włamała się do mnie, ale nie mogli tego zobaczyć.

Nikomu nie opowiadałem o czarnej lalce, która wtedy się we mnie zagnieździła. I nigdy nikt tego nie zauważył, oprócz jednego razu. Pewnego dnia szedłem z matką ulicą Dorp i zauważyłem mojego wielkiego idola, rugbistę Solly’ego Tyibilikę. On mnie nie widział, ale oczywiście ja jego tak. Ten wysoki, barczysty mężczyzna o orzechowej skórze miał we mnie swojego największego fana. Setki razy rysowałem jego kanciastą twarz kredą na placu zabaw. Był takim twardym gościem – nawet idąc ulicą wyglądał, jakby niósł w rękach drewno na opał. Puściłem rękę matki i pobiegłem za moim idolem. „Solly!”, zawołałem głośno, ale w tym samym momencie tego pożałowałem. Był taki wielki, odległy i idealny – ten obraz nie mógł zostać zepsuty. Ale Solly odwrócił się i skinął na mnie. Kiedy stanąłem przed nim, spojrzał mi prosto w oczy i uśmiechnął się. „Widzę ją”, powiedział. Przycisnął czarny palec do mojego czoła, udał, że pociąga za spust i odszedł. Dwa lata temu Solly został zastrzelony w mieście Gugulethu.

Moja głowa opada. Ten nagły ruch budzi mnie z rozmyślań. Muszę już iść. Muszę zabrać się do roboty.

Jedna moja połowa zakłada kombinezon roboczy. Moja druga połowa tymczasem ładuje do samochodu połowę dobytku, gotowa, żeby pojechać do mojej ex. Mój jeep ma dość dużą przestrzeń bagażową, ale i tak szybko się zapełnił. Zostaje jeszcze trochę miejsca dla mojego wózeczka do kredowania linii na boisku. To jest wózek rezerwowy, mały model z pojemnością zaledwie trzydziestu litrów. „Tu masz mój wózek do kredowania”, powiem jej, „jako pamiątkę po mnie.” Umówiłem się z moją ex, że będę przed dziewiątą. Muszę być na czas, w przeciwnym razie nie ma mowy, że podpisze papiery rozwodowe.

Ten, kto wychował się w Stellenbosch, zna to miejsce jak własną kieszeń. To miasteczko jest jak nieskazitelny dom z zadbanymi pokojami pełnymi wypolerowanego drewna i korytarzy wyczyszczonych na błysk. To fascynujące uczucie, gdy opuszczam ten dom, tak jakbym po raz pierwszy od dłuższego czasu mógł wyjść na zewnątrz. Ruszam w podróż do Kapsztadu, gdzie przeprowadziła się moja ex.

To jest to, myślę, siedząc za kierownicą. Jadąc pod prąd po autostradzie wspomnień, żegnam część mojej własnej historii. W filmach samochody jadą z lewej strony ekranu do prawej, bo przyszłość leży na prawo od nas. Widzę moją połowę, jak odjeżdża z prawej strony do lewej, cofając się w czasie. Jednocześnie macham na pożegnanie mojej drugiej połowie, która stoi w drzwiach ustawiając system alarmowy, gotowa, by wyruszyć pieszo na boiska sportowe. A gdybyśmy mieli dziecko, pomyślałem nagle, jak byśmy to podzielili?

Jadąc suchą i popękaną drogą numer R304 słucham radia. Piosenka Jacka Parowa zostaje nagle przerwana przez wiadomości z ostatniej chwili. Reporter dzieli się tragiczną informacją, którą właśnie otrzymał. „Dwaj rugbiści z Maties, uniwersyteckiej drużyny rugby ze Stellenbosch, zginęli właśnie w wypadku samochodowym. Okoliczności wypadku są wciąż nieznane.” Reporter mówi, że wróci do słuchaczy, gdy tylko otrzyma więcej informacji. Znam wszystkich w drużynie rugby, widzę ich prawie codziennie. Należą do połowy mojego życia. Czy chłopaki jechali po pijanemu po nocy ostrego imprezowania? Wydaje mi się to mało prawdopodobne. To przecież dobrze wykształceni, biali chłopcy, którzy w takim wypadku wezwaliby taksówkę.

Przełykanie śliny przychodzi mi nagle z trudnością. Moje gardło jest bardziej suche, niż tamtego dnia, kiedy całe popołudnie w pełnym słońcu rysowałem linie na boiskach. Przypominam sobie, że mam jeszcze butelkę wody w schowku. Trzymając jedną rękę na kierownicy, przechylam się na siedzenie pasażera. Schowek otwiera się łatwo z kliknięciem. Moja ręka po omacku chwyta plastikową butelkę wody. W momencie, kiedy zamykam schowek, zostaję gwałtownie katapultowany do przodu i zgnieciony przez pas bezpieczeństwa. Czuję ogromny opór, jaki stawia ciężki, metalowy grill mojego samochodu. Instynktownie wciskam hamulec. Ułamek sekundy później słyszę ogromny huk. Butelka wody wisi w powietrzu przez chwilę, a potem spada. Silnik gaśnie. Zapada cisza. Zupełnie jakby na klatkę świata zostało rzucone płótno. Wszystkie kolory wyblakły, ludzie i zwierzęta milczą. Nie ma nikogo w okolicy, żaden samochód nie przejeżdża obok.

Europejczycy myślą, że w RPA w każdym momencie dzikie zwierzę może wyskoczyć ci przed maskę, ale to niemożliwe. Ledwo co wyjechałem ze Stellenbosch, dopiero minąłem Koelpark. Poza tym Stellenbosch to taki rezerwat białych ludzi. Słowo „dziki” nie jest tu kojarzone ze zwierzętami. Nie znajdziesz tu dzikich zwierząt, chyba że ktoś wypuścił je z cyrku.

*

Skórzane siedzenie skrzypi pode mną, kiedy się przesiadam. Otwieram drzwi od samochodu. To duży skok, z siedzenia na parter. Uginam kolana, odbijam się jak żaba, otrzepuję kurz z rąk i podchodzę do przodu samochodu. Znajduję tam dwa ciała. Albo raczej stertę bladych, zakrwawionych części ciała. Zderzenie z moim Jeepem zdecydowaniem im nie posłużyło. Biorę komórkę i dzwonię na pogotowie, odbierają natychmiast. Wypadek samochodowy, wyjaśniam, dwie osoby ciężko ranne, być może nie żyją. I dużo krwi. Mówię kobiecie, gdzie dokładnie jestem. „Będziemy tam w ciągu pięciu minut”, mówi kobieta i odkłada słuchawkę.

Patrzę na ciała, z których powoli ucieka życie. „Hmgamgga hmwa wa hmmwaa”, bełkocze jedno z dwóch ostatnimi siłami. Jest jak kwilące dziecko porzucone na ulicy. „Wooo woo dyy.” Strużka krwi wypływa z jego otwartych ust. „Wo-dy”. Poznaję jego twarz. Znam te głębokie bruzdy wykrzywionej bólem twarzy, widzę ucho jak kalafior. Próbuję przypomnieć sobie imię tego rugbisty, ale nie udaję mi się. Chciałbym móc mu powiedzieć: „John, Chris, czy tam Oscar, nie mogę ci pomóc. Nie jestem lekarzem.” Ale nie mogę przypomnieć sobie jego imienia, więc milczę.

Patrzę na zegarek i widzę, że mam jeszcze dwie minuty do przyjazdu karetki. Idę na tył samochodu i otwieram bagażnik. W wyniku ostrej kolizji mój wózek do kredowania przemieścił się.

Wyciągam wózek z bagażnika, stawiam go na drodze i kładę ręce na uchwytach. Toczę go przez asfalt do krwawiących mężczyzn. Kiedy jestem przy ciałach, otwieram dopływ kredy. Idąc rysuję grubą, białą linię wokół sponiewieranych ciał. Myślę o mojej ex. Połowa dobytku leży teraz na ulicy, wystawiona na wzrok innych ludzi. W każdej chwili życie może rozpocząć się od nowa. Wkrótce po tym mój samochód został splądrowany.

 

***

Tłumaczenie: Agnieszka Idzik, Michał Witczak
Koordynatorzy projektu: dr Magłorzata Dowlaszewicz, dr Jacek Karpiński

Czytała: Agnieszka Idzik


Tłumaczenie opowiadania „Wildebeest” Saskii de Coster powstało w ramach zajęć „Tłumaczenia pisemne NL-PL”, prowadzonych w Katedrze Filologii Niderlandzkiej na Uniwersytecie Wrocławskim. Nad tekstem pracowali wspólnie studenci ostatniego roku studiów magisterskich filologii niderlandzkiej, Agnieszka Idzik i Michał Witczak. Pomysłodawczynią i koordynatorką projektu była dr Małgorzata Dowlaszewicz, która służyła również wsparciem językowym. Nagranie przetłumaczonego tekstu było możliwe dzięki uprzejmości dra Jacka Karpińskiego i zostało wykonane w profesjonalnych kabinach tłumaczeniowych w Katedrze Filologii Niderlandzkiej.

 

Download the ePub Print

Sauvage


Ma mère prétend que de nos jours, il faut être divorcé pour être à la page. Ce n’est pas la raison pour laquelle je suis en train de divorcer. Je ne ressens pas la nécessité absolue d’être à la page. À quelle page, d’ailleurs ? Avec qui ? Ma mère prétend aussi que les gens n’ont plus envie de faire de leur mieux. Dès que je fus marié, je me mis tellement à faire de mon mieux, que je sentis affluer en moi un océan de colère parce que je ne me sentais plus moi-même. Et cela me rendait terriblement malheureux. Seulement tout cela, ma mère l’ignore.

Quand on divorce, si c’est vraiment inéluctable et quelle qu’en soit la raison, prétend ma mère, il faut le faire proprement. Il faut éviter de se pousser mutuellement à bout et tenter de tout partager honnêtement. Je suis quelqu’un d’honnête. Je partage très correctement les affaires en deux. C’est un boulot énorme. Franchement, je l’ai un peu sous-estimé. Je m’en suis aperçu au moment où j’ai pu jeter un regard d’ensemble sur toutes nos ex-affaires entassées dans notre ex-chambre et encore… Il n’y avait même pas tous les trucs de jardinage ou les produits de beauté ou les vestes de ski rangées dans le vestiaire puisqu’on ne les porte jamais vu qu’il ne neige presque jamais. Une fois, nous avons passé des vacances de ski en Europe. Il y a neigé très fort et on a été bloqués dans les montagnes entre l’Italie et la Suisse juste avant le col du Brenner. Les portières de la voiture de location ne voulaient plus s’ouvrir à cause de la neige ou d’un défaut mécanique. Mon ex est presque devenue folle parce qu’elle avait peur d’être enneigée. Elle s’est mise à transpirer abondamment et a presque déchiré mon chandail.

Oui, il y a tant et tant de souvenirs collés à nos affaires que j’ai le sentiment que je suis aussi en train de diviser nos souvenirs par deux et que ces souvenirs, ainsi coupés en deux, commencent à se sentir seuls aussi. Une moitié de souvenir pour mon ex et une moitié pour moi. Jadis, chaque fois qu’on les ressortait et qu’on les mettait ensemble, ils se réanimaient. Aujourd’hui, ils se taisent.

Et pourtant. Le divorce pointait déjà à l’horizon. Il progressait furtivement vers nous comme une taupe approche en creusant sous terre. Ni vu ni connu. Et lorsque, du jour au lendemain, les taupinières apparaissent dans la pelouse, on ne peut que se rendre à l’évidence que l’animal guettait le terrain depuis quelque temps déjà. Ce fut aussi le cas pour mon ex et moi.


*


Avec le réveille-matin réglé sur six heures et demie, je me glisse dans ma moitié de lit. La journée de demain s’annonce rude. Cinq jours par semaine, je trace les lignes sur les terrains de sport de l’université de Stellenbosch. Me voilà donc tombé bien bas, moi qui, il y a dix ans à peine, ai serré la main de Nelson Mandela. Et pourtant, je m’estime heureux d’avoir déniché ce petit boulot. Je suis tellement loin maintenant de l’univers des politesses absurdes et des réunions interminables. Ici, je retrouve le calme. Ici, il m’est permis d’exister. Jour après jour, je parcours de nombreux kilomètres avec mon chariot rempli de chaux pour tracer les limites des terrains de rugby, de football et de cricket. C’est d’ailleurs parce que je délimite ces terrains qu’ils existent, tout comme le centre ville n’existe que parce que des ouvriers l’ont entouré d’une ceinture de constructions en tous genres.

Les terrains ont besoin d’être entretenus en permanence. Ils doivent être praticables sept jours sur sept. On ne sait jamais, une équipe pourrait venir jouer à l’improviste. Il m’est déjà arrivé de devoir intervenir en urgence : un match contre les Tuks qui n’était pas inscrit au tableau. Il a fallu que je me donne à fond pour tracer en une demi-heure à peine des lignes propres et parfaitement visibles.

Mon boulot consiste à conduire ma traceuse, mais il n’y a pas que ça. Ma tâche ne s’arrête pas aux délimitations. S’il y a par exemple des taupes dans le gazon des terrains de sport, c’est à moi qu’il incombe de trouver une solution. (De là vient ma comparaison ci-dessus avec une taupe. Elle n’est pas tombée du ciel comme ça. Rien ne tombe jamais du ciel comme ça, sauf un passager clandestin mort de froid d’une soute d’avion.)

Dans ma moitié de lit, je reste à échafauder des projets pour le lendemain. Une de mes moitiés se rendra demain matin comme tous les matins sur les terrains de sport universitaires, mon autre moitié ira rendre la moitié des affaires à mon ex. C’est ce qu’il faut, la vie ne s’arrête pas. Les lignes des terrains de rugby n’attendent pas d’être retracées à la chaux. Ces lignes ne diront pas : « Oh, aujourd’hui il ne sent pas dans son assiette et il a d’autres priorités, donc aujourd’hui, pas besoin d’exister. » C’est comme pour les vaches dont les pis sont sur le point d’exploser ou les raisins sur le point de tomber de leur pampre dans les vignes de Franschhoek : quelqu’un doit assumer la responsabilité et faire en sorte qu’ils répondent à leur raison d’être.

La raison d’être des lignes est le jeu. Des hommes aux allures d’armoire à glace rouleront par-dessus et en cas de discussion, seules les lignes sont investies de l’autorité nécessaire pour dire à ces messieurs : « Tu étais dehors ou dedans. » C’est pourquoi je n’ai pas le droit de négliger mon travail, pas même par un jour de tristesse. Le travail n’attend pas. Et mon ex n’attend pas davantage. Mon ex ne dira pas : « Je sais bien que tu as à faire avec ton petit chariot, tu viendras quand ça te convient. Appelle-moi sur mon portable et on verra bien à quel moment on pourra se voir. Ce n’est pas si urgent que ça, toute cette moitié de nos affaires. » Non, mon ex aime bien les arrangements nets et précis. D’autant plus qu’on est en train de divorcer et de se détacher l’un de l’autre. Je suis d’accord avec elle, il faut que cela se passe correctement. Le dernier baiser est de l’histoire ancienne, de même que nos dernières heures ensemble au lit. Elle s’était finalement emparée de la couette et s’en était enveloppée comme si elle jouait à se transformer en pain de saucisse.

Ma moitié de lit donne l’impression d’être un tout autre lit. Il rend même mes idées et mes rêves différents. Je rêve par exemple que je cherche à battre mon ex comme plâtre. Elle est si rapide et habile à s’esquiver que mes poings ne rencontrent que de l’air au lieu de lui amocher la façade. C’est un rêve raté, je n’arrive pas à la toucher, ne fût-ce qu’une seule fois. Cet échec me contrarie. Je m’enfuis dans la salle de cinéma d’un rêve suivant. Mais au moment précis où sont projetées les premières images, le gardien ouvre brusquement les portes de la grande salle sombre. Le rêve éclate dans la lumière d’une aube limpide.

Je me lève, je mets le café à chauffer et j’ouvre la boîte de rusks au babeurre qui me serviront de petit-déjeuner. Tandis que je mange la moitié d’un biscuit, une sensation aigüe d’impuissance me surprend comme si un moustique que je suis incapable de chasser venait de me piquer à l’intérieur.

Je m’octroie deux minutes pour m’installer sur la moitié d’un tabouret et boire une tasse de café. Sans café, je n’arrive pas à clarifier mes pensées et il me faut des pensées claires aujourd’hui. Je bois une gorgée et je ferme les yeux dans la lumière aveuglante du matin. Les particules de caféine se fraient un chemin à travers mon corps. Des images reviennent, comme d’anciennes connaissances qui sonnent soudain à la porte.

– Je t’ai apporté quelque chose, dit mon oncle le jour où il apparut à l’improviste devant notre porte après de longues années d’absence. D’un sac qui avait connu de meilleurs jours, il sortit un petit cadeau. J’avais espéré des lacets de couleur, des balles ou des grenades. Mais du papier cadeau surgit un petit bonhomme, une petite poupée de chiffon noir avec une tête en plastique noir toute reluisante.

– Une poupée noire ! s’écria ma mère, c’est bien trop dangereux, ton oncle apporte toujours le danger dans la maison, je ne veux pas de cette poupée ici !

Les objets tranchants avertissaient eux-mêmes qu’ils étaient dangereux et la plupart du temps, de l’avis de ma mère, ça ne tournait pas à la catastrophe, mais les objets lisses et ronds étaient nettement moins fiables. Ma mère n’aimait pas le lisse, « certainement pas sous la forme d’une poupée bon marché avec une tête en plastique de mauvaise qualité, en plus, cette tête était sans doute toxique par-dessus le marché », prétendit-elle. Je n’eus donc pas le droit de prendre la poupée avec moi au lit, mais j’arrachai un compromis : je pouvais l’installer sur ma table de nuit.

Avec ses yeux comme des billes, la poupée me couvait d’un regard vigilant et je trouvai aisément le sommeil. Je planais dans mes rêves, détaché des heures et des soucis jusqu’à ce que, soudain, la nuit se déchirât. Deux petites mains écartèrent violemment mes mâchoires. Je m’efforçai de happer l’air. La poupée noire s’introduisit à grand-peine, se fraya un chemin dans ma cavité buccale et poursuivit sa route au-delà de ma langue paralysée. En atteignant ma luette, elle se laissa descendre dans la fosse de mon corps. Comme un gosse se laisse glisser sur un toboggan, elle dévala en moi pour atterrir dans mon estomac. Là, elle s’immobilisa, se balançant au rythme de ma respiration. Les coutures noires de la couverture nocturne furent recousues. Je continuai à dormir comme si de rien n’était.

Le lendemain matin, je me réveillai avec des nausées. La poupée s’étira de toutes ses forces avant de se relever, écartelant violemment mes organes intérieurs. Elle se cogna aux parois, avançant lourdement comme un monstrueux camion-remorque qui traçait de nouveaux passages en moi.

Comme tous les matins, mon voisin Marius sonna à la porte. Il passait me prendre pour aller ensemble à l’école. Marius avait deux ans de plus que moi. En longeant comme tous les jours les berges de la Eerste Rivier, il me racontait comme d’habitude combien il était formidable. Je n’écoutais pas car je songeais à ce qui s’était passé la nuit dernière. Après le nième auto-compliment de Marius, la poupée en moi bondit. Ce ne fut donc pas moi mais elle qui poussa mon pied en avant pour faire trébucher Marius. Il resta comme cloué au sol. Mon pied lui asséna ensuite un coup violent dans le ventre. Je vis comment Marius releva la tête, une lueur d’effroi dans les yeux. Il attendit quelques secondes avant de se remettre sur ses pieds. Marius était champion de karaté. Il pivota et m’atteignit si violemment avec sa jambe que je fus projeté à plusieurs mètres et rentrai la tête première dans un chêne séculaire.

En route vers les urgences, ma mère fut prise d’un accès d’hyperventilation. Mon père roula pied au plancher tout en n’oubliant pas de s’arrêter aux feux rouges. Mon père était du genre à respecter les limites et les règles. Ma mère n’arrêta pas de jacasser durant tout le trajet :

– Tu vois ? Ce pays est bien trop dangereux pour notre enfant. Non, ailleurs ce ne serait pas arrivé. Oui, traite-moi de folle. Cet enfant absorbe tous les dangers. Ce n’est pas sain. Il n’y a pas la moindre chance que ça se termine bien. On fait vraiment du tort à notre enfant en restant ici.

L’infirmière des urgences me conduisit dans une pièce où il faisait noir comme dans un four. C’était nécessaire pour l’un ou l’autre test. L’infirmière plaça un petit bassin en forme de rein sur ma poitrine, me pinça gentiment le bras pour me rassurer et me dit qu’elle serait vite de retour. J’attendais depuis une éternité, oublié dans le noir, quand je perçus au loin la démarche lourde d’un personnage robuste. L’homme vint se pencher sur moi, disant qu’il voulait prendre une photo et m’ordonna de rester immobile. Après la radiographie, la lumière se ralluma. Le gros médecin me dévisagea d’un air satisfait. Il n’y avait pas de danger, dit-il. J’avais une commotion cérébrale, une très jolie bosse et quelques bleus, rien de plus. Ils n’étaient pas vraiment intelligents, ces médecins. Il ne leur venait pas à l’idée de regarder au-delà de ce qui sortait de leurs machines. Une poupée s’était introduite de force en moi, mais ça, ils n’en avaient pas le moindre soupçon.

Je n’ai jamais parlé à personne de cette poupée noire qui s’était dès lors nichée en moi. Et personne ne s’est jamais aperçu de rien, sauf une fois. Un beau jour, je croisai dans la rue Dorp ma grande idole, le joueur de rugby Solly Tyibilika. Lui ne m’avait pas vu, mais moi, je ne pouvais évidemment pas détacher mes yeux de lui. Cet homme grand et large à la peau couleur noisette avait en moi son plus grand fan. J’avais dessiné des centaines de fois son visage anguleux à la craie sur les pavés de la cour de récréation. Même dans la rue, il marchait comme s’il portait un tas de bûches dans ses bras. Il était si superbement costaud. Je lâchai la main de ma mère et me précipitai pour rattraper mon idole. Je criai très fort « Solly ! » mais à peine les sons avaient-ils quitté ma bouche, que je le regrettai. Il était si grand et si lointain et si idéal, il ne fallait surtout pas que cette image explose comme une bulle de savon. Mais Solly se retourna et me fit signe. Quand je me trouvai devant lui, son regard plongea droit dans le mien et il ricana. « Je la vois bien, tu sais », dit-il. Il pointa un doigt noir et perçant sur ma tempe, fit mine de presser la détente et s’éloigna. Il y a deux ans, Solly s'est fait tuer dans le township de Gugulethu.

Soudain, ma tête bascule en avant. Le mouvement brusque me fait sursauter. Il faut que j’y aille. Il est temps de me mettre au boulot.

Une de mes moitiés s’habille du bleu de travail. Entre-temps, mon autre moitié se prépare à se rendre au rendez-vous avec mon ex et charge la voiture de toutes sortes de moitiés. Le coffre de ma jeep est franchement spacieux, mais il se remplit néanmoins. Il reste juste une petite place pour ma traceuse. C’est un chariot de réserve, un petit modèle d’à peine trente litres. « Voilà la traceuse, lui dirai-je, en souvenir de moi. » J’ai convenu avec mon ex que j’y serai avant neuf heures. Je ferais bien d’y arriver à temps. Sinon, tintin pour la signature des documents.

Grandir à Stellenbosch veut dire qu’on connaît la ville comme sa poche. La petite ville a l’air d’une maison propre comme un sou neuf, avec des chambres parfaitement tenues pleines de bois reluisant et des couloirs impeccablement balayés. Je me sens tout excité à l’idée de quitter cette maison aujourd’hui, comme si, après tout ce temps, j’avais enfin le droit de sortir. Je me mets en route vers mon ex qui a déménagé et s’est installée au Cap.

Et voilà, me dis-je en me glissant derrière le volant. Roulant à contresens dans le temps, je vais déposer une partie de ma propre histoire. Au cinéma, les voitures passent de gauche à droite sur l’écran parce que l’avenir se situe à notre droite. Je vois s’éloigner la moitié de moi, de droite à gauche, vers un endroit quelque part dans le passé. En même temps, j’agite la main en direction de mon autre moitié qui, dans l’embrasure de la porte, active le double système d’alarme et se prépare à partir à pied vers les terrains de sport. Imaginons qu’on ait eu un enfant, me dis-je brusquement, comment l’aurions-nous partagé ?

Tandis que je roule à tombeau ouvert sur la R304, j’écoute la radio. Jack Parow est interrompu en plein milieu d’une de ses chansons pour un flash d’actualité. Le présentateur annonce qu’une dépêche tragique vient de tomber. « Deux joueurs de rugby des Maties, l’équipe de l’Université de Stellenbosch, ont été tués dans un accident de la circulation. Les circonstances de l’accident n’ont pas encore été élucidées. » Le présentateur ajoute qu’il reviendra vers les auditeurs dès qu’il en saura davantage. Je connais toute l’équipe de rugby. Je les côtoie presque quotidiennement. Ils font partie de la moitié de ma vie. Est-ce que les gars se seraient saoulé la gueule et auraient quand même pris le volant ? Cela m’étonnerait beaucoup car ce sont tous des gars blancs bien éduqués qui auraient certainement pris un taxi dans une situation pareille.

Soudain, je n’arrive plus à déglutir. Ma gorge est plus desséchée encore que si j’avais passé toute une après-midi d’été en plein soleil à tracer mes lignes sur les terrains de sport. Je me souviens qu’il reste une bouteille d’eau dans la boîte à gants. Je plonge vers le côté passager tout en maîtrisant bien le volant d’une seule main. La boîte à gants s’ouvre sans le moindre problème. Ma main explore l’espace et s’empare d’une bouteille d’eau en plastique. Au moment précis où je referme le volet de la boîte à gants, je me sens catapulté vers l’avant et projeté dans le filet de ma ceinture de sécurité. Je ressens une énorme résistance contre la lourde grille métallique de la voiture. D’instinct, j’enfonce la pédale du frein. Une fraction de seconde après, je suis sonné par le bruit d’un coup terrifiant. Pendant quelques instants, la bouteille d’eau semble suspendue en l’air avant de retomber. Le moteur s’éteint. Tout s’est arrêté. Comme si un drap avait été jeté sur la cage du monde. Tout se tait, hommes et bêtes. Toutes les couleurs ont pâli. Il n’y a personne aux alentours, pas une voiture ne passe.

Les Européens s’imaginent qu’en Afrique du Sud, une bête sauvage peut surgir à tout instant devant la voiture, mais ici, c’est tout à fait exclu. Je viens à peine de quitter Stellenbosch, je viens seulement de dépasser Koelpark. En plus, Stellenbosch est la réserve d’hommes blancs de l’Afrique du Sud. Ici, il n’y a pas de bêtes sauvages à moins que quelqu’un ne les ait laissé échapper d’un cirque.


*


Le cuir du siège couine sous moi quand je me déplace. Je pousse contre la portière pour l’ouvrir. Ça fait une belle hauteur, du siège à la terre ferme. Je plie les genoux en atterrissant, je rebondis comme une grenouille pour me redresser, je tape dans les mains pour les dépoussiérer et je marche vers l’avant de ma voiture. Je tombe sur deux corps. Ou plutôt : sur un tas de parties de corps pâles et ensanglantées. La collision avec ma Jeep ne leur a pas fait du bien.

Je me saisis de mon portable et j’appelle une ambulance. Aux urgences, on décroche instantanément. Un accident de la route, dis-je, avec deux blessés graves, peut-être même qu’ils sont morts. Et beaucoup de sang. J’explique à la femme à quel endroit je me trouve exactement. « On y sera dans cinq minutes », dit la femme avant de raccrocher.

J’observe les corps d’où la vie se retire lentement. « Hmgamgga hmbwa bwa hmmbwaa », dit l’un des deux en puisant dans ses dernières forces, comme s’il était un bébé délirant abandonné sur la route. « Bwaaa bwaa re. » Un mince filet de sang coule d’un coin de la bouche ouverte. « Boire. » Je reconnais le visage. Je reconnais les rides profondes du visage capable d’encaisser, je vois l’oreille en chou-fleur. J’essaie de me rappeler le nom du joueur de rugby, mais je n’y parviens pas. Je voudrais pouvoir lui dire : « John, Chris, ou Oscar, je ne peux pas t’aider. Je ne suis pas médecin. » Mais comme je n’arrive pas à retrouver son nom, je ne dis rien.

Je regarde ma montre et je vois qu’il reste deux minutes avant que l’ambulance n’arrive. Je vais vers l’arrière de ma voiture et j’ouvre le coffre. Suite au choc brutal, la traceuse s’est un peu déplacée. Je sors le petit chariot du coffre, je le dépose sur la route et je pose mes mains sur les poignées. Je le conduis sur l’asphalte jusqu’aux hommes ensanglantés. En arrivant près des corps, j’ouvre la valve qui libère la chaux et je me mets à tracer un gros trait blanc tout autour des corps amochés. Je pense à mon ex. La moitié de nos affaires se trouvent maintenant exposées en pleine rue. La vie peut reprendre son cours à tout moment. Dans fort peu de temps, ma voiture aura fait l’objet d’un pillage en règle…

 

 

Traduit par Michel Perquy

Podcast lu à haute voix par Béatrice Marlier

 

 

Michel Perquy traduit du et vers le français. Il est né à Bruges (1943) et a étudié les langues romanes à la KULeuven, après ses humanités gréco-latines. En tant que professeur de français, il était très actif dans le théâtre de son école et, dans cette optique, il a commencé à traduire (Boris Vian, Molière, Giraudoux, René Girard). Ensuite, il a été nommé directeur adjoint de la Maison des Etudiants belges à Paris et il a continué à développer ses activités de traduction (www.perquy.net). Actuellement, il habite à Bruxelles. Traduire et peindre (www.oparijs.eu) sont ses activités principales.

 

Download the ePub Print

Wildebeest (EN)


My mother says that these days you have to get divorced to keep up with the Joneses. That’s not why I’m getting divorced. Who are these Joneses, anyway, and why would I want to keep up with them? My mother also says that people aren’t prepared to make an effort anymore. From the moment I got married I made such an effort that I was no longer myself, and that made me angry at myself. And that, in turn, made me desperately unhappy. My mother hasn’t a clue about any of this.

If, for whatever reason, you do end up having to get divorced, my mother says, then you must do it fairly. When you’re splitting up, make sure you don’t make each other’s lives miserable in the process. Everything must be divided fairly. I’m a fair person, so that makes sense to me. I’m being very scrupulous about dividing our property in two. And it’s a massive task. To be honest, I underestimated it a bit. It only dawned on me when I saw all our ex-property in our ex-living room, and that didn’t even include the garden furniture or all the stuff in the bathroom or the skiing jackets in the cupboard in the hall that we nearly never wore because it nearly never snows. We went on a skiing trip to Europe just the once. It snowed like mad and we got stuck in the mountains between Italy and Switzerland, just short of the Brenner Pass. We were literally trapped: the doors of our rented car wouldn’t open anymore; perhaps because the locks had frozen up. My ex went to pieces; she was terrified of being snowed in. She broke out into a sweat and clawed at my sweater, nearly ripping it to shreds.

All our stuff comes with so many memories attached I feel like I’m dividing our memories in two at the same time. It’s as if being halved like this makes the memories lonely. Half a memory for my ex, and half for me. They used to come to life when we dug them up and put them together, but now they’re silent.

You could see it coming though. The divorce, that is. It crept up on us silently, like a mole approaching underground. Suddenly you see molehills all over your lawn and you realise that the mole must have been lying in wait for a while, eyeing up the soil under your garden. That’s how it was with my ex and me.


*


With the alarm set for half past six I get into my half bed. I’ve got a full day ahead of me. Five days a week, and sometimes on Sundays too, I draw the lines on the playing fields of Stellenbosch University. It’s a terrible come-down for someone who only ten years ago shook Nelson Mandela’s hand. Yet at the same time I feel lucky to have this job. It lets me escape from the world of endless meetings and meaningless civilities. It gives me peace. A space in which I can exist. Each day I go off with my little cart full of corpse-pale chalk, marking boundary lines round all the rugby pitches, football pitches and cricket pitches, kilometre after kilometre. Marking them out makes them exist, just as workmen make a city centre exist by building a ring road round it.

The pitches need permanent maintenance. They have to be ready for use every single day. There’s always a chance that a team will suddenly turn up. I once had a real emergency on my hands: a match against the University of Pretoria that hadn’t been on the fixtures list. I only had half an hour to get all the lines nice and clear – I had to pull out all the stops on that occasion.

There’s more to my job than just driving round with a cart full of chalk, though. A groundsman has lots of other tasks besides marking out boundaries. Take moles, for instance. If they invade the pitch, I’m the one who has to get rid of them. (Hence my earlier comment about moles. It didn’t just come out of the blue. Which is an odd expression, really. Does anything ever come out of the blue? Only stowaways plummeting from an aircraft’s undercarriage after they’ve frozen to death.)

I lie in my half bed, making plans for the next day. One half of me will leave for the university playing fields as usual, the other half will return half of our property to my ex. That’s the way it is, life doesn’t just stand still. I can’t put off chalking the lines of the rugby pitches. Those lines won’t say, ‘Oh, today he doesn’t feel so well and he’s got more important things to do, so we don’t need to exist.’ It’s like cows whose udders are nearly bursting or the grapes in Franschhoek that are almost tumbling from the vines: someone has to take responsibility for them and make sure they serve their purpose.

And in the case of the chalk lines the purpose is the game. Hulking men will roll over the lines and if there’s a dispute, it’s the lines’ job to tell the men, ‘You were outside and you were inside.’ Which is why, even on a miserable day, I can’t neglect my work. The work won’t wait. Neither will my ex. My ex won’t say, ‘I know you have to do the rounds with your chalk cart – just swing by when it suits you. Give me a buzz and we’ll arrange a time that works for both of us. It’s not as if dividing up our stuff is so urgent.’ No, my ex likes clear arrangements. Especially now we’re untying the bands of wedlock and peeling our lives apart. I agree with her that separation needs to be done properly. We’ve had our last embrace, we’ve spent our last hours in bed together. She stole the duvet on that occasion and wrapped herself up in it till she looked like a giant sausage roll.

My half bed feels like a completely different bed. It even gives me different dreams. In one of them I’m trying to pound my ex to a pulp. She ducks away with such speed and agility that instead of beating her black and blue my fists just punch holes in the air. I can’t touch her, it’s one of those frustrating dreams where everything goes wrong. Annoyed, I flee into the picture house of another dream. Just as the first images are being projected onto the screen, the man in charge of the big, dark cinema throws open its doors. The dream pops like a bubble in the pure morning light.

I get up, put on some coffee and open the tin of buttermilk rusks. As I breakfast on half a rusk, I’m stung by a feeling of powerlessness, as if a mosquito had got inside me and was biting me – a mosquito I can’t chase away.

Perched on half a stool, I drink a cup of coffee. Without coffee I can’t think clearly, and I need to be alert today. I take a sip and close my eyes against the bright sunlight. The caffeine particles navigate slowly through my body. Images come back to me, like old acquaintances suddenly ringing my doorbell.

‘I’ve brought you something,’ my uncle said when he turned up unexpectedly on our doorstep after an absence of many years. He delved into a carrier bag that had seen better days and produced my present. I had hoped for coloured shoelaces, bullets or grenades. But what emerged from the wrapping paper was a small figure, a doll made of black material, with a shiny black plastic head. ‘A black doll!’ my mother cried. ‘That thing’s a health hazard! Your uncle is forever bringing danger into this house. That doll must go!’ You knew where you were with sharp objects, according to my mother. They obviously had to be treated with care, so weren’t really much of a threat. Smooth, round objects, on the other hand, were much more treacherous. My mother didn’t like anything that was smooth or slippery, ‘especially not a cheap doll with a shoddy plastic head – it’s probably poisonous into the bargain,’ she said. The doll wasn’t allowed to sleep in my bed. Eventually we settled that he could stand on my bedside table.

Under the doll’s vigilant, beady-eyed gaze I soon fell asleep. I floated around in my dreams, free from clocks and care, until the night was unexpectedly ripped open. Two little hands forced my jaws apart. I gasped for air. The black doll wormed inside me, forcing his way through my mouth and clambering over my paralysed tongue. Dangling from my uvula he dropped down into the mine shaft of my body. Like a child gliding down a slide, he descended through me, landing in my stomach. There he lay, rising and falling on the ocean of my breathing. The dark seams of night’s blanket were stitched up again. I slept on as if nothing had happened.

I woke up in the morning feeling sick. The doll stretched with inhuman force and stood up. Internal tissues tore. It rampaged around inside me like some monstrous truck, bulldozing walls and laying new roads.

Our doorbell rang, just as it did every morning: it was Marius, the boy next door, collecting me for our walk to school. Marius was two years above me, and full of his own superiority. As we walked along the Eerste River he was busy bragging as usual. I wasn’t listening; instead I was thinking about what had happened in the night. After the umpteenth boastful tale from Marius, the doll inside me suddenly sprang up. It wasn’t me but him who shoved my foot forward so that Marius tripped and fell headlong. Then my foot kicked him hard in the stomach. Shocked, Marius lifted his head. For a few moments he just lay there. Then he suddenly jumped to his feet. Marius, the karate champion, spun round and kicked me so hard that I flew through the air for several metres, my head crashing against an old oak tree.

My mother hyperventilated all the way to the emergency department. My father kept his foot on the accelerator, but was careful to stop at red lights. He was a man who respected boundaries and rules. My mother never stopped talking throughout the entire journey: ‘I told you so! This country’s much too dangerous for our child. This wouldn’t have happened anywhere else. Oh no! Call me daft if you like. This boy’s simply a magnet for danger. It’s unhealthy – he’ll come to a sticky end! We’re doing the wrong thing for him by staying here.’

The nurse in the emergency department led me to a pitch-dark room. Apparently it had to be kept dark for some test or other. The nurse placed a kidney-shaped bowl on my chest, pinched my arm reassuringly and said she would be back in a minute. I lay there for an eternity, abandoned in the dark. Then, in the distance, I heard heavy footsteps approaching. A large man bent over me, told me he was going to X-ray me and ordered me to lie still. After the X-ray, the light was switched on. The fat doctor looked at me with a satisfied expression. I wasn’t in any danger, he told me. Nothing wrong with me apart from mild concussion, an impressive bump and a few bruises. To me, the hospital staff seemed pretty dim. They didn’t look beyond the results that rolled out of their machines. A doll had broken into me, but they couldn’t see that.

I never told anyone about the black doll that had nestled inside me. And no one ever noticed anything, except once. One day, when my mother and I were in Dorp Street, I saw my hero, the rugby player Solly Tyibilika. He didn’t see me, but I couldn’t fail to recognise the tall, broad-shouldered man with the nut-brown face. I was his biggest fan. I’d drawn his picture hundreds of times, chalking his angular features on the paving stones of the playground. What a tough guy: even off the pitch he walked as if he were carrying a pile of logs. I let go of my mother’s hand and ran after my idol. ‘Solly!’ I cried, regretting my impulse the moment I called his name. He was so tall and remote and perfect; I couldn’t bear that image to be spoiled. But Solly turned round and gestured to me. When I came up to him, he looked me straight in the eyes and grinned. ‘I can see him,’ he said. He pressed a black finger against my temple like a gun barrel, mimed pulling a trigger and walked away. Two years ago Solly was gunned down in a drive-by shooting.

My head falls forwards. The sudden movement shocks me. I have to go. I need to get busy.

One of my halves puts on my work overalls. My other half, meanwhile, loads the car up with half things, getting ready for the trip to my ex. My Jeep has plenty of cargo space, but it soon fills up. There’s just enough room for the smaller of my chalk carts. It’s a spare one that only holds 30 litres. ‘Here’s the little chalk cart,’ I’ll say, ‘to remember me by.’ I’ve arranged with my ex that I’ll be there by nine. I’d better make sure I’m on time. Otherwise there’s no way she’ll sign the papers.

If you grow up in Stellenbosch, you know the place like the back of your hand. It’s tiny and immaculate, like a squeaky-clean house where everything is neat and scrubbed and smells of furniture polish. It’s exciting to leave that house now, as if I’m being allowed out for the first time in ages. I’m going to drive to Cape Town, because that’s where my ex lives these days.

So that’s that, I think, as I sit behind the wheel. I feel like I’m driving the wrong way down the highway of time, with half my history piled up behind me. In films cars drive across the screen from left to right, because the future lies to our right. I see half of myself drive away, from right to left, backwards in time. I simultaneously wave goodbye to my other half, who’s standing in the doorway switching on the double alarm system, about to set off for the playing fields. Supposing we had a child, I suddenly think, how would we divide that?

As I zoom along the R304, throwing up puffs of brown dust, I listen to the radio. One minute Jack Parow is singing, the next he’s interrupted by a special newsflash. A man reports that tragic news has just been received. ‘Two Stellenbosch University rugby players have just been killed in a car accident. The circumstances are still unclear.’ The newsreader promises to get back to the listeners as soon as he has any more information. I know the whole team of rugby players. I see them almost every day. They belong to my half life. Had they been drink-driving after a night on the tiles? It seems unlikely to me. They’re all well brought-up white boys who’d call a cab if they’d had a few too many.

Suddenly I can’t swallow anymore. My throat is drier than if I’d spent all afternoon in the summer sun drawing lines on pitches. It occurs to me there’s a bottle of water in the glove box. Keeping one hand firmly on the wheel, I lean over to the passenger’s side. The glove box clicks open easily. My groping hand grabs hold of a plastic water bottle. Just as I shut the glove box again I’m catapulted forwards and squashed against the net of my seat belt. An immense force presses against the car’s heavy metal grill. I instinctively stamp on the brake. A fraction of a second later I hear a deafening crash. The bottle of water hangs in the air for an instant, then falls. The engine cuts out. Everything goes quiet. As if a cloth had been thrown over the world’s cage. All the people and animals are silent. All the colours have gone pale. There’s no one around, not a single car goes past.

Europeans think that in South Africa wild animals can jump in front of your car at any moment, but that can’t be the case here. I’ve only driven a few miles; I’m hardly out of Stellenbosch. Besides, Stellenbosch isn’t known for its exotic fauna – it’s more a South African reserve for white people. You won’t find wild animals in these parts, unless they’ve escaped from a circus.


*


The leather car seat groans beneath me as I shift position. I push open the car door. It’s a big jump from the seat to ground level. My knees flex as I hit the ground, then I bounce back up like a frog, dust the dirt from my hands and walk to the front of the car. I find two bodies there. Or rather, a pile of body parts, pale and bleeding. The collision with my Jeep hasn’t done these bodies any good.

I grab my mobile and call an ambulance. The emergency services pick up immediately. A traffic accident, I explain, two people have been seriously injured, perhaps killed. And there’s a lot of blood. I tell the woman exactly where I am. ‘We’ll be there in five minutes,’ the woman says and she hangs up.

‘Hmgamgga hmwa wa hmmwaa,’ one of the two babbles with his last remaining strength. He’s incoherent, like a giant baby abandoned on the street. ‘Waaa waa tee.’ A little stream of blood trickles from his slack mouth. ‘Wa-ter.’ I recognise his face. I know that tough, weathered countenance, that cauliflower ear. I try to remember the rugby player’s name, but for the life of me I can’t. I’d like to say to him: ‘John – or Chris or Oscar – I can’t help you. I’m not a doctor.’ But because I can’t recall his name, I remain silent.

I look at my watch and see that there are still two minutes to go before the ambulance arrives. I walk to the back of my car and open the boot. The chalk cart has shot from its place in the violent collision. I lift it out, put it on the road and take hold of the handles. Then I trundle across the asphalt to the bleeding men. When I get up to them, I open the valve that controls the chalk flow. I walk round the broken bodies, chalking a thick white line as I go. I think about my ex. Half our property is exposed on the public highway, for all to see. Life could start up again any minute now. It won’t be long before my car is plundered.

 

 

Translated from Dutch by Jane Hedley-Prole

Podcast read by Cathy Smith

 

Jane Hedley-Prole studied German and Dutch at the University of Liverpool, after which she settled in the Netherlands. Alongside her job at the Ministry of Foreign Affairs she works as a freelance translator. Since her accreditation as a literary translator by the Dutch Foundation for Literature she has translated Diaghilev; A Life by Sjeng Scheijen (together with S.J. Leinbach), The Fetish Room by Rudi Rotthier, We Are Our Brains by Dick Swaab and What About Me? by Paul Verhaeghe.