What Am I Doing Here?

Wat doe ik hier?

Ruth San A Jong

Ruth San A Jong

Ruth San A Jong (Surinam, 1970) lives and works in Paramaribo. She founded the Schrijversvakschool Paramaribo (School of Writing) in 2008 and teaches prose and essay writing. She won the Kwakoe Literature Prize for het story De laatste parade. In 2011 she published a collection of short stories with the same title, De laatste parade (The last parade), which was nominated for the Academia Literature prize 2013 and for the Inktaap 2014. In De laatste parade she writes about life in Surinam in all its aspects, in particular about death and the traditions, beliefs, superstition and rituals that go with it.

Close

Jakarta All citybooks

Download the ePub Print

Wat doe ik hier?


‘Hoe kon papa ons dit aandoen? Is hij helemaal gek geworden?’

‘Rustig mevrouw Tjokrodimedjo, we kijken wat we voor u kunnen doen in Nederland en nemen zeker contact op met de Ambassade in Jakarta. Wij berichten u zo gauw we informatie hebben over uw vader Hendri. Geeft u mij de pasfoto’s; schrijft u eerst op de achterkant, in blokletters, de voor- en achternaam. En zijn geboortedatum. U weet echt niks van zijn vertrek naar Indonesië?’

‘Hoe vaak moet ik u zeggen dat we alleen een gekreukelde bagagesticker met Jakarta erop hebben gevonden in de vuilnisbak van zijn kamer? Zonder adres!’

Titi keek naar haar twee jaar jongere zus en schudde geïrriteerd haar hoofd. Dit had ze niet van haar vader verwacht, hoewel ze toch altijd al het vermoeden had dat er iets onstuimigs of verrassend achter die kalmte van hem zat. Wat hij in godsnaam daar is gaan doen, is nog de grote vraag. Roots zoeken? Pffft… Pa? Onmogelijk! Hij had toch nooit over Indonesië gesproken? Ze wisten gewoon niks. Vorige week was er een opsporingsbericht geplaatst bij het Korps Politie Suriname, nadat ze een zoektocht waren begonnen bij families en vrienden in Mariënburg. Niemand had hem gezien of iets van hem gehoord. De enige reacties waren de venijnige vanuit de samenleving via Facebook, dat de dochters hem vast wel iets hadden aangedaan. Een oude man van eenenzeventig loopt toch niet zomaar weg? Daar zat een vreemd luchtje aan.

Ze had haar zusje Emi een bok gegeven toen die steeds zei dat haar vader dementeerde. ‘Wil je dat, verdomme, niet meer zeggen? Pa zal er wel een goede reden voor hebben gehad om te vertrekken zonder het ons te melden. Houd op ermee! Pa is niet dement!’ Emi snikte en snoot haar neus in een papieren zakdoek: ‘Mijn God, wat gaat er met mijn vader gebeuren? Waar is hij nu? Heeft hij genoeg geld, waar logeert ie? Mijngodmijngodmijngod, een oude man alleen tussen al die miljoenen mensen. Dat is gevaarlijk!’

Zij vroeg zich af of het bezoek elke zondag niet voldoende was. Was hun vader boos op hen, omdat ze hem niet in huis hadden genomen? Waar had hij het geld gevonden om dat ticket te kopen? Drieduizend US dollar! Had een van hen iets gezegd waardoor hij teleurgesteld was geraakt? Zorgden zij niet goed genoeg voor hem? Wilde hij in Indonesië gaan sterven? Wat is hij daar gaan doen?

Familie hadden ze niet op Java, althans, volgens hun vader was hun grootvader daar geboren, in Semarang. Ze hadden mogen kiezen om terug te gaan of te blijven in Suriname. Hun opa, die zij niet hadden gekend, was in Suriname gebleven. Zoiets hoor. Dat was het enige verhaal dat ze kenden en de enige band die ze hadden met Indonesië. En Didi Kempot, de bekende artiest. Ze waren ook geen échte moslims. Alleen bij een overlijden werd er de volgende dag meteen begraven en werd het lijk in een wit laken gewikkeld. De meeste informatie hadden ze uit de geschiedenisboekjes op de lagere school over de Hindoestaanse, Chinese en Javaanse immigratie. Hun vader was typisch zo traditioneel en zwijgzaam als het ging om verhalen van vroeger. Titi had herhaaldelijk geprobeerd met hem te praten over die tijd en het enige wat hij steeds zei, was: ‘Ik weet het écht niet meer!’

Papa Tjokro’s vader overleed toen hij elf jaar was en hoeveel kon je je op zo’n leeftijd herinneren? Je moest het echt uit hem trekken en het enige wat ze wisten, was dat immigratieverhaal, maar niemand had kunnen zeggen uit welke kampong van Semarang ze waren gekomen. Haar vader was in Suriname geboren en zijn vader was op zijn eenenveertigste gestorven. Zijn rechtervoet was per ongeluk blijven haken aan het touw van een op hol geslagen karbouw in Zoelen. Hij had daarna twee maanden in bed gelegen vanwege een infectie aan zijn gebroken been. Hij weigerde naar de dokter te gaan, met alle gevolgen van dien. Niks meer, hun pa sprak niet veel; je wist nooit wat er in zijn hoofd omging. Hun moeder was ook in Suriname geboren, in Soesanesdaal. Ze hadden elkaar ontmoet toen hij zeventien was en zij veertien. De wederzijdse ouders hadden het geregeld. Hun huwelijk was een jaar daarna geweest, op zijn Javaans. Het huwelijk van minderjarigen werd wel geaccepteerd, maar inschrijving bij de burgerlijke stand kon pas toen ze achttien was. Al die oude tantes en ooms die deze verhalen hadden kunnen vertellen, waren al overleden. Degenen die nog leefden, waren dichtbij de honderd jaar en zaten met versleten hersens voor zich uit te staren in hun rolstoelen.


*


‘Allah is groot!’

Vader Hendri barst in tranen uit wanneer hij zijn koffer neerzet in de kamer van Hotel Ibis Tamarin waar de taxichauffeur hem heeft afgezet. Hij gaat op de rand van het bed zitten en bekijkt de kamer terwijl er tranen over zijn wangen lopen. Hij is werkelijk in Jakarta, hij is in Indonesië; ‘mi doro’. De warmte die hem in het gezicht sloeg toen hij bij de uitgang van de aankomsthal van Soekarno Hatta Airport stond, was hem bekend. Zijn wollen vest veroorzaakte jeuk in zijn nek.

Het was koud geweest in Nederland, ondanks dat ze daar hadden gezegd dat het ‘mooi weer’ was: tien graden. Zijn linkerknie deed pijn en zijn vingers ook. Hij had eindelijk de ruimte om de spanning te verminderen en zijn tranen de vrije loop te laten. Hij voelde aan zijn borst: een vreemde, driedubbele hartslag. Hij opende zijn koffer om zijn medicijnen tevoorschijn te halen: nu innemen. Door de lange vlucht van vijftien uur was hij die vergeten.

Hij ademde de nog schaarse koude lucht van de kamer in. Titi en Emi zullen zich ongerust maken maar als ik het niet zo had gedaan, was ik nu niet hier. Ik ben een vitale man en nog niet dood. Het vroege overlijden van mijn vader heeft me geleerd om te zorgen voor mijn vrouw en kinderen. Jongens en mannen weten hun weg altijd te vinden. Ik heb het nooit erg gevonden dat Allah ons gezegend heeft met twee dochters. Deze kinderen hadden zijn hele leven bepaald. Hij had dertig levensjaren gegeven aan Suralco, als lasser, en voor hen gewerkt om ze te verzorgen. Niet dat hij hen de schuld ervan gaf hoor, maar het kwam er steeds niet van: reizen!

Hij had het stille verlangen om ooit een reis naar Indonesië te maken. Na het overlijden van zijn vrouw, die jaren als interieurverzorgster bij het Ministerie van Sociale Zaken had gewerkt, begonnen die gedachten weer op te komen. Hij voelde zich gezond, ondanks zijn artritis en de hypertensietabletten die hij moest slikken. Zijn knie was wel aan het slijten en bezorgde hem problemen wanneer hij te lang liep. Niemand had hij om voor te zorgen. Er was een straathond zijn erf op gewandeld waarvan de poot, wellicht na een aanrijding, achterstevoren was gegroeid. ‘Pootje’ kreeg elke dag iets te eten van hem en waakte over hem, zijn orchideeën en zijn huis. Hij was maar één keer, voor het werk, naar Nederland geweest toen hij jonger was. Hij is altijd tevreden met zijn leven geweest, zijn dochters hadden het goed gedaan op school: de ene had chemie gestudeerd aan de universiteit en werkte nu bij het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek, de andere werkte bij een bekende makelaar als directiesecretaresse.

Hij weet dat ze ontzettend boos op hem zullen zijn, maar hij zou het goedmaken wanneer hij terug was.


*


De veelheid van mensen die langs hem heenliepen, de auto’s, motorfietsen, scooters, straatpolities, billboards en wolkenkrabbers duizelden hem. Zijn hart maakte weer een driedubbele slag en hij vroeg zich af of hij die ochtend zijn bloedverdunners had ingenomen. Bij het ontbijt hadden ze lekker veel gefrituurd eten. Hij is gierig en neemt van alles op zijn bord, dat veel te klein is. Verschillende soorten nasi goreng, soto en krupuk. Er was ook brood en om zijn medicijnen goed te laten werken, at hij wat croissants met plakjes kaas, wat fruit en dronk een kuipje yoghurt. Hij vergat zijn gevoelige maag. Hij keek naar de schaal tomatensambal waar menige hotelgast gretig uit schepte. Hij nam twee scheppen van het gestoofde rundvlees, een van de gele rijst, drie stukjes gebakken vis, twee kippenworstjes en een scheplepel gebakken ei. Die veel te kleine bakjes eten van de KLM tijdens de vlucht, waren geen echte porties. Hij keek vanachter zijn kopje thee hoe mensen om halfacht ’s morgens rijst aten. Zijn buik zwol aan bij elke hap die hij nam. Hij at ook wel rijst in Suriname, maar lang niet elke dag en pas om tien of elf uur. Toen hij nog werkte, nam hij altijd rijst mee.

‘Terima kasih’. Hij knikte naar het hotelpersoneel en bedankte het voor de gastvrijheid. Hij zou het rustig aan doen op zijn eerste dag in Jakarta. Hij voelde de lucht nog in zijn hoofd drukken en zijn lichaam voelde zwaar aan. Hij stapte uit het hotel, liet een luide boer en ging op zoek naar een reisbureau. Hij herkende even de tabaksgeur die hij bij zijn vader had geroken. Het leek alsof hij weer kind was en hij kon zich de geur van de kampong herinneren. Kruidnagel! De smog vulde zijn al vervuilde longen. Hij had jarenlang gerookt en hoestte vaak; de smog zou hem niet zieker maken.

Hij zou gaan kijken wat een ticket naar Semarang kostte. De straten verwarden hem: hij zag twee nummers in dezelfde straat, maar aan de andere kant. Hij zou niet ver lopen. Het verkeer was te druk en het duurde te lang om over te steken. Op alle hoeken zag hij motorfietsen en auto’s die wachtten op het sein om op te rijden. De bajajs probeerden hem te verleiden in te stappen maar hij wilde vooral zijn jetlag eruit lopen. Met een buiktasje waarin zijn paspoort zat en het wisselgeld dat was overgebleven van zijn visa on arrival, liep hij langs het drukke lawaaiige verkeer. 1.500.000 roepia’s, zo duur!

Hij keek naar de reisagent en antwoordde hem in het Surinaams-Javaans. Hij had intussen ontdekt dat men dat wel verstond. Hij wist dat men Bahasa Indonesia sprak, maar die taal was hem te modern en hij verstond net enkele woorden. De verkoper scheen hem wel te verstaan. Hij vertelde de vrij kleine Indonesiër van middelbare leeftijd dat hij terug zou komen. ‘Vanwaar bent u bapak? Waar komt u vandaan?’

‘Suriname?’ Oh ja, u gaat terug naar Semarang? Ik geef u dat ticket voor een miljoen roepia’s. Vindt u dat goed?’ Hij zag ervan af. Zoveel geld had hij ook niet bij zich. Hij was allang blij dat hij er was en het grootse van Jakarta mocht aanschouwen. Hij moest niet zeuren.

Na enkele minuten stond hij buiten het reisbureau waar er net aan de voorkant een karretje staat met mannen die bezig zijn vlees te rijgen aan satéstokjes. Hij had geen ticket gekocht, ook al had hij 500.000 roepia’s korting gekregen. De saté ayam leek merkwaardig kleiner hier. Hij vroeg wat een portie kostte. Twintigduizend roepia’s? Nee, nog niet. Hij dacht aan het flinke ontbijt van die ochtend in het hotel. ‘Vader, vijftienduizend roepia’s, dan krijgt u tien satés!’ Hij keek naar de vliegen die ook gefascineerd naar het vlees staarden en wuifde ‘nee’ met zijn hand.

Hij liep Sarinah binnen en vroeg waar de batikafdeling was. De beveiligingsman vertelde hem dat er een andere afdeling was waar er batik voor moslims te koop was. De liftdeur ging open op de vierde verdieping en het voelde voor hem aan alsof hij een textielparadijs betrad. Hij liep meteen naar de herenafdeling en vroeg aan de jonge verkoopster of hij een overhemd mocht passen. Hij was onder de indruk van de handgemaakte waren, de wayangpoppen, de gezichtsmaskers van hout en het zilver. Tjokro’s knie was ook dankbaar voor de roltrappen. Met drie tassen onder zijn arm nam hij toch een bajaj, waarvan er zo veel voor bij Sarinah stonden, die hem naar het Ibis reed. In de lobby van het hotel nam hij een avocadosap. Hij had mooie blousjes en sjaals voor Titi en Emi gekocht.


*


De zon is aardig fel en de lucht voelt droger, minder vochtig aan dan in Suriname wanneer hij uit de taxi stapt in Kota Tua bij het plein. Het is zaterdag en hij hoort een kakofonie van geluiden van duizenden mensen, straatartiesten, gamelans, vuurspuwers en vooral van kleine kinderen, die zichzelf beschermen tegen de zon onder de hemden van hun vaders. Hij heeft geen fototoestel meegenomen om een foto samen met de soldaat te maken. Vooral de kinderen van Titi zouden dit leuk vinden. Tjokro staat te kijken naar een jongeman met gitaar die zingt over een meisje dat niet meer verliefd op hem is. Wanneer de jongen stopt met zingen, krijgt hij een daverend applaus. Zijn vriendinnetje bloost als zij ziet dat Tjokro naar haar wijst. Ze zit achter de zanger op een plastic kruk, omringd door vrienden en misschien haar zussen.


*


Waar ben ik aan begonnen? Wat doe ik hier, denkt vader Hendri met een glimlach op zijn mond, terwijl hij zijn hartslag tegen zijn handpalm voelt wanneer hij achterop de motorfiets stapt. Djino, een jongen die veertien uur per dag in het hotel werkt, heeft beloofd hem rond te rijden door Kota Tua, op de motorfiets. Hij wilde zo graag die ervaring op de motorfiets hebben. Ze zouden dan onderweg stoppen om iets te eten en te drinken en natuurlijk ook bij een moskee om te bidden. Hij wilde alles meemaken in dat ene weekje.

Tjokropawiro had een mondkapje gekocht bij supermarkt Seven Eleven naast het hotel. Hij had zo veel mensen op de motor gezien met die dingen, dus moest hij er zeker ook een hebben. Djino had ook handschoenen voor hem meegenomen; je vingers konden verstijven door het vele rijden tegen de wind in. Hij had ook gezien dat vader Hendri van die knokige vingers had. Hij had vrij, omdat 9 april een nationale vrije dag was in verband met de parlementsverkiezingen. Hij gaat niet stemmen, hij gelooft niet meer in die politici. Vader had hem overgehaald om dat toch te doen, al was het maar een ongeldige stem ‘Kruis gewoon verschillende vakjes aan, dan gaat je stem naar niemand!’ Djino was toch halfvijf in de ochtend opgestaan om langs de snelweg bij Jakarta Barat te stemmen. In het hotel hadden ze het echter vooral over de presidentsverkiezingen in juli. De jonge Jokowi, de voormalige burgemeester van Solo en huidige gouverneur van Jakarta, maakte een grote kans om president Yudhoyono op te volgen. ‘Politiek is overal hetzelfde jongen.’

Hij had toch te weinig geld meegenomen voor tien dagen. 800 USD was niet genoeg voor een riant verblijf in Jakarta. Hij had Djino die zijn kamer dagelijks schoonmaakte, bij een babbel gevraagd of hij hem zou kunnen afhalen met de motorfiets. Die had meteen ‘ja’ gezegd, maar hij moest wachten tot de nationale vrije dag. Het leek alsof alle 240 miljoen mensen per motorfiets gingen stemmen. Hij was bang. Hij had zijn helm stevig vastgemaakt.

‘Oh Allah, luku fa mi o dede dyaso,’ riep hij keer op keer in het Sranantongo, terwijl hij glimlachte wanneer hij zijn lichaam mee voelde swingen als de motorfiets een bocht maakte. Hij klemde elke keer zijn oude dunne armen stevig om Djino vast, die er niks van merkte. De auto’s en motorfietsen raasden op centimeters langs hem heen, evenals zijn gedachten. Hij sloot zijn ogen en dacht aan zijn dochters, zijn vrouw, met wie hij toch een goed leven heeft gehad, zijn dienstjaren bij Suralco, het witte kleed waarin hij zijn vader gewikkeld had gezien. Hoe zou het zijn als ze hier waren gebleven? Hij sloot zijn ogen toen ze voor het stoplicht stonden en de honderden, naar zijn gevoel miljoenen, uitlaatpijpen agressief naast hem gromden. Het geluid deed pijn aan zijn oren. Hij keek weg wanneer hij twee kinderen tussen hun ouders in, op een bromfiets zag zitten of wanneer hij een oude man een grote bakfiets zag trekken, beladen met grote zakken afval. De wind tegen zijn mondkapje maakte hem kortademig.


*


Vader Tjokro zit weer op zijn bed en huilt. 12 april staat op zijn ticket, 6.45u Terminal 2, KL810 JAK/Nederland. Hij is gefrustreerd. Een dag is te kort om nog iets te ondernemen. Tien dagen waren te kort om meer te zien van Jakarta.

Djino had ook niets meer voor hem kunnen doen, dan hem rijden naar de vismarkt in Noord-Jakarta. Hij was te weinig markten tegengekomen.Tjokro had gewandeld langs de havenplek waar een paar mannen bezig waren peper en knoflook te malen. Ze aten samen een nasi goreng ikan bilis, gemaakt van kleine trie-visjes en zoute vis. Zo een nasi had hij nog nooit gegeten. Hij leek wel uitgehongerd hier. Het bananenblad had hem aan Suriname laten denken en terug laten verlangen naar zijn huis. Daar, waar de lucht zuiver is en hij kon genieten van de stilte en de wind door de bladeren van zijn manjaboom. Een verkoper biedt hem een mooie red snapper aan. Hij vergeet even dat hij niet in Suriname is en antwoordt: ‘No, mi no wani.’ Zijn ogen zeggen iets anders. De indringende geur van de garnalen strelen zijn neusvleugels. Hij jaagt een poes weg die volgens hem te dicht bij de vissenbak staat. Hij kijkt gefascineerd naar de mannen die van een truck ijsstaven uitladen, die bij een verkoopster van vis in de ice crusher gaan. Vervolgens gaat het crushed ice in op maat gekochte foamdozen. Ze zijn echt slim hier, denkt Tjokro. Dan hoef je niet per se naar huis te racen om de gekochte vis in de ijskast te doen.

Ze hadden intussen wel door dat hij niet van hier was. Tegen halfzes stapte hij weer achterop bij Djino, zijn ogen wilden het zicht van de haven langs de zee niet loslaten.

*


Vader Tjokro huilde zoals hij nog nooit had gehuild. Waar kwam dat toch steeds vandaan? Dat was niks voor hem. Was het omdat hij naar het diepe gevoel in zichzelf zocht, het gevoel van identiteit, dat eigenlijk in Suriname lag? Hij is teleurgesteld dat hij het thuisgevoel niet kan vinden of voelen. Hij was gewoon een vreemdeling in Jakarta; zo behandelde men hem ook, al leek hij op iedereen. Hij was wel blij geweest in Kota Tua te lopen tussen die duizenden mensen op het plein, bij het oude postkantoor. Babbeltjes maken in Surinaams-Javaans, het poppentheater zien van een even oude man. Hij had tienduizend roepia’s in het bakje voor hem gegooid. Zijn knie ging steeds meer pijn doen van het lange lopen, ondanks de Dyclofinac-zetpillen die hij elke avond gebruikt.

Even plaagde hem de gedachte in Jakarta te blijven en dan toch naar Semarang te gaan. Hij lachte, terwijl de tranen kwamen: hij had hier geen huis, geen familie, en ze zouden hem echt snel uit het hotel wegjagen. Je had voor alles geld nodig hier in deze megastad. Hij kon het ritme van hier ook niet aan. De hele dag hoorde hij motoren draaien. Hij zou zwerven als hij zou blijven en hij zag zichzelf niet in de kampongs slapen tussen de zwerfkatten. Hij zou Semarang nooit bereiken.

Het was leuk geweest bij Pasar Ikan Muara Angke in Noord Jakarta. Hij had meer moeten sparen. Ze zouden hem uitlachen thuis: ‘Vader Tjokro is gek geworden, ay kensi, hij is dement!’ Hij hoorde het zijn hele familie al zeggen. Hij was stom geweest om te denken dat hij naar Indonesië zou komen om dit grote eiland te zien met zo weinig handgeld.

Langzaam vouwde hij zijn batikhemd op. Hij had na jaren weer een jeans gekocht, bij Pasar Tanah Abang. Hij had nog een uur om in te pakken en uit te checken. Hij moest nog 45.000 roepia’s betalen voor een glaasje avocadosap. Dan had hij nog 300.000 roepia’s om te spenderen. Bij de hotelbalie vroeg hij naar Djino, maar die had twee dagen studieverlof. Hij wilde de jongen nog wat roepia’s geven, maar hij twijfelde of hij een enveloppe achter zou laten.


*


Het geluid van de motorfietsen en de vele andere geluiden die de taxi omringden, deden hem niet veel meer. Alles went. Hij vroeg de chauffeur de radio uit te doen; hij wilde geen gamelanmuziek meer horen. Hij nam alle wolkenkrabbers op, die aan hem voorbij gingen op de snelweg. Hij probeerde zijn ontevreden gevoel weg te denken. Hij moest niet zeuren. Dat hij überhaupt hier was en de reis had kunnen betalen, dat hij de vlucht had overleefd. Dat waren dingen om blij en tevreden mee te zijn. Op de Soekarno Hatta airport helpt de chauffeur hem zijn koffers op een trolley te plaatsen zodat hij ze niet hoeft te trekken. Bij de incheckbalie wachten twee douaneambtenaren hem op. Ze lopen naar een andere ingang. Hij kan al raden wat er aan de hand is en geneert zich wanneer ze hem meedelen dat zijn dochters in alle staten zijn.


*


De stoelriemen mogen los. Ze zijn veilig geland op Schiphol. Hij is moe en gedwee wanneer de stewardess hem vraagt even te wachten totdat hij douaniers op zich af ziet komen. Er is gedonder in Suriname, om hem. Zijn schuldgevoel wordt weer sterk. Hij wilde zijn dochters juist met rust laten. Tien dagen weg, dat was toch niet zo lang? Ze hadden het al zo druk met hun werk en de kinderen.

‘Pa, waarom heb je dat gedaan? Wat is er echt aan de hand?’

‘…’

‘We dachten eerst dat je dood was! Niks heb je achtergelaten, niets gezegd, waarom heb je ons niet gezegd? Mijn god, hoe kunnen we boos op je zijn pa?’

‘…’

‘We hadden geen geld om op korte termijn een ticket te kopen en je achterna te gaan.’

‘…’

‘Maar als je toch zo graag wilde, waarom heb je het ons niet verteld? Je weet dat we alles voor je doen toch?’

‘…’

‘Emi en ik halen je op van Zanderij, oké?’

 

 

Download the ePub Print

Sedang apa aku di sini?


‘Bisa-bisanya Papa melakukan ini kepada kita? Dia sudah gila atau bagaimana?’

‘Tenang, Nyonya Tjokrodimedjo, kami akan lihat apa yang dapat kami lakukan di Belanda dan pasti akan menghubungi kedutaan di Jakarta. Kami akan beritahu Nyonya segera setelah kami mendapat informasi mengenai ayah Nyonya, Hendri. Tolong berikan saya pasfotonya. Di baliknya Nyonya menulis dalam huruf kapital nama depan dan nama keluarga. Dan tanggal lahirnya. Nyonya benar-benar tidak tahu menahu mengenai keberangkatannya ke Indonesia?’

‘Berapa kali saya harus mengatakan bahwa kami hanya menemukan stiker bagasi kumal dengan tulisan “Jakarta” di tempat sampah kamarnya? Tanpa alamat!’

Titi memandang adiknya, yang berusia dua tahun lebih muda, dan menggeleng kepala jengkel. Ia tidak menyangka hal ini dari ayahnya meski ia selalu menduga bahwa ada sesuatu yang liar atau mengejutkan di balik ketenangannya. Apa yang dilakukannya di sana, demi Tuhan, merupakan pertanyaan utama. Mencari roots? Hmmm… Pa? Tidak mungkin! Ia tak pernah bicara mengenai Indonesia! Mereka sama sekali tak tahu apa-apa. Minggu lalu mereka menempatkan berita orang hilang di Korps Polisi Suriname, setelah melakukan pencarian di antara keluarga dan teman di Mariënburg. Tak ada orang yang melihatnya atau mendengar kabarnya. Hanya ada reaksi menyakitkan dari masyarakat lewat Facebook, bahwa anak-anak perempuannya pasti melakukan sesuatu terhadapnya. Seorang lelaki tua berusia tujuh puluh satu tahun pasti tidak kabur begitu saja. Ada yang tidak beres.

Ia juga memarahi adiknya Emi ketika dia terus-menerus mengatakan bahwa ayahnya pikun. ‘Tolong ya, jangan mengatakan itu lagi. Pa pasti punya alasan kuat kenapa berangkat tanpa memberitahu kita. Berhenti! Pa tidak pikun!’ Emi terisak dan membersihkan hidungnya dengan kertas tisu. ‘Tuhan, apa yang akan terjadi dengan ayahku? Di mana dia sekarang? Apakah dia punya cukup uang, di mana dia menginap? Astaga astaga astaga, seorang lelaki tua di antara jutaan orang itu. Bahaya!’

Ia bertanya-tanya dalam hati apakah kunjungan setiap hari Minggu tidak cukup. Apakah ayah marah karena mereka tidak mengundangnya tinggal bersama? Dari mana dia mendapat uang untuk membeli tiket? Tiga ribu dolar Amerika! Apakah ada di antara mereka yang mengatakan sesuatu yang mengecewakan dia? Apakah mereka tidak cukup baik mengurusnya? Apakah dia mau meninggal dunia di sana? Apa yang dilakukan di sana?

Mereka tidak punya kerabat di Jawa, tetapi menurut ayah, kakek mereka lahir di sana, di Semarang. Waktu itu mereka boleh memilih untuk kembali atau menetap di Suriname. Kakek, yang tak mereka kenal, memutuskan tinggal di Suriname. Begitu kira-kira. Itu satu-satunya kisah yang mereka tahu dan satu-satunya hubungan yang mereka punya dengan Indonesia. Dan Didi Kempot, artis terkenal. Mereka juga bukan muslim sejati. Hanya saja kalau ada orang meninggal, hari berikutnya langsung dimakamkan dan jenazah dibungkus kain putih. Biasanya mereka mendapatkan informasi di sekolah dasar, dari buku-buku sejarah mengenai imigrasi Hindustan, Cina dan Jawa. Khas ayah mereka, begitu tradisional dan tidak banyak bicara mengenai kisah-kisah masa lalu. Berulang kali Titi mencoba mengajaknya bicara mengenai zaman itu dan satu-satunya yang selalu dikatakan, adalah: ‘Aku sungguh tidak ingat!’

Ayah Papa Tjokro meninggal ketika ia sebelas tahun dan seberapa banyak seorang anak bisa ingat pada usia itu? Mereka harus benar-benar bertanya dan bertanya terus, dan satu-satunya yang mereka tahu adalah kisah imigrasi itu, tetapi tak ada orang yang bisa mengungkapkan mereka berasal dari kampung mana di Semarang. Ayah Titi dan Emi lahir di Suriname dan kakek mereka meninggal ketika berusia empat puluh satu tahun. Kaki kanananya tak sengaja tersangkut pada tali kekang kerbau yang lari lepas kendali, di Zoelen. Setelah itu ia terbaring selama dua bulan karena infeksi di kakinya yang patah. Ia menolak ke dokter, dengan segala akibatnya. Itu saja. Ayah mereka tidak banyak bicara, mereka tak pernah tahu apa yang terbersit dalam pikirannya. Ibu mereka juga lahir di Suriname, di Soesanesdaal. Mereka bertemu ketika ayah berusia tujuh belas tahun dan ibu empat belas tahun. Orang tua mereka yang mengaturnya. Pernikahan mereka dilangsungkan setahun kemudian, menurut adat Jawa. Pernikahan anak di bawah umur diterima, tetapi pendaftaran di catatan sipil baru bisa dilakukan ketika ibunya berumur delapan belas. Semua bibi dan paman yang sudah tua dan bisa menyampaikan cerita-cerita ini sudah meninggal. Yang masih hidup sudah berusia hampir seratus tahun dan duduk di kursi roda dengan otak yang sudah aus, menatap kekosongan.


*


‘Allahu akbar!’

Papa Hendri tersedu-sedu ketika ia menaruh koper di kamar Hotel Ibis Tamarin setelah diantar sopir taksi. Ia duduk di pinggir tempat tidur dan mengamati kamar sementara air mata membasahi pipinya. Ia benar-benar di Jakarta, ia di Indonesia, ‘mi doro’. Ia mengenali udara panas yang menerpa wajahnya ketika ia berdiri di pintu keluar tempat kedatangan di bandara Soekarno-Hatta. Rompi wolnya mengakibatkan rasa gatal di tengkuknya.

Di Belanda dingin, meskipun mereka di sana mengatakan cuacanya bagus: sepuluh derajat. Lutut kirinya sakit dan jemarinya juga. Akhirnya ia mempunyai ruang untuk melegakan ketegangan dan membiarkan air matanya menderas. Ia meraba dadanya: detak jantungnya aneh, dobel tiga. Ia membuka koper untuk mengambil obatnya: harus diminum sekarang. Karena penerbangan yang berlangsung lima belas jam ia lupa minum obat.

Ia menghirup udara di kamar yang belum seberapa dingin. Titi dan Emi pasti cemas tapi kalau aku tidak melakukannya seperti ini, aku tak akan berada di sini sekarang. Aku pria sehat dan belum mati. Ayahku meninggal sebelum waktunya dan hal itu mengajariku mengurus istriku dan anak-anakku. Anak lelaki dan pria dewasa bisa mencari jalannya sendiri. Aku tak pernah menyesal Allah telah memberkati kami dengan dua anak perempuan. Anak-anak ini menentukan seluruh hidupnya. Ia menyumbangkan tiga puluh tahun kepada Suralco, sebagai tukang las, dan bekerja agar bisa merawat mereka. Bukannya ia menyalahkan mereka, sungguh tidak, tetapi terus saja tidak ada waktu untuk yang satu itu: melakukan perjalanan!

Ia memendam kerinduan bisu untuk pergi ke Indonesia. Sepeninggal istrinya, yang bekerja bertahun-tahun sebagai tenaga pembersih pada Kementerian Sosial, pikiran-pikiran itu muncul lagi. Ia merasa sehat, meskipun menderita artritis dan harus menelan obat tekanan darah tinggi. Lututnya mulai aus dan memberinya masalah apabila ia jalan terlalu lama. Tak ada orang yang perlu perawatannya. Tempo hari seekor anjing kampung berjalan masuk kebun. Salah satu kakinya tumbuh terbalik, mungkin setelah ditabrak. ‘Si Kaki’ setiap hari diberinya makan, dan anjing itu menjaga dia, bunga anggreknya dan rumahnya.

Ia baru satu kali ke Belanda ketika masih muda, untuk urusan dinas. Ia selalu merasa puas dengan hidupnya, anak-anak perempuannya berprestasi di sekolah: yang satu telah menyelesaikan studi kimia di universitas dan sekarang bekerja pada Pusat Penelitian Pertanian, yang lain bekerja sebagai sekretaris direksi kantor makelar terkenal.

Ia tahu mereka marah luar biasa padanya, tapi ia akan mengimbali kalau sudah kembali.


*


Banyaknya orang yang melewatinya, mobil, sepeda motor, skuter, polisi, papan reklame dan gedung pencakar langit membuatnya pusing. Jantungnya berdebar kencang dan ia mengingat-ingat apakah pagi itu ia sudah minum obat pengencer darah. Waktu sarapan tadi ada banyak makanan gorengan. Ia serakah dan menumpuk segala macam makanan di piringnya yang terlalu kecil. Macam-macam nasi goreng, soto dan kerupuk. Juga ada roti dan agar obatnya bekerja baik, ia makan roti kroisan dengan irisan keju, sedikit buah dan ia minum segelas kecil yoghurt. Ia lupa lambungnya peka. Ia melihat cawan dengan sambal tomat, banyak tamu hotel menyendoknya penuh nafsu. Ia mengambil dua sendok semur daging, satu sendok nasi kuning, tiga potong ikan goreng, dua sosis ayam dan satu sendok telur dadar. Makanan dalam wadah-wadah kecil dari KLM selama perjalanan bukan porsi sebenarnya. Dari balik cangkir tehnya ia melihat bagaimana orang-orang makan nasi jam setengah delapan pagi. Perutnya makin melembung seiring dengan setiap suap yang ia makan. Di Suriname ia juga makan nasi, tapi tidak setiap hari dan baru pukul sepuluh atau sebelas. Ketika masih bekerja, ia selalu membawa nasi.

‘Terima kasih.’ Ia mengangguk kepada pelayan hotel, mengucapkan terima kasih atas keramahtamahan mereka. Ia akan menahan diri pada hari pertamanya di Jakarta. Ia masih merasakan udara menekan dalam kepalanya dan tubuhnya terasa berat. Ia keluar dari hotel, bersendawa keras dan mencari kantor biro perjalanan. Sesaat ia menangkap aroma tembakau ayahnya. Seakan ia kanak-kanak kembali dan ia masih mengingat aroma kampung. Cengkeh! Kabut asap mengisi paru-parunya yang tercemar. Ia sudah merokok selama bertahun-tahun dan sering batuk, kabut asap tidak akan membuatnya lebih sakit.

Ia akan melihat berapa harga tiket ke Semarang. Jalan-jalan membuatnya bingung: ia melihat dua nomor di jalan yang sama, tetapi di sisi yang berbeda. Ia tak akan berjalan jauh. Lalu lintas terlalu ramai dan menyeberang jalan akan makan waktu terlalu lama. Di setiap pojok jalan ia melihat sepeda motor dan mobil yang menunggu tanda jalan lagi. Bajaj mencoba merayunya agar naik, tetapi ia terutama mau menghilangkan jet lag sambil jalan. Dengan tas pinggang yang berisi paspor dan uang kembalian visa on arrival, ia berjalan melewati lalulintas yang ramai dan bising.

1.500.000 Rupiah, mahal sekali! Ia memandang karyawan biro perjalanan dan menjawabnya dalam bahasa Jawa-Suriname. Sejauh ini ia sudah melihat bahwa orang mengerti dia. Ia tahu orang-orang menggunakan bahasa Indonesia, tetapi bahasa itu baginya terlalu modern dan ia hanya tahu beberapa kata. Pegawai yang melayaninya, orang Indonesia bertubuh agak pendek, tengah baya, rupa-rupanya memahami dia. Papa Tjokro mengatakan kepadanya bahwa ia akan kembali. ‘Bapak dari mana? Bapak berasal dari negeri mana?’

‘Suriname? O ya, Bapak pulang ke Semarang? Saya kasih tiket seharga satu juta rupiah. Setuju?’ Ia membatalkan rencananya. Ia tidak punya uang sebanyak itu. Ia sudah senang berada di Jakarta dan dapat mengamati kehebatannya. Ia tidak boleh mengomel.

Selang beberapa menit ia berdiri di luar kantor biro perjalanan. Di depannya ada gerobak kecil dengan beberapa orang laki-laki yang sibuk menusukkan daging pada susuk-susuk sate kecil. Ia tidak jadi beli tiket, meski ia mendapat potongan harga 500.000 rupiah. Sate ayamnya di sini tampak aneh, lebih kecil. Ia bertanya harga satu porsi. Dua puluh ribu rupiah? Tidak, belum. Ia ingat sarapan besar pagi tadi di hotel. ‘Pak, lima belas ribu rupiah, Bapak mendapat sepuluh tusuk!’ Ia memerhatikan lalat-lalat yang juga tertarik pada daging ayam dan memberi tanda ‘tidak’ dengan tangannya.

Ia masuk Sarinah dan menanyakan di mana bagian untuk batik. Satpam menunjukkan bagian lain, di situ ada batik untuk orang muslim. Pintu lift terbuka di lantai empat dan ia merasa seakan masuk surga kain. Ia langsung berjalan ke bagian pakaian pria dan bertanya pada seorang penjaga toko muda apakah ia boleh mencoba kemeja. Ia terpukau oleh barang-barang yang dibuat dengan tangan, wayang, topeng kayu dan perak. Lutut Tjokro juga berterima kasih karena ada eskalator. Sambil mengempit tiga tas ia naik salah satu dari banyak bajaj yang menunggu di depan Sarinah, yang mengantarnya ke Hotel Ibis. Di lobi hotel ia memesan jus alpukat. Ia telah membeli blus dan sjal cantik untuk Titi dan Emi.


*


Matahari bersinar benderang dan udara terasa lebih kering, tidak selembab di Suriname, ketika ia turun dari taksi di Kota Tua, di lapangan. Hari itu Minggu dan ia mendengar kakofoni bunyi ribuan orang, artis jalanan, gamelan, penyembur api dan terutama anak-anak kecil, yang melindungi diri dari matahari di bawah kemeja ayah mereka. Ia tidak membawa kamera untuk membuat foto bersama patung hidup yang memakai kostum tentara. Padahal khususnya anak-anak Titi pasti senang. Tjokro melihat seorang pemuda bermain gitar dan menyanyi mengenai seorang gadis yang tak lagi mencintainya. Ketika sang pemuda berhenti menyanyi, ia mendapat tepuk tangan meriah. Wajah pacarnya memerah ketika melihat Tjokro menunjuk kepadanya. Ia duduk di belakang sang penyanyi di kursi plastik, dikelilingi teman-teman dan mungkin juga kakak-kakak perempuannya.


*


Apa yang telah aku perbuat? Apa yang kulakukan di sini, pikir Papa Hendri dengan senyum mengulum, sambil merasa detak jantungnya di telapak tangan ketika ia naik ke boncengan sepeda motor. Djino, pemuda yang bekerja empat belas jam sehari di hotel, telah sepakat mengantarnya keliling Kota Tua. Ia begitu ingin merasakan naik sepeda motor. Mereka akan berhenti di tengah jalan untuk makan dan minum sedikit dan tentu saja juga berhenti di masjid untuk solat. Ia ingin mengalami semuanya dalam satu minggu itu.

Tjokroprawiro telah membeli masker mulut di supermarket Seven Eleven di sebelah hotel. Ia melihat begitu banyak orang naik sepeda motor seperti itu, jadi ia pasti harus juga memilikinya. Djino juga membawa sarung tangan untuk dia; jemari bisa menjadi kaku karena terus menerus naik sepeda motor menerjang angin. Ia telah melihat bahwa jari-jari Pak Hendri kurus, menampakkan tulang-tulangnya. Hari itu ia libur, karena tanggal 9 April adalah hari libur tidak resmi disebabkan pemilihan umum legislatif. Djino tidak ikut memilih, ia tak percaya lagi pada para politisi. Ayahnya mengimbaunya untuk ikut memilih, meskipun suaranya tidak sah. ‘Coblos saja beberapa nama, jadi suaramu tidak untuk siapa-siapa!’ Djino bangun setengah lima pagi dan lewat jalan raya pergi tempat pemungutan suara di Jakarta Barat. Tapi di hotel, orang terutama membicarakan pemilihan presiden di bulan Juli. Jokowi yang masih muda, mantan walikota Solo dan gubernur Jakarta kini, berpeluang besar menggantikan presiden Yudhoyono ‘Politik di mana-mana sama, Nak.’

Ternyata ia membawa uang terlalu sedikit untuk sepuluh hari. 800 USD tidak cukup untuk tinggal nyaman di Jakarta. Ketika mengobrol dengan Djino, yang setiap hari membersihkan kamarnya, ia bertanya apakah Djino dapat menjemputnya dengan sepeda motor. Pemuda itu langsung menjawab ‘ya’, tetapi ia harus menunggu hari libur. Seakan 240 juta orang semuanya naik sepeda motor ke tempat pemungutan suara. Ia takut. Helmnya ia ikat kencang.

Oh Allah, luku fa mi o dede dyaso,’ serunya berkali-kali dalam bahasa Sranantongo, dan ia tersenyum merasakan tubuhnya ikut meliuk mengikuti sepeda motor menikung. Setiap kali lengannya yang tua kerempeng memeluk erat Djino, yang tak merasakannya. Mobil-mobil dan sepeda motor menyerempet lewat dengan jarak antara hanya beberapa sentimeter, begitu juga pikirannya. Ia memejamkan mata dan teringat anak-anak perempuannya, istrinya, bersamanya ia telah melewati hidup menyenangkan, masa dinasnya di Suralco, kain kafan putih yang dilihatnya menyelubungi ayahnya. Bagaimana jadinya seandainya mereka tetap hidup di sini? Ia memejamkan mata ketika mereka berhenti di depan lampu lampu lintas dan menurut perasaannya ratusan, jutaan knalpot meraung-raung buas di sampingnya. Bunyinya menyakitkan telinga. Ia memalingkan muka melihat dua anak duduk di antara orang tua mereka di sepeda motor atau seorang laki-laki tua menarik becak, dipenuhi karung-karung besar penuh sampah. Angin yang menerpa masker mulutnya membuatnya sesak nafas.


*


Papa Tjokro duduk di tempat tidurnya dan menangis. 12 April tercantum pada tiketnya, pk. 6.45 Terminal 2, KL810 JAK/Nederland. Ia merasa frustrasi. Satu hari terlalu pendek untuk melakukan sesuatu. Sepuluh hari terlalu pendek untuk melihat lebih banyak dari Jakara.

Djino pun tak dapat melakukan lebih daripada mengantarnya ke pasar ikan di Jakarta Utara. Ia terlalu jarang melihat pasar. Tjokro telah berjalan lewat pelabuhan, tempat beberapa pria sibuk menggiling merica dan bawang putih. Mereka makan bersama, nasi goreng ikan bilis, dibuat dengan ikan teri kecil dan ikan asin. Ia belum pernah makan nasi seperti itu. Ia seperti kelaparan di sini. Daun pisang membuatnya mengingat Suriname dan merindukan rumahnya. Di sana udara bersih dan ia dapat menikmati ketenangan dan angin yang bertiup di antara daun-daun pohon mangga. Seorang penjual menawarkan seekor kakap merah bagus kepadanya. Sejenak ia lupa ia tidak di Suriname dan menjawab: ‘No, mi no wani.’ Matanya berbicara lain. Aroma keras udang menggelitik hidungnya. Ia mengusir seekor kucing yang menurutnya terlalu dekat dengan bak ikan. Ia terpesona melihat orang-orang lelaki yang menurunkan balok-balok es dari sebuah truk, yang masuk alat penghancur es seorang perempuan penjual ikan. Kemudian es yang sudah dihancurkan masuk kotak-kotak plastik busa yang dibuat sesuai ukuran. Mereka sungguh sangat pintar di sini, pikir Tjokro. Dengan demikian orang tak perlu bergegas ke rumah untuk memasukkan ikan yang telah dibeli ke dalam kulkas.

Sementara itu mereka sudah tahu bahwa ia bukan orang sini. Menjelang setengah enam ia membonceng Djino lagi, matanya tidak ingin melepas pemandangan pelabuhan di tepi laut.


*


Papa Tjokro menangis seperti tak pernah sebelumnya. Dari mana itu? Itu bukan dia. Apakah karena ia mencari perasaan terdalam dalam dirinya, perasaan identitas, yang sebenarnya terletak di Suriname? Ia kecewa karena tidak dapat menemukan atau merasakan pulang ke kampung halaman. Ia hanya orang asing di Jakarta; dan ia juga diperlakukan begitu, meskipun ia menyerupai semua orang lain. Ia memang gembira jalan-jalan di Kota Tua di antara ribuan orang di lapangan, dekat kantor pos lama Ngobrol dalam bahasa Jawa-Suriname, melihat boneka menari yang dipertunjukkan oleh pria yang sebaya dengan dia. Ia melemparkan sepuluh ribu rupiah ke dalam kotaknya. Lututnya semakin sakit karena berjalan lama, meskipun ia setiap malam memakai obat Dyclofinac.

Sebentar ia tergoda pikiran untuk tinggal di Jakarta dan tetap ke Semarang. Ia tertawa, sementara air mata keluar: ia tak punya rumah di sini, tak punya keluarga, dan ia akan benar-benar cepat diusir dari hotel ini. Untuk segala sesuatu orang perlu uang di megakota ini. Ia tak tahan irama di sini. Sepanjang hari ia mendengar mesin menderu. Ia akan menjadi gelandangan seandainya ia tinggal dan ia tak bisa membayangkan dirinya tidur di kampung antara kucing-kucing jalanan. Ia tak akan pernah mencapai kota Semarang.

Menyenangkan di Pasar Ikan Muara Angke di Jakarta Utara. Seharusnya ia menabung lebih banyak. Mereka pasti menertawakan dia di rumah: ‘Papa Tjokro sudah gila, ay kensi, dia sudah pikun!’ Ia mendengar seluruh keluarganya mengatakan itu. Ia bodoh mengira bisa ke Indonesia untuk melihat seluruh pulau besar ini dengan begitu sedikit uang tunai.

Perlahan-lahan ia melipat kemeja batiknya. Setelah bertahun-tahun, ia membeli lagi celana jin. Ia masih punya satu jam untuk menata koper dan check out. Ia masih harus membayar 45.000 rupiah untuk segelas jus alpukat. Lalu ia masih punya sisa 300.000 rupiah. Kepada resepsionis ia menanyakan Djino, tetapi ia cuti belajar selama dua hari. Ia ingin memberi uang kepada Djino, tetapi ragu-ragu apakah ia akan meninggalkan amplop.


*


Bunyi sepeda motor dan banyak bunyi lain yang mengelilingi taksi, tak lagi terlalu mengganggu. Orang menjadi terbiasa dengan segalanya. Ia minta sopir mematikan radio; ia tak mau lagi mendengar musik gamelan. Ia menyimak semua gedung pencakar langit yang melewatinya di jalan tol. Ia mencoba mengusir perasaan kecewa dalam otaknya. Ia tak boleh mengeluh. Ia berada di sini dan bisa membayar perjalanannya, ia bisa selamat dari penerbangan yang ditempuhnya. Itu adalah hal yang membuat gembira dan senang. Di bandara Soekarno-Hatta, sopir menolongnya menaruh koper di troli sehingga ia tak perlu menariknya. Di meja check in dua petugas imigrasi menunggunya. Mereka berjalan ke jalan masuk yang lain. Ia sudah bisa menduga apa masalahnya dan merasa malu waktu mereka memberitahu dia bahwa anak-anak perempuannya galau luar biasa.


*


Sabuk pengaman boleh dilepas. Mereka telah mendarat di Schiphol dengan selamat. Ia lelah dan menurut ketika pramugari memintanya menunggu sebentar sampai ia melihat petugas imigrasi menyongsongnya. Heboh di Suriname, karena dia. Rasa bersalahnya menguat. Sebenarnya ia justru tidak mau membebani anak-anak perempuannya. Pergi sepuluh hari, tidak lama, toh? Mereka sudah begitu sibuk dengan pekerjaan dan anak-anak

‘Pa, kenapa melakukan itu? Ada apa sebenarnya?’

‘…’

‘Kami tadinya berpikir Papa sudah mati! Papa tidak meninggalkan apa-apa, tidak mengatakan apa-apa, kenapa tidak memberitahu kami; ya Tuhan, bagaimana mungkin kami marah kepada Papa?’

‘…’

‘Kami tidak punya cukup uang untuk membeli tiket dalam waktu singkat dan menyusul Papa.’

‘…’

‘Tapi kalau Papa begitu ingin, kenapa tidak cerita pada kami? Papa tahu ‘kan, kami melakukan apa saja buat Papa?’

‘…’

‘Emi dan aku akan menjemput Papa dari Zanderij, oke?’

 

 

Daftar kata
Mi doro – Aku di sini
Suralco – akronim Suriname Aluminium Company
Oh Allah, luku fa mi o dede dyaso – Oh Allah, lihatlah bagaimana aku akan terbunuh di sini
Sranantongo – Bahasa kreol Suriname berbasis bahasa Inggris, digunakan sebagai lingua franca oleh kelompok-kelompok etniknya
No, mi no wani – Tidak, aku tak mau
Ay kensi – dia tidak waras 

Zanderij – nama bandara internasional Suriname

 

 

Diterjemahkan dari bahasa Belanda oleh Widjajanti Dharmowijono

 

Widjajanti (Inge) Dharmowijono lahir dan besar di Semarang. Ia melanjutkan studi di Leuven dan Amsterdam dan bekerja sebagai dosen bahasa Belanda dan penerjemah sastra. Yayasan Budaya Widya Mitra yang diketuainya mengadakan berbagai kegiatan budaya di samping mengelola sebuah perpustakaan dan mengadakan kursus bahasa Belanda. Warisan budaya sangat berarti baginya.

 

Download the ePub Print

Mais qu’est-ce que je fais là ?


- Mais pourquoi il nous a fait ça, papa ? Il est devenu complètement dingue ?

- Du calme, Madame Tjokrodimedjo, nous examinons ce qu’il est possible de faire pour vous aux Pays-Bas et de toute manière, nous contacterons l’ambassade à Jakarta. Nous vous ferons parvenir un message dès que nous obtenons une information quelconque sur votre père, le prénommé Hendri. Laissez-moi les photos d’identité, mais notez d’abord son nom et son prénom au verso, en caractères d’imprimerie s.v.p. Et sa date de naissance. Vous n’êtes vraiment au courant de rien en ce qui concerne ce voyage en Indonésie ?

- Combien de fois faut-il vous répéter que nous n’avons trouvé que cet autocollant de bagage froissé dans la corbeille à papier de sa chambre ? Sans la moindre adresse !

Titi dévisagea sa sœur, de deux ans sa cadette, et secoua la tête d’un air irrité. Non, elle ne s’y était pas attendue de la part de son père, même si elle avait toujours soupçonné que son apparence placide cachait un je-ne-sais-quoi d’impétueux ou d’imprévisible. Mais ce qu’il est allé faire là-bas demeure un gros point d’interrogation. Partir en quête de ‘racines’ ? Pfff… Papa ? Impossible ! Avait-il jamais fait la moindre allusion à l’Indonésie ? Elles ne savaient tout simplement rien. La semaine dernière, un avis de recherche avait finalement été déposé auprès du Korps Politie Suriname, non sans qu’elles aient d’abord fait le tour de la famille et des amis à Mariënburg. Personne n’avait la moindre nouvelle de sa part. Les seules réactions tangibles furent les commentaires venimeux venus de la ‘société’ par le biais de Facebook, suggérant que les filles y étaient certainement pour quelque chose. Un vieil homme de soixante et onze ans ne s’enfuit pas sans raison, non ? Quoi qu’il en soit, il devait y avoir du louche dans cette histoire.

Elle avait réprimandé sa jeune sœur Emi qui n’arrêtait pas de répéter que leur père devenait sénile :

- Tu arrêtes de dire ça, bon sang ? Papa aura eu ses raisons pour déguerpir sans nous l’annoncer. Alors, tu arrêtes ! Papa n’est pas sénile !

Une Emi en larmes se moucha dans un mouchoir en papier :

- Mon Dieu, mon Dieu, que va-t-il arriver à papa ? Et d’abord, où est-il ? A-t-il assez d’argent, a-t-il pu au moins trouver un endroit pour dormir ? Mondieumondieumondieu, un petit vieux parmi ces millions de gens ! Mais c’est dangereux !

Elle se demandait si la visite dominicale hebdomadaire n’avait peut-être pas suffi. Est-ce que leur père leur en voulait parce qu’elles ne l’avaient pas accueilli chez elles ? Où donc avait-il trouvé l’argent pour se procurer ce billet ? Trois mille dollars US ! Est-ce qu’un des leurs lui avait dit quelque chose qui l’aurait terriblement déçu ? Ne prenaient-elles pas suffisamment soin de lui ? Souhaitait-il aller mourir en Indonésie ? Qu’est-ce qu’il était donc allé faire là-bas ?

Ils n’avaient pas de famille à Java sauf que, selon leur père, leur grand-père était né là-bas, à Semarang. Ils avaient eu le choix de retourner là-bas ou de rester au Suriname. Leur grand-père, qu’elles n’avaient d’ailleurs pas connu, était resté au Suriname. Ou quelque chose dans ce genre. C’était la seule histoire qu’elles connaissaient et l’unique lien qu’elles voyaient avec l’Indonésie. Et Didi Kempot, le célèbre artiste. Ils n’étaient pas de véritables musulmans non plus. Sauf que lors d’un décès, l’enterrement avait lieu dès le lendemain et que le cadavre était enveloppé dans un linceul blanc. Mais presque tout ce qu’elles savaient sur l’immigration hindoustani, chinoise ou javanaise, elles le tenaient des livres d’histoire de l’école primaire. Leur père était typiquement quelqu’un de si traditionnel et taciturne quand il s’agissait d’histoires anciennes ! Titi avait maintes fois tenté d’évoquer cette époque avec lui mais il ne donnait invariablement que cette unique réponse : « Je ne me souviens vraiment pas ! »

Le père du père Tjokro était mort quand lui-même n’avait que onze ans et de quoi est-on capable de se souvenir à cet âge-là ? Il fallait lui tirer les vers du nez et la seule chose qu’elles eussent apprise était cette histoire d’immigration, et encore… Personne n’avait été en mesure de leur dire de quel kampong de Semarang ils étaient venus. Leur père était né au Suriname et son père à lui était mort à quarante et un ans. Un jour, son pied droit était resté accidentellement accroché à la corde d’un karbau qui avait pris le mors aux dents à Zoelen. Il était resté alité pendant deux mois parce que sa jambe cassée s’était infectée. Pendant tout ce temps, il avait refusé de consulter un médecin et les conséquences ne s’étaient pas fait attendre. Plus rien, leur père ne parlait pas beaucoup ; on ne savait jamais ce qui lui passait par la tête. Leur mère aussi était née au Suriname, à Soesanesdal. Ils s’étaient rencontrés alors qu’il avait dix-sept ans et elle quatorze. Les parents respectifs avaient tout arrangé et les noces avaient été célébrées l’année suivante, à la mode javanaise. Si le mariage de mineurs était un fait social accepté, l’inscription à l’état civil ne pouvait se faire qu’à partir de dix-huit ans. Tous les vieux oncles et tantes qui auraient pu raconter ces histoires étaient déjà morts. Ceux qui étaient encore en vie, étaient presque centenaires et cloués dans leur fauteuil roulant, le regard perdu dans le vide de leur mémoire défaillante.


*


- Allah est plus grand !

Le père Hendri éclate en sanglots en posant sa valise dans la chambre de l’hôtel Ibis Tamarin où le chauffeur de taxi vient de le déposer. Il s’assied sur le bord du lit et contemple la chambre autour de lui tandis que les larmes coulent à flot en inondant son visage. Le voilà réellement à Jakarta, il est vraiment arrivé en Indonésie, ‘mi doro’. La chaleur qui l’a frappé comme un coup de massue au moment où il est sorti du hall d’arrivée de l’aéroport Soekarno Hatta, lui était familière. Sa veste de laine lui donnait des démangeaisons dans la nuque.

Il avait fait froid aux Pays-Bas, même si l’info diffusée évoquait uniformément du ‘beau temps’ : il faisait dix degrés. Son genou gauche le faisait souffrir, et ses doigts. Mais il avait enfin l’espace pour décompresser et donner libre cours à ses larmes. Il se palpa la poitrine : un battement du cœur un peu étrange, à trois temps. Il ouvrit sa valise pour en sortir ses médicaments : première chose à faire ! Les quinze longues heures de vol les lui avaient fait oublier.

Il aspira ce qui restait encore d’air froid dans la chambre. Titi et Emi s’inquiéteront sans aucun doute, songea-t-il, mais si je ne m’y étais pas pris comme ça, je ne serais jamais arrivé ici. Le décès précoce de mon père m’a appris à m’occuper de ma femme et de mes enfants. Les garçons et les hommes arrivent toujours à se débrouiller. Je n’ai jamais regretté qu’Allah nous ait bénis en nous donnant deux filles. Ces enfants avaient jalonné sa vie entière. Il avait consacré trente ans de son existence à la Suralco, en qualité de soudeur, travaillant pour s’occuper de sa famille. Non, il ne leur reprochait rien, certainement pas, mais il avait toujours dû remettre à plus tard son grand rêve : voyager !

Il avait choyé ce désir discret d’entreprendre un jour ce voyage en Indonésie. Après la mort de sa femme, qui avait longtemps travaillé comme préposée à l’entretien au Ministère des Affaires sociales, cette pensée était revenue le tarauder. Il se sentait en bonne santé, malgré son arthrose et les cachets d’hypertension qu’il était obligé d’avaler. Son genou était un peu usé et lui procurait quelques soucis s’il marchait trop longtemps. Mais il n’avait personne dont il dût se préoccuper. Un jour, un chien bâtard avec une patte de travers – sans doute due à un accident – était entré dans son jardin. Depuis, ‘Patte folle’ avait reçu tous les jours sa pitance et il avait veillé sur lui, ses orchidées et sa maison.

Une seule fois, quand il était plus jeune, il s’était rendu aux Pays-Bas pour son travail. Il avait toujours été content de sa vie, ses filles avaient fait de bonnes études : l’une avait étudié la chimie à l’université et travaillait maintenant au Centre de Recherche agronomique et l’autre était secrétaire de direction chez un agent immobilier bien connu.

Il sait qu’elles seront terriblement en colère contre lui, mais il a l’intention de tout expliquer en rentrant.


*


La quantité incalculable de gens qui le croisaient, les voitures, les motos, les scooters, les agents de circulation, les panneaux d’affichage et les gratte-ciel lui donnaient le vertige. Son cœur reprit son rythme à trois temps et il se demanda s’il avait bien pris ses anticoagulants ce matin. Au petit déjeuner, on servait de nombreux plats de fritures. Comme il est un peu pingre, il s’est servi de tout et son assiette s’est révélée bien trop petite. Plusieurs variétés de nasi goreng, de soto et de beignets de crevettes. Il y avait aussi du pain et pour favoriser les effets de ses médicaments, il avait mangé quelques croissants avec des tranches de fromage, des fruits et un yaourt. Il oublia carrément qu’il avait l’estomac sensible. Il considéra le plat de pâte de tomates dont maint client de l’hôtel se servait généreusement. Il prit deux grandes cuillerées de bœuf mitonné, une cuillère de riz jaune, trois morceaux de poisson frit, deux saucisses de volaille et une louche d’œufs brouillés. Ces barquettes repas minuscules à bord des avions KLM n’étaient pas de vraies portions. Installé devant sa tasse de thé, il observa les gens qui se nourrissaient de riz dès sept heures et demie du matin. Son propre ventre enflait à chaque bouchée. Naturellement, lui aussi mangeait du riz là-bas au Suriname, mais pas tous les jours et jamais avant dix ou onze heures du matin. Il en prenait toujours avec lui quand il allait travailler.

- Terima kasih, dit-il à l’intention des employés de l’hôtel pour les remercier de leur hospitalité. Il voulait y aller doucement pour sa première journée à Jakarta. Il sentait encore la pression de l’air dans sa tête et une pesanteur dans tout le corps. Il sortit de l’hôtel, éructa bruyamment et se mit en quête d’une agence de voyage. Un bref instant, il reconnut l’odeur de tabac qu’il avait sentie chez son père. Ce fut comme s’il retrouvait son enfance en se souvenant des odeurs du kampong. Le clou de girofle ! Le smog emplissait ses poumons déjà atteints : il avait longtemps fumé et il toussait beaucoup. Ce ne serait pas un peu de smog qui ferait empirer son état.

Il voulait se renseigner sur le prix d’un billet pour Semarang. Les rues le perturbaient : il voyait deux numéros dans la même rue, mais de l’autre côté. Il n’irait pas très loin. La circulation était trop dense et il fallait trop de temps pour traverser une rue. À tous les coins de rue, il apercevait les vélomoteurs et les voitures piaffant d’impatience pour redémarrer au premier signal. Les Bajaj tentaient de le convaincre de monter à bord, mais il voulait surtout marcher pour surmonter le décalage horaire. Muni d’un sac banane avec son passeport et la monnaie de ce qui lui était resté après le paiement de son visa on arrival, il circulait dans ce trafic aussi intense que bruyant. Un million et demi de roupies ! Bien trop cher pour lui !

Il dévisagea l’agent de voyage et lui répondit en javanais surinamais. Il s’était rendu compte entre-temps que les gens le comprenaient. Il savait évidemment qu’ici, la langue était le bahasa indonesia, mais elle était trop moderne à son goût et il n’en comprenait que quelques mots. Mais le vendeur semblait bien le comprendre. Hendri dit à cet Indonésien de petite taille et d’un âge moyen qu’il reviendrait plus tard.

- D’où venez-vous, bapak ? De quel pays venez-vous ?

- Du Suriname ? Ah oui, et vous voulez retourner à Semarang ? Écoutez, je vous propose ce billet pour 1 million de roupies, ça vous va ?

Il renonça. Il n’avait pas tant d’argent sur lui. Il se sentait déjà très content d’être là et de pouvoir visiter une grande partie de Jakarta. Il n’avait pas de raison de se plaindre.

À peine quelques minutes plus tard, il se retrouva dans la rue devant la porte de l’agence juste en face d’un étal où quelques hommes étaient en train de piquer des morceaux de viande sur des bâtonnets. Il n’avait pas acheté de billet, même pas avec une réduction de 500.000 roupies. Le sate ayam avait l’air remarquablement petit ici. Il se renseigna sur le prix d’une portion. Vingt mille roupies ? Non, pas encore. Il songea au petit-déjeuner substantiel de ce matin à l’hôtel.

- Allez, papa, pour quinze mille roupies, on te fait dix brochettes.

Tout en regardant les mouches fascinées comme lui par la viande, il fit ‘non’ de la main.

Il entra dans Sarinah et demanda où se trouvait la section batik. L’agent de sécurité lui répondit qu’il existait une autre section qui proposait du batik pour musulmans. La porte de l’ascenseur s’ouvrit au quatrième étage et il eut l’impression de pénétrer dans un paradis de textile. Il se dirigea tout droit vers le rayon hommes et demanda à une jeune vendeuse s’il pouvait essayer une chemise. Il était un peu abasourdi pour tous ces produits artisanaux, les poupées wayang, les masques de bois et l’argenterie. Le genou de Tjokro se sentait très reconnaissant de pouvoir utiliser les escalators. Chargé de trois sacs, il prit quand même un des innombrables Bajaj en attente devant Sarinah et il se fit conduire à l’hôtel Ibis. Dans le lobby de l’hôtel, il commanda un jus d’avocat. Il avait acheté de belles écharpes et de jolis chemisiers pour Titi et Emi.


*


Le soleil tape et l’air semble plus sec, moins humide qu’au Suriname, quand il sort du taxi près de la place à Kota Tua. C’est samedi et il perçoit une cacophonie de bruits produits par des milliers de gens, des artistes de rue, des gamelans, des cracheurs de feu et surtout des jeunes enfants cherchant refuge contre le soleil sous les chemises de leur père. Il n’a pas pris d’appareil pour se prendre en photo avec le soldat. Il y aurait surtout les enfants de Titi pour trouver cela amusant. Tjokro observe un jeune homme avec sa guitare qui chante un texte sur une jeune fille qui ne l’aime plus. Quand il s’arrête de chanter, on l’applaudit très fort. Sa copine rougit quand elle voit que Tjokro la pointe du doigt. Elle est assise sur un tabouret en plastique derrière le chanteur, entourée d’une bande de copains et de ses sœurs, peut-être.


*


Mais qu’est-ce qui m’a pris ? Qu’est-ce que je fais là, songe le père Hendri, un petit sourire sur les lèvres, tandis qu’il sent le battement de son cœur dans la paume de sa main en montant sur le siège passager du vélomoteur. Djino, un garçon qui travaille quatorze heures par jour à l’hôtel, lui a promis de le conduire dans Kota Tua, sur son vélomoteur. Il avait tant souhaité connaître cette expérience de rouler en scooter. Ils s’arrêteraient en route pour manger et boire et évidemment pour prier près d’une mosquée. Il voulait vivre le plus de choses possible dans cette semaine déjà trop courte.

Tjokropawiro s’était procuré un petit masque anti-pollution au supermarché Seven Eleven à côté de l’hôtel. Il avait vu plein de gens sur les scooters avec ce truc et il lui en fallait donc un aussi. Djino lui avait aussi pris des gants car les doigts risquaient de s’ankyloser quand on roulait longtemps contre le vent. Il avait remarqué que le père Hendri avait des doigts tout noueux. Lui, il avait un jour de congé parce que le 9 avril était un jour férié national à cause des élections parlementaires. Mais il n’irait pas voter, il ne faisait plus confiance à tous ces politiciens. Son père l’avait pourtant convaincu d’aller voter quand même, fût-ce pour exprimer un vote nul.

- Tu noircis simplement plusieurs cases, comme ça, tu ne votes pour personne !

Djino s’était donc levé à quatre heures et demie pour aller voter le long de l’autoroute près de Jakarta Barat. À l’hôtel, on discutait surtout des élections présidentielles de juillet. Le jeune Jokowi, ancien maire de Solo et actuellement gouverneur de Jakarta, avait de grandes chances de succéder au président Yudhoyono.

- La politique est partout la même, mon gars.

Finalement, il n’avait pas pris assez d’argent pour dix jours. Huit cents dollars US ne suffisaient pas pour un séjour confortable à Jakarta. En bavardant avec Djino, qui venait tous les jours nettoyer sa chambre, il lui avait demandé s’il ne pouvait pas venir le prendre en scooter. Il avait répondu ‘oui’ sans hésiter, mais il devait attendre le jour férié national. Ce fut comme si les 240 millions de gens allaient tous voter en scooter. Il avait peur. Il avait bien attaché son casque.

- Oh Allah, luku fa mi o dede dvaso ! n’arrêtait-il pas de crier en sranantongo, mais tout en souriant quand il sentait swinguer son corps sur le scooter à chaque nouveau virage. Il s’agrippait à chaque fois fermement de ses maigres bras à Djino qui ne s’en apercevait même pas. Les voitures et les scooters le frôlaient à quelques centimètres à peine, tout comme ses pensées. Il ferma les yeux et songea à ses filles, à sa femme avec laquelle il avait été content, à ses années de service à la Suralco, au linceul blanc dans lequel il avait vu son père enveloppé. Quelle aurait été leur vie s’ils étaient restés ici ? Il ferma les yeux lorsqu’ils furent arrêtés devant le feu rouge et que des centaines de tuyaux d’échappement, qui lui semblaient des millions, l’agressaient de leur grondement. Le bruit lui fit mal aux oreilles. Il détourna le regard en apercevant deux enfants coincés entre leurs parents sur un scooter ou un vieillard tirant un grand triporteur chargé d’immenses sacs-poubelles. Le vent contre son masque lui coupait un peu la respiration.


*


Le père Tjokro se retrouve assis sur son lit, en larmes. Son billet indique le 12 avril, 6h45 Terminal 2, KL810 JAK/Pays-Bas. Il se sent frustré. La journée ne suffisait pas pour entreprendre encore quoi que ce soit. Dix jours ne suffisaient pour en voir davantage de Jakarta.

Même Djino n’avait pas pu en faire davantage pour lui, sauf le conduire au marché au poisson dans le nord de Jakarta. Il n’avait pas vu assez de marchés. Tjokro s’était baladé dans un endroit du port où quelques hommes étaient en train de moudre du poivre et de l’ail. Ils mangèrent ensemble un nasi goreng ikan bilis composé de petits poissons frits et de poisson salé. Il n’avait encore jamais mangé un nasi goreng pareil. Il avait l’air affamé depuis qu’il était ici. La feuille de bananier lui avait rappelé le Suriname et réveillé en lui le désir de se retrouver chez lui. Là où l’air était pur et où il pouvait profiter du silence et du vent dans les feuilles du manguier. Un vendeur lui proposa un joli vivaneau rouge. Il oublia un instant qu’il ne se trouvait pas au Suriname et répondit :

- No, mi no wani. Mais ses yeux disaient autre chose. L’arôme pénétrant des crevettes caressa ses narines. Il chassa un chat dont il n’appréciait pas la trop grande proximité du bac de poissons. Il regardait avec fascination des hommes qui déchargeaient des blocs de glace d’un camion, qui allaient ensuite dans le broyeur à glace chez une poissonnière. La glace broyée aboutissait alors dans des boîtes de polystyrène sur mesure. Ils ne sont pas bêtes dans ce coin de monde, songea Tjokro. De cette manière, on n’était donc pas pressé de rentrer chez soi pour mettre le poisson acheté dans le frigidaire.

Entre-temps, les gens avaient compris qu’il n’était pas d’ici. Vers cinq heures et demie, il remonta derrière Dijono sur le scooter, ses yeux ayant du mal à abandonner la vue sur le port et la mer.


*


Le père Tjokro pleurait comme il n’avait jamais pleuré. Mais d’où lui venaient donc toutes ces larmes ? Cela ne lui ressemblait guère. Était-ce à cause de cette quête d’un sentiment enfoui en lui, un sentiment d’identité, mais d’une identité située en fait au Suriname ? Il a été déçu de ne pas trouver ni de ressentir ce sentiment d’un chez soi. Il était tout simplement un étranger à Jakarta : c’est ainsi qu’on l’abordait, même s’il ressemblait à tout un chacun. Pourtant, il avait ressenti de la joie à se balader à Kota Tua parmi ces milliers de gens sur la place, près de l’ancienne poste. De bavarder en javanais surinamais, de regarder le théâtre de marionnettes d’un homme du même âge que lui. Il avait déposé dix mille roupies dans la sébile devant lui. De marcher si longtemps l’avait de plus en plus fait souffrir au genou malgré les suppositoires de Dyclofinac qu’il prenait tous les soirs.

La pensée de rester à Jakarta et de se rendre quand même à Semarang le tarauda quelques instants. Il rit en même temps qu’il sentit revenir les larmes : ici, il n’avait pas de maison, pas de famille, et on le mettrait bien vite à la porte de l’hôtel. Il fallait de l’argent pour tout et n’importe quoi dans cette mégalopole. Il n’en supportait d’ailleurs pas le rythme. Toute la journée, il entendait le bruit des moteurs. S’il restait, il serait contraint à l’errance et il ne se voyait pas dormir dans les kampongs parmi les chats errants. Il n’atteindrait jamais Semarang.

Ç’avait été chouette chez Pasar Ikan Muara Angke dans le nord de Jakarta. Il aurait dû faire davantage d’économies. Qu’est-ce qu’on se moquerait de lui à la maison : « Le père Tjokro est devenu fou, ay kensi, il est devenu sénile ! » Il les entendait déjà murmurer dans toute sa famille. Il avait été stupide de penser pouvoir venir en Indonésie pour voir cette grande île avec si peu d’argent de poche.

Il plia lentement se chemise de batik. Pour la première fois depuis des années, il s’était acheté des jeans, chez Pasar Tanah Abang. Il lui restait encore une heure pour faire sa valise et rendre sa clé. Un verre de jus d’avocats lui coûta encore 45.000 roupies, il ne lui en resta plus que 300.000 à dépenser. À l’accueil de l’hôtel, il demanda si Djino était là, mais il avait deux jours de congé de formation. Il aurait aimé donner quelques roupies au garçon, mais il hésitait à laisser sans plus une enveloppe.


*


Le bruit des scooters et les nombreux autres bruits entourant le taxi le laissaient maintenant presque indifférent. On s’habitue à tout. Il demanda au chauffeur d’éteindre la radio : il n’avait plus envie de musique gamelan. Il enregistrait les gratte-ciel défilant devant ses yeux le long de l’autoroute. Il tentait d’écarter par la pensée sa sensation d’insatisfaction. Avait-il des raisons de se plaindre ? Le fait même d’être ici et d’avoir été capable de payer ce voyage, d’avoir survécu au vol, voilà autant de raisons de se sentir content et satisfait. À l’aéroport Soekarno Hatta, le chauffeur l’aida à entasser ses bagages sur un trolley pour lui éviter d’avoir à les traîner. Devant le guichet d’enregistrement, il est attendu par deux fonctionnaires des douanes. Ils l’emmènent vers une autre entrée. Il n’a pas de mal à s’imaginer ce qui se passe et il se sent embarrassé quand ils lui communiquent que ses filles sont dans tous leurs états.


*


L’autorisation de détacher les ceintures de sécurité est donnée. Ils ont atterri sain et sauf à Schiphol. Il est fatigué et docile quand l’hôtesse lui demande d’attendre un moment, jusqu’au moment où il voit deux douaniers venir vers lui. Il y a tout un ramdam à cause de lui au Suriname. Son sentiment de culpabilité reprend le dessus. N’avait-il pas voulu précisément ne pas inquiéter ses filles ? Dix jours d’absence, ce n’est pas la mer à boire, quand même ?! De toute façon, elles avaient déjà tant de choses à faire avec leur boulot et les enfants.

- Papa, pourquoi as-tu fait ça ? Qu’est-ce qui s’est réellement passé ?

- …

- On a d’abord pensé que tu étais mort ! Tu n’avais rien laissé, pas un mot, pas de message. Pourquoi ne nous as-tu rien dit ? Mon Dieu, comment pourrions-nous être en colère contre toi, papa ?

- …

- On n’avait pas d’argent pour acheter en vitesse un billet d’avion et venir à ta recherche.

- …

- Mais si tu en avais tant envie, pourquoi ne nous as-tu rien raconté ? Tu sais qu’on est prêtes à tout pour toi, papa ?

- …

- On vient te chercher à Zanderij, Emi et moi, d’accord ?

 

 

 

Traduit du Néerlandais par Michel Perquy
Lu à haute voix par Véronique Janssens

 

Michel Perquy traduit du et vers le français. Il est né à Bruges (1943) et a étudié les langues romanes à la KULeuven, après ses humanités gréco-latines. En tant que professeur de français, il était très actif dans le théâtre de son école et, dans cette optique, il a commencé à traduire (Boris Vian, Molière, Giraudoux, René Girard). Ensuite, il a été nommé directeur adjoint de la Maison des Etudiants belges à Paris et il a continué à développer ses activités de traduction (www.perquy.net). Actuellement, il habite à Bruxelles. Traduire et peindre (www.oparijs.eu) sont ses activités principales.

 

 

 

Download the ePub Print

What Am I Doing Here?


“How could Papa do this to us? Has he completely lost his mind?”

“Take it easy Mrs. Tjokrodimedjo, we’ll see what we can do for you in the Netherlands and will certainly contact the Embassy in Jakarta. We will inform you as soon as we get any information about your father Henri. Please give me the pass photos; first write on the back in block letters, his first and last name. And his date of birth. You say you know absolutely nothing about his departure to Indonesia?”

“How many times do I have to tell you that all we found was a crumpled baggage sticker with Jakarta on it in the wastepaper basket in his room? With no address!”

Titi looked at her two year younger sister and shook her head with irritation. She had not expected this of her father, even though she had always had a sneaking suspicion there was something impetuous or surprising behind his calmness. What in God’s name had he gone there to do remains a mystery. Looking for his Roots? Pfft…Dad? Impossible! He never used to talk about Indonesia, did he? They just didn’t have a clue. Last week a missing person’s report had been issued with the Suriname Police Corps, after they had checked family and friends in Mariënburg for his whereabouts. Nobody had seen or heard anything from him. The only reactions had been the spiteful ones from people on Facebook, that the daughters must have done something to him. An old man of seventy-one just doesn’t take off like that for no good reason, does he? Something smelled fishy.

She had scolded her kid sister Emi for keeping on about her father getting Alzheimer’s. “Damn it, would you please stop saying that? Dad must have had a good reason for leaving without telling us. Cut it out! Dad does not have Alzheimer’s!” Emi sobbed and blew her nose in a paper tissue: “My God, what is going to happen to my father? Where is he now? Does he have enough money, where is he staying? Ohmygodmygodmygod, an old man alone in the midst of all those millions of people. That is dangerous!”

She asked herself whether the visit every Sunday was enough. Was their father angry with them, because they had not taken him into their home? Where had he got the money to buy a ticket? Three thousand US dollars! Had one of them said something that had disappointed him? Didn’t they take good enough care of him? Did he want to die in Indonesia? What was he doing there?

They didn’t have any family on Java, that is, according to their father their grandfather had been born there in Semarang. He had been given the choice of going back or staying in Suriname. Their grandfather, whom they had not known, had stayed in Suriname; something like that. That was the only story they knew and the only connection they had with Indonesia. And Didi Kempot, the well-known artist. They weren’t even really Muslims, either. Except when someone died and they were buried the very next day with the body wrapped in a white shroud. Most of what they knew had come from the little history books at primary school about Hindustani, Chinese and Javanese immigration. Their father was so typically traditional and silent when it came to stories about the past. Titi had repeatedly tried to get him to talk but all kept on saying was: “I really don’t know anymore!”

Papa Tjokros’s father had passed away when he was eleven years old and how much could you remember at that age? Getting him to talk was like pulling teeth, and the only thing they knew was the immigration story, but no one could really say which kampong in Semarang they had come from. Her father had been born in Suriname and his father had died at the age of forty-one. His right foot had accidently become entangled in a rope attached to a water buffalo in Zoelen. He had been bed ridden for two months because of an infection on his broken leg. He had refused to see a doctor, with predictable consequences. Nothing more, their Dad didn’t talk much; you never knew what was going on inside his head. His mother had also been born in Suriname, in Soesanesdaal. They had met when he was seventeen and she was fourteen. Both sets of parents had arranged it. Their marriage took place a year later, Javanese style. The marriage of minors was accepted, but could only become legally registered at the town hall when they were eighteen. All the old aunts and uncles who could have told stories about it had long since passed away. Those who were still alive were nearly a hundred years old and sat with worn-out brains, staring blankly from their wheelchairs.


*


“Allah is great!”

Father Henri bursts into tears when he sets his suitcase down in the room in the Hotel Ibis Tamarin where the taxi driver had just dropped him off. He sits on the edge of the bed and surveys the room as tears roll down his cheeks. He is really in Jakarta, he is in Indonesia; “mi doro.” The warmth that hit him in the face when standing at the exit of Sukarno Hatta Airport was familiar. His woollen vest made his neck itch.

It had been cold in the Netherlands, even though they had said it had been ‘nice weather’: ten degrees Celsius. His left knee hurt and his fingers too. He finally had space to release the tension and allow his tears to flow freely. He felt his chest: an odd, triple beating of his heart. He opened the suitcase to get his medicines: take them right now. Because of the long fifteen-hour flight he had forgotten.

He breathed in; the room’s air was barely cool. Titi and Emi will be worried but if I had not done it this way I wouldn’t be here now. I am a vital man and not dead yet. My father’s premature death taught me to look after my wife and children. Boys and men always know how to find their way. It never bothered me that Allah had blessed us with two daughters. These children had determined the course of his entire life. He had given thirty years of his life to Suralco, as a welder, and had worked to take care of them. Not that he had blamed them, mind you, but nothing had ever come of it: to travel!

He had always had a secret longing to make a trip to Indonesia one day. After his wife had died, who had worked for years as cleaning lady for the Ministry of Social Affairs, those thoughts had kept coming back. He felt healthy, despite his arthritis and the hypertension tablets he had to take. His knee was wearing out and caused him big problems whenever he walked too long. He had nobody to care for. A street dog had strayed into his yard, one of whose paws, perhaps after having been hit by a car, had healed back-to-front. ‘Stumpy’ was given food every day and watched over him, his orchids and his house.

He had only been to Holland once, as part of his job, when he was young. He had always been satisfied with his life, his daughters had done well at school: one had studied chemistry at the university and the other worked for a well-known real estate agent as executive secretary.

He knows they will be very angry with him, but he will make amends when he gets back.


*


The multitude of people walking past him, the cars, motorbikes, scooters, street police, billboards and skyscrapers all made him dizzy. His heart skipped another beat and he wondered whether he had taken his blood thinners that morning. At breakfast they had a lot of tasty deep-fried food. He is greedy and puts a lot on his plate, which is much too small. Different kinds of nasi goreng, soto and krupuk. There was also bread and in order to let his medicines work well, he ate some croissants with slices of cheese, some fruit and drank a carton of yoghurt. He forgot about his sensitive stomach. He looked at the dish of tomato sambal from which many of the hotel guests eagerly scooped a portion. He served himself two spoonfuls of stewed beef, one of yellow rice, three pieces of fried fish, two chicken sausages, and one more of fried egg. Those tiny dishes on the KLM flight were not real portions. From behind his cup of tea he watched how people were eating rice at seven thirty in the morning. His belly swelled with every bite he took. He also ate rice in Suriname but certainly not every day and not until ten or eleven o’clock. He always used to take rice to work.

Terima kasih”. He nodded at the hotel staff and thanked them for their hospitality. He was going to take it easy on his first day in Jakarta. He could still feel the air pressure in his head and his body felt heavy. He stepped out of the hotel, belched loudly and went looking for a travel agency. For a moment, he recognised the scent of tobacco he used to smell on his father. For a second it seemed like he was a child again and he could remember the odor of the kampong. Cloves! The smog filled his ravaged lungs. He had smoked for years and coughed often; the smog would not make him sicker than he already was.

He would check out how much a ticket to Semarang would cost. The streets confused him: he saw two numbers in the same street, but on the opposite side. He would not walk very far. The traffic was too busy and it took too long to cross the street. He saw motorbikes on every street corner and cars waiting for the signal to go on their way. The bajajs tried to tempt him to get in but he wanted to get rid of his jetlag by walking. With a waist bag that contained his passport and the change leftover from his visa on arrival, he walked along the noisy, congested traffic. 1,500,000 rupiahs, too expensive!

He looked at the travel agent and answered him in Suriname-Javanese. In the meantime he had noticed people could understand some of what he said. He knew that people spoke Bahasa Indonesia, but that language was too modern for him and he only understood a few words. The sales person did however seem to understand him. He told the very small Indonesian middle-aged man that he would come back. “From where are you, bapak? Where do you come from?

“Suriname? Oh yes, you are going back to Semarang? I will give you a ticket for one million rupiahs. Is that all right with you?” He decided against it. He did not have that much money with him. He was more than happy just to see the big city of Jakarta. He must not keep bellyaching about it.

A few minutes later he was back outside the travel agency where men were busy skewering meat on a pushcart. He would not have bought a ticket, even if he had been given a discount of 500,000 rupiahs. The saté ayam here looked strangely smaller. He asked what a portion cost? Twenty thousand rupiahs? No, not yet. He thought about the huge breakfast that morning in the hotel. “Father, fifteen thousand rupiahs, it will get you ten satés!” He looked at the flies also staring at meat with fascination and refused the offer with a wave of his hand.

He walked into the Sarinah department store and asked where the batik department was. The security guard told him there was another department where batik was also on sale for Muslims. The elevator door opened on the fourth floor and to him it felt like he had entered textile paradise. He went immediately to the men’s section and asked a young woman sales person if he could try on a shirt. He was impressed by the handmade goods, the wayang puppets, the wooden facemasks and the silver. Tjokro’s knee was glad there were escalators. With three bags under his arms he took a bajaj after all, a great many of which were standing in front of Sarinah, and it drove him back to the Ibis. He drank an avocado juice in the lobby of the hotel. He had bought lovely blouses and shawls for Titi and Emi.


*


The sun is quite fierce and the air feels drier, less humid than in Suriname when he steps out of the taxi in Kota Tua near the square. It is Saturday and he hears the cacophony of thousands of people: street artists, gamelans, fire-eaters and, above all, small children, shielding themselves from the sun beneath their father’s shirttails. He had not brought a camera with him to have his picture taken with the soldier. Titi’s children especially, would really like have liked that. Tjokro is standing looking and listening to a young man with a guitar singing about a girl who is no longer in love with him. When the boy stops singing he receives a huge round of applause. His girlfriend blushes when he sees Tjokro pointing at her. She is sitting behind the singer on a plastic stool, surrounded by friends and maybe her sisters.


*


What have I gotten myself into? What am I doing here, Hendri’s father is thinking with a smile on his face, feeling his heartbeat with the back of his hand as he hops on the back of the motorbike. Djino, a boy who works fourteen hours a day at the hotel, had promised to take him for a ride through Kota Tua on his motorbike. He wanted so badly to feel how it was on a motorbike. They would stop and have something to eat and drink along the way and of course also visit a mosque and pray. He wanted to experience everything in that one week of his.

Tjokopawiro had bought a surgical mask at the Seven Eleven supermarket next to the hotel. He had seen a lot of people on motorbikes wearing them, so he figured he ought to have one too. Djino had also brought gloves for him: your fingers could get really stiff from all that driving against the wind. He had also noticed that father Hendri had those bony fingers. He had the day off, because the ninth of April was a national holiday for the parliamentary elections. He was not going to vote, he no longer believed in politicians. Still, his father had talked him into doing it, even though it was an invalid vote. “Just fill in a cross in several boxes, that way your vote won’t go to anybody!” Just the same, Djino had got up at four thirty in the morning to go to the polling station along the highway near Jakarta Barat. There was more talk in the hotel about the upcoming presidential election in July. The young Jokowi, former mayor of Solo and current governor of Jakarta, stood a good chance of succeeding President Yudhoyono. “Politics is the same everywhere, my boy.”

He hadn’t taken enough money with him for the ten days. 800 US dollars was not enough for a luxurious stay in Jakarta. In one of his chats with Djino, who came to clean his room every day, he had asked if he could come and pick him up on his motorbike. He had immediately said ‘yes’, but had to wait for the national holiday. It seemed like all of the country’s 240 million people were going to vote on motorbikes. He was scared. He had put on his helmet tight.

Oh Allah, luku fa mi o dede dyaso,” he kept on saying in Sranan Tongo, smiling when his body swayed with the motorbike as it turned each corner. Each time he hung on tight with his old thin arms around Djino’s body, who did not notice at all. The cars and motorbikes all raced past them a few centimeters away, just like his thoughts. He closed his eyes and pictured his daughters, his wife, with whom he had had a good life, his years of service with Suralco, the white shroud in which he had seen his father wrapped. What would it have been like if they had stayed here? He closed his eyes when they stopped at a red light and the hundreds, but to his mind millions, of exhaust pipes were growling aggressively all around them. The sound hurt his ears. He looked away every time he saw two children wedged in between their parents or when an old man was pulling a big delivery bike loaded down with huge bags of garbage. The wind against his surgical mask left him short of breath.


*


Father Tjokro is sitting on his bed again, crying. On his ticket it says April 12 6:45 A.M. terminal 2 flight KL810 JAK/Netherlands. He is frustrated. One day is too short to really do anything. Ten days were too short to be able to see enough of Jakarta.

Djino had not been able to do anything more for him than ride him to the fish market in North Jakarta. He had come across too few markets. Tjokro had walked along the place on the harbor where men were busy grinding pepper and garlic. They ate nasi goreng ikan bilis, made with small trie-fish and saltfish. He had never eaten nasi like that before. It was as if he was starving here. The banana leaf had reminded him of Suriname and left him yearning for home. There, where the air was pure and he could enjoy the silence and wind through the leaves of the mango tree. A vendor offers him a nice looking red snapper. He forgets for a second he is not in Suriname and answers: “No, mi no wani.” His eyes tell a different story. The penetrating odor of shrimp tickles his nostrils. He shoos away a cat that he feels is too close to the bowl of fish. He looks on with fascination at the men unloading bars of ice from a truck, that the woman fish seller puts into an ice crusher. The crushed ice is then put into Styrofoam boxes of various sizes to be sold. They are really smart here, thinks Tjokro. That means you don’t necessarily have to rush straight back home to put the fish you bought into the icebox.

In the meantime people had noticed that he was not from around here. At five thirty in the afternoon he hopped on the back of Djino’s motorbike, his eyes not wanting to release the sight of the harbor front along the ocean.


*


Father Tjokro cried like he had never cried in his life. Where did this keep coming from? This was not like him at all. Was it because he was searching for a deep feeling inside, a feeling of identity that was actually in Suriname? He is disappointed that he cannot find or feel a sense of home here. He was just a stranger in Jakarta; that’s how they treated him too, even if he looked just like everybody else. He had been happy to walk among the thousands of people on the square in Kota Tua near the old post office. Having chats in Suriname-Javanese, watching the puppet show of a man his own age. He had tossed ten thousand rupiahs into the little cup in front of him.. His knee was starting to hurt more and more from all the walking, in spite of the Dyclofinac suppositories he used every night.

For a moment, he was tormented by the idea that he ought to stay in Jakarta and go to Semarang after all. He laughed as the tears fell: he had no house here, no family, and they would soon chase him out of the hotel. You needed money for everything in this megapolis. He couldn’t hack the pace of life here either. He heard the sounds of engines running all day long. He would end up wandering the streets if he stayed here and he did not see himself sleeping in the kampongs among the stray cats. He would never make it to Semarang.

It had been fun at Pasar Ikan Muara Angke in North Jakarta. He should have saved up more. He could just hear them laughing at him at home: “Father Tjokro has gone crazy, ay kensi, he’s senile!” He had been stupid to think he could come to Indonesia to see this big island with so little pocket money.

Slowly, he folded his batik shirt. After years without them, he’d bought a new pair of jeans at Pasar Tanah Abang. He had another hour to pack and then check out. He first had to pay 45,000 rupiahs for a glass of avocado juice. He would then have 300,000 rupiahs left to spend. He asked about Djino at the front desk, but he was on a two-day study leave. He wanted to give the boy some rupiahs, but he wasn’t sure if he should leave an envelope for him.


*


The racket of the motorbikes and the many other sounds surrounding the taxi no longer bothered him much. You get used to everything. He asked the driver to turn off the radio; he had had his fill of gamelan music. He took in the all of skyscrapers that slid past along the highway. He must not complain. That he had been able to even afford the trip in the first place, that he had survived the long flight. Those were things to be glad about and satisfied with. At Sukarno Airport the driver helped him put his luggage on a trolley so he wouldn’t have to drag them along behind him. There are two customs officials waiting for him at the check-in counter. The three of them walk to another entrance. He can already guess what is going on and is embarrassed when they tell him his daughters are worried to death about him.


*


The seatbelts may be unfastened. They have landed safely at Schiphol Airport. He is tired and meek when the stewardess asks him to wait until he sees the customs officials. There’s quite a fuss in Suriname, and it’s about him. His guilty conscience is getting the better of him again. He hadn’t wanted to bother his daughters. Ten days away, that wasn’t so long, was it? They were always so busy with their jobs and kids, anyway.

“Dad, why did you do it? What’s really going on?”

“…”

“We thought you were dead! You didn’t leave any message, didn’t say anything, why didn’t you say anything? My God, how can we be mad at you, dad?”

“…”

“We didn’t have the money to buy a ticket at short notice and come looking for you.”

“…”

“But if you really wanted to go so badly, why didn’t you just tell us? You know we’d do anything for you, don’t you?”

“…”

“Emi and I will come and pick you up at Zanderij, ok?”

 

 

Glossary
Suralco – acronym of the Suriname Aluminium Company
Kampong – Bahasa Indonesian for compound
Mi doro – I am here
Soto - traditional Indonesian soup mainly composed of broth, meat and vegetables.
Krupuk – shrimp (prawn) crackers
Terima kasi – Bahasa Indonesian for thank you.
Sambal – hot chilli paste
Nasi goreng – fried rice
No, mi no wani – no I don’t want
Zanderij – name of the international airport in Surinam
Ay kensi – he is off his rocker

Oh Allah, luku fa mi o dede dyaso – Oh Allah, watch how I’m going to get killed here
Nasi goreng ikan bilis – anchovy fried rice
Sranan Tongo – English-based Creole language of Surinam used as lingua franca by its different ethnic groups
Wayang – classical Javanese puppets
Saté ayam – marinated chicken skewered on sticks
Bapak – Bahasa Indonesian for father
Batik - is a technique of manual wax-resist dyeing applied to whole cloth, or cloth made using this technique.
Bajaj – three-wheeler Jakarta taxis
Pasar – Bahasa Indonesian for market

 

Translated from Dutch by Scott Rollins
Podcast read by Bridget Peirson-Davis

 

Scott Rollins (1952, New York), was born in the United States and settled in The Netherlands in 1972. He has been a cultural entrepreneur in music, literature and (documentary) film for more than forty years as translator, editor, writer, publisher, and music maker. He has published three books of his own poetry and a spoken word CD and his translations of Dutch language fiction, non-fiction and poetry have been published in the US and UK. His two latest book length translations are the selected poems of Bernlef 1960-2010 under the title A Still Life to appear in November 2014 at Guernica Editions in Canada and Jan Brokken: The Music of the Netherlands Antilles: Why Eleven Antilleans Knelt before Chopin’s Heart to appear in January 2015 at University Press of Mississippi.