Palm leaves and promises

Meisje van vroeger

Bouke Billiet

Bouke Billiet

Bouke Billiet (Ghent, 1981) studied history at the University of Ghent. In de naam van TienKamelen (In the name of TenCamels, 2012) is his debut novel. It tells the story of a quest for identity and maturity. With humour and affection Bouke Billiet sketches the colourful characters. They are outsiders, people who have to deal with the many forms of exclusion in our society, from our own grandparents to the strangers we call illegals. In de naam van TienKamelen was nominated for the Bronze Owl.

Close

Semarang All citybooks

Download the ePub Print

Meisje van vroeger

In een levendig verhaal geeft Bouke Billiet het woord aan een Semarangse vrouw van Chinese afkomst. Als leerkracht geschiedenis, journalist, stadsgids, taxichauffeur maar bovenal als verhalenverteller weeft ze in Meisje van vroeger een wervelend web van gebeurtenissen, personen, plaatsen en lekkere hapjes.

 

‘O! heerlijk dat wij juist leven in dezen tijd! de overgang van
het oude in het nieuwe!’
Kartini, Indonesische volksheldin


I


Weet je wat het probleem is? Weet je wat het probleem is met heel Zuidoost-Azië? Palmbladeren, dat is het probleem.

Geschreven bronnen, in het geval van Java veelal palmbladeren dus, zijn in dit klimaat geen lang leven beschoren. Wie de prekoloniale geschiedenis onderzoekt van de duizenden eilanden waar de wereld hier vol van ligt, blijft ernstig op zijn honger. Over honger gesproken, we moeten even stoppen en... Ja, hier, deze mevrouw heeft er. Gebakken banaantjes, heerlijk. En het mooiste is nog dat ik altijd even slank blijf, hoeveel ik ook eet.

Heel veel bronnen zijn dus verloren gegaan, en wat de Indische, Chinese en Arabische passanten noteerden, getuigt vooral van veel eigenwaan.

Het is hier in Semarang trouwens extra slecht gesteld, want in 1954 brandde het Papak-gebouw af, waar het koloniale stadsarchief werd bewaard. Het lag vlak naast het oranje postkantoor, dat zal jij wel mooi vinden. O, je bent geen Nederlander? Je komt uit het land van de chocolade? Interessant. Ik dacht ook al dat je met zo’n raar accent sprak; ik heb in Amsterdam gestudeerd, daar klinkt Nederlands helemaal anders.

Daar stond ik dan met mijn diploma geschiedenis, maar zonder fatsoenlijk bronnenmateriaal. Ik houd nu eenmaal van wat geschreven staat, jij niet? Daarom roffel ik ook lustig op mijn babbelbox, ja, Aziaten zijn een gadgetvolk.

Soeharto was net afgedropen, het begin van een nieuwe eeuw inspireerde hervormingen en voorzichtig optimisme, dus ik dacht, ik draag mijn steentje bij aan de opbouw van het land, ik ga het onderwijs in en word lerares geschiedenis. Ik zie het al, je begrijpt er niks van. Ik zou je kunnen vertellen wat ik van Soekarno en Soeharto denk, maar ik begon het net gezellig te vinden met je. Laten we het er maar op houden dat de eerste het vaderland stichtte en de tweede niet veel stichtelijks deed. De Chinese Indonesiërs pesten, dat kon hij goed. Denk je dat je dat kan onthouden? Mooi. Om mijn kennis door te geven werd ik dus leerkracht geschiedenis.

 


II


Weet je wat het probleem is voor een leerkracht geschiedenis? Je mag de waarheid niet vertellen. Kijk, onder Soeharto was alles wat Chinees was taboe: de Chinese feestdagen, taal en zelfs namen moesten verdwijnen, Chinese tempels mochten geen lik verf krijgen en Chinese huizen werden afgebroken. Soeharto was een vriend van de Amerikanen en daarom waren de Chinezen, de communisten en de atheïsten, de vijand. Als de Chinese Indonesiërs niet zo belangrijk waren geweest voor de economie, had hij ze allemaal op een boot gezet. Tussen twee haakjes, iedereen moet tot op vandaag zijn religie op zijn identiteitskaart hebben staan. Sinds een jaar of zo mag je het ook blanco laten, dus er beweegt toch iets. Dwaal ik af? Je mag het me niet kwalijk nemen, er ligt daar zo’n heerlijk hoopje lekkerkoek, momentje, dan koop ik er een paar ... Hier in Semarang eten we eigenlijk de hele dag door. Staan er in jouw land ook overal kraampjes met goedkoop eten? Ik mag er niet aan denken dat ik elke dag moet koken, wie heeft daar nu tijd voor?

Wat ging ik zeggen? O ja, de waarheid. Luister: in 2007 gaf een procureur-generaal het bevel om de nieuwe geschiedenisboeken uit de scholen te halen en te verbranden. Er stond te veel waarheid in over de zogenaamde staatsgreep in de jaren zestig en de slachtpartijen op de communisten, dat wil zeggen: er werd al te zeer afgeweken van de officiële versie, die luidt dat de communisten het allemaal aan zichzelf te danken hebben.

‘Als je neutraal blijft, kom je niet in de problemen,’ beloofde mijn directeur. Dat wil zeggen: het is geschiedenisleerkrachten niet verboden om er in de klas iets over te zeggen. Als een leerling andere dan de officiële informatie opsnort, dan is het de leerkracht niet verboden om vragen te beantwoorden. Want zo is de jeugd natuurlijk: laat ze los op internet en het eerste dat ze doen is opzoeken hoe dat nu eigenlijk zat met die staatsgreep in de jaren zestig ...

Eigenlijk vind ik niet dat er suiker bij hoeft, maar uit etnisch-historische sympathie doe ik er toch altijd een lepeltje bij, of het nu sap van watermeloen is of van appel of van nog iets anders zoets. Suiker heeft onze stad gebouwd. De Chinese zin voor onderneming en suiker. De suikerproductie maakte infrastructuur nodig, de haven, spoorwegen, bruggen. Maar kijk, vandaag is de importsuiker goedkoper dan de suiker die we zelf nog produceren met onze aftandse machines.

Ik vertelde mijn leerlingen ook over het cultuurstelsel van de Nederlanders. Man, wat hebben jullie hier veel kwaad gedaan. O, je bent geen Nederlander? Waarom heb je dan zo’n grote neus? Het cultuurstelsel kwam erop neer dat de Nederlanders de baas en de Chinezen de tweede viool speelden, en de Javanen, die waren er om uit te buiten. ‘Oeroeg was mijn vriend,’ ja, dat kon tussen twee mensen misschien, maar niet tussen een bezet en een bezettend volk. Al de rest is omong-kosong. De Nederlanders zijn natuurlijk buitengezet, maar de Chinezen zijn hier en ondernemend en onpopulair gebleven, las jij in 1998 geen kranten misschien? Ik verbond dus in mijn lessen feiten uit het heden met oorzaken uit het verleden, en dat werd me niet in dank afgenomen.

Dus nee, het lukte niet zo tussen mij en de geschiedenis, zo gaat dat als je te veel vragen stelt. Toen dacht ik, weet je wat, laat ik van vragen stellen dan maar mijn beroep maken. En zo werd ik journaliste.

 


III


Weet je wat het probleem is voor een journalist? Je mag doorgaans de waarheid wel vertellen – al komt er nog wel eens een reporter in de problemen als ze schrijft over wat de schoonvader van de huidige president uitspookte in 1965, om maar eens iets te noemen – maar er wordt niet naar je geluisterd.

Ja, dat is waar, jij hangt nu aan mijn lippen. Is het omdat ik zo mooi ben?

Ik heb geschreven over de staat van ons historisch erfgoed. Mijn artikels verschenen, de zon ging onder en dat was het einde van mijn verhaal.


Als ik zin heb om te huilen, ga ik naar de Oude Stad. De gebouwen staan er rechtop te sterven. Ze kijken hun lot met opgeheven hoofd aan, tot ze bezwijken onder het gewicht van de tijd en door de knieën gaan.

Het grootste bewaarde stadscentrum uit de koloniale tijd in heel Indonesië, en moet je kijken hoe we het behandelen. Vierendertig hectare drama: uit tal van ramen en dakgoten groeien bomen en struiken, zwarte schimmel overmeestert de muren zoals ook de melancholie mij soms onstuitbaar overvalt, glasraampjes sneuvelen, gevels brokkelen af. Al die huizen staan al tientallen jaren leeg of worden gekraakt, ik weet niet wat erger is... Dus als journaliste ging ik vragen stellen.

Je kan niet geïnteresseerd zijn in vroeger zonder melancholisch te zijn. Als ik door de stad wandel die er niet meer is, overvalt me een droefenis. Dan vind ik het zo jammer dat we allemaal opgesloten zitten in ons eigen leven, veroordeeld tot een bepaalde plek in een bepaalde tijd. Ik bedoel: er zijn zo veel werelden waarin ik niet leef. Wie leest, reist of op een andere manier om zich heen kijkt, ontdekt heel veel andere werelden, en dat is een verrijking natuurlijk, maar het is ook telkens een confrontatie met je eigen onmogelijkheden.

Waarover hadden we het? Ja, al die leegstaande huizen. Al jaren stapelen de beloftes zich op dat er werk van gemaakt zal worden. Er worden plannen ontworpen, studies besteld, de Oude Stad puilt uit van de goede voornemens.

Het probleem is dat mensen die het maken, niet in Semarang blijven. Ze verkassen naar Jakarta of Kuala Lumpur, en zij die blijven, zijn te gezapig. Maar nu zijn er dan toch een paar lokale voortrekkers die de handen in elkaar geslagen hebben.

Om te beginnen hebben ze achterhaald dat van zeventig procent van de gebouwen niet eens geweten is van wie ze zijn! Destijds, toen we de Europese bezetter van ons afschudden, zijn sommige gebouwen wel en sommige niet in handen van militairen gevallen en al dan niet doorverkocht. Kortom: het is een kluwen vanjewelste. De eigenaars die we wel kennen, zijn voor geen meter geïnteresseerd om te investeren in dure renovatiewerken. Ze wachten liever tot de boel instort om er dan een winkelcentrum of een hotel neer te planten, uiteraard pas nadat de regering het water weet in te dijken. In die zin hebben we geluk dat de Oude Stad zo laag ligt en regelmatig onder water loopt: er zijn hier nog geen grote lelijke vastgoedprojecten opgetrokken.

Maar het water is natuurlijk een bedreiging. ‘We zijn ermee bezig!’ belooft de regering, en ja: de twee rivieren die rond de Oude Stad lopen, worden nu inderdaad aangepakt. Ze worden uitgediept, er worden pompen geïnstalleerd en dammen gebouwd. Het water gaat op slot. ‘Zie je wel, we redden de Oude Stad,’ klinkt het dan. Maar dat is onzin, want elders wordt alles continu verhoogd, en het water blijft het laagste punt opzoeken. Wat zijn jullie stom geweest, zeg, om hier, op het laagste punt, jullie fort en later handelsgebouwen te zetten. Je zou toch denken dat de Nederlanders een beetje denken aan water als ze een stad plannen, maar nee ... Of deden ze dat misschien uit heimwee naar huis, zo’n stad onder het zeeniveau bouwen?

In ieder geval: de Oude Stad heeft een aparte investering nodig, een eigen drainage- en rioolsysteem, maar niemand wil er geld in pompen. Droevig, hé? Van verdriet krijg ik dorst. Heb je al eens avocadosap met chocolade geproefd? Indonesië is de derde grootste cacaoproducent ter wereld, en toch moeten we onze chocoladerepen en -ijs invoeren uit het buitenland, omdat we zelf te dom zijn om de verwerking te ... Goh, ik lijk Kartini wel met mijn kritiek op mijn landgenoten. Ken je Kartini niet? Dat verbaast me niet, ik had meteen in de gaten dat de Indonesische vrouwen een mysterie voor je zijn. Maak het maar goed door me te trakteren op een kokosmelk, daar zeg ik nooit nee tegen. Misschien met een mango erbij. Je moet een beetje geduld hebben, als je het hele verhaal wilt horen, jam karet zeggen wij hier, het uur is van rubber, de tijd is elastisch.

Hoe ik heet? Moeilijke vraag. Ik heb mijn dagelijkse naam, vervolgens een doopnaam, op mijn identiteitskaart staat nog een derde naam en dan heb ik ook nog mijn Chinese naam. Indonesiërs bestaan uit vele laagjes. Drink je je thee niet op? Geef maar aan mij, ik drink veel, of hoe dacht je anders dat ik mijn zwarte haar zo glanzend hield?


Dat handvol mensen dat zich het lot van de oude stenen aantrekt, verenigd onder de naam Oen’s Foundation, was erin geslaagd de aandacht van de burgemeester te trekken. Maar ja, we zijn hier in Indonesië: die man zit nu in de gevangenis wegens corruptie. In 2014 zijn er opnieuw lokale verkiezingen, maar wie maalt nu om een paar verloren gebouwen als er nog zo veel andere prioriteiten zijn?

Toch is het nu of nooit, want Oen’s Foundation heeft experts uit het buitenland laten komen en die hebben klaar en duidelijk gezegd: ‘Het verval heeft een kritiek punt bereikt: de daken begeven het, het water komt nu binnen langs boven én langs onderen. Binnen nu en zeven jaar valt een flink deel van het erfgoed niet meer te renoveren.’

Dat was in 2010. Jam karet, er zit rek op de tijd, maar aan alles komt een eind.

Ach, ik ben niet gemaakt voor de journalistiek. Natuurlijk ben ik kritisch, maar ik ben toch vooral een meisje van vroeger dat verloren loopt in haar hoofd. Dan wandel ik door de Oude Stad en ga ergens zitten tot de avond en de regen komen, en dan zit ik daar, onder een houten afdakje dat nog een paar uur wil standhouden, en dan kijk ik naar het vallende water. Als het niet waait, valt de regen recht omlaag, gelaten dat hij precies hier moet vallen, maar als er wind staat, slaat het water alle kanten uit, als een geketend dier dat zich probeert te onttrekken aan haar lot, en ik kijk omdat ik daar zit en ik huil omdat ik leef, mijn eigen druppels tussen al die miljoenen andere tranen, en op zo’n moment denk ik dat verdrinken misschien niet zo erg hoeft te zijn als het maar in dit water kan, deze neerslachtigheid die nergens anders valt dan op de Oude Stad.


De volgende dag loop ik dan rond tussen de mensen, en dat beurt me wel weer een beetje op. Vrolijkheid is een zaterdagavond in Semarang: dan blaast de jeugd verzamelen in de straten rond Simpang Lima, het centrale plein, een leeg grasveld eigenlijk dat ook altijd leeg blijft. Massaal of gigantisch interesseert de mensen niet, wel gezellig bij elkaar zijn. Dan wordt er, nog meer dan anders, gerolschaatst en gebabbeld en gegeten natuurlijk, overal liggen tapijtjes en gaan mensen samenzitten, en dan wordt er gefeest ‘till drop’. Toeristen kunnen het plein niet op, want je moet eerst voorbij vijf rijstroken auto’s, en de miljarden brommers maken er eenenveertig rijstroken van. Op zondagochtend tussen vijf en negen hebben we daar telkens Car Free Day. Later heeft geen zin, want dan is het te warm om te joggen of te fietsen.

Daarna regeert het verkeer weer. Semarang is een gekke stad: in de brede straten trekken onophoudelijk colonnes brommers voorbij – er heerst een voortdurend gedonder in deze stad, alsof je met een waterval op je rug loopt – maar zodra je ergens kiri of kanan afslaat, kom je in kleine straatjes terecht. Daar heeft iedereen bloempotten en bomen staan, je vindt er boeddhistische tempeltjes of kleine moskeeën, die laatste steeds voorzien van luidsprekers. Al om vier of vijf uur ’s morgens roept de imam op tot gebed. Ik vind ’t prima, hoor, iedereen gelooft maar waar die zin in heeft, maar moet het echt om vijf uur ’s morgens in mijn oor?

Voor de rest ben ik heel verdraagzaam, ja, natuurlijk. Als we niet verdraagzaam zouden zijn, dan zouden we niet ver komen in dit land, dat bestaat uit meer dan zeventienduizend eilanden, waar honderden talen gesproken worden, waar al eeuwen allerlei religies aanspoelen... Indonesië is een trefpunt van duizend geschiedenissen en culturen en hier in deze havenstad komen die allemaal samen. Wij zijn een enorme mengelmoes van rassen en talen en religies en zelfs van geslachten, want transseksuelen, tomboys en travestieten vind je hier ook. En fundamentalisten ook, helaas, maar die krijgen in Semarang geen voet aan de grond. Het enige dat je bereikt door elkaar te bestrijden is dat je naast elkaar komt te liggen op het kerkhof.

De enigen die hier apart liggen zijn de militairen. Maar goed ook, die moeten niet tussen fatsoenlijke mensen gaan liggen, vind ik. Die militaire kerkhoven zijn de properste plekjes van de stad. Misschien omdat er, ondanks alle grootspraak, eigenlijk nooit iemand komt. We hebben hier ook een enorm militair museum waar gelukkig niemand ooit een voet binnen zet.

Nee, hier in Semarang schieten we goed met elkaar op. ’t Is een brave stad: wie keet schopt, wordt genegeerd. Daarom gaf ik de journalistiek op en werd ik stadsgids, omdat er dan wel geluisterd wordt naar wat je te vertellen hebt.

 


IV


Weet je wat het probleem is? Weet je wat het probleem is voor een stadsgids? Er zijn hier geen toeristen. Dat is goed nieuws voor de toeristen, want die hebben er vaak een hekel aan omringd te zijn door hun soortgenoten, maar voor een stadsgids is het wel kwaad kersen eten natuurlijk. Dat doet me eraan denken, zo’n paar heerlijke brokjes tempeh op een stokje, dat heb ik vandaag nog niet gehad ...

De weinige toeristen die er zijn, willen natuurlijk allemaal het posterbeeld van Semarang zien, het Huis met de Duizend Deuren. Dat is het oude kantoor van de Nederlands-Indische Spoorweg Maatschappij. Het is mooi, en ook een gegarandeerde teleurstelling, want het hoofdgebouw mag je niet in, wat overigens niets goeds doet vermoeden over de staat ervan. Wat je van de buitenkant ziet, is allemaal gerenoveerd, maar goed, ik hoop dat je ondertussen begrepen hebt dat je daar niet altijd op mag vertrouwen. Het staat trouwens ook gewoon leeg.

De Oude Stad hoort natuurlijk ook bij een begeleid stadsbezoek. De laatste keer verliep het niet zo best. Pal naast de oude rechtbank had een vijftigtal landgenoten van me zich verzameld rond een portie dierenleed. Tientallen trotse hanen, geboren om ergens parmantig rond te paraderen, wachtten onder een omgekeerde mand hun beurt af. Ze deden me denken aan de omringende gebouwen. Ik ging ruzie maken met de mannen die van dat soort zaken genieten, en wat later, na het tumult, vond ik mijn toeristen niet meer terug.

Naar ’t militaire kerkhof willen ze ook vaak, dus daar laat ik hen dan maar even tussen de kruisbeeldjes wandelen. Ondertussen denk ik er het mijne van en bekijk ik die prachtige villa vlakbij. Hij is als een oude koning: beverig en wankel, maar altijd nog de koning. Het vrouwtje aan de ingang staat je toe om vanuit de tuin de heerlijke glasramen met druiventrossen en veelkleurige papegaaien te bewonderen, en te treuren om de ramen die al gebroken zijn, het balkon dat al is ingestort. Het huis is verkocht, beweert ze, binnenkort beginnen de renovatiewerken, beweert ze, en zij staat in voor het onderhoud, beweert ze, wat natuurlijk wil zeggen dat ze pottenkijkers buiten moet houden. Het huis is er erg aan toe, maar de tuin ligt er netjes gekortwiekt bij. Dat komt omdat de provinciegouverneur in deze buurt woont, en hij geeft binnenkort een feest, de auto’s moeten toch ergens kunnen parkeren?

Ik neem toeristen liever mee naar de vuurtoren in de haven. Elf verdiepingen staal, een heel eenvoudig, mooi ding met een plaat erop: ‘Onder de regeering van Willem III, koning der Nederlanden, enz. enz. enz. Opgericht voor draailicht vierde grootte 1884.’

Elk jaar is hij tien centimeter minder mooi, want hij zakt in de grond. Nogal problematisch voor een ding dat het van zijn hoogte moet hebben om licht te verspreiden. Jij bent ook groot, maar of je licht geeft, zal ik pas weten als je tot de avond bij me blijft. De toren is al twee meter weggezakt, dus het is al twintig jaar wachten tot de regering haar belofte waarmaakt om dit stukje erfgoed te redden van, hoe kan je ’t ook anders noemen, de ondergang. Ze hebben er dan maar een trapje omheen gebouwd zodat je kunt afdalen naar de ingang.

Nee, erg vrolijk worden de mensen niet van mijn rondleiding. Ach, als stadsgids kan je ’t in Semarang ook niet maken. Dus ben ik taxichauffeur geworden, zoals je ziet. Moest je heel dringend ergens zijn?

 


V


Weet je wat het probleem is? Weet je wat het probleem is voor een taxichauffeur? Ik ga liever mijn eigen weg. Dat had je misschien al gemerkt. Waar moest jij eigenlijk heen? Ach, het doet er niet toe, je amuseert je toch?

Ik vind mezelf een heel goede taxichauffeur, want als mensen een bestemming opgeven die volgens mij niet helemaal klopt, corrigeer ik die zonder extra aan te rekenen. Als een klant bijvoorbeeld naar een louche hotel of karaokebar wil, lever ik hem maar meteen af bij de aidskliniek, dat bespaart iedereen tijd.

Toen ik een wat verveeld kijkend koppel in de wagen had dat naar een chique restaurant wilde, bracht ik hen in plaats daarvan naar de Chinese wijk. Het was een zaterdagavond, en dan wordt daar een straat helemaal afgezet en volgestouwd met tafels en krukjes en tenten en kraampjes, je kan er loempia’s eten en wafeltjes en jackfruit, oude Chinese mannen en vrouwen zingen zich de ziel uit het lijf rond een al even oude karaoke-installatie, er lopen kinderen, het is gezellig. ‘Ga daar maar heen,’ zei ik tegen mijn licht verbouwereerde passagiers, ‘de vrolijkheid werkt aanstekelijk.’

Als het Nederlanders zijn, willen ze natuurlijk naar hun militair kerkhof, en dan krijg ik vaak ruzie als ik opmerk dat het monument ‘voor veiligheid en recht’ daar compleet misplaatst staat. Nee, ik maak niet makkelijk vrienden met hen, maar jou vind ik wel geschikt. Wat zeg je? Ja, dat is juist, je bent geen Nederlander. Waarom spreek je dan Nederlands, heb je geen eigen taal?

Verdorie, nu weet ik eigenlijk niet meer waar ik ben. Ach, ik deug niet als taxichauffeur, ik weet het wel. Ik zei het al, ik vind het jammer dat er zo veel werelden zijn waarin ik niet leef, zo veel mensen die ik niet ken. En dus maak ik mijn eigen werelden en mensen, rijd ik rond in mijn eigen verhalen. Ik word verhalenverteller, kom, laat die taxi hier maar staan, we gaan wandelen, zeg maar wat je wilt horen. Zal ik vertellen over ons nationale symbool van volksverheffing? Kartini woonde in een dorp vlak bij Semarang. Ze schreef haar beroemde brieven in het Nederlands, weet je dat? ’t Is een Indonesische heldin, er zijn straten, scholen, postzegels en ziekenhuizen om haar te eren, maar toch zijn niet al haar brieven naar het Indonesisch vertaald, omdat ze nu en dan te fel van leer trok tegen het gebrek aan, och, alles, hier op Java.

Nee? Iets anders? Kan, hoor. Zal ik je vertellen waarom alle straten hier een eigen praalboogje hebben? Of wil je weten wat we doen op onze nationale feestdag? Je denkt waarschijnlijk aan vlaggen hijsen en paraderende soldaten en lange toespraken, want hoe kleiner het brein, hoe groter de bek. Ja, dat hoort erbij. Maar ’s middags wordt het hele land een pretpark en gaat iedereen touwtrekken en kroepoek happen en in bomen klimmen. Dan zijn we gewoon blij, weet je wat ik bedoel?

Of zal ik vertellen van die keer toen ik het religieuze gewauwel van de voorlichtingsdokter onderbrak en vroeg of je hiv kon krijgen door van dezelfde beker te drinken? Hij wist het antwoord niet, dat garnalenbrein, en moest er zijn papieren bij halen.

Of wil je horen over Mata Hari, en dat ze haar naam hier haalde? Oog van de dag, betekent haar naam, de zon dus. Het hotel waar ze verbleef in Semarang is al lang verdwenen, dus nu beweren er mensen dat ze eigenlijk in een ander hotel zat.

Ik kan ook fictie, hoor. Zal ik misschien een romance verzinnen tussen ons, wat denk je daarvan? In dat verhaal word jij verliefd op mijn huid van karamel en op mijn goddeloze rijstijl en op alles wat je niet aan me begrijpt, en dan word ik verliefd op jouw... Ja, daar moet ik even over nadenken.

Hoe het afloopt? Na een hele dag rondwandelen in de tropische temperaturen laten we ons zomaar ergens vallen, hier bijvoorbeeld, met op de achtergrond een decor van zinkende vuurtorens en een altijd in mist gehulde berg. Op ons tapijtje, onder een tentzeil, zitten we onbekommerd suikernijen te eten en duizend uren vol te praten terwijl op straat de regen alweer verdampt, dat klinkt toch allemaal veelbelovend, vind je niet? Maar ja... Weet je wat het probleem is met beloftes?

 

Download the ePub Print

Daun Lontar dan Kebenaran

O! betapa menyenangkan bahwa kita hidup di zaman ini
peralihan dari lama ke baru!
Kartini, pahlawan Indonesia


I


Kau tahu masalahnya apa? Kau tahu masalahnya apa di seluruh Asia Tenggara? Daun lontar, itulah masalahnya.

Sumber tertulis, dalam hal Pulau Jawa berarti daun lontar, tidak berusia panjang dalam iklim sepert ini. Orang yang meneliti sejarah prakolonial ribuan pulau yang memadati bagian dunia ini, akan sangat tidak puas. Tidak puas? Sebentar, kita harus berhenti dan… Ya, di sini, ibu ini menjualnya. Pisang goreng, lezat! Dan yang paling bagus: aku tetap langsing meskipun makan banyak.

Jadi, sangat banyak sumber hilang, dan catatan-catatan penjelajah India, Cina dan Arab terutama membuktikan besarnya kepala mereka.

Di Semarang bahkan lebih parah lagi, karena tahun 1954 Gedung Papak habis terbakar. Di situ disimpanlah arsip kota kolonial. Letak gedungnya sebelah kantor pos yang dicat oranye, kau pasti suka itu. Oh, kau bukan orang Belanda? Kau berasal dari negeri cokelat? Menarik. Aku memang sudah berpikir, logatmu aneh; aku kuliah di Amsterdam, di sana bahasa Belanda sama sekali lain bunyinya.

Aku mengantongi ijazah sarjana sejarah, tetapi tanpa sumber yang dapat diandalkan. Aku memang suka tulisan, kau tidak? Karena itu aku suka sekali SMS, ya, memang, orang Asia suka gadget.

Soeharto baru saja lengser, awal abad baru mengilhami reformasi dan optimisme hati-hati, jadi aku pikir, aku akan menyumbang sesuatu untuk kemajuan negeri ini, aku menjadi guru dan mengajar sejarah. Ah, rupa-rupanya kau tidak paham. Aku bisa saja mengutarakan pendapatku mengenai Soekarno dan Soeharto, tapi aku baru mulai menyukai obrolan kita. Biarlah kukatakan bahwa yang disebut pertama mendirikan negara ini dan yang kedua tidak melakukan banyak hal terpuji. Mempersulit hidup orang Tionghoa Indonesia, dia ahli. Kau bisa ingat itu? Bagus. Jadi agar aku bisa menularkan pengetahuanku, aku menjadi guru sejarah.

 


II


Kau tahu apa masalahnya buat seorang guru sejarah? Ia tidak boleh menyampaikan kebenaran. Dengar ya. Di bawah Soeharto semua yang berbau Cina dilarang: hari raya Cina, bahasa Cina dan bahkan nama Cina harus hilang, kelenteng Cina tidak boleh dicat sedikit pun, dan rumah Cina dibongkar. Soeharto adalah sahabat orang Amerika dan karena itu orang Cina, orang komunis dan orang ateis adalah musuh. Seandainya orang Tionghoa Indonesia tidak begitu penting bagi ekonomi Indonesia, dia pasti sudah mengangkut mereka dengan kapal ke tempat lain. O ya, sampai sekarang orang harus menyebut agamanya di KTP. Tapi sejak kira-kira setahun boleh dikosongi, jadi mungkin ada juga yang berubah. Aku ngelantur, ya. Maaf, aku lihat di situ ada kue lekker, aku mau beli beberapa…. Di Semarang ini kami sebenarnya makan sepanjang hari. Apakah di negerimu juga ada banyak warung yang menjual makanan murah? Aku tidak bisa membayangkan harus masak setiap hari, mana ada orang yang punya waktu untuk itu?

Aku mau bilang apa tadi? O ya, kebenaran. Dengar: tahun 2007 seorang jaksa memerintahkan membuang buku sejarah terbitan baru dari sekolah-sekolah dan membakarnya. Buku-buku itu berisi terlalu banyak kebenaran mengenai apa yang disebut kudeta di tahun enam puluhan dan penjagalan orang komunis. Baca: terlalu banyak penyimpangan dari versi resmi yang mengatakan bahwa semua merupakan kesalahan orang komunis.

‘Selama anda tetap netral, anda tidak akan mendapat kesulitan,’ kata kepala sekolah. Baca: guru sejarah tidak dilarang membahasnya di kelas. Kalau seorang murid mencari versi yang berbeda dari informasi resmi, si guru tidak dilarang menjawab pertanyaannya. Karena memang seperti itu anak muda: biarkan mereka bebas menelusuri internet dan yang pertama mereka lakukan adalah mencari bagaimana sesungguhnya kisah mengenai kudeta di tahun enampuluhan…

Sebenarnya menurutku tidak perlu gula, tapi karena perasaan simpati etnis-historis aku selalu menambahkan satu sendok kecil gula pada makanan dan minumanku: jus semangka, apel atau lainnya yang manis. Gulalah yang membangun kota ini. Kewirausahaan orang Tionghoa, dan gula. Produksi gula memerlukan infrastruktur, pelabuhan, ril kereta api, jembatan. Tapi lihatlah, sekarang gula impor lebih murah dibandingkan gula yang kami produksi sendiri dengan mesin-mesin kuno.

Aku juga bercerita kepada murid-murid mengenai Tanam Paksa orang Belanda. Bung, kalian benar-benar melakukan hal-hal yang buruk di sini. Oh, kau bukan orang Belanda? Kalau begitu, kenapa hidungmu begitu besar? Pada dasarnya Tanam Paksa berarti bahwa orang Belanda adalah juragan dan orang Cina ada untuk disuruh-suruh, dan orang Jawa ada untuk dieksploitasi. ‘Oeroeg kawanku’ (1), ya, mungkin itu bisa terjadi antara dua manusia, tapi tidak mungkin antara bangsa yang menjajah dan bangsa yang dijajah. Semuanya yang lain adalah omong kosong. Orang Belanda diusir, tapi orang Tionghoa tetap di sini dan berwiraswasta dan tetap tidak populer. Memangnya kau tidak baca koran pada tahun 1998? Jadi dalam pelajaranku, aku menghubungkan fakta pada hari ini dengan penyebabnya di waktu lalu, dan hal itu tidak dihargai.

Jadi, antara aku dan sejarah tidak begitu ada kecocokan Memang begitulah kalau orang terlalu banyak bertanya. Lalu aku pikir, bagaimana kalau aku mengajukan pertanyaan sebagai mata pencaharian. Dan begitulah aku menjadi wartawan.

 


III


Kau tahu apa masalahnya buat seorang wartawan? Umumnya kau diperbolehkan mengatakan yang sebenarnya – meskipun, ini contoh saja, terkadang ada juga wartawan yang mendapat kesulitan kalau ia menulis tentang apa yang diperbuat bapak mertua presiden yang sekarang pada tahun 1965 – tapi tidak ada yang mendengarkan.

Ya, benar, kau memang mendengarkan setiap kataku. Apakah karena aku cantik? Aku menulis mengenai kondisi warisan sejarah kami. Artikel-artikelku dimuat, matahari terbenam dan itulah akhir ceritaku.

Kalau ingin menangis, aku pergi ke Kota Lama. Bangunan-bangunan di situ sekarat sambil berdiri. Mereka menatap nasib dengan kepala tegak, sampai akhirnya roboh di bawah beban waktu dan bertekuk lutut.

Pusat kota peninggalan zaman kolonial paling luas di seluruh Indonesia yang masih dapat dilihat, dan perhatikanlah bagaimana kami memperlakukannya. Tiga puluh empat hektar drama: dari talang dan jendela tumbuh pohon dan semak, jamur hitam menguasai tembok seperti juga rasa melankolis tak tertahankan menguasaiku, jendela kaca gugur, tembok depan rontok. Semua rumah itu sudah puluhan tahun kosong atau diduduki orang yang tak berhak, aku tak tahu mana yang lebih parah… Jadi sebagai wartawan aku bertanya.

Kita tak mungkin tertarik pada zaman dulu tanpa menjadi melankolis. Kalau aku berjalan di kota yang sudah tiada, rasa sedih menimpaku. Lalu aku sangat menyayangkan, bahwa kita semua terkunci dalam hidup kita sendiri, dipenjarakan di tempat tertentu dan di waktu tertentu. Maksudku: ada begitu banyak dunia tapi aku tidak hidup di sana. Orang yang membaca, bepergian atau memandang sekeliling dengan cara tertentu, melihat banyak dunia lain dan itu sudah tentu merupakan pemerkayaan, tapi juga setiap kali merupakan konfrontasi dengan ketidakmampuan sendiri.

Kita bicarakan apa tadi? O ya, gedung-gedung yang dibiarkan kosong. Sudah bertahun-tahun janji-janji menumpuk bahwa suatu saat masalah itu akan ditangani. Dibuatlah rencana, dipesanlah penelitian, Kota Lama meledak karena banyaknya maksud baik.

Masalahnya adalah bahwa orang-orang yang membuat janji-janji itu tidak tinggal di Semarang. Mereka pindah ke Jakarta atau Kuala Lumpur, dan mereka yang tetap tinggal terlalu santai. Tapi sekarang ada beberapa pelopor lokal yang bertindak bersama-sama.

Sebagai awal, mereka telah menghitung bahwa tujuh puluh persen dari gedung-gedung itu tidak diketahui pemiliknya! Dulu, ketika kami mengusir penjajah Eropa, beberapa gedung jatuh ke tangan tentara dan beberapa gedung tidak, dan ada yang dijual dan ada yang tidak. Pendeknya: ini kesemrawutan luar biasa. Pemilik-pemilik yang kami kenal, sama sekali tidak tertarik berinvestasi ke urusan renovasi yang mahal. Mereka lebih suka menunggu sampai semuanya roboh untuk kemudian dijadikan pusat perbelanjaan atau hotel, tentunya setelah pemerintah berhasil membendung banjir. Dalam hal itu kami masih beruntung, karena Kota Lama letaknya rendah dan sering kebanjiran: di sini belum ada bangunan proyek perumahan besar yang jelek.

Tapi tentu saja air merupakan ancaman. ‘Kami sudah menangani!’ janji pemerintah, dan betul: dua sungai yang mengelilingi Kota Lama, sekarang memang dibenahi. Kali digali, pompa dipasang dan bendungan dibangun. Air dikunci. ‘Lihat kan, kita menyelamatkan Kota Lama,’ begitu kata mereka. Tapi itu omong kosong, karena di tempat lain semuanya terus menerus ditinggikan, dan air tetap akan mencari tempat terendah. Kalian memang goblok, di sini, di titik yang paling rendah, kalian membangun benteng dan kemudian bangunan-bangunan perdagangan. Logisnya, orang Belanda agak memikirkan air kalau merencanakan sebuah kota, tapi ternyata tidak begitu.... Mungkin mereka melakukan hal itu karena rindu kampung halaman, kota di bawah permukaan air laut?

Bagaimana pun juga, Kota Lama perlu investasi khusus, sistem drainase dan saluran pembuangan air sendiri, tetapi tidak ada orang yang mau mendanai. Menyedihkan, bukan? Kalau sedih, aku haus. Pernah mencicipi jus alpukat dengan cokelat? Indonesia adalah produsen kakao ketiga terbesar di dunia, tapi toh kami harus mengimpor es cokelat dan batang cokelat dari luar negeri, karena kami sendiri terlalu bodoh untuk memproses .... Wah, aku seperti Kartini saja, mengritik saudara setanah air. Kau tidak kenal Kartini? Hal itu tidak mengherankan, aku sudah melihat bahwa perempuan Indonesia merupakan teka-teki bagimu. Kau bisa memperbaiki kekuranganmu dengan menraktir aku. Segelas kelapa muda. Mungkin ditambah mangga. Kau harus sedikit sabar kalau mau dengar seluruh cerita, jam karet kata orang di sini, jam terbuat dari karet, waktu bisa diulur.

Kau tanya namaku? Sulit dijawab. Aku punya nama kecil, terus aku juga punya nama baptis, di KTP ada nama ketiga lalu aku juga masih punya nama Cina. Orang Indonesia terdiri dari banyak lapisan. Kau tidak habiskan tehmu? Buat aku saja, aku minum banyak, supaya rambutku hitam mengilap, kau lihat kan?

Segelintir orang yang prihatin pada nasib batu-batu lama, dipersatukan di bawah nama Oen’s Foundation, berhasil menarik perhatian sang walikota. Tapi yah, ini Indonesia, Bung: lelaki itu sekarang di penjara gara-gara korupsi. Tahun 2014 ada pemilihan walikota, tapi siapa yang mau mengurus beberapa gedung hilang kalau masih ada begitu banyak prioritas lain?

Padahal ini benar-benar pilihan sekarang atau tidak pernah, sebab Oen’s Foundation telah mendatangkan pakar dari luar negeri dan mereka dengan gamblang mengatakan: ‘Kehancuran telah mencapai titik kritis. Atap-atap rusak, air sekarang masuk dari atas dan dari bawah. Antara sekarang dan tujuh tahun lagi sebagian besar warisan ini tidak lagi bisa direnovasi.’ Itu tahun 2010. Jam karet, waktu bisa diulur, tetapi semua harus berakhir.

Ah, aku memang tidak dilahirkan untuk dunia jurnalistik. Sudah tentu aku kritis, tapi terutama aku adalah gadis zaman dulu yang tersesat dalam kepala sendiri. Kalau sudah begitu, aku berjalan-jalan di Kota Lama dan duduk di sana sampai malam dan hujan datang, dan aku duduk saja, di bawah naungan atap kayu yang masih bertahan beberapa jam, dan aku memandangi air yang jatuh. Kalau tidak ada angin, hujan jatuh lurus ke bawah, pasrah karena harus jatuh di tempat ini, tapi kalau ada angin, air ke segala arah, seperti hewan dirantai yang mencoba membebaskan diri dari nasib, dan aku melihat karena aku duduk di sana dan aku menangis karena aku hidup, tetes-tetes airku sendiri di antara berjuta air mata lain, dan pada saat seperti itu aku berpikir, mati tenggelam mungkin tidak terlalu parah, jika saja bisa dalam air ini, dalam kemerosotan perasaan ini yang tidak jatuh di tempat lain selain di Kota Lama.

Hari berikut aku jalan di antara orang-orang, dan aku agak terhibur. Kegembiraan adalah malam Minggu di Semarang: anak-anak muda berkumpul di jalan-jalan yang mengelilingi Simpang Lima, lapangan di tengah kota, sebenarnya lapangan rumput kosong yang memang kosong terus. Orang tidak tertarik pada massal atau luar biasa, mereka lebih suka kumpul-kumpul saja. Malam Minggu, lebih dari malam lain, orang main sepatu roda dan mengobrol dan tentu saja makan, di mana-mana digelar tikar dan orang duduk-duduk bersama, lalu mereka berpesta ‘till drop’. Turis tidak bisa naik ke lapangan, karena harus menyeberangi lima lajur mobil, dan sepeda motor yang jumlahnya beberapa milyar membuatnya menjadi empat puluh satu lajur. Minggu pagi antara jam lima dan sembilan di sana kami selalu mengadakan Car Free Day. Tidak lebih siang dari itu, karena sudah terlalu panas untuk jogging atau bersepeda.

Setelah itu lalu lintas berkuasa lagi. Semarang memang kota gila: di jalan-jalan lebar rombongan sepeda motor lewat tanpa henti – suara gemuruh terus-terusan menguasai kota ini, seakan ada air terjun di punggungmu – tetapi begitu kau belok kiri atau kanan, kau masuk gang-gang sempit. Semua rumah mempunyai pot bunga dan pohon, kau menemukan kelenteng atau masjid kecil, yang disebut terakhir ini selalu dilengkapi dengan pengeras suara. Pukul empat atau lima setiap pagi Imam memanggil umatnya untuk bersalat. Boleh-boleh saja, setiap orang percaya apa yang dia yakini, tapi haruskah telingaku mendengarnya pukul lima pagi?

Selebihnya aku sangat toleran, ya, memang seharusnya begitu. Seandainya kami tidak toleran, kami tidak akan bisa berkembang di negara ini, yang terdiri dari tujuh belas ribu lebih pulau, tempat di mana orang memakai ratusan bahasa, tempat di mana selama berabad-abad agama-agama baru terdampar... Indonesia adalah titik temu seribu sejarah dan budaya dan di sini, di kota pelabuhan ini, semuanya bersatu. Kami adalah campuran luar biasa dari bermacam ras dan bahasa dan agama dan bahkan jenis kelamin, karena transeksual, tomboy dan waria juga ada di sini. Dan orang fundamentalis juga, sayang, tapi di Semarang mereka tidak bisa berbuat banyak. Satu-satunya hasil yang dicapai dengan saling memerangi adalah bahwa kau akan berbaring berdampingan di pemakaman.

Hanya militer yang dimakamkan terpisah. Lebih baik begitu. Menurut aku, mereka tidak harus berbaring di antara orang baik-baik. Makam militer itu tempat yang paling bersih di kota. Mungkin karena, kendati semua bualan, sebenarnya tidak ada orang yang datang ke situ. Di sini juga ada museum militer besar, tapi untunglah tidak ada orang yang menginjakkan kaki di sana.

Ya, di sini di Semarang kami bisa saling bergaul dengan baik. Semarang adalah kota yang manis: siapa yang berbuat aneh-aneh, tidak akan digubris. Karena itu aku meninggalkan dunia jurnalistik dan menjadi pemandu wisata kota, karena orang pasti akan mendengarkan apa yang aku ceritakan.

 


IV


Kau tahu masalahnya apa? Kau tahu masalahnya apa untuk seorang pemandu kota? Di sini tidak ada turis. Hal itu memang berita bagus buat turis, karena biasanya mereka tidak suka dikelilingi sesama turis, tapi untuk seorang pemandu kota keadaan seperti itu tentu saja tidak menguntungkan. Aku jadi teringat, hari ini aku belum makan sate tempe yang lezat.

Sedikit turis yang ada, semuanya pasti ingin melihat gambar poster kota Semarang, Gedung Lawang Sewu. Itu dulu kantor Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij. Gedung indah, dan pasti juga merupakan kekecewaan karena orang tidak boleh masuk gedung utama, yang membuat kita bertanya-tanya tentang kondisi di dalam. Dari luar kelihatannya semuanya direnovasi, tetapi aku berharap kau mengerti sekarang bahwa hal seperti itu tidak selalu dapat dipercaya. Dan gedung itu juga kosong.

Tentu saja Kota Lama juga merupakan bagian kunjungan kota terpandu. Kali terakhir tidak begitu berhasil. Tepat di sebelah Gedung Pengadilan lama, kira-kira lima puluh warga berkumpul mengelilingi sekelumit derita hewan. Puluhan ayam jago yang angkuh, dilahirkan untuk berjalan-jalan anggun penuh percaya diri, menantikan nasib di bawah keranjang terbalik. Mereka mengingatkan aku pada gedung-gedung sekitar. Aku berselisih dengan para lelaki yang menikmati kegiatan seperti itu, dan sebentar kemudian, setelah kehebohan selesai, aku tidak bisa menemukan turis-turisku kembali.

Mereka biasanya juga ingin melihat tempat pemakaman militer di Candi, jadi aku membiarkan mereka berjalan-jalan di antara salib-salib di sana. Sementara itu aku sibuk dengan pikiranku sendiri dan memandang rumah indah di dekatnya. Seperti raja tua: gemetar dan goyah, tetapi masih tetap raja. Perempuan di pintu depan mengizinkan kami mengagumi rumah dari halaman: jendela kaca patri dengan buah anggur dan burung betet berwarna-warni, dan bersedih hati karena jendela-jendela yang sudah pecah, balkon yang sudah runtuh. Rumahnya sudah dijual, katanya, tidak lama lagi kerja renovasi akan dimulai, katanya, dan ia mengurus perawatannya, katanya, yang tentu saja berarti bahwa ia harus melarang orang-orang yang terlalu ingin tahu masuk rumah. Rumahnya dalam keadaan parah, tetapi rumput dan tanaman di halamannya dipotong rapi. Itu karena kediaman gubernur ada di dekatnya, dan ia akan mengadakan pesta, harus ada tempat parkir untuk mobil-mobil, bukan?

Aku lebih suka mengajak turis melihat mercu suar di pelabuhan. Sebelas tingkat baja, bangunan yang sangat sederhana dan indah dengan papan yang menerangkan: ‘Onder de regeering van Willem III, koning der Nederlanden, enz. enz. enz. Opgericht voor draailicht vierde grootte 1884’ yang artinya: ‘Semasa pemerintahan Willem III, Raja Negeri Belanda, dst. dst. dst. Dibangun untuk lampu putar berkekuatan besaran keempat pada tahun 1884’.

Setiap tahun keindahannya berkurang sepuluh sentimeter, karena tenggelam dalam tanah. Untuk benda yang harus tinggi untuk bisa menyebarkan cahaya, hal ini merupakan masalah. Kau juga tinggi tetapi apakah kau bercahaya, aku baru bisa tahu kalau kau tinggal bersamaku sampai malam. Menara ini sudah tenggelam dua meter, jadi sudah dua puluh tahun menunggu sampai pemerintah memenuhi janji untuk menyelamatkan warisan ini dari, aku tidak punya kata lain, kehancuran. Ada tangga agar kau bisa turun ke pintu masuk.

Memang wisata kelilingku tidak membuat orang ceria. Ah, pemandu kota tidak akan sukses di Semarang. Jadi aku bekerja sebagai sopir taksi, sebagaimana kau lihat. Kau harus ke mana?

 


V


Kau tahu masalahnya apa? Kau tahu masalahnya apa untuk seorang sopir taksi? Aku lebih suka memilih rute sendiri. Mungkin kau sudah melihatnya. Sebenarnya kau harus ke mana? Ah, tidak penting, kau tetap saja senang, kan?

Menurutku, aku adalah sopir taksi yang sangat baik, karena apabila penumpang memberitahu tujuan yang menurutku agak keliru, aku mengoreksi tanpa minta uang tambah. Misalnya kalau ada penumpang yang mau ke hotel guram atau bar karaoke, aku akan mengantar dia langsung ke klinik AIDS, itu menghemat waktu untuk semua orang.

Ketika aku mendapat penumpang sepasang suami istri dengan wajah agak bosan, yang ingin ke restoran mewah, aku mengantar mereka ke Pecinan. Sabtu malam satu jalan di sana bebas kendaraan bermotor dan dipenuhi meja dan kursi dan tenda dan kios, kita bisa makan lunpia di situ dan wafel dan nangka, pria dan wanita Tionghoa lanjut usia menyanyi sepenuh hati dengan bantuan instalasi karaoke yang sama tuanya dengan mereka, anak-anak berkeliaran di situ, menyenangkan sekali suasananya. ‘Anda ke sana saja,’ kataku kepada penumpangku yang terheran-heran, ‘anda akan ketularan suasana ceria.’

Orang Belanda pasti ingin ke makam militer mereka, tapi seringkali aku bertengkar dengan mereka kalau aku mengatakan bahwa monumen bertuliskan ‘voor veiligheid en recht’, yang artinya ‘demi keselamatan dan keadilan’ sama sekali tidak pada tempatnya di situ. Memang aku tidak mudah bersahabat dengan mereka, tapi kau lumayan baik. Apa? Ya, betul, kau bukan orang Belanda. Lalu mengapa kau bicara bahasa Belanda? Tidak punya bahasa sendiri?

Aduh, sekarang terus terang aku tidak tahu berada di mana. Ah, aku memang tidak cocok menjadi sopir taksi, aku tahu itu. Aku sudah bilang, sayang bahwa ada begitu banyak dunia di mana aku tidak hidup, begitu banyak orang yang aku tidak kenal. Jadi aku membuat dunia-duniaku sendiri dan orang-orangku sendiri, melanglang dalam kisah-kisahku sendiri. Aku menjadi pendongeng, ayo, kita tinggal saja taksi ini di sini, kita akan jalan kaki, katakanlah saja mau mendengar apa. Mungkin tentang lambang nasional empansipasi kami? Kartini tinggal di sebuah desa dekat Semarang. Ia menulis surat-suratnya yang terkenal dalam bahasa Belanda, kau tahu itu? Pahlawan Indonesia, ada jalan, sekolah, perangko dan rumah sakit yang diberi namanya untuk menghormatinya, tetapi tidak semua suratnya diterjemahkan ke dalam bahasa Indonesia, karena ia kadang-kadang terlalu keras memrotes kekurangan... apa ya, semuanya, di Jawa sini.

Tidak mau? Yang lain saja? Bisa, bisa. Mungkin aku bisa cerita kenapa semua jalan di sini mempunyai gapura sendiri-sendiri? Atau kau mau tahu apa saja yang kami lakukan pada Hari Kemerdekaan? Mungkin yang kau pikirkan adalah mengerek bendera dan serdadu berbaris dan sambutan-sambutan panjang, karena makin kecil otak, makin besar mulut. Ya, memang, itu juga. Tetapi siang hari seluruh negeri menjadi taman bermain dan semua orang berlomba tarik tambang dan makan kerupuk dan memanjat pohon pinang. Dan kami cuma bergembira, tahu maksudku?

Atau aku cerita tentang kali itu, ketika aku memotong ocehan dokter sok religius dari dinas penerangan dan bertanya apakah orang bisa ketularan HIV gara-gara minum dari gelas yang sama? Ia tidak tahu jawabannya, si otak udang, dan harus melihat catatannya dulu.

Atau kau mau dengar tentang Mata Hari, dan bahwa dia meminjam namanya dari sini? Matahari. Hotel tempat dia menginap di Semarang sudah hilang, jadi sekarang orang mengatakan sebenarnya dia menginap di hotel lain.

Aku bisa fiksi juga lho. Mungkin aku mengarang kisah cinta antara kita berdua, bagaimana pendapatmu? Dalam cerita itu kau jatuh cinta pada kulitku berwarna kopi susu dan pada gaya mengemudiku yang nekad dan pada segala sesuatu yang tidak kau pahami pada diriku, lalu aku jatuh cinta pada.... Yah, berilah aku waktu untuk berpikir.

Bagaimana akhirnya? Setelah satu hari penuh jalan-jalan dalam suhu udara panas, kita merebahkan diri di suatu tempat, di sini misalnya, dengan latar belakang sebuah dekor dengan mercu suar-mercu suar yang tenggelam dan gunung yang senantiasa diliputi kabut. Di tikar kita, di bawah atap tenda, kita duduk santai dan menyantap kudapan yang manis-manis dan memenuhi seribu jam dengan mengobrol, sementara hujan di jalan sudah menguap lagi, bukankah itu semua terdengar menjanjikan? Tapi ya, itu.... Kau tahu apa masalahnya dengan janji?

 

 

Keterangan
(1) ‘Oeroeg kawanku’ adalah kalimat pertama novel Oeroeg karya Hella S. Haasse, yang mengisahkan persahabatan antara dua anak lelaki, seorang anak Belanda dan seorang anak Indonesia, di masa kolonial dan pasca kolonial.

 

Diterjemahkan dari bahasa Belanda oleh Widjajanti Dharmowijono


Widjajanti (Inge) Dharmowijono lahir dan besar di Semarang. Ia melanjutkan studi di Leuven dan Amsterdam dan bekerja sebagai dosen bahasa Belanda dan penerjemah sastra. Yayasan Budaya Widya Mitra yang diketuainya mengadakan berbagai kegiatan budaya di samping mengelola sebuah perpustakaan dan mengadakan kursus bahasa Belanda. Warisan budaya sangat berarti baginya.

 

Download the ePub Print

Fille de jadis

 

« Oh ! Quel bonheur de vivre justement à cette époque-ci !
Celle du passage de l’ancien vers le nouveau ! »
Kartini, héroïne populaire indonésienne


I


Tu sais quel est le problème ? Tu sais quel est le problème de tout le Sud-Est asiatique ? Les feuilles de palme, c’est ça le problème.

Les sources écrites - dans le cas de Java, des feuilles de palme principalement - ne sont pas destinées à vivre longtemps sous ce climat. Celui qui étudie l’histoire précoloniale des milliers d’îles dont le monde est plein ici, reste sérieusement sur sa faim. À propos de faim, faisons une petite pause… oui, ici, cette dame en a. Des bananes frites, un délice. Et le plus beau, c’est que je reste mince, quoi que je mange.

Beaucoup de sources ont donc disparu, et ce qu’ont noté les voyageurs indiens, chinois et arabes, témoigne avant tout de beaucoup de suffisance.

La situation est particulièrement mauvaise ici à Semarang, car en 1954 le Papak, le bâtiment qui abritait les archives coloniales de la ville, a brûlé. Il se situait juste à côté du bureau de poste orange, tu apprécieras sans doute. Oh, tu n’es pas néerlandais ? Tu viens du pays du chocolat ? Intéressant. Je trouvais déjà bizarre, ta façon de parler avec ce drôle d’accent ; j’ai étudié à Amsterdam, et là, le néerlandais avait une tout autre allure.

Et me voilà bardée de mon diplôme d’histoire, mais privée de sources tant soit peu convenables. J’aime l’écrit, je suis comme ça, pas toi ? C’est pourquoi je tambourine à qui mieux mieux sur mon ordi, oui, les Asiatiques sont un peuple de gadgets.

Suharto venait de s’en aller, l’oreille basse, le début d’un nouveau siècle inspirait des réformes et un optimisme prudent, j’ai donc pensé : j’apporte ma petite pierre à l’édifice de ce pays, je vais entrer dans l’enseignement et devenir prof d’histoire. Je le vois d’ici, tu n’y comprends rien. Je pourrais te raconter ce que je pense de Sukarno et Suharto, mais je commençais justement à bien me plaire avec toi. Contentons-nous de retenir que le premier a édifié la patrie et que le second n’a rien fait de très édifiant. Emmerder les Indonésiens chinois, pour ça il s’y connaissait. Tu pourras retenir ça ? Bravo. Pour partager mon savoir, je suis donc devenue professeur d’histoire.

 


II


Tu sais quel est le problème du professeur d’histoire ? Il ne peut pas raconter la vérité. Regarde, sous Suharto, tout ce qui était chinois était tabou : les fêtes chinoises, la langue et même les noms devaient disparaître, les temples chinois ne pouvaient recevoir le moindre coup de pinceau et les maisons chinoises ont été démolies. Suharto était l’ami des Américains, et dès lors les Chinois, les communistes et les athées, étaient l’ennemi. Si les Indonésiens chinois n’avaient pas été aussi importants pour l’économie, il les aurait tous embarqués sur un navire. Entre parenthèses, jusqu’au jour d’aujourd’hui, la religion doit être mentionnée sur toutes les cartes d’identité. Depuis un an environ, on peut laisser la mention en blanc, quelque chose commence tout de même à bouger. Je m’égare ? Ne m’en veux pas, il y a là un tas de délicieux pains d’épice, une minute, j’en achète deux ou trois… Ici, à Semarang, on mange en fait du matin au soir. Dans ton pays, il y a aussi partout des échoppes où l’on peut manger pour trois fois rien ? Je ne peux m’imaginer cuisiner tous les jours, où trouver le temps ?


Qu’est-ce que j’allais dire ? Ah, oui, la vérité. Écoute : en 2007, un procureur général a donné l’ordre de sortir des écoles les nouveaux manuels d’histoire et de les brûler. Il y avait trop de vérité sur le soi-disant coup d’état des années soixante et les massacres de communistes, c’est-à-dire : on s’écartait trop gravement de la version officielle, comme quoi les communistes n’avaient qu’à s’en prendre à eux-mêmes.

« Si tu restes neutre, tu n’auras pas de problème, » me promettait mon directeur. C’est-à-dire : il n’est pas interdit aux profs d’histoire d’en parler en classe. Si un élève a déniché autre chose que l’information officielle, il n’est pas défendu au prof de répondre à ses questions. Car c’est bien typique pour les jeunes : on les lâche sur Internet et la première chose qu’ils font, c’est chercher à savoir ce qu’il en est finalement de ce coup d’état des années soixante…

En fait, je ne trouve pas indispensable d’ajouter du sucre, mais au nom d’une sympathie historico-ethnique, j’en ajoute toujours une petite cuiller, qu’il s’agisse d’un jus de pastèque ou de pomme ou d’autre chose de doux. Le sucre a construit notre ville. L’esprit d’entreprise des Chinois et le sucre. La production de sucre a requis des infrastructures, un port, des chemins de fer, des ponts. Mais regarde, aujourd’hui, le sucre importé est meilleur marché que le sucre que nous produisons encore nous-mêmes dans nos vieilles machines.

J’ai aussi parlé à mes élèves du système de culture imposé par les Néerlandais. Bon sang, vous en avez fait, du mal, ici. Oh, tu n’es pas Néerlandais ? Alors pourquoi as-tu un si grand nez ? Le système revenait à ceci : les Néerlandais étaient les patrons, les Chinois jouaient les seconds couteaux, et les Javanais, ils étaient là pour être exploités. « Oeroeg était mon ami, » oui, possible entre deux personnes, peut-être, mais pas entre un peuple occupé et le peuple occupant. Tout le reste est omong-kosong. Les Néerlandais ont été expulsés, bien sûr, mais les Chinois sont restés ici, toujours aussi entreprenants et impopulaires, tu ne lisais peut-être pas les journaux en 1998 ? Je faisais donc le lien, dans mes leçons, entre les faits d’aujourd’hui et les causes du passé, et on ne m’en tenait pas rigueur.

Non, ça n’a pas si bien marché, l’histoire et moi, ainsi en est-il quand on pose trop de questions. Tu sais quoi ? Je me suis dit alors : faisons du questionnement une profession. C’est ainsi que je suis devenue journaliste.

 


III


Tu sais quel est le problème du journaliste ? Il peut en général raconter la vérité, oui – quoiqu’il arrive encore qu’une journaliste soit inquiétée quand elle dévoile ce que le beau-père du président actuel a fabriqué en 1965, pour ne citer qu’un exemple – mais on ne l’écoute pas.

Oui, c’est vrai, tu es pendu à mes lèvres à présent. À cause de ma grande beauté ?

J’ai écrit sur l’état de notre héritage culturel. Mes articles ont paru, le soleil s’est couché et c’est la fin de mon histoire.


Lorsque j’ai envie de pleurer, je me rends dans la Vieille Ville. Les bâtiments sont sur le point de mourir debout. Ils regardent leur destin la tête haute, jusqu’au moment où ils cèdent sous le poids du temps et s’effondrent.

Le plus grand centre urbain préservé de l’époque coloniale dans toute l’Indonésie, et il faut voir comment nous le traitons. Un drame en trente-quatre hectares : des fenêtres jaillissent des arbres et des plantes, une moisissure noire envahit les murs comme la mélancolie m’envahit parfois irrésistiblement, moi aussi, les vitres se brisent, les façades s’écaillent. Toutes ces maisons sont vides depuis des dizaines d’années ou squattées, je ne sais ce qui est le pire… donc, en tant que journaliste, je me suis mise à poser des questions.

On ne peut s’intéresser au passé sans être mélancolique. Lorsque je marche à travers cette ville qui n’existe plus, le chagrin me tombe dessus. Je trouve si dommage que nous restions tous enfermés dans nos propres vies, condamnés à un endroit précis et une époque précise. Je veux dire : il y a tant de mondes dans lesquels je ne vis pas. Celui qui lit, qui voyage ou qui de quelque façon que ce soit regarde autour de lui, découvre beaucoup d’autres mondes, ce qui est un enrichissement, bien sûr, mais c’est aussi chaque fois une confrontation avec ses propres limites.

De quoi parlions-nous ? Oui, ces maisons vides. Depuis des années, les promesses s’accumulent : on va s’en occuper. On tire des plans, on commande des études, la Vieille Ville craque sous les bonnes intentions.

Le problème, c’est que les gens qui les font ne restent pas à Semarang. Ils se font la malle, vont habiter Jakarta ou Kuala Lumpur, et ceux qui restent sont trop indolents. Mais aujourd’hui, il y a tout de même quelques pionniers qui ont retroussé leurs manches.

Pour commencer, ils ont découvert que pour septante pourcent des maisons, on ne sait même pas qui en sont les propriétaires ! À l’époque, lorsque nous nous sommes débarrassés de nos occupants européens, certains bâtiments sont tombés, tantôt oui tantôt non, entre les mains des militaires et ont éventuellement été revendus. Bref : un fameux bordel. Quant aux propriétaires bel et bien connus, ils ne sont pas le moins du monde intéressés à investir dans de coûteux travaux de rénovation. Ils préfèrent attendre que le bazar s’effondre pour y planter un centre commercial ou un hôtel, à condition, bien entendu, que le gouvernement s’occupe d’endiguer l’eau. En ce sens, nous avons de la chance que la Vieille Ville soit située si bas et dès lors régulièrement inondée : on n’y a pas encore vu fleurir de vastes et laids projets immobiliers.

Mais l’eau constitue naturellement une menace. « On s’en occupe ! » promet le gouvernement, et oui : à présent, on s’occupe effectivement des deux rivières qui entourent la Vieille Ville. On les creuse, on installe des pompes et on construit des barrages. L’eau, on l’enferme. « Vous voyez bien, nous sauvons la Vieille Ville, » entendons-nous alors. Mais ce sont des balivernes, car ailleurs tout est systématiquement surélevé, et l’eau continue à chercher le point le plus bas. Comme vous avez été bêtes, dites-donc, d’avoir bâti ici, au point le plus bas, votre fort et plus tard vos bâtiments commerciaux. On aurait tout de même pu croire que les Néerlandais pensent un peu à l’eau lorsqu’ils planifient une ville, mais non… Ou peut-être ont-ils agi par nostalgie du pays natal en construisant une ville sous le niveau de la mer ?

En tous cas : la Vieille Ville a besoin d’un investissement spécial, d’un système de drainage et d’un réseau d’égouts, mais personne ne veut y mettre de l’argent. Triste, n’est-ce pas ? Le chagrin me donne soif. Tu as déjà goûté un jus d’avocat au chocolat ? L’Indonésie est le troisième producteur de cacao au monde, et nous devons pourtant importer nos barres chocolatées et nos glaces au chocolat de l’étranger, parce que nous sommes nous-mêmes trop bêtes pour les fabriquer, trop… Bon dieu, on dirait bien Kartini avec toutes mes critiques contre mes compatriotes. Tu ne connais pas Kartini ? Ça ne m’étonne pas, j’ai tout de suite vu que la femme indonésienne est restée un mystère pour toi. Fais-toi vite pardonner en m’offrant un lait de coco, pour ça, pas de refus, jamais. Accompagné d’une mangue, peut-être. Il faut que tu aies un peu de patience si tu veux entendre toute l’histoire, on dit ici jam karet, l’heure est de caoutchouc, le temps est élastique.

Comment je m’appelle ? Question difficile. J’ai mon nom de tous les jours, ensuite mon nom de baptême, sur ma carte d’identité se trouve un troisième nom et j’ai en plus mon nom chinois. Les Indonésiens sont constitués de nombreuses couches. Tu ne bois pas ton thé ? Donne-le moi alors, je bois beaucoup, ou comment penses-tu que je maintiens l’éclat de mes cheveux noirs ?


La poignée de gens qui se soucient du destin des vieilles pierres, réunis sous le nom de Fondation Oen, avaient réussi à attirer l’attention du bourgmestre. Mais bon, nous sommes ici en Indonésie : cet homme est à présent en prison pour corruption. En 2014, il y aura à nouveau des élections locales, mais qui se tracasse pour quelques bâtiments perdus alors qu’il y a tant d’autres priorités ?

C’est pourtant maintenant ou jamais, car la Fondation Oen a fait venir des experts de l’étranger et ceux-ci ont déclaré formellement : « Le délabrement a atteint un point critique : les toits rendent l’âme, l’eau pénètre par le haut et par le bas. D’ici sept ans, une grosse partie du patrimoine ne sera plus restaurable. »

C’était en 2010. Jam karet, le temps est élastique, mais il y a une fin à tout.

Bah, je ne suis pas faite pour le journalisme. Naturellement, je suis critique, mais je suis avant tout une fille de jadis, perdue, qui erre dans sa tête. Alors, je me promène dans la Vieille Ville puis je vais m’asseoir quelque part jusqu’au moment où arrivent le soir et la pluie, et je reste assise là, sous un auvent de bois qui tiendra encore le coup quelques heures, et je contemple l’eau qui tombe. Lorsqu’il n’y a pas de vent, la pluie tombe tout droit, résignée à tomber exactement ici, mais lorsque souffle le vent, l’eau s’élance de tous côtés, comme un animal enchaîné qui essaie de se soustraire à son destin, et je regarde parce que je suis là et je pleure parce que je vis, mes propres larmes mêlées à ces millions d’autres larmes, et dans ces moments-là, je pense que se noyer ne serait pas si terrible pourvu que ce soit dans cette eau-là, dans cette désolation qui s’abat sur la Vieille Ville et nulle part ailleurs.

Le lendemain, je me balade parmi les gens et ça me remonte un peu le moral. La gaîté, c’est un samedi soir à Semarang : la jeunesse sonne alors le rassemblement dans les rues autour de Simpang Lima, la place centrale, une pelouse vide en fait, qui demeure toujours vide. Une participation massive, le gigantisme, ça n’intéresse personne, il s’agit juste de se sentir bien ensemble. Alors, encore plus que d’habitude, on fait du patin, on bavarde, on mange bien sûr, partout sont posés des petits tapis et les gens vont s’asseoir ensemble, et ensuite on fait la fête « ‘till drop ». Les touristes ne peuvent atteindre la place, car il faut braver cinq files de voitures, que les milliards de vélomoteurs transforment en quarante et une files. Chaque dimanche matin entre cinq et neuf, c’est le Car Free Day. Plus tard, c’est peine perdue, car il fait trop chaud pour jogger ou faire du vélo.

Ensuite le trafic reprend ses droits. Semarang est une ville folle : dans les larges rues, passent sans discontinuer des colonnes de vélomoteurs – un éternel vrombissement domine la ville, comme si une chute d’eau te giclait dans le dos – mais dès que l’on bifurque kiri ou kanan, on arrive dans des petites ruelles. Là, il y a des arbres et des pots de fleurs devant chaque maison, on y trouve de petits temples bouddhistes et de petites mosquées, ces dernières équipées de haut-parleurs. À quatre ou cinq heures du matin déjà, l’imam appelle à la prière. Je trouve ça très bien, tu sais, tout le monde croit en ce qui lui plaît, mais faut-il l’avoir dans l’oreille dès cinq heures du matin ?

Pour le reste, je suis très tolérante, évidemment. Si nous n’étions pas tolérants, on n’irait pas loin dans ce pays composé de plus de dix-sept mille îles, où sont parlées des centaines de langues, où viennent depuis des siècles s’échouer toutes sortes de religions… L’Indonésie est à la croisée de milliers d’histoires et de cultures et ici, dans cette ville portuaire, elles se rencontrent toutes. Nous sommes une énorme macédoine de races et de langues et de religions et même de sexes, car on trouve ici aussi des transsexuels, des garçons manqués et des travestis. Et des fondamentalistes aussi, hélas ! mais ils ne parviennent pas à prendre racine à Semarang. La seule chose que l’on gagne à se combattre les uns les autres, c’est de reposer au cimetière les uns à côté des autres.

Les seuls à reposer à part, ici, ce sont les militaires. Mais bon, je trouve qu’ils ne doivent pas reposer parmi les gens comme il faut. Ces cimetières militaires sont les endroits les plus proprets de la ville. Peut-être parce que, malgré toute la grandiloquence, personne n’y vient jamais. Nous avons ici un énorme musée militaire où heureusement jamais personne n’a mis les pieds.

Non, ici à Semarang, on s’entend bien. C’est une bonne ville : celui qui chahute, on l’ignore. C’est pourquoi j’ai abandonné le journalisme et que je suis devenue guide touristique de la ville, parce que là au moins, on écoute ce que je raconte.

 


IV


Tu sais quel est le problème ? Tu sais quel est le problème du guide touristique ? Il n’y a pas de touristes ici. Une bonne nouvelle pour les touristes, car ils détestent la plupart du temps d’être entourés de leurs congénères, mais pour un guide, c’est dur à avaler, évidemment. Ça me fait penser, ces délicieux petits morceaux de tempeh en brochette, je n’en ai pas encore mangé aujourd’hui …

Les rares touristes qui sont là veulent évidemment tous voir la tête d’affiche de Semarang, la Maison aux Mille Portes. L’ancien bureau de la Compagnie des Chemins de Fer des Indes néerlandaises. C’est beau, et c’est aussi la déception assurée, car on ne peut entrer dans le bâtiment principal, ce qui ne laisse présager rien de bon quant à son état. Ce que l’on voit de l’extérieur est complètement rénové, mais bon, j’espère que tu as finalement compris que l’on ne peut pas toujours s’y fier. Il est d’ailleurs vide.

La Vieille Ville fait aussi partie de la visite guidée, naturellement. La dernière fois, ça ne s’est pas si bien passé. Juste à côté de l’ancien tribunal, une cinquantaine de mes compatriotes s’étaient rassemblés autour d’une portion de souffrance animale. Des dizaines de superbes coqs, nés pour parader en rond d’un air crâne, attendaient leur tour sous un panier renversé. Ils me faisaient penser aux bâtiments qui nous entouraient. Je me suis mise à me bagarrer avec ces hommes qui jouissaient de ce genre de choses, et un peu plus tard, après le tumulte, je n’ai plus retrouvé mes touristes.

Souvent, ils veulent aussi voir le cimetière militaire, donc, je les laisse se balader un moment entre les croix. Entre-temps, je n’en pense pas moins, et je m’en vais regarder cette belle villa des environs. On dirait une vieille reine : tremblante et de guingois, mais toujours la reine. La petite dame à l’entrée laisse admirer à partir du jardin les belles fenêtres entourées de vigne et les perroquets aux mille couleurs, et déplorer les fenêtres déjà brisées, le balcon déjà effondré. La maison est vendue, prétend-elle, les travaux de rénovation vont démarrer sous peu, prétend-elle, elle est chargée de l’entretien, prétend-elle, ce qui signifie évidemment que les fouille-merde doivent être tenus à distance. La maison est en très mauvais état, mais le jardin est propre et taillé. La raison en est que le gouverneur de la province habite le quartier, et qu’il donne prochainement une fête ; il faut bien que les autos puissent se garer quelque part, non ?

Je préfère emmener les touristes au phare, dans le port. Onze étages d’acier, une chose très simple, belle, ornée d’une plaque : « Sous le régime de Guillaume III, roi des Pays-Bas, etc…etc… pour un phare tournant de quatrième grandeur, 1884. »

Chaque année, le phare est moins beau de dix centimètres, car il s’enfonce dans le sol. Plutôt problématique pour une chose qui dépend de sa hauteur pour diffuser sa lumière. Toi aussi tu es grand, mais si tu diffuses ou non de la lumière, je ne le saurai que si tu restes avec moi jusqu’à ce soir. La tour s’est déjà enfoncée de deux mètres, on a donc déjà attendu vingt ans que le gouvernement remplisse sa promesse de sauver ce morceau de patrimoine de …la déchéance – comment l’appeler autrement. Ils ont simplement construit un petit escalier autour pour permettre de descendre jusqu’à l’entrée.

Non, les gens ne rentrent pas très enchantés de mon tour guidé. Bah, en tant que guide touristique, impossible de réussir à Semarang. Je suis donc devenue chauffeur de taxi, comme tu vois. Tu dois te rendre quelque part en urgence ?

 


V


Tu sais quel est le problème ? Tu sais quel est le problème du chauffeur de taxi ? Je préfère aller mon propre chemin. Tu l’auras déjà remarqué. Tu devais aller où, déjà ? Bah, ça ne fait rien, tu t’amuses, non ?

Je trouve que je suis un très bon chauffeur de taxi, car lorsque les gens me donnent une destination pas tout à fait correcte à mes yeux, je corrige sans leur compter un extra. Si par exemple un client veut se rendre dans un hôtel louche ou un bar à karaoké, je le conduis illico à la clinique pour le sida, ça fait gagner du temps à tout le monde.

Lorsque je me suis retrouvée avec un couple à l’air blasé qui voulait aller dans un restaurant chic, je les ai plutôt emmenés au quartier chinois. C’était un samedi soir, et là-bas, le soir, on bloque complètement une rue et on y installe des tables et des tabourets et des échoppes, on y mange des lumpias et des gaufrettes et des jacques, de vieux Chinois et de vieilles Chinoises chantent à cœur perdu autour d’une installation de karaoké aussi vieille qu’eux, des enfants circulent, il fait bon. « Allez-y donc, » que je dis à mes clients légèrement sidérés, « la gaîté est contagieuse. »

Quand ce sont des Néerlandais, ils veulent évidemment voir leur cimetière militaire, et alors, on se dispute lorsque je signale que ce monument « pour la sécurité et le droit » est complètement déplacé. Non, je ne m’en fais pas facilement des amis, mais toi, je te trouve tout à fait sympathique. Tu dis ? Oui, c’est vrai, tu n’es pas un Néerlandais. Alors pourquoi tu parles néerlandais, tu n’as pas une langue à toi ?

Zut alors, maintenant, je ne sais plus du tout où je suis. Bah, je ne vaux rien comme chauffeur de taxi, je le sais bien. Comme je le disais, je trouve dommage qu’il y ait tant de mondes où je ne vis pas, tant de gens que je ne connais pas. Et dès lors je fabrique mes propres mondes et mes propres gens, je tourne en rond dans mes propres histoires. Je deviens conteuse d’histoires, viens, laissons ce taxi, on va se promener, dis-moi seulement ce que tu veux entendre. Je te raconte notre symbole national de l’émancipation du peuple ? Kartini habitait un village tout près de Semarang. Elle a écrit ses célèbres lettres en néerlandais, tu sais ça ? C’est une héroïne indonésienne, des rues, des écoles, des timbres et des hôpitaux honorent son nom, et pourtant, ses lettres n’ont pas toutes été traduites en indonésien, parce que de temps à autre elle se dressait avec trop d’ardeur contre tout, oui tout ce qui ne va pas, ici, à Java.

Non ? Autre chose ? Possible, tu sais. Je te raconte pourquoi toutes les rues ici ont leur propre petit arc de triomphe ? Ou veux-tu savoir ce que nous faisons le jour de la fête nationale ? Tu penses sans doute à des drapeaux que l’on hisse et des soldats qui paradent et de longs discours, car à petite cervelle, grande gueule. Oui, ça en fait partie. Mais l’après-midi, le pays entier devient un parc d’attraction et tout le monde s’en va tirer à la corde et croquer des krupuk et grimper aux arbres. Nous sommes tout simplement contents, tu vois ce que je veux dire ?

Ou bien je te raconte cette fois où j’ai interrompu le bla-bla religieux du médecin prof d’éducation sexuelle et demandé si on pouvait attraper le sida en buvant à la même tasse ? Il ne connaissait pas la réponse, cette cervelle de crevette, il a dû consulter ses papiers.

Ou veux-tu que je te parle de Mata-Hari, qui a trouvé son nom ici ? Œil du jour, qu’il signifie, son nom, en d’autres mots : le soleil. L’hôtel où elle a résidé à Semarang a disparu depuis longtemps, et maintenant, les gens prétendent qu’elle a résidé dans un autre hôtel.

Je peux aussi passer à la fiction, tu sais. Je vais inventer une romance entre nous deux, qu’en penses-tu ? Dans cette histoire, tu tombes amoureux de mon teint de caramel et de mon style de conduite sans foi ni loi et de tout ce qu’en moi, tu ne comprends pas, et ensuite, je tombe amoureuse de ton … bon, faudra que je réfléchisse encore un peu.

Comment ça se termine ? Après une journée entière de promenades sous des températures tropicales, nous nous écroulons quelque part, ici par exemple, dans ce décor de phares en train de sombrer et d’une montagne éternellement cachée dans la brume. Sur notre petit tapis, sous une toile de tente, nous dégustons, insouciants, des sucreries et bavardons mille et mille heures tandis que dans la rue, la pluie une fois de plus s’évapore… ça a l’air fameusement prometteur, non ? Tu ne trouves pas ? Mais bon… Tu sais quel est le problème des promesses ?

 

Traduit du néerlandais par Danielle Losman

Podcast lu à haute voix par Guy De Hainaut

 

Traductrice littéraire Nl-Fr et Ang-Fr, Danielle Losman est née à Gand. Après un doctorat en sciences à l'ULB (Université libre de Bruxelles), et de nombreuses années consacrées à la recherche et à l'enseignement, elle s'est occupé des équivalences d'études à la Commission d'homologation de la Communauté française de Belgique. Passionnée par la littérature, elle fera partie de la première promotion du Centre Européen de Traduction Littéraire (1989-1991). Elle traduit de la poésie et du théâtre (Hugo Claus, Leonard Nolens, Eriek Verpale, Tom Lanoye, Hubert van Herreweghe) ainsi que des romans. Elle a traduit Margriet de Moor, Leon De Winter, Helga Ruebsamen, Renate Dorrestein, Lieve Joris, Roger van de Velde, Stefan Hertmans. Elle collabore à la revue Septentrion. Gallimard a publié en 2005 sa traduction de quatre nouvelles de Nescio sous le titre Le Pique-assiette et autres récits, dont elle a tiré une lecture spectacle qu'elle interprète avec l'acteur Bob de Moor. Pour deBuren, elle a aussi travaillé à la traduction et la lecture radiophonique des Radiolivres (www.radiolivres.eu), projet précédent de citybooks.

 

 

Download the ePub Print

Palm leaves and promises

Students at the University of Sheffield got their teeth into the citybook by Bouke Billiet on Semarang). Under the guidance of the translator Jonathan Reeder they translated the text into English. Read more...

 

 

Oh, how wonderful it is to live in these times! The transition
from the old to the new!

Kartini, Indonesian national heroine


I


D’you know what the problem is? D’you know what the problem is with the whole of Southeast Asia? Palm leaves, that’s what.

Written sources, in Java usually palm leaves, don’t last long in this climate. Anyone researching the pre-colonial history of the thousands of islands that fill this part of the world is left bitterly hungering for more. Speaking of hunger, we should just stop for a moment and… yeah, this lady here has them. Fried bananas, delicious. And the best thing is that I always stay slim, no matter how much I eat.

So lots of sources got lost, and what the Indian, Chinese, and Arabic passersby wrote down mostly just bears witness to their own arrogance.

Here in Semarang it’s particularly bad, because in 1954 the Papak building burnt down, where the colonial town archives were kept. It was right near the orange post office, you’ll like that. Oh, you’re not Dutch? You’re from the land of chocolate? Interesting. I thought you had a strange accent. I studied in Amsterdam, Dutch sounds completely different there.

So there I stood, history diploma in hand, but without any decent source material. I just love the written word, don’t you? That’s why I’m always chitchatting away online. Yes, Asians really are gadget mad, always staying connected.

Suharto had just slunk off the scene, and the beginning of a new era inspired reforms and tentative optimism, so I thought, I’ll do my bit to help build the country, I’ll go into education and become a history teacher. I can see you don’t get it at all. I could tell you what I think of Sukarno and Suharto, but we’re just starting to enjoy ourselves. Let’s just say that the first established the nation, and the second didn’t do much to enhance it. Bullying the Chinese-Indonesians: that he was good at. D’you think you can remember that? Great. So to pass on my knowledge I became a history teacher.

 


II


D’you know what the problem is with being a history teacher? You’re not allowed to tell the truth. Look, under Suharto, everything Chinese was taboo: the festivals, the language and even Chinese names had to go. Chinese temples weren’t allowed a lick of paint and Chinese houses were demolished. Suharto was a friend of the Americans so the Chinese, the communists and the atheists were all enemies. If the Chinese Indonesians hadn’t been so vital for the economy, he would have thrown them all on a boat.

By the way, even today everyone has to put their religion on their identity card. Since about a year ago you’re allowed to leave it blank, so that’s something. Am I rambling? Sorry, one sec, but there’s a delicious pile of lekkerkoek over there, just a moment, let me buy a couple...We eat all day long here in Semarang. Are there little stalls all over the place selling cheap food where you come from? I can’t imagine having to cook every day, who has time for that?

What was I going to tell you? Oh yeah, the truth. Listen, in 2007 an attorney-general gave the order to remove all the new history books from schools and burn them. They revealed too much about the alleged coup d’état in the sixties and the massacre of the communists, meaning they deviated too far from the official version, which states that the communists only had themselves to blame.

‘As long as you stay neutral, you won’t get into trouble,’ the head teacher promised. That’s to say, a history teacher is not forbidden to talk about it in class. If a pupil digs up any information other than the official version, the teacher is not forbidden from answering questions. But I suppose that’s what young people are like, let them loose on the internet and the first thing they do is look up what really happened during the coup in the 1960s...

I don’t really think it needs sugar, but out of respect for our ethnic heritage I always add a small spoonful, be it watermelon juice, apple juice, or something else sweet. Sugar built our city. The Chinese taste for business and sugar. Sugar production created the need for infrastructure; the ports, railways and bridges. But look, nowadays imported sugar is cheaper than the sugar that we produce ourselves with our dilapidated machines.

I also told my pupils about the Dutch Cultivation System. Jeez, you really caused so much damage here. Oh, you’re not Dutch? Well then why is your nose so big? The Cultivation System came down to the fact that the Dutch were in charge, the Chinese played second fiddle and the Javanese were there to be exploited. ‘Oeroeg was my friend (1),’ yeah, between two people maybe, but not between the occupiers and the occupied. All the rest is omong-kosong. The Dutch were kicked out of course, but the Chinese stayed here, remaining as enterprising and unpopular as ever. Didn’t you read any papers in 1998? So in my lessons I connected facts from the present with causes from the past, which wasn’t appreciated in the slightest.

So no, it didn’t work out between me and history, that’s what happens when you ask too many questions. Then I thought, you know what, why don’t I make a career out of asking questions, and so I became a journalist.

 


III


D’you know what the problem is for a journalist? Yes, usually you can tell the truth – though a reporter can still find herself in trouble if she writes about what the father-in-law of the current president got up to in 1965, just to give an example – but no-one listens to you.

Yeah, that’s right, you’re hanging on to every word I say. Is it because I’m so pretty?

I have written about the state of our historical heritage. My articles were published, the sun set and that was the end of my story.


When I feel like crying, I go to the Old Town. The buildings are dying where they stand. They await their fate with their heads held high, until they collapse under the weight of time and fall to their knees.

The largest remaining city centre from the colonial days, in the whole of Indonesia, and just look how we treat it. Thirty-four hectares of pure misery: trees and bushes are growing out of numerous windows and roof gutters, the walls are overcome with black mould, just as I am sometimes overcome by an unstoppable melancholy, glass panes perish and façades crumble. For decades now all of these houses have either been empty or occupied by squatters, I’m not sure which is worse... So, as a journalist I started asking questions.

It’s impossible to take an interest in the past without becoming melancholic. As I walk through the city that once was, I am overwhelmed with sorrow. It makes me think of how sad it is that we’re all trapped in our own lives, condemned to one particular place at one particular time. I mean, there are so many worlds that I’m not a part of. Those who read, travel and somehow take a different perspective, discover many different worlds; whilst this is obviously enriching, each time you’re forced to confront your own impossibilities.

What were we talking about? Oh yes, all the empty houses. The promises of something being done about them have been piling up for years. Plans have been drafted, studies carried out, the Old Town is over flowing with good intentions.

The problem is that the people who make a success of themselves never stay in Semarang. They move to Jakarta or Kuala Lumpur, and those who stay are too complacent. But now there are finally a few local pioneers who are working together.

First of all, they discovered that no-one knows who owns 70% of the buildings. Back when we shook off the European occupiers, some of the buildings fell into the hands of the military, some did not, and some of the ones that did were resold. All in all, it’s a huge mess. The owners that we do know of have absolutely no interest in investing in expensive renovation works. They would rather wait until the whole thing collapses so that they can build a shopping centre or a hotel, but only after the government builds dikes to keep the water at bay. In this sense, we’re lucky that the Old Town lies so low and is regularly flooded: no big ugly property developments have been built yet.

But the water is clearly a threat. ‘We’re working on it!’ the government promises, and OK, the two rivers that flow around the Old Town, are now being dealt with. They are being deepened, pumps are being installed, and dams built. The water is being locked up. ‘You see, we’re saving the Old Town,’ they say. But that’s nonsense because other areas of the city continue to be built higher and the water is still seeking out the lowest point. That was really dumb of you, you know? Building your fort, and later your commercial buildings, here at the lowest point. You would think that the Dutch would consider the water when planning a city, but no... Or perhaps they did it out of homesickness, building a city below sea level?

In any case, the Old Town is in dire need of investment for its own drainage and sewer system, but no-one wants to pump money into it. Sad, isn’t it? Grief makes me thirsty. Have you ever tried avocado juice with chocolate? Indonesia is the third largest producer of cocoa in the world, and yet still we have to import our chocolate bars and ice cream from other countries because we’re too stupid to process... Oh, I sound like Kartini, bad-mouthing my compatriots like that. You don’t know Kartini? Well, that doesn’t come as a surprise, I guessed right away that Indonesian women were a mystery to you. You can buy me some coconut milk to make up for it, I never say no to that. Maybe a mango as well. You’ll have to be a little patient if you want to hear the whole story. Jam karet we say here: the hour is made of rubber, time is elastic.

What’s my name? Tough question. I have my everyday name, then my given name, then yet another name on my identity card and then my Chinese name on top of that. Indonesians have many layers. Aren’t you going to finish your tea? Give it to me then, I drink a lot. How else do you think I keep my black hair so shiny?

That handful of people who care about the fate of old stones and call themselves Oen’s Foundation succeeded in catching the attention of the mayor. But then again, this is Indonesia: the man is now in prison for corruption. 2014 will see another round of local elections, but who’s going to care about a couple of lost buildings when there are so many other pressing issues.

In any case, it’s now or never. Oen’s Foundation brought in foreign experts who said loud and clear: ‘the deterioration has reached a critical point, the roofs are buckling, the water is coming in from above and below. Seven years from now, a considerable part of the heritage will be damaged beyond repair.’

That was in 2010. Jam karet, you can stretch time, but everything must come to an end.

Oh well, I’m not really cut out for journalism. Of course I am critical, but I remain first and foremost a girl of the past, lost in her own thoughts. Then I wander through the Old Town and sit somewhere until evening falls and the rain comes – I sit there, beneath a wooden shelter that wants to hold out another couple of hours, watching the water fall. When the wind isn’t blowing, the rain falls straight down, resigned to the fact that it must fall exactly here, but if the wind picks up, water lashes out in all directions like a chained animal trying to escape its fate, and I watch because I’m sitting there and I cry because I’m alive, my own drops amongst all the millions of other tears, and, for that moment, I think that perhaps drowning wouldn’t be such a bad thing, as long as it was in this water, this melancholy that falls nowhere else but on the Old Town.


The next day I walk about among the people, which cheers me up a bit. Happiness is a Saturday evening in Semarang; the young people gather in the streets around Simpang Lima, the central square, a big empty stretch of grass which always happens to be empty. People don’t care for the massive or gigantic, they just want to have fun. Then they rollerskate, chat, and of course eat even more than usual; there are rugs spread out everywhere and people sitting together and partying ‘till drop’. Tourists can’t get onto the square because you have to cross five lanes of traffic first, which, with the billions of mopeds, seems more like forty-one. On Sunday mornings between five and nine we always have Car Free Day. There’s no point having it any later as it’s too warm to jog or cycle then.

After that the traffic regains control. Semarang is a crazy city: incessant columns of mopeds pass by on the broad avenues – there’s a constant rumbling here, as though you’re walking around with a waterfall on your back – but as soon as you turn kiri or kanan, you find yourself in narrow alleys. There everyone has flower pots and trees; you find Buddhist temples or little mosques, the latter always equipped with loudspeakers. As early as four or five o’clock in the morning you can hear the imam’s call to prayer. Personally, I think that’s fine – everyone can believe what they want, but does it really have to be at five in the morning, right in my ear?

Other than that I’m very tolerant, of course. If we weren’t tolerant, we wouldn’t get far in this country. A country made up of more than seventeen thousand islands, where hundreds of languages are spoken, where all sorts of religions have washed ashore for centuries... Indonesia is a crossroad of histories and cultures and here in this port they all come together. We are a great big mishmash of races and languages and religions and even genders, you find transsexuals, tomboys and transvestites here too. And fundamentalists as well, unfortunately, but they don’t have a foothold in Semarang. Live by the sword, die by the sword, and end up buried next to each other in a graveyard.

The only ones buried separately here are the military. And a good thing too; I don’t think they should be buried next to decent people. Those military cemeteries are the cleanest places in the city. Perhaps because, despite all the fuss, no one actually visits them. We have a huge military museum here too, which thankfully no-one ever sets foot inside.

No, here in Semarang we get on with each other just fine. It’s a nice city: troublemakers are given the cold shoulder. That’s why I gave up journalism and became a tour guide, because at least then people actually listen to what you have to say.

 


IV


D’you know what the problem is? D’you know what the problem is for a tour guide? There aren’t any tourists here. That’s good news for the tourists, as they often dislike being surrounded by their own kind, but for a tour guide it’s hard to put bread on the table. Speaking of which, I could really do with a couple of delicious chunks of tempeh on a skewer...

The few tourists that are here of course all want to see the poster image of Semarang, the House of a Thousand Doors. That’s the former headquarters of the Dutch East Indies Railway Company. It’s pretty, and also a guaranteed disappointment since you can’t go into the main building, which doesn’t bode well for its condition. What you see on the outside is completely done up, but I hope you understand by now that appearances can deceive. Besides, it’s completely empty.

Of course a guided tour of the city also includes a visit to the Old Town. The last time didn’t exactly go too well. Right next to the old courthouse about fifty of my compatriots had gathered around for their daily dose of animal cruelty. Dozens of proud cockerels, born to parade majestically around somewhere, were waiting their turn under upturned baskets. They made me think of the surrounding buildings. I went over to pick a fight with the men who took pleasure in that sort of thing, and by the time the uproar was over I couldn’t find my tourists anywhere.

They often want to go to the military cemetery as well, so I just let them wander among the graves. Meanwhile I keep my thoughts to myself and look at the grand villa nearby. It is like an old king: shaky and unstable, but a king nonetheless. The woman at the entrance allows you to admire the lovely stained glass windows, with bunches of grapes and multicoloured parrots on them from the garden, and to mourn the windows that are already broken, the balcony which has already collapsed. The house has been sold, she claims, the renovation work is starting shortly, she claims, and she is responsible for the maintenance, she claims, which of course means that she is paid to keep snoopers out. The house is in bad shape, but the garden next to it is neatly kept. That’s because the provincial governor lives in the area, and he’s throwing a party soon, the cars need to have somewhere to park, right?

I prefer to take tourists to the lighthouse at the port. Eleven levels of steel, a very simple, beautiful thing, with a plaque on it: ‘Under the reign of Willem III, King of the Netherlands, etc. etc. etc. Erected in 1884 for a revolving light of fourth-order lens.’

Every year it gets ten centimetres less beautiful, because it’s sinking into the ground. Rather problematic for something that needs to be tall in order to spread light. You’re tall too, but whether or not you give off light, I’ll only know if you stay with me until the evening. The tower has already sunk two metres, so we’ve been waiting twenty years now for the government to do what they’ve been promising and save this heritage site from, what else can you call it, downfall. All they’ve come up with is to build a small set of stairs so that you can get down to the entrance.

No, I wouldn’t say people particularly enjoy my tours. Oh well, I guess you can’t make it as a tour guide in Semarang either. So I became a taxi driver, as you can see. Were you in a big rush to get somewhere?

 


V


D’you know what the problem is? D’you know what the problem is for a taxi driver? I prefer to go my own way. But you’ve probably already noticed that. Where was it you actually wanted to go? Oh well, it doesn’t matter, you’re having fun, aren’t you?

I think I’m a very good taxi driver, because when people give a destination that doesn’t seem quite right to me, I correct it without charging them extra. For example, if a passenger wants to go to a seedy hotel or karaoke bar, I just drop him straight off at the AIDS clinic; that saves everyone time.

Once, when I had a rather bored looking couple in the car that wanted to go to a chic restaurant, I took them to Chinatown instead. On Saturday evenings a street gets completely cordoned off, crammed full of tables and stools and tents and stands where you can eat lumpias and waffles and jackfruit; old Chinese men and women singing their hearts out around an equally old karaoke machine; children running; just having a good time. ‘Go on then,’ I said to my slightly bewildered passengers, ‘the fun is infectious.’

If they’re Dutch they naturally want to go to their military cemetery and then I tend to get hassled when I point out that the monument ‘for security and justice’ is completely out of place there. No, I don’t make friends with them easily, but you I find very agreeable. What’s that? Oh yeah, that’s right, you’re not Dutch. Why do you speak Dutch then, don’t you have your own language?

Damn, now I’m not sure where I am anymore. Oh well, I’m no good as a taxi driver, I know. As I said before, I think it’s such a shame that there are so many worlds I’m not a part of, so many people I don’t know. And so I make up my own worlds and people, drive around in my own stories. I’ll be a storyteller, come on, let’s leave the taxi here and go for a walk, just tell me what you want to hear. Shall I tell you about our national symbol of the elevation of the masses? Kartini lived in a village near Semarang. She wrote her famous letters in Dutch, did you know that? She’s an Indonesian heroine – there are streets, schools, stamps and hospitals in her honour, however not all of her letters were translated into Indonesian, as she occasionally lashed out too savagely at the lack of, oh, everything here on Java.

No? Something else? Okay then. Shall I tell you why every street here has its own decorative archway? Or do you want to know what we do on our national holiday? You’re probably thinking of hoisting flags and parading soldiers and long speeches, because the smaller the brain, the bigger the mouth. Well yes, that’s partly true. But in the afternoon the whole country becomes an amusement park and everybody plays tug-of-war and snacks on prawn crackers and climbs trees. Then we’re just happy, do you know what I mean?

Or shall I tell you about the time I interrupted the sexual health advisor’s religious drivel to ask if you can get HIV by sharing a drinking glass? He didn’t know the answer, the shrimp-brain, and had to check his notes.

Or do you want to hear about Mata Hari, and how she got her name here? ‘Eye of the day’, her name means: the sun, that is. The hotel in Semarang where she stayed is long gone, so now some people claim that she actually stayed in a different hotel.

I can do fiction as well, you know. I could make up a romance between us, what would you think of that? In that story you fall in love with my caramel skin and my hellish driving and everything you don’t understand about me, and then I fall in love with your... Well, I’ll have to think about that.

How does it end? After a whole day of wandering around in the tropical heat we just flop down somewhere – here, for instance – against a backdrop of sinking lighthouses and a mountain constantly shrouded in mist. On our little rug, under a canvas we sit, carefree, eating sugary treats and talking for hours on end while out on the street the rain is already evaporating. Sounds promising, don’t you think? But then again... Do you know what the problem is with promises?

 

 

(1) 'Oeroeg was my friend' is the first sentence of the novel Oeroeg by Hella Haasse about the friendship between a Dutch and Indonesian boy.

 

Podcast read by Richard Wells


Translation Project: UK students of Dutch translate Bouke Billiet

This translation was produced by final year students of Dutch at three UK universities. During the six-week Virtual Dutch Translation Project students from Sheffield University, Nottingham University and University College London worked together in small groups to discuss the text in its minutest detail. The author himself, Bouke Billiet, was at hand to advise, comment and explain. The literary translator Jonathan Reeder offered the necessary translation expertise. The project was sponsored by the Dutch Foundation for Literature.

Organisation, Coordination and Fundraising: Henriette Louwerse (Sheffield)
Advice and Support: Bouke Billiet (Gent) and Jonathan Reeder (Amsterdam)
Editorial Team: Laura Barnes (Sheffield), Bethany Finch (Nottingham), Brendan Forry (UCL), Lucy Tomlinson (Sheffield)
Translators: Catherine Ascough (Nottingham), Laura Barnes (Sheffield), Michael Barnett (UCL), Emma Buchanan (Sheffield), Bethany Finch (Nottingham), Brendan Forry (UCL), Sarah Graham (Nottingham), Natasha Hallard (Nottingham), Peter Hampshire (Sheffield), Aimee Hardy (Sheffield), Sarah Harrison (Sheffield), Lucy Hughes (Sheffield), Rachel James (Nottingham), Ben James (Sheffield), Hannah Lee (Sheffield), Richard Lewis (Sheffield), Nicole Morris (Nottingham), Sarah Osborne (Nottingham), Emily Parry (Sheffield), William Pearmain (Nottingham), Lucy Roberts (Sheffield), Anna Stringer (UCL), Rachel Tibbetts (Sheffield), Alexandra Timms (Sheffield), Lucy Tomlinson (Sheffield), Peter Wilding (Sheffield), Katharine Wilding (Nottingham), Marta Zieba (UCL)
Financial Support: Dutch Foundation for Literature and Virtual Dutch