Labyrinths

Labyrinten

Jeroen van Rooij

Jeroen van Rooij

Jeroen van Rooij (1979) debuted in 2010 as novelist at Prometheus publishing with the much praised De Eerste Hond In De Ruimte. Besides being a novelist, is editor of the literary foundation Perdu in Amsterdam, as well as coordinator of the online platform for literary criticism, De Reactor. He has published stories in the literary magazines DWB and nY, and in 2008 he published a collection of stories via his website entitled Zeg eens: wat in je mond ligt.

Close

Chartres All citybooks

Download the ePub Print

Labyrinten

Voor het internationale residentieproject citybooks ging de jonge Nederlandse schrijver Jeroen van Rooij naar het Franse Chartres. Hij schreef daar het verhaal Labyrinten: een reflectie op kijken en bekeken worden, op de invloed van de kathedraal op haar bezoekers en over hoe de bezoekers de betekenis van de kathedraal bepalen.

 

1

In de Thalys van Amsterdam naar Parijs kost het me moeite om te kijken. Niet dat er iets mis is met mijn ogen, maar ik probeer alles wat ik zie om te zetten in een onderdeel van een groter geheel – alles moet betekenis hebben, van de steden en de weilanden waar we doorheen rijden tot mijn medepassagiers.

Ik heb teveel nagedacht over mijn blik. Het voelt alsof mijn kijken gemonopoliseerd is door het project waar ik aan deelneem, citybooks: tientallen auteurs en een paar handenvol fotografen en videokunstenaars die door heel Europa uitgezonden worden om in vooraf geselecteerde steden twee weken in residentie te gaan en hun ervaringen daarna om te zetten in een werk. Die teksten en beelden worden vervolgens door Vlaams-Nederlands Huis deBuren op het web geplaatst, in drie of vier of vijf verschillende talen en (als het goed is) in heel Europa (heel de wereld) gelezen, bekeken en beluisterd.

Ik vind het eerste netwerk, dat bestaat uit zo’n zeventig verschillende reizen kriskras door Europa, al duizelingwekkend. Het tweede netwerk is een labyrint waar ik liever niet over nadenk. Al die moeite om de uitzonderlijke blik van de artiest te sturen, te vangen, te reproduceren en te openbaren – mijn blik wordt er nerveus van en gaat zich van de weeromstuit verzetten tegen zijn kennelijke uitzonderlijkheid. Vanuit mijn metaperspectief is het feit dat ik onderweg ben van Amsterdam naar Chartres, interessanter dan de ervaring zelf, en iets zegt me dat ik dan net zo goed thuis had kunnen blijven. Wil ik iets ervaren, dan zal ik moeten vergeten dat ik in een doolhof dwaal en wil ik iets zien, dan zal ik mijn ogen moeten vestigen op wat voor me ligt.


2

Wanneer u of ik een gordijn sluiten, doen we dat zelden omdat we niet naar buiten mogen kijken. Buiten hoeft niet beschermd te worden tegen onze blik of tegen ons licht – binnen daarentegen moeten we kunnen afsluiten van invloeden van buitenaf: zonlicht, de blik van een voorbijganger, overvloedige regen die ons neerslachtig maakt.

Glas-in-loodramen lijken meer op tv-schermen dan op echte ramen. Net zoals de televisie, verandert het gebrandschilderde raam als de omstandigheden buiten veranderen. Wanneer er verkiezingen zijn, toont de tv andere beelden dan wanneer het oorlog is. De glas-in-loodramen veranderen van aanblik met de stand van de zon en met de weersomstandigheden. Maar zowel tv als glas-in-loodraam zijn in de eerste plaats een filter: de blik is weliswaar naar buiten gericht, maar ziet van de wereld slechts datgene wat de maker van het filter geschikt acht om te tonen. De buitenwereld ziet niets van ons terwijl we ons aan ons glas vergapen.

Wij zijn precair. We durven niet ongehinderd te kijken en willen niet dat er teruggekeken wordt.

Of toch? Eén van de grootste gebrandschilderde taferelen in de kathedraal van Chartres bevat een Jeremiahfiguur waarvan de ogen uit helder, ongekleurd glas bestaan. Het is geen toeval dat dit raam aan de zuidzijde gemaakt is: het licht valt door de ogen van Jeremiah recht in de ogen van de kijker. Maar willen wij gezien worden of willen de makers van het glas-in-loodraam dat wij ons bekeken wanen?


3

Patrick Géroudet wacht me op in het station van Chartres. Hoe de hiërarchische verhoudingen in Franse gemeentes precies in elkaar steken, heb ik niet helemaal weten te achterhalen, maar hij is een soort onderburgemeester van cultuur en stadspromotie. Patrick is mijn eerste venster op de stad. Het is warm voor oktober, de zon schijnt. Met mijn jas open en mijn sjaal over mijn arm loop ik – rolkoffer in de ene hand, sigaret in de andere – achter hem aan. De rolkoffer stuitert naar links en naar rechts op de kinderkopjes van de Middeleeuwse binnenstad en mijn schoudertas glijdt van mijn rug af naar mijn heup, zodat hij klem komt te zitten tussen mijn lichaam en het handvat van mijn koffer.

Patrick beschrijft alles wat we zien. Hij ziet niet alleen wat er is, maar ook wat er nog gaat komen. Ik heb moeite om me het opgehoogde plein voor de kathedraal dat hij me omschrijft voor te stellen. De ondergrondse historische expositie waaraan de ophoging plaats moet bieden, kan ik me al helemaal niet inbeelden. Wanneer we mijn spullen hebben achtergelaten in het appartement waar ik de komende twee weken zal doorbrengen, laat hij me de stad zien. De rivier, die in drieën gesplitst is, de bruggen en de wasplaatsen, historische straatjes, een anekdote over een dichter, tertres, kapelletjes en kerken.

Er lijkt nauwelijks een inwoner voorbij te gaan die Patrick niet kent en hij spreekt ze allemaal aan. Mij stelt hij voor als een jonge Nederlandse schrijver. Ik ben in Chartres in het kader van de ‘promotion de la ville’. Dat zegt hij niet tegen mij, maar deze woorden komen steevast in ieder gesprek terug.

Ik kan geen sigaret opsteken zonder dat iemand er commentaar op heeft.

We bezoeken kort twee exposities. Een in een kapel, van mozaïeken, met een gemozaïekte Frank Zappa als hoogtepunt. De andere is in een kerk en toont zonder enig idee of structuur schilderijen en beeldhouwwerk. We raken in gesprek met een kleine kalende vijftiger die puntschoentjes en een zijden sjaaltje draagt. Zijn werk wil vrede brengen in de kosmos. Hij heeft nog veel grotere beelden gemaakt in dezelfde serie, vertelt hij. Hij spreekt over de harmonie die hij in zijn beelden wil leggen en over de rust die ze uit moeten stralen. Als Patrick me aanspoort om iets te zeggen, merk ik op dat de kunstenaar erg van grote woorden houdt.

De beelden lijken nog het meest op gesmolten smurfen.

Als Patrick me weer bij het appartement afzet, is het twee uur later. Ik heb het gevoel dat ik iedere kerk van Chartres van binnen en van buiten gezien heb, behalve de kathedraal.


4

De volgende dag bezoek ik de kathedraal voor het eerst. Er zijn restauratiewerkzaamheden aan de gang. De hoofdingang aan de westzijde staat in de steigers, evenals het koor aan de overzijde. Ik hoor het geluid van een stofzuiger en het geklos van de zware werkschoenen van de restaurateurs op de steigers. Aan de oostzijde is het gewelfde plafond roomwit, maar voor de rest zijn de stenen grauw. Gekleurd licht valt door de glas-in-loodramen naar binnen. Van ver vallen de geometrische patronen waarin de afbeeldingen gerangschikt zijn meer op dan de afbeeldingen zelf. Van dichtbij is het moeilijk om het overzicht te behouden en springt mijn blik van voorstelling naar voorstelling.

Rijen stoelen staan netjes in het gelid. In het middenpad is een klein deel van het labyrint te zien dat in donkere stenen in de vloer gelegd is.

Na een half uur ga ik weer weg. Op de een of andere manier voel ik me niet opgewassen tegen dit ding.


5

Gilles Fresson praat graag en veel over zijn werk en over de kathedraal. Nu is zijn werk het coördineren van alle activiteiten die plaatsvinden in de kathedraal, dus het een loopt nogal in het ander over. In het begin van ons gesprek nodig ik hem uit om me te overladen met informatie. Juist in het gebruik openbaart zich de betekenis van de kathedraal, denk ik. Mijn idee is dat de kathedraal een enorme verzameling van verschillende tekens is die allemaal op duiding wachten. De verschillende functies die het gebouw voor verschillende mensen aanneemt, zeggen minstens zoveel over de gebruikers als over de kathedraal.

Bezoekers met ongebruikelijke verzoeken komen bijna zonder uitzondering bij Gilles terecht. Zoals de man in de oranje jurk die met zijn groep volgelingen de weg van het labyrint wilde afleggen. Het tijdstip en de dag waarop dit moest gebeuren, had hij zeer precies bepaald aan de hand van de stand van de sterren en de maan, aldus Gilles. Gevraagd naar de reden waarom de man met zijn groep het labyrint wilde lopen, antwoordde hij: ‘Drie redenen. Innerlijke rust. Wereldvrede. En harmonie in het heelal.’ Gedurende het hele gesprek had de man een enorme glazen piramide op schoot gehad.

Later schuift Gilles me het gastenboek van afgelopen juli onder mijn neus. Frans natuurlijk, Spaans, Italiaans, Engels, Duits, Nederlands. Japans? Arabisch? Amerikanen vermelden hun volledige naam, hun stad van herkomst en de staat waarin deze gelegen is. Ze bedanken voor de kathedraal, die ‘fabulous’ is en ‘a wonderful experience’. Iemand klaagt dat zijn religieuze ervaring verpest is door de luidruchtige toeristen en de vele flitsende camera’s. Eronder staat een soortgelijke klacht, in hetzelfde handschrift maar met een andere naam gesigneerd. Opvallend vaak worden doden herdacht. Soms ‘mijn man’, ‘mijn moeder’ of ‘mijn zoon’, vaak met naam en toenaam.

Wanneer de kathedraal open is voor het publiek, is er te allen tijde een priester aanwezig tot wie bezoekers zich kunnen wenden. Gilles: ‘Als een gewone priester in een gewone kerk een huisarts is, kun je onze priester het beste vergelijken met een eerstehulpafdeling. Soms spreken mensen hem aan om te zeggen dat ze iemand gedood hebben. Sommigen zijn net vrijgekomen, anderen zijn helemaal niet veroordeeld.’

De priester heeft zwijgplicht, voegt hij er later aan toe.


6

Vanwege de restauratiewerkzaamheden is slechts een deel van het koor te bezichtigen. Aan de noordkant is de muur gedecoreerd met beelden van heiligen. Ik sta stil bij een groepje van drie, waarvan de hoofden ontbreken. Aan de afgesleten randen te zien, moeten ze er lang geleden afgeslagen zijn.

Ik probeer meer van het labyrint te zien, maar de stoelen die er overheen geplaatst zijn, maken het onmogelijk om het patroon helemaal te bekijken. Het middenpad laat slechts een smal deel vrij. Ik kan de ingang zien, de plek waar het pad naar links buigt. Uiteindelijk komt het schuin tegenover die bocht weer terug in het midden en loopt de laatste paar meter recht naar het midden. Ooit lag in het centrum een koperen plaat van ongeveer anderhalve meter doorsnee. Die plaat is allang verdwenen; wat rest is een brokkelig oppervlak met enkele gaten, waarin de bouten zaten waarmee de plaat was verankerd.

Rond mijn tiende levensjaar had ik een regelmatig terugkerende nachtmerrie. Ik daalde af in een kelder, die de ingang was tot een ondergronds doolhof, waarin ik telkens verdwaalde. De uitkomst van de tocht was echter altijd dezelfde: ik opende een deur en kwam in een kamer terecht. In die kamer stond een man. Zijn hoofd ontbrak. Het was er niet afgehakt of gesneden; het had er nooit gezeten. De man droeg een vaal en smerig hemd, waarin het gat ontbrak waar normaal gesproken zijn hoofd doorheen zou steken.


7

Gilles vertelde me dat het labyrint in de Middeleeuwen gebruikt werd voor een paasdans, waarbij een priester de weg naar het midden aflegde en onderwijl een bal heen en terug wierp naar de leden van de gemeente die buiten de cirkel stonden. Nu worden de stoelen iedere vrijdag aan de kant geschoven, zodat gelovigen, spirituelen en toeristen het labyrint zelf kunnen lopen. Voordat het lopen van het labyrint heruitgevonden werd, is het eeuwen ongebruikt geweest, een betekenisloos teken in de vloer van de kathedraal.

Het paasspel was een heropvoering van de mythe over Theseus die de minotaurus in het labyrint van Daedalus doodt. De scholastieke interpretatie van die mythe is dat het een prefiguratie was van de dood en de wederopstanding van Christus: in de drie dagen tussen goede vrijdag en paasmaandag daalde Christus af in de hel om vervolgens, de dood overwonnen hebbende, opnieuw tot leven te komen. Die overwinning op de dood maakte het eeuwig leven mogelijk. De bal symboliseerde de genade Gods die de mensheid ontvangen mocht.

Er is een Middeleeuwse tekst gevonden die de regels van dit spel beschrijft. Die tekst gaat echter over een gebruik dat in Auxerre plaatsvond, niet in Chartres. Omdat het labyrint in Auxerre erg veel zou hebben geleken op dat van Chartres, neemt men aan dat het gebruik hetzelfde moet zijn geweest.

Via Google Scholar vind ik een tekst die het labyrint interpreteert als een structuur die een pelgrimage naar Jeruzalem uitbeeldt. Het labyrint heeft dezelfde opzet als de toenmalige wereldkaarten: een cirkel met een kruis erdoor, waarvan de armen de noord-zuid- en oost-westlijnen vormen. In het midden Jeruzalem, het einddoel van het aardse leven.

Gelovigen die niet in staat waren om de pelgrimage naar de heilige stad te maken, konden de weg van het labyrint lopen om zo deze tocht symbolisch te volbrengen. Een stapeling van symbool op symbool, want de pelgrimage zelf staat natuurlijk ook al voor iets anders: het leven van de rechtschapen christen, dat eindigt in de hemel.

Op de koperen plaat stond in de ene interpretatie een afbeelding van een minotaurus, in de andere een beeld van Jeruzalem. De plaat zelf is verdwenen tijdens de Franse revolutie; waarschijnlijk omgesmolten.

Jeruzalem, Minotaurus: het einde van het liedje is toch de dood.


8

Voor de kathedraal staat altijd iemand te bedelen. Het vaakst zie ik een magere vijftiger staan. Hij draagt een plat petje en sportschoenen. In zijn handen heeft hij een stel verdorde twijgen waar de resten van bloemen en blaadjes aan hangen. Soms zingt hij en doet hij een dansje. Er is ook een dikke vrouw met grijze krullen en een man met een baard. Ze zijn altijd in hun eentje – zou er een soort bedelschema zijn? – en houden alle drie een stenen schelp op waar kleingeld in zit.

Op woensdag bezoek ik de kathedraal terwijl er een mis aan de gang is. Dertig of vijfendertig gelovigen zitten voorin op de bankjes. Middenin de preek kom ik binnengelopen. De toeristen lopen zachtjes door de kathedraal, nemen foto’s van het interieur en doen hun best om de mis niet te verstoren. Toch vechten de geluiden van hun voetstappen, hun camera’s en hun stemmen met de woorden van de priester. Geen enkel geluid is groot genoeg om de ruimte te vullen, alle woorden en klanken gaan kriskras door elkaar van de ene muur naar de andere.


9

In het Centre Pompidou hangen drie schilderijen van Roman Opalka, of eigenlijk zijn het slechts details van één werk: ‘1965 / 1 – ∞’. Opalka begon in 1965 met het schilderen van een witte ‘1’ op een zwarte achtergrond, links boven op het doek. Hij schilderde alle volgende nummers tot hij rechts onderaan gekomen was. Daarna begon hij met het volgende cijfer op een nieuw doek.

De details in het Centre Pompidou zijn uit een latere periode, waarin Opalka een nieuwe dimensie aan zijn werk toegevoegd heeft: in plaats van op zwart, schildert hij nu op grijs. Ieder nieuw doek is één tint lichter. Opalka beweerde dat hij rond de tijd dat hij nummer 7,777,777 op doek zou stellen, met witte verf op een witte achtergrond zou werken. Van dat enorme project zijn hier details 3,307,544 – 3,324,387, 3,324,388 – 3,339,185 en 3,339,186 – 3,353,469 te zien. De nummers zijn zo klein dat ze, mede door de kleurschakering, pas bij nadere inspectie opvallen. Om en nabij de honderdnegentienduizend cijfertekens op doeken van 1,96 meter bij 1,35. Het lijken voorzichtige, schemerige lijnen die nauwelijks achter het omringende grijs vandaan kunnen komen.

Opalka overleed op 6 augustus 2011, of in zijn eigen tijdsrekening: op nummer 5,607,249.


10

Marieke is in Chartres. Samen gaan we op vrijdagmiddag naar de kathedraal om naar de labyrintlopers te kijken.

Het is de eerste keer dat ik het labyrint in zijn geheel zie. De stoelen staan tegen elkaar geduwd langs de randen, als waren het nieuwsgierige toeschouwers. Die zijn er echter, op Marieke en ik na, nauwelijks. Er zijn de toeristen; hen zie ik de hele week al. Ze maken foto’s, kijken omhoog naar de ramen, lezen een informatiebord en branden een kaarsje. Af en toe blijft hun blik even hangen bij het vreemde schouwspel in het middenschip, maar ze kijken snel weer weg.

De lopers zelf hebben nauwelijks oog voor de anderen. Ze zitten aan de kant op een stoeltje en bereiden zich voor. Sommigen trekken hun schoenen uit, anderen zeggen een gebed of staren blind voor zich uit. Beslissingen worden genomen. Tas laten liggen of toch maar omhouden? Nu gaan of later? Samen of alleen? Sokken aan of uit?

Ook degenen die geen kruis slaan, nemen een moment de tijd om de eerste stap in het labyrint te wagen. Er is een grens tussen binnen en buiten het labyrint die zich manifesteert in de lichaamstaal van zij die binnentreden. Een aarzeling. Een gebaar. Een blik naar voren en dan naar beneden. Gevouwen handen voor een buik of handen plat tegen elkaar voor de borst.

Het labyrint is ongeveer twaalf meter in doorsnee, te groot en te ingewikkeld om het pad met je ogen te volgen. De enige manier om het af te gaan, is door het te lopen. Doordat het pad zo smal en bochtig is, kan je echter onmogelijk het overzicht over het geheel houden.

Het is een spel van vertrouwen dat iedereen anders speelt. Een van de opvallendste lopers is een tanige man van rond de veertig jaar. Hij draagt een kaki broek met zakken aan de zijkant en is op blote voeten. Niet alleen bij het binnengaan, maar ook iedere keer als hij een bocht neemt, stopt hij, plaats hij zijn handen voor zijn borst, vingers en palmen plat tegen elkaar, sluit zijn ogen, staat een moment of twee kaarsrecht stil en verandert dan weer van een zoutpilaar in een mens die loopt.

Hij zet iedere stap bewust: even ver, even langzaam, even geconcentreerd en even bedacht. Marieke en ik speculeren over zijn beroep. Ik suggereer dat hij spiritueel adviseur is, maar dat vindt Marieke te gewoontjes. Zij denkt: reikimeester.

Even na de reikiman betreden twee vrouwen het labyrint. Moeder en dochter? De jongste zal tegen de zestig zijn, de oudere vrouw is minstens tachtig. Ze is dik, zoals oude vrouwen die veel kinderen hebben gehad dat zijn. Ze draagt een zwarte jurk, een zwarte jas en een witte sjaal en loopt met een stok.

Ik denk niet dat ze sneller of langzamer, bedachtzamer of plechtiger loopt dan wanneer ze ‘s ochtends naar de bakker gaat. Ergens halverwege haalt ze Reikiman in. Ze moet daartoe afwijken van het pad, maar dat lijkt haar niet te deren.

Reikiman is zeer strikt in zijn weg. Hij laat zich door niemand van zijn pad afbrengen.

Als de vrouw in het midden is gekomen, staat ze kort stil, slaat een kruis en loopt rechtdoor naar buiten. Of was ze al buiten het labyrint toen ze haar kruis geslagen had?

Veel later komt ook Reikiman in het midden aan. Bij iedere roos die om de verdwenen plaat in de vloer is gelegd, herhaalt hij zijn ritueel van stilstaan, handen voor de borst en vooruitkijken. In het midden doet hij het nog vier keer, naar alle windrichtingen. Dan loopt hij het hele pad weer af op dezelfde, hemeltergend trage manier waarop hij naar het midden liep.

Zo gaat het uren door. Drie vrouwen op blote voeten met dikke kaarsen die alle drie verschillende tekenen van religieuze extase tonen. Gesloten ogen of juist blikken omhoog. Wanneer ze aan de kant zitten, zie ik dat hun kaarsen, die ze angstvallig recht hielden tijdens het lopen, van plastic zijn. De vlammetjes zijn led-lampjes.

Twee mannen die eerst de hele buitenrand zijwaarts afgaan en bij iedere stap stilstaan.

Twee mannen die bij iedere bocht bidden. Ze zien eruit als Siciliaanse criminelen en gaan zo mogelijk nog langzamer dan Reikiman. Tegen het einde van het pad hebben ze een file van een twintigtal lopers veroorzaakt; een komisch effect omdat iedereen ze wil passeren, maar te beleefd is om voorbij te steken. Iedere keer als de rij tot stilstand komt, buigen hoofden zich zijwaarts om langs de ruggen te kunnen kijken wat het oponthoud veroorzaakt.

Een moeder met haar puberdochter. Beiden lopen blootsvoets, met hun armen licht gespreid naast hun lichaam. De moeder houdt haar handen schuin omhoog gekeerd, alsof ze wacht op iets dat uit de hemel neer zal dalen. De handen van de dochter zijn naar beneden gekeerd, als die van een koorddanseres.

Een man in een motorpak, helm in de hand.

Een Engels echtpaar dat pas opmerkt dat er een labyrint is wanneer ze er al middenin staan. Verbaasd kijken ze naar het patroon op de vloer. De man loopt naar buiten, de vrouw volgt het pad tot ze na twee bochten beseft dat ze geen idee heeft welke kant ze opgaat, haar schouders ophaalt en dwars door een groepje heen naar buiten beent.

Een Japans meisje dat een deel van het pad loopt, tot haar vriendje genoeg foto’s genomen heeft. Ze breekt haar wandeling af om mee te kijken op zijn scherm. Dan gaat hij, terwijl zij de foto’s neemt.


11

In het Engels is een ‘labyrinth’ iets anders dan een ‘maze’. Het eerste woord impliceert dat er één pad is dat weliswaar lang, onoverzichtelijk en bochtig is, maar uiteindelijk toch in het midden uitkomt. Een ‘maze’ is een raadsel: er zijn vele mogelijkheden en maar één juist pad.

Het Nederlands is een beetje slordig in het maken van dit onderscheid. Wij gebruiken het woord labyrint voor zowel ‘labyrinth’ als ‘maze’, hoewel we ook het woord doolhof gebruiken, voor een labyrint waarin je kan verdwalen.

Het lijkt alsof het labyrint je welwillender tegemoet treedt: vertrouw op het pad en je zult beloond worden. Uiteindelijk is ieder labyrint echter een doodlopende weg, terwijl in een doolhof er weliswaar vele wegen zijn die nergens toe leiden, maar ook één pad dat je bij de uitgang brengt.

Als ruimtelijke metafoor voor het leven, stelt het labyrint zijn vertrouwen in de kundigheid van de ontwerper om het pad tot een goed einde te brengen. Het doolhof stelt dat de ontwerper niet te vertrouwen is en dat het de juiste keuzes van het individu zijn die een happy end garanderen.


12

Op zaterdagavond zit de kathedraal vol voor de Bach-recital op het orgel door Christophe Mantoux. Marieke en ik zijn laat, we komen in de pauze tussen twee stukken binnen en schuifelen zo zachtjes mogelijk tussen de stoelen door naar twee vrije plaatsen toe.

Het is koud en we zitten dicht tegen elkaar aan. Wanneer Mantoux de brute, haast atonale openingstonen van de Prelude in E mineur speelt, schrikken we op. Wat volgt is een stuk dat haast in tweeën scheurt: terwijl de watervlugge hoge tonen steeds verder naar omhoog reiken, dreigen de bastonen ons mee te slepen in hun val naar beneden.

Gaandeweg het stuk raken de melodieën steeds meer verknoopt, lijkt het schone steeds schriller te worden en het lage steeds aanlokkelijker, tot het niet meer duidelijk is waar de strijd om gaat of waartussen hij gevoerd wordt. Alleen nog maar verlangens die om voorrang vechten en soms ineens in harmonie zijn, om daarna weer in schijnbare wanorde te vervallen. Aan het eind is er geen oordeel, al laten de laatste tonen duidelijk horen wie de touwtjes het hele stuk lang in handen heeft gehad.

Tijdens het applaus zien we Reikiman schuin voor ons staan. Terwijl iedereen klapt, duwt hij zijn handen voor zijn borst tegen elkaar en maakt een kleine buiging, alsof hij de enige is die dit labyrint heeft afgelopen, alsof hij het optreden heeft verzorgd en de muziek slechts zijn soundtrack was.

Droplul.


13

Chartres is de stad met gemiddeld de meeste uren zon van heel Frankrijk. Er is dus geen plek in dit land te vinden waar Jeremiah je langer aan kan kijken. Toch sluit hij ook hier zijn ogen als het donker is.

Dan ben je zelfs in de kathedraal van Chartres alleen. Niemand ziet je terwijl je de strijd aanbindt met de Minotaurus. De uitkomst staat vast. Hij wint.

Download the ePub Print

Labyrinthes

Jeroen van Rooij a écrit le récit Labyrinthes à Chartres, une réflexion sur les regards qu’on subit ou qu’on porte sur les autres, sur l’influence de la cathédrale sur ses visiteurs et sur la façon dont les visiteurs définissent la signification de la cathédrale.

 

1

Assis dans le Thalys Amsterdam-Paris, j’ai du mal à regarder. Non que ma vue soit défaillante, mais je m’efforce de décomposer chaque chose, chaque personne qu’il m’est donné de voir en partie d’un tout – tout doit revêtir un sens, des villes aux prés que nous traversons en passant par mes compagnons de voyage.

Ayant trop réfléchi sur mon regard, j’ai l’impression qu’il est accaparé par le projet auquel je participe, citybooks : des dizaines d’auteurs et quelques poignées de photographes et vidéastes envoyés deux semaines en résidence dans une des villes européennes participantes, pour y transposer leur expérience en textes, en photos, en vidéos mis en ligne par l’organisation néerlando-flamande deBuren dans trois, quatre voire cinq langues différentes de façon à ce qu’on puisse les lire, les regarder et les visionner (si tout se passe bien) dans toute l’Europe (le monde entier).

Ce premier réseau, d’environ soixante-dix voyages en tous sens à travers le continent, suffit à me donner le vertige. Le deuxième est un labyrinthe auquel je préfère ne pas penser. Devant tous ces efforts entrepris pour guider, capturer, reproduire et rendre public le regard singulier de l’artiste, le mien devient fébrile au point d’aller contre ce qui, à l’évidence, constitue sa singularité. De ma métaperspective, je considère le fait de voyager d’Amsterdam à Chartres comme plus intéressant que l’expérience elle-même ; en outre, quelque chose me dit que j’aurais tout aussi bien pu rester à la maison. Pour qu’il soit question d’expérience, il me faudra oublier que j’erre dans un dédale ; pour qu’il soit question de voir, il me faudra poser les yeux sur ce qui s’offre à ma vue.

 

2

Lorsqu’on tire un rideau, il est rare que ce soit parce qu’on ne peut contempler ce qu’il y a dehors. Ce qu’il y a dehors n’a pas besoin d’être protégé contre notre regard ou contre la lumière – à l’intérieur, en revanche, nous éprouvons parfois le besoin de tenir à distance les influences extérieures : lumière du jour, regard d’un passant, pluies abondantes qui nous démoralisent.

Un vitrail tient plus de l’écran de télévision que de la fenêtre. Tout comme la télévision, il change en fonction des conditions extérieures. En période électorale, la télé montre d’autres images qu’en période de guerre ; le vitrail change d’apparence selon la position du soleil et la météo. Mais l’un comme l’autre sont en premier lieu un filtre : le regard dirigé vers l’extérieur ne voit du monde que ce que le concepteur du filtre juge approprié de lui montrer. Le monde extérieur ne voit rien de nous tandis que nous nous laissons éblouir par la surface de verre.

Nous sommes des êtres ambigus, nous n’osons pas regarder franchement les choses et nous n’acceptons pas qu’on nous regarde en retour.

En est-il vraiment ainsi ? Une des plus grandes scènes des vitraux de la cathédrale de Chartres représente un Jérémie dont les yeux sont en verre transparent et incolore. Ce n’est pas un hasard si le vitrail en question se trouve côté sud : la lumière tombe à travers les yeux de Jérémie dans ceux du spectateur. Mais souhaitons-nous être vus ou les peintres verriers ont-t-ils voulu que nous nous croyions observés ?

 

3

Patrick Géroudet m’attend en gare de Chartres. Les subtilités de l’organigramme des municipalités françaises m’échappent encore en partie, mais il est une sorte de conseiller municipal en chef chargé de la culture et de la promotion de la ville. Patrick est ma première fenêtre sur la ville. Nous sommes en octobre, il fait chaud pour la saison, le soleil brille. Manteau ouvert, écharpe sur le bras, je lui emboîte le pas, cigarette dans une main, poignée de ma valise dans l’autre – les roulettes bringuebalant sur les pavés de la ville médiévale ; mon sac à bandoulière glisse sur ma hanche et finit par se coincer entre mon corps et la poignée de ma valise.

Patrick décrit tout ce que nous voyons. Il voit ce que nous avons sous les yeux, mais aussi ce qui va venir. J’ai du mal à me représenter la place surélevée dont il me parle face à laquelle se dresse la cathédrale. Plus encore l’espace souterrain qu’on doit aménager là pour y abriter une exposition sur l’histoire des lieux. Nous passons à l’appartement où je vais loger durant deux semaines, j’y dépose mes affaires et Patrick m’offre de visiter la ville : la rivière qui se scinde en trois, les ponts et les lavoirs, les venelles historiques, une anecdote sur un poète, les tertres, les chapelles, les églises.

Il faut croire que Patrick connaît chaque Chartrain que l’on croise ; il leur adresse la parole pour ainsi dire à tous. Il me présente : un jeune écrivain néerlandais qui séjourne ici dans le cadre de « la promotion de la ville ». Ce n’est pas à moi qu’il le dit, mais à chacun de ses interlocuteurs.

Impossible d’allumer la moindre cigarette sans que quelqu’un ne me gratifie d’un commentaire.

Deux expositions où nous ne nous attardons guère. La première dans une chapelle : des mosaïques, l’œuvre phare représentant Frank Zappa. La seconde dans une église : peintures et sculptures proposées sans esprit de suite. Nous entamons une discussion avec un petit quinquagénaire qui présente un début de calvitie ; l’homme porte des chaussures à bout pointu et un foulard de soie. Son travail vise à apporter la paix dans le cosmos. Dans la même série, il a réalisé bien d’autres statues plus imposantes relevant de la même série, nous raconte-t-il. Il évoque l’harmonie qu’il entend introduire dans ses œuvres et la sérénité qui doit s’en dégager. Patrick m’incitant à commenter ces propos, je relève que l’artiste aime les grands mots.

Si ses statues ressemblent à quelque chose, c’est surtout à des Schtroumpfs fondus.

Deux heures plus tard, Patrick me ramène à l’appartement. J’ai l’impression d’avoir vu toutes les églises de Chartres, intérieur comme extérieur, à l’exception de la cathédrale.

 

4

Le lendemain, je visite la cathédrale pour la première fois. Des travaux de restauration sont en cours. L’entrée principale, façade occidentale, disparaît derrière des échafaudages, de même que le chœur côté opposé. Le bruit d’un aspirateur et des lourdes chaussures des ouvriers me parvient. Côté est, la voûte est blanc crème, mais pour le reste les pierres sont grisâtres. Les vitraux laissent passer une lumière colorée. De loin, les motifs géométriques ressortent plus que les figures les composant. De près, il est difficile de garder une vue d’ensemble et mes yeux passent d’une représentation à une autre.

Des chaises en rang d’oignons. Dans l’allée centrale, on voit une petite partie du labyrinthe dessiné par les dalles sombres.

Au bout d’une demi-heure, je quitte les lieux. D’une manière ou d’une autre, je ne me sens pas à la hauteur pour affronter cette chose.

 

5

Gilles Fresson aime s’étendre sur son travail et sur la cathédrale, les deux ayant tendance à empiéter l’un sur l’autre : il est chargé de coordonner toutes les activités qui se déroulent dans l’édifice. Au début de notre conversation, je l’invite à me noyer sous un flot d’informations. Après tout, j’estime que l’emploi que l’on fait de la cathédrale doit en révéler sa signification. Mon point de départ : elle représente une énorme collection de signes qui attendent d’être interprétés. Les différentes fonctions que revêt le bâtiment pour telle ou telle personne nous en disent au moins autant sur ceux et celles qui font usage du lieu que sur le lieu lui-même.

Les visiteurs qui arrivent avec des demandes inhabituelles sont presque tous dirigés vers Gilles. Ainsi de l’homme en robe orange, qui, avec son groupe de disciples, entendait parcourir le labyrinthe à une date et une heure fixées à la minute près en fonction de la position des étoiles et de la lune. Gilles s’étant enquis du pourquoi de leur démarche, l’homme lui avait répondu : « Trois raisons. La paix intérieure. La paix mondiale. Et l’harmonie dans l’univers. » Tout au long de leur entretien, l’homme avait gardé sur les genoux une énorme pyramide de verre.

Gilles me glisse sous le nez le livre d’or du mois de juillet. Des mentions en français bien entendu, en espagnol, en italien, en anglais, en allemand, en néerlandais. En japonais ? En arabe ? Les Américains indiquent leur nom complet, la ville et l’État d’où ils viennent. Ils expriment leur gratitude pour la cathédrale qui est fabulous, a wonderful experience. Une personne se plaint que son expérience religieuse ait été gâchée par les touristes bruyants et les nombreux flashes des appareils photo. En dessous, une plainte similaire, de la même écriture, mais agrémentée d’une autre signature. Il est surprenant de constater la fréquence à laquelle les morts sont commémorés. « Mon mari », « ma mère » ou encore « mon fils », mots souvent suivis du nom et du prénom du défunt.

Quand la cathédrale est ouverte au public, il y a toujours un prêtre auquel il est possible de s’adresser. « À supposer qu’un prêtre ordinaire dans une église ordinaire soit un médecin généraliste, eh bien on peut considérer que notre prêtre est un service d’urgence. Il arrive que des gens aient recours à lui – certains qui sortent tout juste de prison, d’autres qui n’ont jamais été condamnés – pour lui dire qu’ils ont tué quelqu’un », explique Gilles.

Le prêtre est tenu au secret de la confession, ajoute-t-il ensuite.


6

En raison des travaux de restauration, seule une partie du chœur est accessible. Côté nord, le mur est rehaussé de statues de saints. Je m’immobilise devant un groupe de trois d’entre eux, privés de leur tête. À en juger d’après l’usure de la pierre, ils ont dû être décapités voilà bien longtemps.

J’essaie de saisir du regard une plus grande partie du labyrinthe, mais les chaises m’empêchent d’en voir le tracé complet. L’allée centrale ne permet d’en découvrir qu’une bande étroite. J’en repère l’entrée, là où les dalles décrivent une courbe vers la gauche. Le tracé réapparaît au centre, presque en face de cette courbe, et le dernier tronçon est en ligne droite vers le milieu. Autrefois se trouvait au centre une plaque de cuivre d’environ un mètre cinquante de diamètre. Elle a disparu depuis longtemps ; il ne reste plus qu’une surface délabrée et quelques trous à l’emplacement des écrous.

Vers mes dix ans, je faisais un cauchemar récurrent. Je descendais dans une cave, entrée d’un dédale souterrain où je ne manquais jamais de me perdre. Avec pour finir toujours la même fin : j’ouvrais une porte qui donnait sur une chambre où se trouvait un homme. Il n’avait pas de tête. On ne la lui avait pas tranchée ni coupée, il n’en avait jamais eu. L’homme portait une chemise sale et délavée sans ouverture pour y passer la tête.

 

7

Gilles m’a raconté qu’au Moyen Âge, on utilisait le labyrinthe pour une danse de Pâques : un prêtre parcourait le chemin jusqu’au milieu tout en lançant une balle en direction des membres de l’assemblée postés hors du cercle. Aujourd’hui, tous les vendredis, les chaises sont mises de côté, afin que fidèles, personnes effectuant une démarche spirituelle et touristes puissent emprunter à leur tour le labyrinthe. Avant qu’on en redécouvre la signification, il n’a pas été parcouru des siècles durant et est resté un simple dessin sur le sol de la cathédrale.

Ce mystère de la Passion consistait en une réinterprétation du mythe de Thésée qui tue le Minotaure dans le labyrinthe de Dédale. Selon la scolastique, ce mythe est la préfiguration de la mort et de la résurrection du Christ : au cours des trois jours entre le Vendredi saint et le lundi de Pâques, le Christ est descendu aux enfers, puis, ayant vaincu la mort, est revenu à la vie. Cette victoire sur la mort a rendu la vie éternelle possible. La balle symbolisait la grâce divine que l’humanité pouvait recevoir.

On a retrouvé un texte médiéval qui expose les règles de ce mystère. Il s’agit toutefois d’une pratique qui se déroulait à Auxerre et non à Chartres. Mais étant donné que le labyrinthe d’Auxerre ressemblait sans doute beaucoup à celui de Chartres, on suppose qu’on se livrait là aussi au même rituel.

Grâce à Google Scholar, je découvre un texte qui voit dans le labyrinthe une structure représentant un pèlerinage à Jérusalem. Le labyrinthe présente la même structure que les mappemondes de l’époque : un cercle coupé d’une croix dont les branches indiquent les directions nord-sud et est-ouest. Au milieu, Jérusalem, but ultime de la vie terrestre.

Les croyants qui n’avaient pas la possibilité d’effectuer le pèlerinage vers la Ville sainte pouvaient parcourir le labyrinthe afin d’accomplir symboliquement le voyage. Une accumulation de symboles, puisque le pèlerinage lui-même représente autre chose encore : la vie du chrétien intègre qui se termine au Ciel.

Sur la plaque de cuivre figurait, selon les deux versions en concurrence, soit un minotaure, soit une représentation de Jérusalem. Cette plaque a disparu au cours de la Révolution française, sans doute a-t-elle été refondue.

Jérusalem, le minotaure : le fin mot de l’histoire, c’est quoi qu’il en soit la mort.

 

8

Devant la cathédrale, il y a toujours quelqu’un qui mendie. Le plus souvent, un quinquagénaire maigre. Il porte une casquette toute plate et des baskets. Il tient à la main quelques petites branches sèches où subsistent les restes de fleurs et de feuilles. Parfois, il chante et exécute un pas de danse. Je vois aussi de temps à autre une grosse femme aux boucles grises et un barbu. Ils sont toujours seuls – chacun aurait-il ses horaires ? – et tendent tous trois vers vous une coquille en pierre contenant quelques pièces de monnaie.

Le mercredi, je me rends à la cathédrale alors qu’une messe est en cours. Trente ou trente-cinq fidèles assis sur les bancs de devant. J’arrive en plein sermon. Les touristes déambulent sans bruit dans la cathédrale et prennent des photos en faisant de leur mieux pour ne pas perturber l’office. Néanmoins, le bruit de leurs pas, leurs appareils photo et leurs voix rivalisent avec les paroles du prêtre. Aucun son ne porte assez pour remplir l’espace, tous les mots et bruits se mêlent en se répercutant d’un mur à l’autre.


9

Au Centre Pompidou sont accrochées trois peintures de Roman Opalka, en réalité des détails d’une même œuvre : 1965 / 1 – ∞. Opalka a commencé par peindre, en 1965, un 1 blanc sur un fond noir, en haut à gauche de la toile. Il peignit ensuite les nombres suivants jusqu’à arriver en bas à droite. Puis, il procéda de même sur une autre toile avec le chiffre suivant.

Ces détails visibles au Centre Pompidou relèvent d’une période postérieure, lorsqu’Opalka ajouta une nouvelle dimension à son travail : au lieu de peindre sur du noir, il retient un fond gris. À chaque tableau, il passe à une nuance plus claire. Opalka affirmait que lorsqu’il aborderait le nombre 7 777 777, il en serait arrivé à peindre en blanc sur fond blanc. De cette énorme entreprise, le Centre Pompidou propose les détails 3 307 544 – 3 324 387, 3 324 388 – 3 339 185 et 3 339 186 – 3 353 469. Les chiffres sont tellement minuscules qu’on ne les relève qu’au prix d’une observation minutieuse et en partie grâce aux nuances. On dénombre près de 119 000 signes sur ses toiles de 1,96 m x 1, 35 m. On dirait des lignes délicates, imprécises qui peinent à ressortir du gris.

Opalka est décédé le 6 août 2011, ou, selon son propre calendrier : au numéro 5 607 249.

 

10

Marieke est à Chartres. Ensemble, en ce vendredi après-midi, nous nous rendons à la cathédrale pour regarder les personnes qui vont parcourir le labyrinthe.

C’est la première fois que je le vois dans son entièreté. On a écarté les chaises, elles sont les unes contre les autres comme autant de spectateurs curieux. Des curieux, hormis Marieke et moi, il y en a en réalité bien peu. Comme les autres jours de la semaine, des touristes déambulent dans les lieux. Ils prennent des photos, lèvent les yeux vers les vitraux, lisent les panneaux d’information, allument un cierge. Ils laissent de temps à autre errer leur regard sur l’étrange spectacle qui se déroule dans la nef, mais ne tardent pas à le détourner.

Les gens qui s’apprêtent à parcourir le labyrinthe ne font pour ainsi dire pas attention aux visiteurs. Assis sur le côté, ils se préparent. Certains ôtent leurs chaussures, d’autres disent une prière ou regardent dans le vide. On prend des décisions : laisser son sac dans un coin ou le garder ? S’y mettre tout de suite ou attendre encore un peu ? Seul ou avec d’autres ? En chaussettes ou pieds nus ?

Même ceux qui ne se signent pas prennent leur temps avant de s’aventurer dans le labyrinthe. Il existe une frontière entre l’intérieur et l’extérieur du labyrinthe, qui se manifeste dans le langage corporel de ceux qui effectuent le premier pas. Une hésitation. Un geste. Un regard devant soi puis vers le sol. Mains jointes sur le ventre ou collées l’une contre l’autre devant la poitrine.

Le labyrinthe a environ douze mètres de diamètre, sa taille et sa complexité vous empêchent de suivre le tracé des yeux. La seule manière de l’aborder, s’est de s’engager dedans. Le tracé est tellement étroit et sinueux qu’il s’avère impossible d’en garder une vue d’ensemble.

Il s’agit d’un jeu de confiance, chacun procédant à sa façon. Un des participants les plus singuliers est un homme de plus ou moins quarante ans à la peau bistre. Il marche pieds nus dans un pantalon kaki aux poches latérales. Il a marqué un arrêt en entrant dans le labyrinthe et en marque un à chaque tournant, place ses mains devant sa poitrine, doigts et paumes les uns contre les autres, ferme les yeux, reste immobile, droit comme un I durant une seconde ou deux, véritable statue de sel qui reprend ensuite sa marche.

Chacun de ses pas est réfléchi : même distance couverte, même lenteur, même concentration, même préparation. Marieke et moi-même émettons des suppositions sur sa profession. Je le verrais bien en conseiller spirituel, mais Marieke trouve cette hypothèse trop banale. Elle opte pour un maître reiki.

Peu après notre maître reiki, deux femmes s’engagent dans le labyrinthe. Une mère et sa fille ? La plus jeune doit avoir la soixantaine, l’autre au moins quatre-vingts ans. Elle est grosse comme peut l’être une femme âgée qui a eu beaucoup d’enfants. Elle porte une robe noire, un manteau noir et un foulard blanc, elle marche avec une canne.

Je ne crois pas qu’elle marche plus vite ou plus lentement, ni de manière plus réfléchie ou plus solennelle que lorsqu’elle se rend à la boulangerie le matin. À mi-chemin, elle rattrape notre maître reiki. Pour le dépasser, il lui faut s’écarter du tracé, mais cela ne semble pas la déranger.

Notre maître reiki ne déroge en rien à l’accomplissement de son rituel. Personne ne saurait le détourner de son chemin.

Une fois arrivée au centre, la femme marque un bref arrêt, se signe et quitte le labyrinthe en ligne droite. Ou en était-elle déjà sortie lorsqu’elle fit son signe de croix ?

Beaucoup plus tard, notre maître reiki arrive à son tour au centre. Devant chaque rose dessinée sur le sol autour de la plaque disparue, il répète son rituel : moment d’immobilité, mains devant la poitrine, regard dirigé droit devant lui. Quatre fois de plus en direction de chaque point cardinal. Puis, il rebrousse chemin avec la même lenteur irritante.

Des heures durant, des gens évoluent ainsi dans le labyrinthe. Trois femmes, pieds nus, un gros cierge à la fin, toutes trois présentant des signes différents d’extase religieuse. Yeux fermés ou dirigés vers le haut. Une fois qu’elles regagnent le côté du labyrinthe, je vois que ces cierges, qu’elles veillaient scrupuleusement à tenir bien droits, sont en plastique. Les flammes sont des lampes led.

Deux hommes qui, pour commencer, parcourent latéralement le pourtour du labyrinthe en s’immobilisant après chaque pas.

Deux hommes qui prient à chaque tournant. Ils ressemblent à des criminels siciliens ; ils progressent plus lentement encore que notre maître reiki. À la fin du chemin, ils ont provoqué un bouchon d’une vingtaine de personnes, situation comique car tout le monde aimerait les doubler, mais est bien trop poli pour le faire. À chaque fois que la file s’immobilise, les têtes se penchent sur le côté pour évaluer, au-delà des dos, les conséquences de ce nouvel arrêt.

Une mère et sa fille ado. Toutes deux marchent pieds nus, bras légèrement écartés. La mère tient les mains tournées vers le haut comme si elle attendait de réceptionner une manne. La fille tient les siennes tournées vers le bas, comme une funambule.

Un homme en tenue de motard, casque à la main.

Un couple d’Anglais qui ne constatent l’existence du labyrinthe que lorsqu’ils se trouvent en plein milieu. Ils portent un regard étonné sur le dessin sous leurs pieds. L’homme quitte le labyrinthe, la femme suit le tracé jusqu’au moment où, après deux tournants, elle se rend compte qu’elle ne sait pas si elle progresse dans la bonne direction : elle hausse les épaules et se précipite dehors en se frayant un passage à travers un groupe.

Une jeune japonaise qui parcourt une partie du tracé et arrête quand son copain a pris assez de photos. Elle le rejoint et se penche sur l’écran de l’appareil numérique. Il s’engage à son tour dans le labyrinthe, et c’est elle qui prend des photos.


11

En anglais, labyrinth ne signifie pas la même chose que maze. Le premier mot implique l’existence d’un chemin certes long, compliqué et sinueux, mais qui finit par aboutir à un centre. Un maze est une énigme : beaucoup de possibilités s’offrent à vous, mais un seul chemin est le bon.

La langue néerlandaise a un peu de mal à opérer la même distinction. Nous employons le terme labyrint pour désigner l’une comme l’autre de ces deux acceptions, mais recourons aussi à doolhof dans le cas d’un labyrinthe dans lequel on risque de se perdre.

On dirait que le labyrint s’avance vers nous avec plus de bienveillance : suis le chemin avec confiance et tu seras récompensé. Cependant, tout labyrinthe est une impasse au fond, tandis qu’un doolhof (dédale) propose plusieurs trajets qui ne mènent certes nulle part, mais aussi un chemin qui conduit à la sortie.

Métaphore spatiale de la vie, le labyrinthe met sa confiance dans l’habileté de celui qui l’a dessiné pour le mener à bon port. Tandis que le dédale suggère qu’on ne peut faire confiance à son concepteur et que ce sont les bons choix de l’individu qui garantissent une fin heureuse.


12

Le samedi soir, la foule est au rendez-vous dans la cathédrale pour assister au récital de Bach donné par l’organiste Christophe Mantoux. Marieke et moi arrivons en retard, entre deux morceaux ; nous nous faufilons entre les chaises en faisant le moins de bruit possible pour gagner deux places libres.

Il fait froid, nous sommes assis presque l’un contre l’autre. Nous sursautons en entendant les premières mesures, brutes et pour ainsi dire atonales, du prélude en mi mineur. Ce qui suit se déchire pour ainsi dire en deux : tandis que les aigus rapides comme l’éclair montent toujours plus haut, les basses menacent de nous entraîner dans leur chute.

À mesure que l’on avance, les mélodies s’entremêlent toujours plus ; on a l’impression que le pur se fait toujours plus strident et le vil toujours plus séduisant jusqu’au moment où l’on ne sait plus quel est l’enjeu du combat ni entre qui il a lieu. Plus rien que des désirs qui luttent pour la suprématie, qui par moments sont subitement en harmonie avant de sombrer à nouveau dans un désordre apparent. À la fin, point de jugement, même si les dernières notes désignent sans détour celui qui tient les ficelles tout au long du morceau.

Pendant les applaudissement, nous voyons notre maître reiki assis plus loin devant nous. Tout le monde bat des mains, mais lui joint les siennes devant sa poitrine et penche la tête comme s’il était le seul à avoir parcouru ce labyrinthe – à croire que c’est lui qui a organisé le concert et que la musique était une bande sonore.

Pov’ cloche.


13

Chartres est la ville française qui a en moyenne le plus grand nombre d’heures d’ensoleillement. Il n’y a donc pas d’autre endroit dans ce pays où Jérémie peut vous regarder aussi longtemps. Pourtant, ici comme ailleurs, il ferme les yeux quand la nuit tombe.

On se retrouve alors seul, même dans la cathédrale de Chartres. Personne ne vous voit alors que vous engagez la lutte contre le minotaure. L’issue est écrite. C’est lui qui va gagner.


Ttraduit du néerlandais par Daniel Cunin

 

Daniel Cunin (1963) est traducteur littéraire néerlandais-français (W.F. Hermans, J. Slauerhoff, Louis Couperus, W.J. Otten, Vonne van der Meer, Stefan Brijs, Bart Moeyaert, Adriaan van Dis, Hafid Bouazza, Abdelkader Benali, Dirk van Bastelaere…). De 1995 à 2006, il a enseigné la traduction littéraire au sein du Département de Néerlandais de la Sorbonne-Paris IV. Depuis 2007, il collabore à Deshima (Revue d’Histoire Globale des Pays du Nord). Il partage sa passion des lettres néerlandaises avec les lecteurs de son blog.

 

Download the ePub Print

Labyrinths

Jeroen van Rooij travelled to the French Chartres for citybooks. There, he wrote the story Labyrinths; a reflection on looking and being looked at, on the influence of the cathedral on her visitors and on how those visitors determine the meaning of the cathedral.

 

1

In the Thalys express from Amsterdam to Paris I have trouble looking at things. Not that there’s anything wrong with my eyes, but I’m trying to convert everything that I see into a part of a larger whole – everything must have meaning, from the towns and meadows we pass through to my fellow passengers.

I have thought too much about the nature of vision. It feels as if my looking is monopolised by the project I’m taking part in, citybooks: scores of authors and a handful or so of photographers and video artists who are dispatched all over Europe to take up residence for two weeks in a pre-selected town and turn their experience in to a piece of literature. Those texts and images are then put on the Internet by the Flemish-Dutch cultural centre deBuren in three, four or five different languages (and if all goes well) read, looked at and listened to throughout Europe (even the world).

The first network, consisting of about seventy different journeys criss-crossing Europe, is already enough to make my head spin. The second network is a labyrinth I prefer not to think about. All that effort to direct, capture, reproduce and make public the exceptional vision of the artist makes my vision nervous and forces it to fight against its obviously exceptional status. From my meta-perspective, the fact that I am bound for Chartres from Amsterdam is more interesting than the experience itself, and something tells me that in that case I might just have well have stayed at home. If I am to experience anything, I shall have to forget that I am wandering through a maze, and focus my eyes on what is in front of me.

 

2

When you or I close a curtain, we seldom do so because we are not allowed to look outside. What is outside does not have to be protected from our gaze or our eyes. What is inside, however, has to be sealed off from outside influences: sunlight, the eyes of a passer-by, the excessive rain that makes us depressed.

Stained-glass windows are more like TV screens than real windows. Like television, the stained-glass window changes when the outside conditions change. If there are elections on, the TV shows a different image than when there is a war. The stained-glass windows change their appearance according to the position of the sun and the weather conditions. But both TV and the stained-glass window are first and foremost a filter: one’s gaze may be focused outwards, but sees only as much of the world as the maker of the filter regards as suitable for display. The outside world sees nothing of us while we are goggling at our glass.

We are in a precarious position. We do not dare to look freely and we don’t want anyone to look back.

Or do we, perhaps? One of the greatest stained-glass scenes in Chartres cathedral features a Jeremiah figure whose eyes consist of clear, unstained glass. It is no coincidence that this window was put on the South side: the light falls through Jeremiah’s eyes straight into those of the viewer. But do we want to be seen or do the makers of the stained-glass window want to make us believe we are being studied?

 

3

Patrick Géroudet meets me at Chartres station. I haven’t been able discover exactly how the hierarchical relationships in French councils work, but he is a kind of alderman for culture and municipal promotion. Patrick is my first window on the town. It is warm for October, and the sun is shining. With my coat unbuttoned and my scarf over my arm I walk – case-on-wheels in one hand, cigarette in the other – after him. The case-on-wheels ricochets off the cobbles of the medieval town centre and my shoulder bag slips off my back onto my hip, and gets caught between my body and the handle of my case.

Patrick describes everything we see. He sees not only what is there, but also what will be there in the future. I find it difficult to picture the raised square in front of the cathedral that he describes to me. The underground exhibition that the raised structure is supposed to accommodate simply defies the imagination. When we have left my things in the apartment where I am to spend the next two weeks, he shows me the town. The river, divided into three, the bridges and the open-air laundries, historic alleyways, an anecdote about a poet, steep lanes or tertres, chapels and churches.

Scarcely a local passes by whom Patrick doesn’t know and he talks to them all. He introduces me as a young Dutch writer. I am in Chartres as part of the ‘promotion de la ville’. He doesn’t say so to me, but those words recur invariably in every conversation.

I can’t light up a cigarette without someone making a comment.

We briefly visit two exhibitions. A collection of mosaics in a chapel, with a mosaic Frank Zappa as the pièce de résistance. The other is in a church with paintings and sculpture on display without any kind of structure. We strike up a conversation with a small balding figure in his fifties wearing pointy-toed shoes and a silk shawl. His work aims to bring peace to the cosmos. He has made much larger sculptures in this series, he tells us. He speaks about the harmony that he wants to impart to his sculptures and the peace they must radiate. When Patrick urges me to say something, I observe that the artist is very fond of big words.

What the sculptures remind me of most are melted smurfs.

When Patrick drops me back at the apartment, it’s two hours later. I have the feeling I’ve seen every church in Chartres inside and out, except for the cathedral.

 

4

The next day I visit the cathedral for the first time. Restoration work is in progress. There is scaffolding around the main west entrance, and around the choir stalls opposite. I hear the sound of a vacuum cleaner and the clumping of the restorers’ heavy work boots on the scaffolding. On the east side the vaulted ceiling is creamy white, but apart from that the stones are grey. Coloured light enters through the stained-glass windows. From a distance, the geometrical patterns into which the illustrations are grouped are more striking than the illustrations themselves. From close up it is difficult to keep a sense of the whole and my eyes jump from picture to picture.

Rows of chairs neatly set out. In the nave a small part of the labyrinth is visible that has been laid in dark-coloured stones in the floor. After half an hour I leave again. Somehow I don’t feel able to cope with this thing.

 

5

Gilles Fresson talks with enthusiasm and at length about his work and about the cathedral. Since his job is the coordination of all activities taking place in the cathedral there is quite an overlap between the two subjects. At the start of our conversation I invite him to deluge me with information. It is precisely in the uses made of it that the meaning of the cathedral is revealed, I think. My idea is that the cathedral is a huge collection of different signs all waiting to be interpreted. The various functions that the building assumes for various people say at least as much about the users as about the cathedral.

Virtually without exception, visitors with unusual requests find their way to Gilles. Like the man in the orange dress who wanted to follow the course of the labyrinth with his followers. He had worked out the time and day on which this must be done very precisely using the position of the stars and the moon, Gilles said. When asked the reason why he wanted to walk the maze with his group, the man replied, ‘Three reasons. Inner peace. World peace. And harmony in the universe.’ During the conversation the man had had a huge glass pyramid on his lap.

Later Gilles shoves the guest book for last July under my nose. French of course, Spanish, Italian, English, German, Dutch. Japanese? Arab? Americans give their full name, their hometown and the state it is situated in. They express their thanks for the cathedral, which is ’fabulous’ and ‘a wonderful experience’. Someone complains that his religious experience was ruined by the noisy tourists and the many flashing cameras. Under it there is a similar complaint, in the same handwriting but signed with another name. It is striking how often the dead are remembered. Sometimes ‘my husband’, ‘my mother’ or ‘my son’, often with first name and surname.

When the cathedral is open to the public, there is always a priest on hand to whom visitors can turn. Gilles: ‘If an ordinary priest in an ordinary church is a GP, our priest can be best compared to an A&E unit. Sometimes people speak to him to say they have killed someone. Some have just been released from jail, others have never been sentenced.’

The priest is sworn to silence, he adds later.

 

6

Because of the restoration work only a small portion of the choir stalls can be visited. On the north side the wall is decorated with statues of saints. I stop at a group of three, whose heads are missing. Judging from the worn edges, they must have been struck off long ago.

I try to see more of the labyrinth, but the chairs placed on top of it make it impossible to gain a view of the pattern as a whole. The nave leaves only a small portion free. I can see the entrance, the spot where the path bends to the left. Finally, it returns to the centre obliquely opposite that curve and for the last few metres runs straight to the centre. Once, a brass plate about a metre and a half in diameter lay in the centre. That plate has long since disappeared; what remains is a crumbling surface with several holes in it, through which ran the bolts by which the plate was anchored.

When I was about ten I had a regularly recurring nightmare. I descended into a cellar, which was the entrance to an underground labyrinth, in which I constantly got lost. The upshot of the journey was always the same: I opened a door and found myself in a room. In the room was a man. He had no head. It had not been chopped or cut off; it had never been there. The man wore a faded and dirty shirt, which had no hole through which a head would normally have stuck.

 

7

Gilles told me that the labyrinth was used in the Middle Ages for an Easter dance, in which a priest made his way to the middle and meanwhile threw a ball back and forth to the members of the congregation who were standing outside the circle. Now the chairs are pushed aside every Friday, so that the faithful, the spiritual and tourists can walk the labyrinth. Before walking the maze was rediscovered, it remained unused for centuries, a meaningless sign in the cathedral floor.

The Easter game was a re-enactment of the myth of Theseus, who kills the Minotaur in the labyrinth of Daedalus. The scholastic interpretation of the myth is that it was a prefiguration of the death and resurrection of Christ: in the three days between Good Friday and Easter Monday Christ descended into hell and then, having triumphed over death, came back to life. That triumph over death made eternal life possible. The ball symbolised God’s mercy received by mankind.

A Medieval text has been found that describes the rules of the game. But the text deals with a custom that was observed in Auxerre, not in Chartres. Since the labyrinth in Auxerre is supposed to have been very similar to that in Chartres, it is assumed that the custom must have been the same.

Via Google Scholar I find a text that interprets the labyrinth as a structure depicting a pilgrimage to Jerusalem. The labyrinth has the same structure as contemporary maps of the world: a circle overlaid with a cross, the arms of which run north-south and east-west. In the centre is Jerusalem, the final goal of life on earth.

Those Christians unable to make the pilgrimage to the Holy City could walk the labyrinth in order to complete the journey symbolically. This is a piling of symbol on symbol, since the pilgrimage itself of course already stands for something else: the life of the upright Christian, ending in heaven.

On the brass plate, according to one interpretation, there was a depiction of a Minotaur, according to another an image of Jerusalem. The plate itself disappeared during the French Revolution; probably melted down.

Jerusalem, Minotaur: what they both boil down to is death.

 

8

There is always someone begging outside the cathedral. The person I see most often is a skinny man in his fifties. He wears a flat cap and trainers. In his hand he has a bunch of withered twigs with the rains of flowers and leaves hanging from them. Sometimes he sings and does a dance. There is also a fat woman with grey curls and a man with a beard. They are always alone – could there be a kind of begging rota? – and all three hold a stone scallop shell with change in it.

On Wednesday I visit the cathedral while a mass is being celebrated. A congregation of between thirty and thirty-five sits in the pews at the front. I come in in the middle of the sermon. The tourists walk quietly about the cathedral, take photos of the interior and do their best not to disrupt the mass. Still, the sounds of their footsteps, their cameras and their voices conflict with the priest’s words. No one sound is big enough to fill the space, all the words criss-cross from one wall to the other.

 

9

In the Centre Pompidou there are three paintings by Roman Opalka, or rather they are just details of a single work: 1965/1 – ∞. Opalka began in 1965 by painting a white ‘1’ on a black background, in the top left-hand corner of the canvas. He painted all the following numbers until he reached bottom right. Then he began with the following number on a new canvas.

The details in the Centre Pompidou are from a later period, in which Opalka added a new dimension to his work: now painting on grey instead of black. Every new canvas is one shade lighter. Opalka claimed that around the time he painted number 7,777,777 he would be working with white paint on a white background. Details 3,307,544 – 3,324,387, 3,324,388 – 3,339,185, and 3,339,186 – 3,353,469 can be seen here. The numbers are so small that, partly because of the colour shading, they are only apparent on closer inspection. Roughly a hundred and nineteen thousand figures on canvases of 1.96 by 1.35 metres. They appear to be cautious, dim lines that scarcely stand out from the surrounding grey.

Opalka died on 6 August 2011, or according to his own calendar, at number 5,607,249.

 

10

Marieke is in Chartres. On Friday morning we’re going to the cathedral together to watch the people walking the labyrinth.

It’s the first time I have seen the labyrinth as a whole. The chairs have been pushed together at the edges, as if they were curious spectators. But, apart from Marieke and me, there are scarcely any. There are the tourists; I’ve been seeing them for a whole week already. They take photos, look up at the windows, read an information sign and light a candle. Now and then their gaze lingers over the strange spectacle in the nave, but they quickly look away.

Those walking scarcely notice the others. They sit at the edge and prepare themselves. Some take their shoes off, others say a prayer or stare blindly ahead. Decisions are taken. Should one leave one’s bag behind or carry it on one’s shoulder? Go now or later? Together or alone? With socks or without?

Even those who do not cross themselves take a moment before setting foot in the labyrinth. There is a borderline between inside and outside the labyrinth that manifests itself in the body language of those entering. A hesitation. A gesture. A glance ahead and then downward. Hands folded or placed flat together in front of the chest.

The labyrinth is approximately twelve metres in diameter, too large and complicated to follow the path with your eyes alone. The only way to follow it is to walk it. However, because the path is so narrow and winding, it’s impossible to maintain an overview of the whole.

It’s a game of trust that everyone plays differently. One of the most striking walkers is a tawny-coloured man of about forty. He wears khaki trousers with pockets at the sides and is barefoot. Not only on entering the maze, but every time he turns a corner, he stops, places his hands in front of his chest, fingers and palms flat against each other, closes his eyes, stands erect and still for a moment and then turns back from a pillar of salt into a person walking.

He takes each step deliberately: same distance, same slow speed, same concentration and caution. Marieke and I speculate about what he does for a living. I suggest that he’s a spiritual advisor, but Marieke finds that too banal. She thinks: a reiki master.

Just after the reiki man, two women enter the labyrinth. Mother and daughter? The younger must be approaching sixty, the older woman is at least eighty. She is fat, in the way that old women who have borne many children are. She wears a black dress, a black coat and a white scarf and walks with a stick.

I don’t think she walks any slower, more thoughtfully, or solemnly than when she goes to the bakery in the morning. At about the halfway point she overtakes reiki man. To do so she has to deviate from the path, but she doesn’t seem to mind.

Reiki man is very strict in the course he takes. He does not let himself be pushed off track by anyone.

When the woman has reached the centre, she pauses briefly, crosses herself and walks straight outside. Or was she already outside the labyrinth when she when she made the sign of the cross?

Much later reiki man reaches the centre. At each rose that had been laid on the floor around the vanished plate, he repeats his ritual of stopping, placing his hand together in front of his chest and looking ahead. In the centre he does it four more times, in all directions. The he retraces the whole path at the same outrageously slow pace at which he walked to the centre.

It goes on like that for hours. The women in bare feet with thick candles, all three expressing different signs of religious ecstasy. Eyes closed or otherwise focused on high. When they sit at the side, I see that the candles they held so anxiously upright are made of plastic. The flames are LED bulbs.

Two men who first go round the whole perimeter sideways and stop after each step.

Two men who pray at each turn. They look like Sicilian gangsters and if anything go even slower than reiki man. By the end of the path they have caused a tailback of some twenty walkers; a comic effect because everyone wants to pass them, but is too polite to push past. Each time the line comes to a halt, heads bend sideways to look along the backs and see what is causing the hold-up.

A mother with her teenage daughter. Both are walking barefoot, with their arms slightly spread to the side. The mother holds her hands obliquely upwards, as if she is waiting for something to descend on her from heaven. The daughter’s hands are turned downwards, like those of a tightrope dancer.

A man in motorcycle leathers, helmet in hand.

An English couple whom only notice there is a labyrinth when they are in the middle of it. They look in surprise at the pattern on the floor. The man walks out of it, the woman follows the path until after two turns she realises she has no idea which way she is going, shrugs her shoulders and hurries out straight through a group.

A Japanese girl who walks part of the path, until her boyfriend has taken enough photos. Then it’s his turn, while she takes photos.

 

11

In English, ‘labyrinth’ means something different from ‘maze’. The first word implies that there is a single path that may be long, complicated and windy, but eventually ends in the middle. A ‘maze’ is a riddle: there are many possibilities but only one correct path. Dutch does not make a clear distinction, using the word ‘labyrint’ for both, although it does have the term ‘doolhof’ for a labyrinth in which one can lose one’s way.

It looks as if a labyrinth is more benign: trust in the path and you will be rewarded. However, every labyrinth is ultimately a dead-end street, while in a maze, while there are many paths leading nowhere, there is one path that takes you to the exit.

As a spatial metaphor for life, the labyrinth puts its faith in the skill of the designer to take the path to a successful conclusion. The premise of the maze is that the designer is not to be trusted and it is the correct choices of the individual that guarantee a happy ending.

 

12

On Saturday evening the cathedral is full for a Bach organ recital by Christophe Mantoux. Marieke and I are late, arrive in the pause been two pieces and shuffle as quietly as possible between the chairs towards two free seats.

It is cold and we sit close together. When Mantoux plays the brutal, almost atonal opening notes of the Prelude in E minor, we start. What follows is a piece that almost tears one in two: while the fast-flowing high notes reach further and further upwards, the bass notes threaten to drag us with them as they cascade downwards.

Gradually the melodies become more and more intricate, beauty seems increasingly shrill and what is base seems increasingly appealing, until it is no longer clear what the battle is about or who the adversaries are. All that is left are desires fighting for precedence that are sometimes suddenly in harmony, and subsequently disintegrate again into apparent confusion. At the end there is no judgement, although the final notes show clearly who has been controlling things all through the piece.

During the applause we see reiki man standing obliquely in front of us. While everyone claps, he presses his hands together in front of his chest and makes a small bow, as if he is the only one to have walked this labyrinth, as if he has organised the performance and the music was just his soundtrack.

Silly prick.

 

13

Chartres is the town with the highest average number of days’ sunshine in France. So there is no place in this country where Jeremiah can look at you for longer. Yet even here he closes his eyes when it’s dark.

Then even in Chartres cathedral you are alone. No one sees you as you do battle with the Minotaur. The result is certain. It will win.

 


Translated from Dutch by Paul Vincent

 

Paul Vincent studied at Cambridge and Amsterdam, and after teaching Dutch at the University of London for over twenty years became a full-time translator in 1989. Since then he has published a wide variety of translated poetry, non-fiction and fiction, including work by Achterberg, Claus, Couperus, Elsschot, Jellema, Mulisch, De Moor and Van den Brink. He is a member of the Society of Dutch Literature in Leiden.