I will follow you

Ik volg je

Michael Bijnens

Michael Bijnens

Michael Bijnens (Antwerp, 1990) is a theatre maker and a writer. He studied at the Rits in Brussels, where he tried every genre and media but eventually found himself most at home in the world of the written word. During his training he regularly spent several months abroad. A stay of five months in Mexico resulted in the text La Línea and in the graduation performance of the same name. With the triptych Iris/O falso profeto/Bloedspoor he won the ARTES Jongtheaterschrijfprijs at Theater Aan Zee 2013. Together with Aurelie Di Marino he made the performance Valley of Saints in 2014. 2015 saw the publication of his debut novel Cinderella (Atlas Contact), a tragic and especially hilarious journey through the underworld à la Flamande. The same year he made the performance Aperçu de l’inconnu and was awarded the Charlotte Köhler stipend for burgeoning literary talent.

Close

Antwerp All citybooks

Download the ePub Print

Ik volg je


Toen ik voor het eerst gegevens begon te verzamelen was ik zestien jaar oud. Ik barricadeerde een kamer in het huis van mijn vader en las er brieven die ik verzamelde tijdens doelloze wandelingen in de stad. Vaak puilden brievenbussen ’s ochtends uit door reclamefolders en streekkranten en kon je er de brieven makkelijk tussenuit futselen. De meeste gooide ik meteen weg: uitnodigingen, facturen, aanmaningen, boetes, nieuwsbrieven. Slechts in bijzonder weinig gevallen, misschien bij een op de twintig enveloppen die ik opende, kreeg ik toegang tot iets persoonlijks, en ontvouwden zich in de papieren die ik gladstreek intieme details, verzoeken tot echtscheiding, kaarten uit vakantiebestemmingen, slecht geschreven en pathetische liefdesverklaringen. Hoe meer van dat soort brieven ik verzamelde, hoe meer ik de indruk kreeg dat ze op elkaar leken. Alsof mensen in de delen van hun leven die ze voor elkaar afschermden evenzeer vervielen tot de gemeenplaatsen die ik al kende uit publieke gesprekken. Toch kon ik het niet laten ze te lezen, en genoot ik ervan om mij voor te stellen hoe bijvoorbeeld de ogen eruitzagen van de schrijver wiens traan op het blad was gevallen, vocht dat was uitgesmeerd over de woorden, zich vermengend met inkt.

Tot mijn vader een keer dronken thuiskwam en hij in mijn kamer begon te morrelen, waarschijnlijk uit nieuwsgierigheid naar de persoon die al jaren in zijn huis leek te verblijven, en er al mijn brieven vond. Hij heeft ze weggegooid, verbrand, ergens op straat laten liggen, zonder mij er ooit nog naar te vragen.

Gelukkig had ik in die periode de gelijkvormigheid van telefoonnummers ontdekt. Ik veranderde de instellingen op mijn gsm zodat mijn nummer voor anderen verborgen zou blijven en begon willekeurig cijfers in te toetsen. De eerste vier zijn in België beperkt tussen 0470 en 0499, daarna volgen nog zes cijfers, waarvan de meeste combinaties daadwerkelijk in gebruik zijn. Op die manier heb je niet eens een telefoonboek nodig om de stemmen van vreemden te horen. Aanvankelijk had ik genoeg aan de verwarring in iemands stem, korte vragende uitroepen die ik aan mijn kant in stilte liet oplossen, hoogstens een zucht, een paar stopwoorden, en dan de klik van het abrupte einde. Gaandeweg begon ik zelf dingen te zeggen, ik stelde mij voor als iemand die verkeerd was verbonden, zei dat ik bij de politie werkte, of vertelde een iets oudere dame dat ik met haar echtgenoot sliep. In een enkel geval lukte het mij om een gesprek op te starten, en onderhield ik relaties met personen die mij verzochten opnieuw contact op te nemen, al waren dat meestal mannen en kon zo’n gesprek plotsklaps ontaarden in iets dat hen meer opwond dan mij.

Natuurlijk heb ik in al die jaren ook gewoon mensen ontmoet. Ik luisterde naar de weinig belangwekkende besognes van de jonge vrouwen met wie ik studeerde, ik hoorde hoe mannen mij notities, en later rapporten, te leen vroegen, soms kwam ik iemand tegen, meestal bij uitgaansgelegenheden, die in een wirwar van woorden een weg zocht naar de ontsluiting van mijn schoot, hetgeen ik, indien de samenhang van geuren, gezichtsbeharing en algemeen lichamelijk figuur van de desbetreffende persoon naar mijn smaak was, liever non-verbaal afhandelde. Neen, al bij al bleven de ontmoetingen in mijn leven beperkt tot gangbare uitwisselingen van zelfbevestiging, waarbij de ander steevast fungeerde als een spiegel voor de eigen seksuele en sociale behoeften; ik merkte dat de personen die mij voor zulke noden opzochten meestal enigszins op mij leken, wat, vanwege de overeenkomstige sociale inhibities, hun aantal aanzienlijk beperkte.

Ik had het meer voor de ongrijpbare vreemdeling. De botsing tussen twee karakters die niet wordt afgedwongen door een gedeelde context of tussenliggende relaties. Neen, ik wilde in staat kunnen zijn eender wie op deze planeet te kennen, al was er geen enkele verbindingslijn in de wereld om ons heen, geen enkele gedeelde interesse of kennis, en hadden we op de gewoonlijke route van mijn huis naar mijn werk nooit straten en treinen met elkaar gedeeld. Kortom, het grote probleem met ontmoetingen was dat ze aanleidingen vergden, en op dat punt in mijn leven kon ik niet anders dan tot de conclusie komen dat die aanleidingen in mijn geval te zeldzaam waren om tot vruchtbare resultaten te leiden. Ik wilde mensen in mijn leven die er niet vanzelf in terechtkwamen.

Meestal was ik in die behoefte alleen.


En toch deed ik het telkens weer opnieuw. Ik volgde mensen die niet wisten dat ik bestond. Meestal mannen, de kloof tussen hen en mij was groter, interessanter, gevaarlijker. Ik observeerde hen aan togen en tafels, ik liep mee naar hun werk en kwam zelf soms te laat op het mijne, ik ging naast hen zitten in treinen en keek mee in de tabellen op hun laptops. Nooit bood ik daarbij mijn bestaan zomaar aan, nooit liet ik het al te snel op een te gemakkelijke en vrijblijvende confrontatie uitlopen, nooit liet ik mij naar de vergetelheid van hun appartementen of hotelkamers dragen. Zij bestonden, ik niet. En meestal slaagde ik er in dat zo lang mogelijk zo te houden. Wanneer ik hun per ongeluk toch was opgevallen, was de reactie meestal ontwijkend, slechts een enkele man gaf mij een duw of liep weg. Ik was aan onbekenden verslaafd, hun routes, hun vrouwen, hun affaires, hun aarzelingen, hun briefwisselingen, de berichten op hun gsm’s, ik verzamelde ze als een geheim agent die zichzelf in een oorlog waant die eigenlijk nooit heeft bestaan.

Dus liep ik ook hem achterna. De Kaukasische man die ik had zien zitten in een café in een verdwaalde straat die niet in de richting van het station lag waar ik na mijn werk normaal gezien altijd heenliep. Het was een dag die weinig van andere dagen verschilde. Ik was naar mijn werk gegaan, had e-mails verstuurd naar adressen die hoorden bij functies, schreef de hele dag reclameteksten voor lezers die zich niet voor mijn verhaal interesseerden en maakte grapjes met mensen die zich in dezelfde ruimtes bevonden. Niets in het rimpelloze oppervlak van die dag wees erop dat ik na mijn werk een andere afslag zou nemen, mijzelf erover verbazend hoeveel gevels en stoepranden er in je eigen stad bestaan die je nog nooit hebt gezien. Onderweg zag ik een oude man in een rolstoel die in het midden van een drukke straat stond te wachten en niet werd geholpen, ik kruiste een zakenman die met zijn gsm over rechtzaken sprak en die, toen hij ophing, verdwaasd leek, alsof hij geen enkel aanknopingspunt had. Ik was ook hem een tijd gevolgd, tot hij een tram nam die zo vol was dat ik er zelf niet meer bij kon. Daarna liep ik een tijdlang door straten waarin zich verder niemand bevond, bestelde in een café een glas water en zag hem zitten, twee tafels verder. Hij had geen boek bij zich, geen telefoon, geen gezelschap, geen schrift dat zijn gedachten bijhield, hij staarde alleen maar voor zich uit en hij dronk niet van zijn koffie. Ik kende hem niet, ik had hem nooit eerder gezien en toch vond ik dat hij iets met zich meedroeg dat ik vertrouwde en toch niet begreep, een geheim waarvan je de contouren maar het midden niet kent, een vraagteken dat resoluut mijn richting uitwees.

Zijn gezicht was ruw, zijn wangen woest en behaard, zijn rimpels groeven die zijn warme uitdrukking reliëf gaven, de ogen donkerblauwe putten die mij in het café niet hadden aangekeken, zelfs als onze blikken elkaar kruisten. Na een half uur stond hij op, zoals steeds werd ik tijdens de eerste paar seconden verlamd door twijfel, tot ik, ergens in de wankele gewichtsloosheid van mijn opwinding, loskwam en opstond. Ik ademde in, merkte dat het geen zin meer had om te gaan zitten, legde twee euro op tafel en liep naar buiten, hem achterna. Gelukkig was zijn tred zelfverzekerd en krachtig, waardoor ik niet moest vertragen. Hij liep eerst voorbij rijen statige, bijna gefossiliseerde herenhuizen, daarna een klein en driehoekig park, als een schaamstreek verstopt tussen lange lanen met dure appartementen, zijn figuur vergleed en verdween maar kwam telkens weer terug. Straten liepen in elkaar over zonder ooit van elkaars bestaan af te weten. Eeuwig verbonden en eeuwig gescheiden. De gevels, de grauwe luchten, de gezichten van in zichzelf gekeerde orthodoxe Joden, hun zwarte vestimentaire herinnering aan donkere eeuwen, hun haastige pas, hun verstarde uitdrukking waarmee ze de wereld op afstand proberen te houden. Beelden die ik elke dag zag en nu dromerig leken, alsof ik door een labyrint wandelde waarin ik de weg perfect kende en mijzelf toch verdwaalde voelde.

Na ruim een half uur liepen we langs de roetzwarte muur die de spoorwegen tilde, links van mij gleden obscure juwelierszaken voorbij, net als de regen, die was aangezwollen en waarvan de druppels op mijn gezicht bleven kleven als tranen zonder verdriet. In die straat zag ik hem iets uit zijn zak halen, sleutels misschien, daarna sloeg hij af en verdween in het stoffige en verwarde gangenstelsel onder het Centraal Station, een donker en verlaten deel van het gebouw waarvoor de architecten, in tegenstelling tot hun aanpassingen aan de koloniale en luisterrijke voorkant, nooit gevierd zullen worden. Even vreesde ik dat hij een roltrap zou opstappen en daarna zou verdwijnen in de stroom naar huis terugkerende forenzen, waardoor zijn gestalte zou oplossen in die van honderden anderen en al mijn schaduwwerk voor niets was geweest. Pas toen ik hem in de verte een van de stoffige juwelenwinkels in zag lopen, besefte ik dat mijn ademhaling was versneld, ik zoog een overdaad aan lucht naar binnen en ademde in schokjes weer uit. Ik had hem. Zijn handel was een aanknopingspunt dat hem voortaan aan mij bond. Ik liep achteloos verder, keek op het moment dat ik zijn winkel voorbijliep niet eens naar binnen, en stapte iets later de trein op.


Een week later had ik een hoek gevonden van waaruit ik zijn zaak onopgemerkt in de gaten kon houden. Tijdens de keren dat ik er de voorgaande dagen voorbij was gelopen, was zijn handel vaak op onverklaarbare uren gesloten. Ik rookte, wreef in mijn handen, de kou die zich nu opeenstapelde in mijn knokkels zou in de trein weer vrijkomen en pijn doen. Voor zijn winkel stonden een aantal borden met reclame en goedkope juwelen, heel af en toe schuifelden toeristen voorbij op zoek naar een goedkoop bewijs van hun verblijf, maar meestal was de aanblik van klanten heel erg zeldzaam. Af en toe liepen mannen de handel in en uit die bijna uitsluitend kort en vierkant van stuk waren en van wie het haar zwarter was dan de binnenkant van een graf.

In die beginperiode was ik hem een paar keer vruchteloos achternagelopen nadat hij zijn borden met juwelen weer had binnengezet – vermoedelijk zonder dat hij ook maar een artikel verkocht had – en langs de roltrappen het station uitliep en daar in een antracietkleurige Mercedes verdween. Ik had het eerlijk gezegd bijna opgegeven, mijn schaduwoefeningen leverden dit keer te weinig elementen op om ze spannend te houden, de juwelenhandelaar had geen affaires, ik wist niet eens of hij al dan niet was getrouwd, of hij kinderen had. Heel even had ik nog overwogen om op het internet een kleine zender te kopen die ik op zijn auto zou plaatsen, maar dat idee leek mij binnen een paar minuten volstrekt ridicuul.

De eerste keer dat ik wel iets zag waarover ik achteraf bleef rumineren was bijna toevallig. Ik liep sowieso elke dag door het station en had als vanzelf de gewoonte aangenomen om langs zijn winkel te gaan. Op het moment dat ik er voorbijliep, deed hij net zijn winkel op slot. Hij keek in mijn richting. Liep recht op mij af.

Ik deed alsof mijn neus bloedde en merkte pas na een paar volle seconden dat ik was blijven stilstaan. Toch voelde ik de lucht tussen ons beiden, de moleculen verhardden, voegden zich samen, raakten elkaar op een manier die niet meer willekeurig kon zijn. Ik keek hem aan, schaamteloos, recht in zijn gezicht, maar hij zag het niet en liep rakelings achter mij langs.

In de paar honderd meter die ik daarna heb afgelegd was ik behoedzamer dan anders. Als ik hem nog steeds niet bewust was opgevallen, dan moest mijn bestaan toch minstens een zweem van herkenning in zijn onderbewuste hebben achtergelaten. Ik nam nog minder risico dan gewoonlijk, trok het elastiek uit mijn haar en deed, ondanks de kou, mijn jas uit.

Buiten legde de regen een continue waas tussen ons beiden, een scherm waarachter hij telkens bijna verdween. Hij liep naar het noorden, langs het grote plein aan de voorkant van het station, stak een straat over, draaide een hoek om, stak opnieuw een straat over en liep verder. De man leek geen rechte lijn naar zijn bestemming te volgen, alsof hij zigzagde, en daardoor kwam heel even de gedachte in mij op dat hij mij van zich af wilde schudden. Al verdween dat vermoeden meteen toen ik hem naast een man in een joggingpak zag lopen, een jongeman nog, waarschijnlijk een Marokkaan, hij droeg sportschoenen waarvan het wit door het filter van motregen niet kon worden verborgen. De twee liepen maar een paar seconden naast elkaar, voor ik er erg in had was de jongeman weer verdwenen. Hij bleef even op de hoek van de straat staan en stak een sigaret op, de eerste die ik hem in al die weken zag roken. Daarna haalde hij zijn gsm uit zijn zak en belde hij iemand op. Dan liep hij verder, de hoek om, daarna nog een, en zo in een rechte lijn naar het station, alwaar hij weer in zijn winkel verdween.

Meer was het niet. En toch maakten deze gebeurtenissen in de daaropvolgende dagen een onverklaarbare spanning in mij los. De schichtigheid van de ontmoeting, de vreemde wandeling, het telefoongesprek achteraf, de stoffige winkel, de auto, alles begon erop te wijzen dat ik de afgelopen weken allesbehalve een kleinhandelaar in juwelen gevolgd was. In de volgende dagen tekende ik in mijn hoofd allerlei scenario’s uit omtrent zijn werkelijke inkomstenbronnen. De frequentie van mijn bezoeken aan de man en de winkel liepen op. In het onbekende tussen ons beiden had ik een schaduw ontwaard die mij lonkte en opwond.


Ongeveer een maand of drie nadat ik hem voor het eerst had gezien, ging ik naast hem zitten aan een bar. Ik wilde weten hoe dichtbij ik kon komen zonder dat het hem opviel. Hij zat er naast een andere man. De twee spraken een taal die ik niet kende en die Slavisch en bijna voorhistorisch klonk. Plotseling stonden ze allebei op, een van hen ging weg, de man die ik volgde bleef.

Het was een café waar ik normaal nooit zou zitten. Het licht was er fel, allerlei schermen schreeuwden er aan de muren, de serveersters kwamen uit verre steden waarvan ik de namen niet kende, aan een tafel in de hoek speelden oude mannen kaart, in een andere hoek verkwistte iemand aan een gokautomaat zijn volledige loon. De man bestelde een glas whisky, in dezelfde taal die hij met de andere man had gesproken. Hij nam een slok van zijn glas en draaide zijn hoofd in mijn richting en keek in mijn ogen. Niet erlangs, maar erdoor, zijn pupillen omvatten de mijne. Het duurde lang voor hij sprak.

‘Ik begrijp u.’

Ik verslikte mij. Voor een halve seconde leek mijn bloed uit elektriciteit te bestaan. Ik zei niks en wachtte tot hij verder zou gaan.

‘Ik kom ook graag in plaatsen waar ik niks zoek.’

Ik bleef hangen bij de klanken waarin zijn woorden zaten gevangen; hij sprak scherp, duidelijk, zijn accent was lichter dan ik verwacht had maar bleef markant.

‘Zoals hier?’ vroeg ik.

‘Neen,’ zei hij, ‘zoals die café in Berchem waar ik u heb gezien een paar maanden terug.’

Een loodzware opluchting maakte zich van mij meester. Een bevrijding die sporen van schaamte bevatte.

‘Weet gij dat nog?’ vroeg ik.

‘Ik weet alles. Eerst ik dacht dat gij voor de politie werkte. Dan heb ik gevraagd iemand om u te volgen tot bij uw werk. Een reclamebureau. Vijftien werknemers. Ook daarbij is een jonge blonde vrouw zoals gij met de naam Sophie Demuytere.’

‘En gij, hoe heet gij?’

‘Ik zeg dat niet. Gij moet maar zoeken.’

‘Wat weet gij nog over mij?’

‘Moeder dood. Vader slechte man. Dingen die gij op internet hebt gezet allemaal met veel ironie. Volgens mij gij hebt niet veel vrienden. Gij werkt en gij woont en gij leeft op plaatsen waar gij niet wilt zijn. Ik weet meer over u dan gij over mij.’

‘Mag ik raden?’

‘Ja.’

‘Na uw werk zie ik u ook niet vaak in gezelschap.’ ‘Ja,’ zei hij opnieuw.

Ik aarzelde. Wachtte of hij nog iets zou zeggen.

‘Meestal mensen doen sociaal,’ zei hij, ‘de plaats tussen hen in kunnen zij moeilijk verdragen, dus doen zij die plaats vol met woorden die het makkelijk maken. Ik heb niet veel van die woorden.’

‘Is het niet vervelend?’

‘Wat?’

‘Alleen zijn.’

‘Neen. Bij u?’

Ik knikte. Als uit reflex. Terwijl ik misschien eerder nee wilde zeggen.

‘Mag ik iets vragen?’

‘Ja.’

Nogmaals. Een woord dat het verschil kon maken tussen alles en niets en toch uit slechts twee letters bestond.

‘Wat deed gij met die Marokkaan?’

‘Business.’

‘Verkoopt gij echt alleen maar goud?’

‘Neen.’

‘Wat nog?’

‘Geld.’

‘Dat kunt ge toch niet verkopen?’

‘Wit geld. Groot geld. Veel mensen hebben klein geld. Ik koop goud van oude mevrouwen, breng het goud naar een smelter, en krijg groot geld. Dan komen er mensen met klein geld. Groot geld is beter, voor in koffers, voor in buitenland, voor makkelijker te verdwijnen.’

‘Zijn die mensen kwaadaardig?’

‘Neen.’

‘En gij?’

‘Als het moet,’ zei hij. Zonder enige aarzeling.

Het was de voorlaatste vraag die ik hem stelde. Toen ik hem vroeg waarom hij zo eerlijk was, zei hij dat hij nog steeds niets had verteld. En het klopte. Na de bekentenissen die alleen maar bevestigden wat ik al dacht, praatten we nog anderhalf uur met elkaar en bleef zijn blik steeds vaker hangen in de mijne en begon zijn geur mij op te vallen en vervolgens te bedwelmen. Het was geen spel dat we speelden, bijna op geen enkel moment werd er iets omfloerst of ontweken, nergens werd gezinspeeld op de onderliggende realiteit van deze ontmoeting, alles wat ons samendreef en bij elkaar hield werd onbeschroomd en zonder franjes benoemd. Deze man was direct. Onomwonden. Hij zei wat hij dacht en dacht wat hij zei. Precies dat maakte hem des te raadselachtiger.

Naarmate ik dronken werd, voelde ik hoe zijn woorden mij streelden, hoe zijn vingers de huid in mijn gezicht vleiden en hoe het donker in zijn ogen langzaam het donker in de mijne binnendrong. In die bedding legde hij de uiteindelijke vraag die het verloop van die nacht zou bepalen.

‘Nu, ik wil met u de liefde maken.’

Hij formuleerde het niet als een vraag.

Ik proestte en benevelde de ruimte tussen ons beiden met goedkope wijn. Hij liet zich niet van de wijs brengen en keek mij strak aan.

‘Ik wil proberen. Met u liefde maken.’

Bij die tweede keer was ik volledig vertederd. Ik stond op, en voor ik mij omdraaide begaf mijn mond zich naar de zijne. Het was geen volledige kus, maar een voorbode ervan. Mijn lippen schampten de zijne zonder dat ik ze proefde. Een zweem. Een idee. Zo platonisch als aanraking kan zijn.

Hij liep naar buiten.

Ik volgde hem.


Onderweg had hij niks gezegd, de straten onderwierpen zich moeiteloos aan zijn tred en ik merkte dat ik het spannend vond om mijzelf over te leveren aan zijn bestemming. Toen we nog geen kwartier later voor de ingang van een hotel stonden, keek hij mij nog een laatste keer aan als om mijn toestemming te vragen, een hoffelijkheid die daarna verdween in een doelgerichtheid die mij geruststelde. In de lift bleef hij mij aankijken, op geen enkel moment werd hij ongemakkelijk van mijn ogen, nooit ontweek hij mijn blik. Hij was warm en hij bestond uit beslissing en elke spier in zijn gezicht was oprecht. Nog nooit in mijn leven had ik iemand zo veel vertrouwd als hem.

Hij deed de deur open, liet mij voorgaan, nam alle sterke drank uit de minibar en schonk mij en zichzelf een glas whisky in. Hij gaf mij te drinken en sloot de gordijnen en dempte het licht en zei dat hij naar mij wilde kijken terwijl ik mij uitkleedde. Terwijl ik mijn schoenen losgespte, bleef ik hem aankijken. Zijn blik begeleidde mijn handen. Toen ik klaar was, ging hij naast mij zitten en gaf hij mij een voorzichtige kus op een van mijn borsten. In plaats van verder te gaan stond hij weer op. De koude lucht tintelde op de warmte van mijn huid. Nog even en wij zouden die lucht samen verdrijven.

Hij pakte zijn tas, aanvankelijk dacht ik dat hij er een condoom uit wilde halen. Dat was niet zo. Blijkbaar had hij eerst de behoefte om te roken. Hij nam zelfs de tijd om op een stoel te gaan staan en de detector uit te schakelen. Zijn blik was verdwenen.

En daarna was het te laat.

Vlak voor hij zijn sigaret had aangestoken werd er op de deur geklopt. Er kwam iemand binnen. Ik sprong van bed en griste mijn kleren bijeen, waarop hij, de man die mij hierheen had gebracht, aanvankelijk dacht dat hij mij met een enkel handgebaar weer kon sussen. Ik twijfelde, ging verder met graaien, stond op en stormde op hem af en probeerde hem naar buiten te duwen. De naaktheid kon mij niets meer schelen. Ik moest hier eerst weg. Hij duwde mij weer op bed. De daaraan voorafgaande chaos gereduceerd tot een verstild tafereel.

De man die hij had binnengelaten was gigantisch. Zijn gewicht welde over zijn kraag, knopen kregen de boel amper nog bij elkaar. De twee mannen lachten. Ik keek hen bewegingsloos aan. Geld werd geteld. Daarna overhandigd. Die grote, zweterige man, het gitzwarte haar op zijn schouders, de lege blik in zijn ogen, de witte kleur van zijn sokken. Hij was de onbekende die ik al die tijd had gezocht.

 

Antwerpen, december 2015

Download the ePub Print

Je te suis


Lorsque je me mis pour la première fois à rassembler des données, j’avais seize ans. Je barricadai une pièce dans la maison de mon père pour y lire des lettres collectées au cours de pérégrinations inanes à travers la ville. Le matin tôt, les dépliants publicitaires et autres journaux régionaux faisaient souvent déborder les boîtes aux lettres et c’était un jeu d’enfant d’en extirper les courriers. J’en jetais sur-le-champ la plupart : invitations, factures, sommations, contraventions et bulletins d’information. Dans des cas extrêmement rares, dans peut-être une sur vingt enveloppes que j’ouvrais, il m’était donné d’avoir accès à quelque chose de personnel et dans les feuilles que je défroissais se déployaient alors des détails intimes, des demandes en divorce, des cartes de vue de lieux de vacances, des déclarations d’amour mal écrites et pathétiques. Plus je collectais de lettres de ce genre, plus j’acquis l’impression qu’elles se ressemblaient toutes. Comme si, dans les parties de leur vie qu’ils cloisonnaient mutuellement avec tant de soin, les gens retombaient tout autant dans les lieux communs que je connaissais déjà des conversations en public. Cependant, je ne pouvais m’empêcher de les lire et je prenais plaisir à m’imaginer de quoi pouvaient avoir l’air les yeux de l’auteur dont les larmes avaient coulé jusque sur la feuille, liquide qui s’était étalé sur les mots, qui s’était mélangé à l’encre.

Jusqu’à ce que mon père rentrât un jour sérieusement éméché et se mit à farfouiller dans ma chambre, mu probablement par un sursaut de curiosité pour la personne qui semblait vivre depuis de nombreuses années dans sa maison, et qu’il y trouvât toutes mes lettres. Il les jeta, les brûla ou les abandonna quelque part en rue sans plus jamais m’en parler.

Heureusement, j’avais découvert à cette époque l’uniformité des numéros de téléphone. Je modifiai les réglages de mon GSM de sorte à masquer mon numéro et je me mis à taper des numéros au hasard. En Belgique, les quatre premiers chiffres se situent obligatoirement dans une fourchette de 0470 à 0499, suivis de six autres chiffres dont la plupart des combinaisons sont effectivement en service. Ce qui fait qu’il n’est même pas besoin d’annuaire téléphonique pour entendre la voix d’un étranger. Au début, je me contentais de la confusion dans la voix de l’autre côté, de brèves exclamations interrogatives que je laissais se dissoudre dans le silence de mon côté, mis à part tout au plus un soupir voire deux, trois mots banals, suivis du clic final aussi brutal qu’inexorable. Progressivement, je me risquai à prononcer moi-même quelques paroles, me présentant comme quelqu’un qui s’était trompé de numéro, ou qui faisait partie de la police, ou je racontais à une dame plus toute jeune que je couchais avec son mari. Dans quelques cas vraiment rares, je réussis à engager une conversation et j’entretins des relations avec quelques personnes qui me demandaient de les rappeler, bien qu’il s’agît la plupart du temps d’hommes et que la conversation pût soudain dégénérer en un truc qui les excitait bien davantage que moi.

Au fil des ans, j’ai évidemment aussi tout simplement ‘rencontré’ des gens. J’écoutais les besognes peu emballantes des jeunes femmes avec lesquelles j’étudiais, j’entendais des hommes m’emprunter des notes de cours, plus tard des rapports, parfois je rencontrais, la plupart du temps dans les parages de lieux de sorties, quelqu’un qui tentait de se frayer par le biais d’un embrouillamini de paroles un passage vers l’entrée de mon jardinet (comme l’a écrit François Villon), un cas que je préférais finalement traiter de manière non verbale à condition que la cohérence d’odeurs, de pilosité faciale et de l’aspect corporel général de la personne concernée correspondît à mon propre goût. Non, tout compte fait, les rencontres dans ma vie se limitèrent à des échanges banals d’affirmations de soi, dans lesquels on confie à l’autre le rôle de miroir pour ses propres besoins sexuels et sociaux ; je constatai que les personnes qui recherchaient ma compagnie en vue de ce genre de besoins m’étaient souvent quelque peu semblables ce qui, au vu des inhibitions sociales y afférentes, en limita sensiblement le nombre.

Non, j’avais plutôt une prédilection pour l’étranger insaisissable. Pour la collision entre deux caractères, qui ne s’obtient pas par le biais d’un contexte partagé ou de relations intermédiaires. Non, je désirais être en mesure de faire la connaissance de n’importe qui sur cette planète, même s’il n’existait pas dans le monde autour de nous la moindre ligne de communication, pas le moindre intérêt ni savoir commun, et qu’on n’eût jamais eu en commun le moindre bout de rue ou le moindre compartiment de train sur le trajet habituel entre mon domicile et mon lieu de travail. Bref, le grand problème en matière de rencontres est qu’elles nécessitaient une occasion et, arrivé à ce stade de mon existence, il me fallut bien en arriver à la conclusion qu’en ce qui me concernait, les occasions étaient trop rares pour conduire à des résultats fructueux. Je voulais dans ma vie des gens qui n’y apparaissaient pas d’eux-mêmes.

La plupart du temps, j’étais seule à ressentir ce besoin.


Pourtant, je ne pouvais m’empêcher de recommencer. Je suivais des gens qui étaient dans l’ignorance totale de mon existence. Presque toujours des hommes, l’abîme entre eux et moi étant plus profond, plus intéressant, plus dangereux. Je les observais installés aux comptoirs et aux tables, je les accompagnais jusqu’à leur lieu de travail en arrivant même parfois en retard au mien, je m’asseyais à côté d’eux dans le train et je regardais les tableaux défilant sur l’écran de leur ordinateur portable. En même temps, je ne leur offrais jamais sans plus mon existence, jamais je ne laissais déboucher les choses sur une confrontation par trop facile et gratuite, jamais je ne me laissais porter vers l’oubli de leur appartement ou d’une chambre d’hôtel. Eux existaient, moi non. Et la plupart du temps, je réussissais à maintenir cet état de choses le plus longtemps possible. Si par malheur je me faisais malgré tout remarquer, la réaction était la plupart du temps évasive, rare était l’homme qui me flanquait une bourrade ou s’enfuyait. J’étais carrément accro aux inconnus, à leurs trajets, leurs femmes, leurs affaires, leurs hésitations, leurs correspondances, les messages sur leurs GSM, je les collectionnais comme un agent secret qui se croit impliqué dans une guerre qui n’a en fait jamais lieu.

Par conséquent, je me mis à le suivre à son tour, lui aussi. Le type caucasien que j’avais vu assis dans un café situé dans une rue perdue ne conduisant pas à la gare où je me rendais normalement tous les jours après le boulot. C’était une journée qui différait à peine des autres journées. Je m’étais rendue au travail, j’avais envoyé des courriels à des adresses correspondant à des fonctions, écrit toute la journée des textes publicitaires destinés à des lecteurs qui n’avaient rien à f… de mon histoire à moi et blagué avec des gens qui évoluaient dans les mêmes espaces que moi. Dans la surface sans rides de cette journée, il n’y eut pas le moindre indice annonçant qu’une fois le travail fini, je prendrais une autre bifurcation, m’étonnant moi-même du nombre incroyable de façades et de bords de trottoir que je n’avais encore jamais remarqués dans ma propre ville. En chemin, j’aperçus un vieillard dans un fauteuil roulant attendant au milieu d’une rue très fréquentée et que personne n’aidait, je croisai un homme d’affaires parlant dans son GSM de procédures juridiques et qui, après avoir raccroché, sembla complètement hagard, comme s’il ne retrouvait aucun point de repère. Lui aussi, je l’avais suivi un moment, jusqu’à ce qu’il saute dans un tram si bondé que je ne réussis plus à monter. Ensuite, je parcourus quelque temps des rues quasi désertes, je commandai un verre d’eau dans un café où je l’aperçus, assis deux tables plus loin. Il n’avait pas de livre, pas de téléphone, pas de compagnie, pas de cahier retenant ses réflexions, il ne faisait que regarder droit devant lui et ne buvait pas son café. Je ne le connaissais pas, je ne l’avais jamais vu de ma vie et je trouvais cependant, sans comprendre pourquoi, qu’il avait quelque chose qui m’inspirait confiance, un secret dont on connaîtrait les contours mais pas le noyau, un point d’interrogation orienté résolument dans ma direction.

Son visage était rêche, ses joues sauvages et poilues, ses rides des crevasses qui donnaient du relief à son expression chaleureuse, ses yeux des puits bleu foncé qui ne m’avaient pas regardée au café, même lorsque nos regards s’étaient croisés. Au bout d’une demi-heure, il se leva, et comme à chaque fois une hésitation me cloua sur place pendant quelques secondes, jusqu’à ce que je me détache enfin pour le suivre, emportée par l’apesanteur vacillante de mon excitation. Il avait heureusement la démarche assurée et puissante, ce qui m’évitait de ralentir. Il passa d’abord devant des rangées de maisons de maître imposantes et presque fossilisées, ensuite dans un petit parc triangulaire, semblable à un triangle pubien enserré entre de longues avenues bordés d’immeubles d’habitation coûteux, sa silhouette filait et disparaissait mais revenait à chaque fois. Des rues s’enfilaient sans jamais prendre réciproquement conscience de leur existence. Éternellement unies et éternellement séparées. Les façades, les ciels grisâtres, les visages de juifs orthodoxes introvertis, avec leur souvenir vestimentaire noir de siècles plus sombres encore, leurs pas pressés, leur expression figée dans une tentative de garder le monde à distance. Toutes des images que je voyais quotidiennement et qui paraissaient aujourd’hui oniriques, comme si je me baladais dans un labyrinthe où je connaissais parfaitement mon chemin mais où je me sentais néanmoins perdue.

Au bout d’une demi-heure, nous longeâmes le mur fuligineux qui supportait la voie ferrée, à ma gauche défilaient des bijouteries obscures, tout comme la pluie qui s’était amplifiée et dont les gouttes collaient à mon visage telles des larmes sans chagrin. Dans cette rue, je le vis sortir quelque chose de sa poche, des clés peut-être, et il bifurqua ensuite pour disparaître dans le réseau chaotique et poussiéreux sous la Gare centrale, une partie sombre et abandonnée de l’édifice, qui ne vaudrait certes jamais la moindre félicitation aux architectes, contrairement aux réhabilitations de la partie avant rappelant l’esprit des fastes coloniaux. Je craignis un instant qu’il ne prenne l’un ou l’autre escalator pour se voir ensuite happé par le flot de banlieusards sur le chemin du retour, dissolvant ainsi sa silhouette dans celle de centaines d’autres et annihilant d’un coup tout mon travail de filature. Ce n’est que lorsque je le vis au loin pénétrer dans une de ces bijouteries empoussiérées, que je me rendis compte que ma respiration s’était accélérée ; j’aspirai une quantité d’air excessive pour l’expirer ensuite à petits coups. Il était à moi. Son commerce était un repère qui le reliait désormais à moi. Je poursuivis nonchalamment mon chemin, ne lançant même pas un regard vers l’intérieur en passant devant son magasin, et quelques instants plus tard, je montai dans le train.


Une semaine plus tard, j’avais déniché un coin d’où je pouvais surveiller son commerce sans me faire remarquer. Lors de mes passages au cours des jours précédents, sa boutique était souvent fermée à des heures inexplicables. Je fumais, je me frottais les mains, le froid qui s’accumulait maintenant dans mes articulations se libérerait plus tard dans le train, provoquant une vive douleur familière. Devant sa boutique se trouvaient quelques panneaux avec des publicités et des bijoux à bas prix, de loin en loin quelques touristes traînaient par là à la recherche d’une preuve peu coûteuse de leur séjour, mais la plupart du temps, l’apparition d’un client était une rareté. De temps à autre, des hommes entraient et ressortaient du magasin, qui étaient presque tous de taille moyenne et de carrure forte avec des cheveux plus noirs que l’intérieur d’une tombe.

Ces premiers temps, je l’avais une fois ou deux suivi en vain après qu’il eut rentré ses panneaux avec les bijoux – probablement sans qu’il eût vendu le moindre article – et quitté la gare par un des escalators pour s’engouffrer ensuite dans une Mercedes de couleur anthracite. À dire vrai, j’avais presque abandonné la partie, mes exercices de filature ne fournissaient cette fois pas assez d’éléments pour maintenir la tension, le bijoutier n’avait pas de liaisons, j’ignorais même s’il était marié ou non, s’il avait des enfants. J’avais envisagé un instant de me procurer par l’Internet un petit émetteur à placer en dessous de sa voiture, mais l’idée me sembla presque aussitôt complètement ridicule.

La première fois que je vis quelque chose qui me donna matière à ruminer après coup, fut un peu le fruit du hasard. Je traversais de toute manière tous les jours la gare et j’avais pris presque inconsciemment l’habitude de passer devant sa boutique. À l’instant même où je passai, il sortit et ferma son magasin à clé. Il lança un regard dans ma direction. Se dirigea droit vers moi.

Je fis semblant de rien et ne me rendis compte qu’après quelques secondes que je m’étais arrêtée. Je sentis cependant l’air entre nous deux, les molécules se solidifièrent, se rejoignirent, se touchèrent d’une manière qui ne pouvait plus être arbitraire. Je le regardai, sans gêne, droit dans les yeux, mais il ne s’en aperçut pas et me dépassa en me frôlant par derrière.

Tout au long des premières centaines de mètres que je parcourus alors, je fus davantage sur mes gardes qu’avant. Si je ne m’étais toujours pas imposée consciemment à son regard, mon existence aurait dû laisser au moins un soupçon de reconnaissance dans son subconscient. Je pris encore moins de risques qu’avant, j’enlevai l’élastique de mes cheveux et malgré le froid, j’enlevai mon manteau.

Dehors, la pluie formait un voile continu entre nous deux, un écran derrière lequel il risquait de disparaître à tout instant. Il se dirigea vers le nord, par la place spacieuse à l’avant de la gare, il traversa une rue, tourna à l’angle, traversa une autre rue et poursuivit sa route. L’homme ne semblait pas se rendre en ligne droite vers sa destination, ce fut comme s’il zigzaguait, ce qui me fit penser dans un éclair qu’il essayait peut-être de me semer. Ce soupçon disparut sur-le-champ lorsque je l’aperçus à côté d’un homme en survêtement, un homme jeune encore, probablement marocain, qui portait des chaussures de sport dont la blancheur ne parvenait pas à rester cachée derrière le filtre du crachin qui n’arrêtait pas de tomber. Les deux ne se côtoyèrent que quelques secondes, j’eus à peine le temps de m’en rendre compte que le jeune homme avait déjà disparu. Mon homme à moi s’arrêta un instant à l’angle de la rue et alluma une cigarette, la première que je le vis fumer depuis toutes ces semaines. Il extirpa ensuite son GSM de sa poche et appela quelqu’un. Il reprit sa route, tourna le coin, ensuite un autre, avant de se diriger en ligne droite vers la gare où il disparut de nouveau dans son échoppe.

Rien d’autre. Pourtant, les jours suivants, ces événements suscitèrent en moi une tension inexplicable. La furtivité de la rencontre, l’itinéraire étrange, le coup de fil après, la boutique poussiéreuse, la voiture, tout cela semblait indiquer que la personne que j’avais suivie ces dernières semaines était tout sauf un détaillant en bijoux. Au fil des jours qui suivirent, j’imaginai mentalement toutes sortes de scénarios concernant ses véritables sources de revenus. La fréquence de mes visites à l’homme et au magasin augmenta. Dans le territoire inconnu entre nous deux, j’avais décelé une ombre qui m’adressait des œillades et m’excitait.


Quelque trois mois après l’avoir aperçu la toute première fois, je m’assis à côté de lui au zinc d’un bar. Je voulais savoir combien je pouvais m’approcher de lui sans qu’il le remarque. Il y était assis à côté d’un autre homme. Les deux parlaient une langue que je ne connaissais pas avec des sonorités slaves et presque préhistoriques. Soudain ils se levèrent de concert, l’un deux s’en alla, l’homme que je suivais resta.

C’était un café où je ne me serais jamais installée en temps normal. L’éclairage y était violent, avec toutes sortes d’écrans criards aux murs, les serveuses venaient de villes lointaines dont je ne connaissais pas les noms, à une table dans un coin de vieux hommes jouaient aux cartes, dans un autre coin quelqu’un dilapidait son salaire entier dans une machine à sous. L’homme commanda un whisky, dans la même langue qu’il avait parlée avec l’autre homme. Il but une gorgée de son verre, tourna la tête dans ma direction et me regarda dans les yeux. Pas à côté mais à travers, ses pupilles s’emparèrent des miennes. Il prit largement son temps avant de parler.

- Je comprends vous.

Je m’étranglai. Pendant une demi-seconde, mon sang eut l’air d’avoir changé en courant électrique. Je ne dis rien, attendant qu’il poursuive.

- Je aussi aime aller dans des endroits où je cherche rien.

Je demeurai accrochée aux sons qui emprisonnaient ses mots ; il parlait de manière tranchante, claire, avec un accent plus léger que je ne m’y étais attendue mais néanmoins marqué.

- Comme ici ? demandai-je.

- Non, dit-il, comme ce café à Berchem où j’ai vu vous un mois ou deux passés.

Un soulagement lourd comme une chape de plomb me tomba dessus. Une libération contenant des traces de confusion.

- Vous vous en souvenez ? demandai-je.

- Je sais tout. J’ai pensé d’abord vous travaillez pour la police. Alors j’ai demandé quelqu’un de vous suivre jusqu’à votre travail. Agence publicitaire. Quinze salariés. Aussi il y a une jeune femme blonde comme vous avec le nom Sophie Demuytere.

- Et vous, comment vous appelez-vous ?

- Je ne dis pas. Vous cherchez.

- Que savez-vous d’autre sur moi ?

- Mère morte. Père homme mauvais. Les choses mises par vous sur l’Internet toutes avec beaucoup d’ironie. Selon moi, vous n’avez pas beaucoup amis. Vous travaillez et vous habitez et vous vivez à des endroits où vous ne voulez pas être. Je sais plus sur vous que vous sur moi.

- Je peux deviner ?

- Oui.

- Après votre travail, je ne vous vois pas souvent en compagnie non plus.

- Oui, répéta-t-il.

J’hésitai. Attendant qu’il ajoute quelque chose ou non.

- La plupart du temps, les gens agissent socialement, dit-il, ils supportent mal l’espace entre eux et donc ils remplissent cet espace avec beaucoup beaucoup de mots qui rendent ça plus facile. Je n’ai pas beaucoup de ces mots.

- N’est-ce pas embêtant ?

- Quoi ?

- D’être seul.

- Non. Chez vous ?

J’acquiesçai. Comme par un réflexe. Tandis que j’aurais peut-être préféré dire non.

- Je peux demander quelque chose ?

- Oui.

Encore. Un mot qui pouvait faire la différence entre tout ou rien malgré qu’il ne comptât que trois pauvres lettres.

- Que faisiez-vous avec ce Marocain ?

- Affaires.

- Vous ne vendez vraiment que de l’or ?

- Non.

- Quoi encore ?

- De l’argent.

- On ne peut pas vendre de l’argent !?

- De l’argent blanc. Grand argent. Beaucoup de gens ont petit argent. J’achète de l’or de vieilles dames, j’apporte l’or chez un fondeur et reçois grand argent. Alors des gens viennent avec petit argent. Grand argent c’est mieux, pour les coffres, pour l’étranger, pour disparaître plus facilement.

- Ces gens sont malfaisants ?

- Non.

- Et vous ?

- S’il faut, dit-il. Sans la moindre hésitation.

Ce fut mon avant-dernière question. Lorsque je lui demandai pourquoi il était si franc, il me dit qu’il n’avait encore toujours rien raconté. C’était exact. Après les confessions qui avaient simplement confirmé ce que je pensais déjà, nous bavardâmes encore une heure et demie tandis que son regard s’accrochait de plus en plus souvent au mien et que son odeur commença à me frapper et ensuite à m’étourdir. Ce n’était pas un jeu que nous jouions, à aucun moment ou presque, des choses ne furent enjolivée ou évitées, il n’y eut aucune allusion à la réalité sous-jacente de cette rencontre, tout ce qui nous poussait l’un vers l’autre et nous maintenait ensemble fut nommé sans gêne et sans fioritures. Cet homme était direct. Sans détours. Il disait ce qu’il pensait et pensait ce qu’il disait. C’était précisément cela qui le rendait encore plus énigmatique.

Au fur et à mesure que je m’enivrais, je sentis comment ses paroles me caressaient, comment ses doigts flattaient la peau de mon visage et comment le noir de ses yeux pénétrait lentement dans le noir des miens. C’est sur cette couche moelleuse qu’il posa la question ultime qui déciderait du déroulement de cette nuit.

- Maintenant, je veux faire l’amour avec vous.

Il ne le formula pas sous forme de question.

Je m’esclaffai, troublant l’espace entre nous d’une bruine de vin ordinaire. Il ne se laissa pas déconcerter et me fixa du regard.

- Je veux essayer. Faire l’amour avec vous.

Cette deuxième tentative m’attendrit de fond en comble. Je me levai et, avant de me retourner, ma bouche s’approcha de la sienne. Ce ne fut pas un vrai baiser, mais un préambule. Mes lèvres effleurèrent les siennes sans que je les goûte. Un soupçon. Une idée. Un attouchement aussi platonique que possible.

Il sortit.

Je le suivis.


En cours de route, il n’avait rien dit, les rues se soumirent sans peine à sa marche et je remarquai pour moi que je trouvais passionnant de me livrer à sa destination. En arrivant même pas un quart d’heure plus tard devant l’entrée d’un hôtel, il me lança encore un dernier regard comme pour demander mon assentiment, une forme de courtoisie qui disparut ensuite pour faire place à une fermeté efficace qui me rassura. Dans l’ascenseur, il continua à me fixer, ne se sentant à aucun moment embarrassé par mes yeux, n’évitant jamais mon regard. Il était chaud et il était fait de décision et le moindre petit muscle dans son visage était sincère. Jamais, au grand jamais, je n’avais accordé tant de confiance à quelqu’un.

Il ouvrit la porte, s’effaça pour me laisser passer, sortit toutes les boissons alcoolisées du minibar et nous versa à chacun un verre de whisky. Il me donna à boire et ferma les rideaux et baissa la lumière en me disant qu’il voulait me regarder tandis que je me déshabillais. Tout en débouclant mes chaussures, je continuai à le regarder. Son regard accompagnait mes mains. Quand je fus prête, il vint s’asseoir à côté de moi et me donna un petit baiser très prudent sur un de mes seins. Mais au lieu de poursuivre, il se releva. L’air froid picota la chaleur de ma peau. Cet air que nous étions sur le point de chasser ensemble.

Il se saisit de son sac, je pensai d’abord qu’il voulut en sortir un préservatif. Ce n’était pas le cas. Il semblait d’abord avoir besoin de fumer. Il prit même le temps de monter sur une chaise pour débrancher le détecteur. Son regard avait disparu.

Et après, ce fut trop tard.

Juste avant qu’il eût allumé sa cigarette, on frappa à la porte. Quelqu’un entra. Je sautai du lit et ramassai mes vêtements sur quoi l’homme, celui qui m’avait amenée ici, s’imagina d’abord qu’il pouvait m’amadouer d’un simple geste de la main. J’hésitai, continuai à ramasser, me levai et fonçai droit sur lui pour essayer de le pousser dehors. Je me moquais bien de ma nudité. Il fallait d’abord que je sorte de là. Il me repoussa sur le lit. Le chaos qui avait précédé s’en trouva réduit à un arrêt sur image.

L’homme qu’il avait fait entrer était gigantesque. Son volume énorme débordait de son col, les boutons retenaient à peine l’ensemble massif. Les deux hommes riaient. Je les regardai, immobile. Il y eut de l’argent compté. Ensuite transmis. Ce colosse suant, ses cheveux noirs de jais jusque sur ses épaules, le regard vide dans ses yeux, le blanc de ses chaussettes. C’était lui, l’inconnu que je n’avais cessé de chercher pendant tout ce temps.


Anvers, décembre 2015.

 

 

Traduit du néerlandais par Michel Perquy


Michel Perquy traduit du et vers le français. Il est né à Bruges (1943) et a étudié les langues romanes à la KULeuven, après ses humanités gréco-latines. En tant que professeur de français, il était très actif dans le théâtre de son école et, dans cette optique, il a commencé à traduire (Boris Vian, Molière, Giraudoux, René Girard). Ensuite, il a été nommé directeur adjoint de la Maison des Etudiants belges à Paris et il a continué à développer ses activités de traduction (www.perquy.net). Actuellement, il habite à Bruxelles. Traduire et peindre (www.oparijs.eu) sont ses activités principales.

Download the ePub Print

I will follow you


I was just sixteen years old when I began collecting data. I barricaded a room in my father’s house and read letters that I collected during aimless walks around town. You could easily pull those letters from between the junk mail and regional papers bulging out from people’s letterboxes. I threw away most of them immediately: invitations, invoices, final demands, fines, newsletters. Only in very few cases – perhaps one in twenty envelopes - did I gain access to something personal, folding open and smoothing out intimate details, appeals for divorce, postcards from holiday destinations, badly written and pathetic declarations of love. The more I collected such letters, the more I found they resembled each other. As if in the parts of their lives that people kept hidden from one another, they resorted to similar clichés that I had already heard in public conversation. Still, I couldn’t keep myself from reading them and enjoyed imagining what, for example, the eyes looked like of the person whose tear had fallen on the page, moisture that had smudged the words, had mixed with the ink.

Until that one time my father came home drunk and began rummaging round my room, probably curious about the person who appeared to have been staying in his house all those years, finding my letters. He threw them away, burnt them, left them out in the street, without ever asking me about them.

During that period, I had found out about the uniformity of telephone numbers. I changed the settings on my mobile phone, so my number would be shielded from others, and started to press random digits. In Belgium, the first four have a limited range from 0470 to 0499, followed by six digits, of which most are actually in use. That means you don’t really need to consult the phone book to hear a stranger’s voice. At first I was satisfied just hearing the confusion in someone’s voice. Brief, questioning exclamations that I allowed to dissolve into silence at my end, or would follow with the odd sigh, a few fillers and the click of the sudden close. Gradually I began to say things myself, introducing myself as someone who had dialled the wrong number, as a police officer, or told an aging woman that I was sleeping with her husband. In any case, I managed to strike up a conversation and maintained relationships with people who requested I call again, although those were usually men, who let the conversation suddenly veer off course into something that excited them more than me.

Naturally, I also met people in real life during that time. I listened to the far from interesting troubles of the young women with whom I was studying, I heard how men asked to borrow notes from me and later reports, sometimes I would meet people, mostly at nightspots, who in a muddle of words tried to find the way to unlock the secrets of my lap, which I, if the combination of smells, facial hair and general physique appealed to me, preferred to deal with non-verbally. No, all in all, the encounters in my life remained limited to the usual exchanges of self-assurance, where the other person would invariably function as a mirror of their own sexual and social needs; I noticed that the people who sought me out to satisfy such needs usually resembled me in some way or other, which based on the corresponding social inhibitions decreased their number considerably.

I had more of a thing for intangible strangers. The clash between two characters not determined by a shared context or intermediate relationships. No, I wanted to be capable of knowing anybody on this planet, even if there was no point of connection between us on earth, no shared interest or knowledge, nor common road or train ride shared along the usual route from my home to my office. In short, the biggest problem with encounters was that they needed an occasion and where that was concerned I could reach no other conclusion that in my life those occasions were too scarce to lead to satisfying results. I wanted people in my life that wouldn’t enter it of their own accord.

Mostly though, I was alone in that need.


And yet I kept trying. I followed people who didn’t know I existed. Mostly men, the divide between them and me being greater, more interesting, more dangerous. I observed them at their bars and tables, I accompanied them to their places of work and sometimes arrived too late at my own, I sat next to them on trains and watched the spreadsheets on their laptops over their shoulders. Not once did I offer my existence to them without reason, not once did I let it lead to an all too easy and incidental confrontation, not once did I let them carry me to the oblivion of their apartments or hotel rooms. They existed, I did not. And usually I managed to keep it that way for as long as possible. When they did notice me by accident, the reaction was usually an evasive one, apart from the occasional man pushing me away or walking off. I was addicted to strangers, their routes, their women, their affairs, their hesitations, their correspondence, the messages on their mobile phones, I collected them like a secret agent who fantasizes he is involved in a war that never really existed.

So I followed him too. The Caucasian man I had seen sitting in a bar in a lost street, heading away from the station that I normally walked to after work. It was a day that differed little from other days. I had gone to the office, had sent emails to addresses belonging to various positions, had written advertising copy all day for readers not interested in my story and cracked jokes with people occupying the same spaces as me. Nothing on that day’s smooth surface indicated I would be taking a different turn after work, being astonished by the number of facades and kerbs that existed in my own city that I had never seen. Along the way I saw an old man in a wheelchair who stood waiting in the middle of the road without anyone coming to his aid; I ran into a businessman talking to his mobile phone about lawsuits, who, after he had hung up, looked around him in a daze, as if he didn’t have a single reference point. I had also followed him for a while, until he’d taken a tram that was too full for me to join him. Then I walked along streets for a time where there was no-one, ordered a glass of water at a bar and saw him again, two tables further up. He didn’t have a book, nor a phone, nor company, no notebook to record his thoughts, all he did was stare ahead, not drinking his coffee. I didn’t know him, I had never seen him before and yet I thought there was something about him that I trusted without understanding why, a secret of which you see the contours but not the centre, a question mark that pointed resolutely in my direction.

His face was coarse, his cheeks rough and hairy, his wrinkles were furrows that gave depth to his warm expression, the eyes dark-blue holes that hadn’t looked at me in the bar, even when our eyes crossed paths. After thirty minutes he got up, paralyzing me with doubt for a few seconds as per usual, until I broke free somewhere in that unbalanced weightlessness of excitement and got up. I breathed in, noticed there was no point in sitting down again, put two euros on the table and walked out, in pursuit. Fortunately, his pace was steady and forceful, so I didn’t have to slow down. He first passed a row of stately, almost fossilized town houses, then the small triangle of a park, secluded like a pubic area between long avenues of expensive apartments, his figure slipping away, vanishing, but each time reappearing. Streets merged without any of them being aware of each other’s existence. Forever connected, forever divided. The facades, the grey skies, the faces of inward-looking Orthodox Jews, their black-robed memory of centuries of darkness, their hastened tread, their frozen expression that tried to keep the world at bay. Images I saw every day that now appeared like a dream, as if I was walking through a labyrinth where I knew the way by heart and yet felt lost.


After a little over half an hour, we walked past the ash-blackened wall that hoisted the rail tracks, to my left obscure jewellers glided past, just like the rain that had swollen and whose drops stuck to my face like tears without sadness. I saw him take something from his pocket in that street, keys perhaps, then he took a turn and disappeared into the dusty and confusing system of corridors below the Central Station, a dark and desolate part of the building for which the architects, in contrast with their adaptations to the colonial and illustrious facade, will never be commended. For a moment, I feared he would take an escalator and then disappear in the flow of commuters returning home, letting his figure dissolve into those of countless others, rendering futile my shadowing efforts. Only when I saw him entering one of the dusty jewellers’ shops in the distance, did I realize my breathing had accelerated, that I was taking in a surplus of air and breathing out in fits and starts. I had him. His trade was a clue that bound him to me from that point onward. I casually walked on, not even looking into his shop as I passed it and got on the train shortly after.


A week later, I found a corner from which I could keep an eye on his place without being noticed. The times I had walked past his shop in the last few days, it had been closed at the most inexplicable hours. I smoked, rubbed my hands, the cold now building up in my knuckles would thaw out on the train and hurt. There were some notice boards in front of his shop with advertising and cheap jewellery and now and then tourists would stroll past looking for a cheap reminder of their stay, but people very rarely looked in anyway. Sometimes men walked in and out of his place of trade who were almost all short and squat and whose hair was blacker than the insides of a grave.

In those early days a few of my attempts to follow him had been futile, after he had put his trays of jewels back inside – without him having sold a single item, I supposed – and, walking past the escalators, he would leave the station and disappear into a dark grey Mercedes. To be honest, I had almost given up hope, my shadowing exercises resulting in too few elements to keep them exciting. The jeweller didn’t have any affairs, I didn’t even know whether he was married or not or if he had any children. I had briefly considered buying a small transmitter online to place on his car, but the idea seemed ridiculous after a few minutes.

The first time I did see something that stayed on my mind afterwards, it happened almost by chance. I walked through the station every day anyway and had become accustomed to passing by his shop. He was locking up the shop while I was walking past. He looked in my direction. Headed right for me.

I pretended not to see him and it was a few full seconds before I realized that I hadn’t moved. And still I felt the air between us, the molecules solidifying, gathering up, touching each other in a way that couldn’t just be coincidental. I looked at him shamelessly, straight in the eye, but he didn’t see and narrowly passed behind me.

In the few hundred metres I subsequently covered I was more cautious than ever. If he hadn’t consciously noticed me by then, then my existence should at least have left a hint of recognition in his subconscious. I took less of a risk than I usually did, pulled the elastic band from my hair and, despite the chill, took off my coat.

Outside, the rain draped a continuous haze between the both of us, a shield behind which he kept almost disappearing. He walked north, along the large square in front of the station, crossed the street, turned a corner, crossed another street and kept walking. The man did not appear to be following a straight line to his destination, as if he was zigzagging, which is why I suddenly thought he was trying to lose me. But that notion disappeared at once when I saw him walking beside a man in a jogging suit, a young man still, probably Moroccan, wearing sports shoes so white, it couldn’t possibly be filtered out by the drizzle. The two of them were only next to each other for a few seconds and before I knew it the young man had disappeared. He stopped at the street corner for a bit and lit a cigarette, the first I had seen him smoke in all those weeks. Then he took his mobile from his pocket and called someone. Then he walked on, turned a corner, then another and after that headed straight for the station, where he vanished into his shop again.

That was all. And yet these events released an inexplicable excitement in me over the days that followed. The furtive nature of the meeting, the strange walk, the phone conversation afterwards, the dusty shop, the car, everything now seemed to indicate I hadn’t just followed a small trader in jewellery. Over the next few days I outlined various scenarios in my mind concerning his true sources of income. The frequency of my visits to the man and his shop grew. The unknown that existed between us had formed a shadow that both lured me in and excited me.


About three months after I had first seen him, I sat next to him at a bar. I wanted to know how close I could get without him noticing. He was sitting beside another man. The two spoke in a language I didn’t recognize and that sounded Slavic, almost prehistoric. Suddenly they both got up, one of them left, the man I was following stayed behind.

It was the kind of place where I wouldn’t normally go. The light was bright, there were various loud screens on the walls, the waitresses came from places with names I didn’t know, old men played cards at a table in the corner, someone was wasting his entire wage packet on a fruit machine in another corner. The man ordered a glass of whisky, in the same language he had spoken to the other man. He took a sip from his glass and turned his head in my direction and looked me in the eye. Not past, but through it, his pupils encompassing mine. It took a while for him to speak.

‘I understand you.’

I almost choked. For half a second my blood seemed to be electric. I said nothing and waited for him to continue.

‘I also like to frequent places where I have no business being.’

I was caught on the sounds in which his words were trapped; his voice was sharp, clear, his accent slighter than I had expected, but quite distinctive none the less.

‘Like here you mean?’ I asked.

‘No,’ he said, ‘like that café in Berchem where I saw you a few months back.’

A massive sense of relief washed over me. A release that contained traces of shame.

‘You still remember that?’ I asked.

‘I know everything. At first I thought you were working for the police. Then I asked someone to follow you to work. An advertising agency. Fifteen employees. One of them is a young blonde like you called Sophie Demuytere.’

‘And you, what’s your name?’

‘I’m not going to tell you. Find out.’

‘What else do you know about me?’

‘Mother dead. Father a bad man. Things you posted on the internet with a great deal of irony. I don’t think you have many friends. You work and you live and you go to places where you don’t want to be. I know more about you than you about me.’

‘Can I take a guess?’

‘Yes.’

‘After work I don’t often see you in anyone’s company either.’

‘Yes,’ he said again.

I hesitated. Waited for him to say more.

‘Most people pretend to be social,’ he said, ‘they can’t handle the space between them, so they fill it with words that make it easier. I don’t have many of those words.’

‘Isn’t that awkward?’

‘What?’

‘Being alone.’

‘No. What about you?’

I nodded. As by reflex. While I perhaps would have rather said no.

‘Can I ask you something?’

‘Yes.’

Again. A word that could make the difference between everything and nothing and yet consisted of only three letters.

‘What were you doing with that Moroccan?’

‘Business.’

‘Is gold all you sell?’

‘No.’

‘What else?’

‘Money.’

‘But you can’t sell that, can you?’

‘Laundered money. Big money. Lots of people have small money. I buy gold from old ladies, take the gold to a smelter and get big money in return. Then people arrive with small money. Big money is better, it goes in suitcases, goes abroad, easier to make disappear.’

‘Are those people bad at heart?’

‘No.’

‘Are you?’

‘When I need to be,’ he said. Without any hesitation whatsoever.

It was the penultimate question I put to him. When I asked him why he was being so honest, he said that he hadn’t told me anything yet. And he was right. After those confessions that only confirmed what I already thought, we kept talking for ninety minutes, his gaze resting on mine more often while I began to notice his smell, began to be intoxicated by it. We weren’t playing games, there was hardly a moment when things were being veiled or avoided, there were no references to the underlying reality of this encounter, everything that brought us together and kept us there was being uttered freely and without any frills. This man was to the point. Frank. He said what he thought and thought what he said. Which was precisely what made him all the more enigmatic.

While I was getting drunk, I could feel his words caress me, his fingers flattering the skin on my face and the dark in his eyes slowly penetrating the darkness of mine. That laid the foundation for the ultimate question that would determine the course of that night.

‘You see, I want to make love to you.’

He didn’t phrase it as a question.

I spluttered and made the space between us misty with cheap wine. This didn’t throw him and he kept looking right at me.

‘I want to try. To make love to you.’

I was touched by that second attempt. I got up and before I turned round my mouth moved to his. It wasn’t a full kiss, but the forerunner to one. My lips brushed his without tasting them. A hint. An idea. As platonic as touching can be.

He walked outside.

I followed him.


He hadn’t spoken along the way, the streets submitted to his pace with ease and I noticed that I found it exciting to be at the mercy of his destination. Fifteen minutes later, standing in front of a hotel entrance, he looked at me one last time as if asking for permission, a courtesy that made way for a sense of purpose that put me at ease. He kept looking at me in the lift, at no time did he become uncomfortable at the sight of my eyes, he didn’t evade my gaze even once. He was warm, his every move decisive and each muscle in his face sincere. I hadn’t trusted anyone as much as him in my entire life.

He opened the door, let me go first, took all the liquor from the minibar and poured us both a glass of whisky. He handed me the drink and shut the curtains and dimmed the lights and said that he wanted to watch me undress. I kept looking at him while I unfastened my shoes. His gaze guided my hands. When I was done, he sat beside me and gave me a tentative kiss on one of my breasts. Instead of continuing he got up again. The cold air tingled my warm skin. Soon we would dispel that air together.

He reached for his bag, at first because I thought he wanted a condom. But that wasn’t it. Apparently, he felt the need to have a smoke beforehand. He even took the time to stand on a chair and turn off the detector. The look on his face had disappeared.

And then it was too late.

There was a sudden knock at the door, just as he lit up his cigarette. Someone entered. I jumped off the bed and grabbed my clothes, while he, who had brought me here, thought he could put me at ease again with a single gesture. I hesitated, continued grabbing at my clothes, stood up and rushed at him, trying to push him out the door. I no longer cared about the nudity. I had to get out of here. He pushed me back on the bed. The chaos beforehand had been reduced to a still-life.

The man he had admitted was huge. His weight bulged over his collar, buttons had trouble to restrain it all. The two men laughed. I looked at him motionlessly. Money was counted out. Then handed over. That big sweaty man, the jet-black hair on his shoulders, the empty look in his eyes, the whiteness of his socks. He was the unknown man I had looked for all that time.

 

Antwerp, December 2015

 

 

Translated from Dutch by Willem Groenewegen

 

Willem Groenewegen (1971) had a bilingual upbringing in Surrey (UK). He studied English Literature in Groningen (NL) and Manchester (UK). He began translating Dutch literature professionally in 2000 and has translated three selections of poetry of Arjen Duinker, Nick J. Swarth and Rutger Kopland. The latter, entitled What Water Left Behind, got him shortlisted for The Popescu Prize for European Poetry in Translation (The Poetry Society) in 2007. He also translates short prose and art-related texts. www.willem-groenewegen.nl