Heart of Darkness

Duister hart

Chika Unigwe

Chika Unigwe

Chika Unigwe (1974) was born in Enugu, Nigeria. She now lives in Turnhout, Belgium, with her husband and four children. Unigwe writes fiction and poetry, as well as educational books. She has won a host of prizes and has been offered various fellowships. Her first novel, De Feniks (The Phoenix) (2005) is the first by a female Flemish immigrant writer. On Black Sisters’ Street (2009), which first appeared in Dutch with the title Fata Morgana, is Unigwe’s second novel about immigrants, difficult choices and dislocation. This book won the Nigeria Literature Prizein 2012. Her latest novel, Nachtdanser (Night Dancer, 2011), plays out in Nigeria, and has been very well received.

Close

Turnhout All citybooks

Download the ePub Print

Duister hart


Ik ontmoette Conrad op de dag dat hij een slang uit de klauwen van een tijger had gered. Dat verklaarde zijn vuile schooluniform. De leerkracht gaf hem geen straf. Hij ontsnapte zo aan vijf stokslagen, de gebruikelijke straf voor laatkomers, misschien omdat hij een nieuwe leerling was. Later die dag vertelde hij me dat zijn welgestelde vader was verongelukt met de auto op weg van zijn werk naar huis. Twee weken later vertelde hij me dat zijn vader was omgekomen in de brand die hun villa in rook deed opgaan, samen met al het geld. Daarom moest zijn moeder verhuizen naar een kleiner huis in een nieuwe stad. Tegen die tijd waren we al beste vrienden. Zelfs na vele jaren wist niemand, ook ik niet, waar Conrad woonde voor hij zijn vader verloor en hoe die gestorven was. Hij vertelde het verhaal iedere keer anders.

Conrad kwam altijd te laat. Wanneer hij zei dat hij naar jou toe kwam om 13u, kon je er donder op zeggen dat hij er niet zou zijn voor 15u. Hij verontschuldigde zich zelden. Als hij toch zijn excuses aanbood, had zijn oponthoud altijd een heldhaftige reden, die hij vertelde met een doodserieuze stem en een strak gezicht alsof hij een boodschappenlijstje voorlas. ‘Ik werd ontvoerd door aliens die me dwongen om een grote berg zoete aardappelen te schillen voor ze me lieten gaan.’ ‘Ik kwam de geest van mijn overgrootvader tegen en hij smeekte me om hem gezelschap te houden.’ ‘Ik hielp een zwangere vrouw bevallen van een vierling.’ Op een keer kwam hij te laat voor een voetbalwedstrijd. Hij zei dat zijn taxi een ongeluk had gehad. ‘Ze moesten me uit de taxi snijden. Beter om te laat te komen dan om er niet meer te zijn…’ Leugenaars noemden we gewoonlijk Pino-Pino-Pinocchio, maar Conrad was een uitzondering. Hem gaven we de bijnaam ‘Conrad de Laatkomer’ en we vroegen hem om zijn verhalen uit te breiden, om ze langer te maken en met meer details te vertellen. Af en toe deed hij dat. Hij had ons in zijn greep en wist dat goed genoeg. Hij was groot. De grootste jongen van de klas, groter dan onze directeur die we ‘Dikkie Duivel’ noemden. Toen we in het vierde leerjaar zaten was hij al even groot als de meeste juffen. In het vijfde leerjaar had hij een laagje fijne haartjes op zijn bovenlip. Dat dwong respect af. Misschien bewonderden we zijn vertelkunst en genoten we er zelfs van, hoewel we dat nooit toegaven. De heldhaftigheid van de verhalen wekte verwondering op. De manier waarop ze verteld werden vroeg om respect. Wij vergaven hem zijn verhalen, zijn eeuwige verklaringen waarom hij te laat was. Maar niet iedereen deed dat.

Op een dag kwam Conrad veel te laat aan op school. Zelfs voor zijn maatstaven was hij laat. De tweede les van de dag was al ver gevorderd toen hij binnenkwam. Zijn uniform was piekfijn in orde, zijn schooltas hing op zijn rug. Dikkie Duivel had hem binnen zien komen vanuit zijn kantoor en was hem gevolgd naar de klas. Hij vroeg hem waarom hij ‘binnen slenterde’ op dit ogenblik. Conrad zei: ‘Meneer, onderweg naar school zag ik een leeuw aan het einde van de straat. Ik rende voor mijn leven en ik durfde niet op straat terug te komen tot de leeuw langs was gelopen in de tegenoverstelde richting.’ Hij had ons hetzelfde verhaal wijs gemaakt, op dezelfde manier verteld. Met een gladgestreken gezicht. Dikkie Duivel was niet onder de indruk en vergaf hem niet zoals wij Conrad vergaven. Hij gaf Conrad een afranseling met de lederen riem, bedoeld om stoute leerlingen een lesje te leren. Twee dagen later werd er op het nieuws van 9u omgeroepen dat een leeuw uit de zoo ontsnapt was. Conrad zei ons dat zijn verhaal een visioen was. Hij begon de toekomst van klasgenoten te voorspellen voor 30 kobo. Hoe meer het muntje schitterde, zei hij, des te beter hij de toekomst kon zien. De meisjes konden hun muntjes ‘spiritueel laten schitteren’ door de rug van zijn hand te kussen.

Ik geloofde hem niet, maar dat heb ik hem nooit gezegd. Hij was mijn beste vriend en als vriend had ik de plicht mee te spelen in zijn spel. De manier waarop Conrad zijn wenkbrauwen fronste terwijl hij de handpalmen las, deed me vermoeden dat hij geloofde dat hij een gave had. Zijn smalle nek, gebogen over de handpalmen, gaf hem een voorkomen van broosheid. Het deed me geloven dat elke belediging of schertsende mop over zijn toekomstvoorspellingen zijn nekwervels zou breken.

Wat Conrad betrof zag mijn toekomst er rooskleurig uit. Hij zei me altijd hetzelfde: ‘Je zult reizen naar de andere kant van de wereld en je zult trouwen met een vrouw die rode lippenstift draagt en enorme meloenen heeft zoals mevrouw Priscilla.’

Mevrouw Priscilla, onze juf, was de elegantste vrouw die we kenden. Met haar als juf was het zesde leerjaar de hemel voor alle twaalfjarige jongens die begonnen te puberen. Ze droeg strakke topjes waarin haar enorme borsten, die we meloenen noemden, goed opvielen. Zelfs wanneer ik nu aan mevrouw Priscilla denk, krijg ik een erectie.

Op een keer vroeg ik Conrad of hij zijn eigen toekomst kon voorspellen. Hij zei dat hij zijn eigen handpalm niet kon lezen, maar dat hij wist dat zijn toekomst er zo stralend uitzag dat het zijn ogen verblindde. Hij zou naar het buitenland reizen. Hij zou veel geld verdienen en heel veel vriendinnetjes hebben. Wanneer hij zijn wilde zaadjes had geplant, zou hij een huis kopen en trouwen met een mooie vrouw. Hij zou veel zonen krijgen om zijn Obiohia-naam verder te dragen. Als enige zoon was het zijn plicht om te zorgen dat zijn vaders naam niet zou verdwijnen. Telkens wanneer we grapten dat we geen kinderen zouden krijgen voor we heel oud waren, minstens 30, zei hij: ‘Mijn zussen zullen trouwen en zullen dan de naam van hun echtgenoot overnemen. Het is dus mijn verantwoordelijkheid om de Obiohia-naam voor uitsterven te behoeden. Ik zal zo vroeg mogelijk moeten beginnen.’ Door die zware verantwoordelijkheid zag hij er meer volwassen uit dan wij. Hij stond er op Mijnheer Conrad Obiohia genoemd worden toen we nog steeds korte broeken droegen op school en alleen volwassenen ‘Mijnheer’ genoemd werden. ‘Name is identity’ zei hij eens toen ik hem vroeg op te houden over trouwen en zonen krijgen en in plaats daarvan naar de Jackie Chan-film te kijken. ‘Name is Identity’. Ik had er geen flauw idee van wat dat betekende. Hij zei altijd zulke dingen: ‘Love is power.’ ‘To be or not to be. Therein lies the dilemma.’ ‘The road less travelled is where treasure lies’. Aforismen die hij thuis moet opgevangen hebben van zijn moeder, die Engels doceerde op de technische school.

Na het middelbaar verhuisde Conrad naar Lagos. Hij was lang genoeg naar school gegaan, vond hij. Hij vond dat het tijd was om zijn toekomst te ontrafelen. De laatste keer dat ik hem zag, zei hij: ‘Ejike, dit is het begin van mijn toekomst. Ik ga hier weg om mijn fortuin te verdienen.’

Ik kreeg een eerste postkaartje van Conrad vier jaar na ons afscheid. Op de voorkant stond een foto van een kasteel midden in een vijver met water. Het leek wel een decor van een film. Aan de achterkant had Conrad gekribbeld:

 

Ejike nwoke m,

 

Dit is Turnhout ‘by night’. Hier woon ik. Deze stad heeft de vorm van een

hond die op zijn achterpoten staat. Het beeld in het water is een exacte

replica van mijn amazonevrouw. Moet je die meloenen van haar eens

zien! Was je maar hier, vriend. Ik wou dat ook jij van het leven kon genieten

hier in deze mooie stad. Onthoud: ‘Experience is not what happens to a

man. It is what a man does with what happens to him.’ Aldous Huxley

 

Conrad Obiohia

 


Ik wist niet eens dat hij in het buitenland verbleef. Het kasteel in het water had al mijn aandacht getrokken, het beeld had ik over het hoofd gezien. Ik draaide het kaartje om. Inderdaad, het kunstwerk stelde een enorme vrouw met brede heupen en ronde vormen voor, liggend op haar zijde. Haar rondingen leken overdreven, bedoeld om alle aandacht naar haar wulpse lichaam te trekken. Van Turnhout had ik nog nooit gehoord. Nauwkeurig bekeek ik de postzegel, zoeken naar een aanwijzing van welk land de postkaart kwam. België. Wat deed Conrad in België? Autohandel misschien?

Niemand die ik kende was naar België gegaan. Wie naar het buitenland ging, trok naar Londen of Amerika. Of Zuid-Amerika, zelfs Ghana. Of, als je een studiebeurs kreeg van een katholieke school, naar Cuba of Oekraïne. België bestond niet voor ons, behalve als synoniem voor de tweedehandsauto’s die op de markt van Tokunbo massaal verkocht werden. Mijn eigen auto was een Japans model, gemaakt in België. De sticker van de Rode Duivels van de vorige eigenaar zat er nog steeds op. Ik kende de Rode Duivels, ook al waren de internationale wedstrijden in de Old Trafford de enige waar ik naartoe ging.

Twee weken later kreeg ik nog een kaartje van Conrad. Nu stond er een modern gebouw op, met ervoor een standbeeld van een kleine man. Hij noemde die man ‘De Prof’. ‘De Warande’ stond in grote letters op de muur van het huis geschreven. Aan de achterkant van het kaartje schreef Conrad:

 

Ejike nwoke m,

 

Dit is mijn vakantiehuis. Hier hebben de mensen vakantiehuizen zoals wij

extra huizen in de stad hebben. De ‘Prof’ is de over-over-overgrootvader

van mijn vrouw. Hij was de eerste man die een openhartoperatie uitvoerde

in dit land. Gelukkig is hij getrouwd met een vrouw die veel groter was dan

hij. Ze zeggen dat hij maar tot de heupen van zijn vrouw reikte. En zij had

ook geweldige meloenen. Aan haar heb ik de grote maat van mijn vrouw te

danken. Ik heb hier de tijd van mijn leven.

 

Vergeet nooit: ‘True heroism consists in being superior to the ills of life, in

whatever shape they may challenge us to combat.’ Bonaparte

 

Conrad Obiohia

 


Het volgende kaartje kwam minder dan twee weken later. Onder de foto van een standbeeld stonden de woorden ‘Adam en Eva’ geschreven. Het was een standbeeld van twee geliefden die zo in elkaar verstrengeld waren dat je moeilijk kon zien waar de ene eindigde en de andere begon. Ze leken aan elkaar vergroeid te zijn. Handen, benen, billen. Het zag eruit als een grote, massieve stam.

 

Ejike mijn vriend,

 

Dit is een heel beroemd kunstwerk. Vanuit heel België komen mensen naar

Turnhout om dit te bewonderen. De moeder van mijn amazone heeft het

gemaakt. Hun familie barst van talent. Ooit gedacht dat Eva zo’n

indrukwekkende meloenen had?

 

Dit beeldhouwwerk is een bedevaartsoord voor naturisten. Ze komen massaal

naar hier om het beeld te aanbidden. Ook vrouwen die moeilijk zwanger

raken komen op pelgrimstocht naar hier. Ze moeten alleen maar hun

handpalm tien maal over Adams gespierde bil te wrijven, daarna naar huis

gaan en met hun mannen slapen, en bingo!

 

Ik geniet van het leven hier. Ik ben gelukkig, omringd door vrienden.

Onthoud: ‘It’s better to have lost than never to have loved at all.’ Alfred Lord

Tennyson

 

Conrad O.

 


Om de paar weken kreeg ik een postkaart. Hij ondertekende de kaartjes niet meer met zijn achternaam. Na een paar weken verdween ook de O. en tekende hij kortweg met Con. In al die tijd dat ik hem kende, had hij nooit zijn naam afgekort. In deze periode schreef hij me ook dat hij een roman aan het schrijven was. ‘Het wordt een episch verhaal dat de visie op het begrip “roman” bij lezers en critici volledig zal veranderen. Mijn boek zal “De vader van alle romans” genoemd worden. Ik zal schrijven over mijn leven hier, over immigratie, over migranten, over mijn ontdekking.’

Ik vond altijd dat Conrad zijn roeping gemist had. Hij had schrijver moeten worden. Op de lagere school vonden wij creatieve verhalen schrijven leuk, maar Conrad had er een hekel aan. Misschien functioneerde zijn verbeelding niet als hij niet volledig vrij gelaten werd. Een essay van twee pagina’s schrijven over ‘Wat ik zou doen als ik 5 miljoen naira won’ was een kwelling voor de jongen die ons uren en uren betoverde met zijn spannende verhalen. De leerkracht van het vijfde leerjaar zou blij zijn te horen dat Conrad een roman aan het schrijven was. Telkens als Conrad een excuus verzon waarom hij zijn huiswerk niet gemaakt had, zei deze leerkracht dat het zonde was om zo’n goed stel hersens te verspillen. En dat hij met zo’n verbeeldingskracht een geweldige auteur zou zijn. ‘Ik wil geen schrijver worden’ was zijn misprijzend antwoord.

Conrad vermeldde nooit een retouradres, dus ik kon zijn kaartjes nooit beantwoorden. Ik had het zijn moeder wel kunnen vragen, ze woonde nog steeds in hetzelfde huis. Maar ik vermoedde dat hij het wel zou gegeven hebben als hij wilde dat ik terugstuurde. Hij was bedachtzaam in zo’n dingen. Zelfs met zijn verhalen. Hij wikte zijn woorden, nauwkeurig zoals een slager zijn vlees weegt. Hij zei niet meer dan hij van plan was. Dat hij naar Turnhout verhuisd was, een plaats waar nog niemand van gehoord had, was hoogstwaarschijnlijk ook een berekende keuze, en geen toevallige beslissing door het lot bepaald.

Zijn verhalen fascineerden me. Aanvankelijk zocht ik de plaatsen die hij in zijn kaartjes vermeldde op via Google, op zoek naar wat hij zou kunnen verbergen, op zoek naar een reden waarom hij naar die stad was verhuisd. Iedere keer spuwde Google de droge waarheid uit over Turnhout, over de gebouwen en de standbeelden op de kaartjes. Het was deprimerend om de waarheid te vernemen. De waarheid was precies. Droog. Gedetailleerd. Ze liet geen plaats voor fantasie, voor dromen. Ze deed afbreuk aan de verhalen van Conrad en dus stopte ik met zoeken naar de waarheid. Conrads versie was beter.

Hij stuurde me eens een kaartje met daarop een winkelstraat vol mensen. Ze droegen allemaal papieren zakken aan hun arm en hadden kinderen aan de hand of honden aan de lijn. Conrad schreef dat de straat zijn oprijlaan was en dat alle mensen erop liepen op weg naar huis na het verjaardagsfeest voor zijn vrouw. De papieren zakken waren gevuld met lekkernijen van op het feest. Een andere keer stuurde hij me een kaartje van een plaats die ‘Begijnhof’ heette. Er stond een kerk en een smalle kasseiweg op. Hij schreef dat Begijnhof de achternaam was van zijn vrouw en dat haar overgrootvader iedere steen van de weg eigenhandig gelegd had. Uit dankbaarheid en respect, had de stad de plaats naar hem vernoemd. Conrads verhalen waren telkens anders, maar eindigden altijd hetzelfde: met te vertellen hoe goed zijn leven daar was. Altijd.

Op basis van zijn postkaartjes kon ik me een beeld vormen van Turnhout, ook al was ik er nooit geweest. Er was het restaurant Hof ter Duinen (waarvan de familie van Conrads vrouw de eigenaar was), een grote kathedraal (Sint-Pieter, Conrad en zijn vrouw waren er getrouwd), en De Herentalsstraat (daar was de bakker waar hij altijd brood kocht: Guylicx, genoemd naar zijn vrouw). In de lente bloeiden de bloemen open in duizend kleuren zoals in de Hollywoodfilms die we vroeger samen keken. De oude mensen woonden er in bejaardentehuizen, zelfs wanneer ze kinderen hadden die voor hen konden zorgen. Honden werden net als kleine kinderen in buggy’s rondgereden. En in de Gildenstraat woonde een vrouw die met elfjes en feeën kon praten. Conrad zei dat hij was begonnen met het schrijven van zijn boek. Soms schreef hij niets op de kaartjes. Op andere momenten waren zijn verhalen onsamenhangend alsof hij niet kon beslissen wat eerst te schrijven. Maar ik was blij met elk kaartje dat ik kreeg.

Ik raakte gehecht aan de kaartjes en toen er opeens geen meer kwamen, miste ik ze. De eerste maanden keek ik elke dag mijn brievenbus na wanneer ik terug was van mijn werk. Wanneer er geen kaartje van Conrad was, kreeg ik een hol gevoel in mijn maag alsof ik honger had. Na een maand keek ik mijn brievenbus nog maar tweemaal per week na. Na drie maanden deed ik hem niet meer vol verwachtingen open en ik voelde de leegheid in mijn maag ook niet langer. Hij zou me wel terug kaartjes schrijven wanneer hij dat wilde.

Dat jaar dat hij me die kaartjes schreef, had hij me nooit een foto opgestuurd. Niet van hem, noch van zijn amazone. Ook niet van zijn kinderen (hij schreef dat hij een tweeling had: een jongen en een meisje met lange wimpers zoals die van een giraf). Ik was er zeker van dat zij slechts verzinsels waren. Toch las ik de kaartjes en stelde ik me voor hoe Conrad in zijn kasteel woonde met zijn vrouw met de enorme meloenen en met zijn kinderen die hem papa noemden en die op een identieke manier op hun duim zogen.

In de twee jaren die volgden dacht ik zelden of nooit aan Conrad. Ik was getrouwd en had zelf een zoon gekregen. Op een keer toen ik mijn zoon in mijn armen hield, dacht ik vol heimwee terug aan mijn vriend die zelf altijd droomde van zonen. In de zes maanden sinds de geboorte van mijn zoon was ik al tweemaal naar Europa gegaan. Een keer naar Engeland en een keer naar Nederland. Men vertelde me beide keren dat ik gemakkelijk in België kon geraken met de trein. ‘Klein land. Zo groot als een zakdoek. Ik ben er zeker van dat het je niet veel moeite zou kosten om je vriend te vinden,’ grapte een van mijn Nederlandse collega’s toen ik hem vertelde dat Conrad in België woonde. Ik wou dat Conrad me een adres had gegeven zodat ik hem kon opzoeken. Hij was zo dichtbij en toch zo ver weg.

Ik nam de kaartjes vaak uit hun doos en zocht of er geen aanwijzingen in stonden waar hij leefde. Misschien woonde hij niet meer in Turnhout. Misschien was hij zelfs niet meer in België. Misschien woonde hij ergens anders. In twee jaren kan veel gebeuren. Soms typte ik zijn naam in op Google, maar ik vond hem nooit. Als hij zijn roman gepubliceerd had, dan was daar niets van te vinden. Het maakte me blij te denken dat hij op dit moment bezig zou kunnen zijn met schrijven en dat hij zo zijn briljante creativiteit nog eens aan het werk zette. Dan verzonk hij weer in de diepten van mijn geheugen en dacht ik nog weinig aan hem. Ik zag hem niet meer rondlopen over de kasseiwegen van Turnhout en stelde me niet meer voor dat hij de meloenen van Eva en van de amazone in het water bewonderde. Mijn leven was al druk genoeg. Mijn eerste zoon werd geboren en dan nog een. Toen ik een derde zoon kreeg, stelde ik me voor dat ik de droom leefde waarvan Conrad al die jaren gedroomd had: een huis vol met zonen die zijn vaders naam zouden vereeuwigen. Twee nachten na de geboorte van mijn derde zoon kwam deze gedachte ineens bij me op. Ik hield de pasgeboren jongen vast en rook zijn prille leven, voelde zijn nieuwe bestaan. Het bleef de hele week door mijn hoofd spoken, als een vervelende vlieg die niet weg te slaan is. Na twee weken hield ik het niet langer uit en ging ik naar het huis van Conrads moeder. Ik was verbaasd haar daar te vinden, ook al had ik gehoopt dat ze er nog zou zijn.

Ze kon me inderdaad alles vertellen over Conrad de Laatkomer. Ze fluisterde het hele verhaal als was het een gebed. Soms pauzeerde ze even, alsof ze naar adem moest happen, maar ze stond niet op van haar stoel tot ze alles verteld had.

Conrads riskante bedrijfsonderneming was vrijwel onmiddellijk failliet gegaan. Hij had zijn klanten verloren door zijn verhalen en het feit dat hij altijd te laat kwam. Hij was er rotsvast van overtuigd geweest dat zijn toekomst in Europa lag en had al zijn geld uitgegeven aan een ticket. België was de keuze van een man in Badagary die aan een paspoort kon geraken voor zijn cliënten, maar Turnhout had hij vrijwillig gekozen. Hij had gehoord dat er veel Afrikanen waren. Een goede plaats om te beginnen.

In het begin had Conrad veel optimistische brieven naar huis geschreven waarin hij de stad, de gezelligheid, de Afrikaanse gemeenschap en de fonteinen de hemel in prees. Hij ging hard werken, geld verdienen en naar huis komen om opnieuw te beginnen. ‘Maar na een tijdje,’ zei zijn moeder, ‘begon hij te klagen dat hij eenzaam was. Dat hij niet kon terugkomen voor hij geld verdiend had. Hij haatte het dat hij zo arm was. Toen hij trouwde stuurde hij een lange brief naar huis. Hij klonk gelukkig. Hij zei dat zijn Belgische vrouw de pijn verzachtte. Het maakte niet uit dat ze elkaar niet verstonden.’ Zijn vrouw sprak slechts enkele woorden Engels. Conrad kon geen Vlaams spreken, waardoor hun conversaties beperkten zich tot gebaren. In het begin maakte dat niets uit. Maar na een tijdje was exotisme niet meer genoeg om hun relatie overeind te houden. Hun huwelijk doofde uit. Zijn brieven werden lange epistels over de zin van het leven en van eenzaamheid. Hij schreef steeds meer over kastelen en eilanden die zijn eigendom waren. ‘Zijn hart was duister en koud,’ zei zijn moeder. ‘Het vrat hem op vanbinnen. Ze noemden hem Musa Ibrahim in Turnhout. Zijn ‘asiel’-naam. Op zijn paspoort stond dat hij een moslim was uit Sierra Leone. Zijn migrantenformulier vermeldde dat hij voor oorlog op de vlucht was.

Conrad, die zo veel prachtige verhalen had verteld, kon niet om met zijn eigen verhaal. Wat ik beschouwde als ingenieuze verhalen was in feite de uiting van waanvoorstellingen die aangewakkerd werden door zijn eenzaamheid. Toen de duisternis hem eenmaal had verzwolgen, kon niemand hem nog helpen.

Voor ik wegging, drukte zijn moeder een foto in mijn hand. Ze gaf hem me met de achterkant naar boven alsof ze niet wilde dat ik van streek geraakte door de voorkant. Ik draaide de foto om. Een krop steeg me naar de keel. Twee peuters staarden mij vanaf de foto aan. Ze hadden Conrads hoge voorhoofd en zogen op een identieke manier op hun duim.

Download the ePub Print

Coeur obscur


Le jour où j’ai rencontré Conrad, il avait sauvé un serpent des griffes d’un tigre. Voilà pourquoi son uniforme scolaire était sale. La maîtresse de classe ne lui a pas donné les cinq coups de bâton, punition habituelle pour malpropreté. Peut-être était-ce parce qu’il était un nouvel élève. Plus tard dans la journée, il m’a raconté que son père, très fortuné, était mort dans un accident de voiture au retour de son travail. Deux semaines plus tard, il m’a dit que son père était mort dans un incendie qui avait détruit leur immense maison avec tout leur argent à l’intérieur. Voilà la raison pour laquelle sa mère s’était vue obligée de déménager vers une petite maison dans une autre ville. À ce moment-là, nous étions devenus les meilleurs amis. Mais même après plusieurs années et bien que je fusse au courant de ses amours secrètes et de son désir de parcourir le monde, même moi, je ne savais pas où Conrad avait vécu avant que je le connaisse, ou comment il avait perdu son père. À chaque fois, son récit était différent.

Conrad était toujours en retard. S’il avait promis qu’il serait là à une heure de l’après-midi, il ne fallait pas l’attendre avant trois heures. Souvent, il ne s’excusait même pas, et quand il le faisait, il n’était question que d’actions héroïques qu’il débitait d’une voix égale, comme s’il lisait une liste des courses à faire. « J’ai été enlevé par des extra-terrestres qui m’ont forcé à éplucher un tas d’ignames avant de me libérer. » « J’ai rencontré l’esprit de mon arrière-grand-père qui m’a supplié de lui tenir compagnie. » « J’ai assisté une femme enceinte qui accouchait de quadruplés. » Un jour qu’il avait mis notre groupe en retard pour un match de football interscolaire, il a prétendu que le taxi qu’il avait pris avait été impliqué dans un accident de voiture. « On a dû me dégager de l’épave. Mais mieux vaut tard que jamais, non ? » Au lieu de l’appeler Pino-Pino-Pinocchio, comme on le faisait avec les menteurs, on le surnommait Conrad le Retardataire et on lui demandait d’agrémenter encore quelque peu les petites histoires qu’il nous servait. Parfois il acceptait. Conrad nous fascinait. Il était grand, le plus grand de la classe. Non seulement il était plus grand que le directeur que nous surnommions Diablotin, mais quand nous étions en quatrième primaire, il était même plus grand que la plupart de nos maîtresses de classe. En cinquième, sa lèvre supérieure se couvrit de duvet, ce qui força davantage notre respect. Peut-être qu’en vérité, sans que nous ne l’ayons jamais avoué, c’était son art de conter que nous admirions, et dont nous jouissions. Son audace l’immunisait contre le ridicule. Sa façon de parler nous inspirait de la déférence. Ainsi, nous lui pardonnions toujours ses histoires et ses retards. Mais notre indulgence n’était pas partagée par tous.

Un jour, Conrad est arrivé très en retard à l’école, encore plus que d’habitude. On en était au milieu du second cours quand il est entré, son uniforme frais et propre et son cartable sur le dos. Diablotin, l’ayant épié de son bureau, l’avait suivi jusqu’en classe. Quand il a demandé pourquoi il « flânait » dans l’école à cette heure-ci, Conrad a répondu : « Monsieur, en route pour l’école, j’ai vu un lion au bout de la rue et j’ai couru pour ma vie. J’ai cherché refuge et je n’ai pas osé en sortir avant d’avoir vu le lion repartir dans l’autre direction. » La même histoire qu’il nous avait servie, de la même façon, le visage impassible. Diablotin, n’étant ni impressionné ni aussi indulgent que nous, lui a flanqué une rossée avec sa ceinture en cuir, punition réservée aux élèves indisciplinés. Deux jours plus tard, le journal de 9 heures annonça qu’un lion s’était échappé du zoo. Conrad nous a dit que ce qu’il avait vu était une vision. À partir de ce moment-là, il s’est mis à compter 30 kobo pour prédire l’avenir à ses camarades de classe. Plus la pièce reluisait, mieux il pouvait prévoir l’avenir. Les filles pouvaient rendre leurs pièces « spirituellement » plus brillantes en embrassant le dos de sa main.

Je ne le croyais pas, mais je ne le lui ai jamais dit. Nous étions les meilleurs amis. Les devoirs de l’amitié me commandaient de la complicité dans ce jeu. Or, Conrad avait cette manière de froncer les sourcils en lisant les paumes, qui me faisait penser qu’il était lui-même convaincu d’avoir ‘le don’. Son cou mince, penché sur les paumes, lui donnait un tel air de fragilité que j’étais persuadé que toute médisance sur son talent de prédire l’avenir – plaisanterie ou non – pourrait lui briser le cou.

Ses prédictions à mon sujet n’étaient jamais mauvaises. Il me disait toujours la même chose : « Tu iras à l’étranger et tu épouseras une femme aux lèvres rouges et aux melons tout aussi énormes que ceux de Mademoiselle Priscilla. »

Mademoiselle Priscilla, notre maîtresse, était la femme la plus glamoureuse que nous ayons jamais vue. Grâce à elle, la sixième de l’école primaire était le paradis pour tous ces garçons de douze ans, au seuil de la puberté. Elle portait toujours des blouses moulantes qui serraient sa poitrine et montraient ses seins énormes, qu’on surnommait ‘melons’. Aujourd’hui même, quand je pense à elle, je bande.

Un jour, j’ai demandé à Conrad ce qu’il voyait dans son propre avenir. Il m’a répondu qu’il ne pouvait pas le voir, parce qu’il serait aveuglé par la brillance de son sort. Il irait à l’étranger. Il deviendrait riche. Il aurait des tas de petites amies. Ensuite, après avoir jeté sa gourme, il s’installerait, épouserait une belle femme et aurait des fils pour perpétuer le nom d’Obiohia. Fils unique, il était de son devoir de ne pas laisser disparaître le nom de son père. Chaque fois qu’on se disait en plaisantant qu’on n’aurait pas d’enfants avant d’avoir atteint un âge bien avancé, au moins trente ans, il disait : « Mes sœurs se marieront et prendront les noms de leur mari. La responsabilité de sauvegarder le nom d’Obiohia tombe sur moi ». Le poids de cette responsabilité lui donnait un air de maturité à nos yeux. Il insistait pour qu’on l’appelle Monsieur Conrad Obiohia, alors même que nous portions encore des shorts et réservions le ‘Monsieur’ aux adultes. « Name is identity », disait-il un jour quand je lui avais demandé d’arrêter de parler mariage et fils et de se concentrer sur le film de Jackie Chan que nous regardions. « Name is identity », je n’avais aucune idée de ce qu’il voulait dire. Il disait toujours des choses pareilles. « Love is power », « To be or not to be. Therein lies the dilemma. » « The road less travelled is where treasure lies ». Des aphorismes qu’il avait dû apprendre de sa mère qui était professeur d’anglais à l’école polytechnique.

Après avoir terminé les études secondaires, Conrad est parti pour Lagos. Il en avait assez de l’école, disait-il. Il était grand temps de donner à son avenir l’opportunité de se développer. La dernière fois que je l’ai vu, il m’a dit « Ejike, mon avenir commence maintenant. Je pars pour conquérir mon empire industriel. »

Sa première carte postale m’est arrivée quatre ans plus tard. C’était une photo d’un château au milieu d’un étang, des lumières colorées reflétées dans l’eau. C’était comme dans une scène de film. Au dos, Conrad avait gribouillé :

 

Ejike nwoke m,

 

Turnhout la nuit. Voilà où je vis. C’est une ville qui a la forme d’un chien

sur ses pattes de derrière. La statue dans l’eau est une réplique exacte de

ma femme amazone. Regarde-moi ces melons ! Je voudrais que tu sois

ici, mon ami. Ici, jouissant avec moi de la vie dans cette belle ville. Rapelle-toi

‘Experience is not what happens to a man. It is what a man does with what

happens to him’. Aldous Huxley.

 

Conrad Obiohia

 


Je ne savais pas qu’il avait quitté le pays. Je retournais la carte car, fasciné par la maison au milieu de l’eau, j’avais raté la statue. C’était une femme énorme, avec une poitrine généreuse, allongée sur son côté. Tous ses traits semblaient exagérés, conçus pour attirer l’attention sur sa volupté. Je n’avais jamais entendu parler de Turnhout et j’inspectais le timbre pour savoir dans quel pays se situait cette ville. Belgique. Que faisait Conrad en Belgique ? Du commerce de voitures peut-être ?

Aucune de mes connaissances n’était allée en Belgique. L’étranger, c’était Londres ou l’Amérique. Et de nos jours, l’Amérique du Sud et même le Ghana. Ou, si on dispose d’une bourse d’études catholique, Cuba ou l’Ukraine. Pour nous, la Belgique n’existait pas, sauf comme synonyme de voitures d’occasion qui affluaient sur le marché de Tokunbo. Ma propre voiture était belge, made in Japan. Un autocollant des Diables Rouges y figurait encore quand je l’avais achetée. Je connais les Diables Rouges, malgré le fait que je n’assiste qu’aux matches internationaux joués à Old Trafford.

Deux semaines plus tard, une nouvelle carte me parvint. Cette fois-ci, c’était la photo d’un bâtiment moderne, avec la statue d’un petit bonhomme que Conrad appelait ‘le Prof’. En lettres énormes, les mots ‘De Warande’ ornaient la façade de l’immeuble. Au dos, Conrad avait écrit :

 

Ejike nwoke m,

 

Voici ma maison de vacances. Les gens ici en ont comme nous avons une

seconde maison dans la ville. Le ‘Prof’ est l’arrière-arrière-arrière-

grand-père de ma femme. Il a été le premier à pratiquer la chirurgie à cœur

ouvert dans ce pays. Heureusement qu’il a eu la bonne idée d’épouser une

femme plus grande que lui. On dit qu’il arrivait à peine à hauteur de ses

hanches. Elle aussi avait des melons gigantesques. C’est à elle que je dois

la grande taille de ma femme. Je m’amuse énormément ici.

Je jouis de la vie.

 

N’oublie jamais : ‘True heroism consists in being superior to the ills of life, in

whatever shape they may challenge us to combat.’ Bonaparte.

 

Conrad Obiohia

 


La carte suivante est arrivée moins de deux semaines plus tard. En bas de la photo d’une sculpture il avait écrit ‘Adam et Eve’. C’était un couple, entortillé d’une telle façon qu’il était impossible de discerner l’un de l’autre. C’était comme s’ils avaient coulé l’un dans l’autre. Mains, jambes, fesses… Le tout avait l’air d’un tronc massif.

 

Ejike mon ami,

 

Ceci est une œuvre d’art très connue. Les gens viennent de toute la Belgique

pour l’admirer. Elle a été créée par la mère de mon amazone. Le talent et

l’esprit sont de famille chez elle ! Tu savais qu’Eve avait de tels melons ? La

sculpture est un un lieu de pèlerinage pour les naturistes. Ils arrivent ici

en masse pour l’adorer. Les femmes qui ont des difficultés à tomber enceintes

viennent ici en pèlerinage. Il leur suffit de caresser dix fois la fesse musclée

d’Adam, de rentrer à la maison et de coucher avec leur mari et bingo !

 

Je jouis pleinement de la vie, nwoke m. Je suis heureux. Entouré d’amis.

Rappelle-toi : ‘It’s better to have loved and lost than never to have loved at

all.’ Alfred Lord Tennyson.

 

Conrad O.

 


Toutes les deux ou trois semaines, il y avait une nouvelle carte. Il ne les signait plus de son nom de famille, et après quelques semaines, le O. ayant disparu aussi, il signait simplement Con. De tout le temps que durait notre amitié, il n’avait jamais raccourci son nom. C’est vers cette époque aussi qu’il m’a confié qu’il écrivait un roman. « Une épopée qui révolutionnera la conception du Roman. La mère de tous les romans. Elle traitera de ma vie ici, de l’immigration, des émigrés, de ma découverte. » J’ai toujours été convaincu que Conrad avait manqué sa vocation. Il aurait dû être romancier. Or, en primaire, alors que nous aimions tous écrire de petites rédactions créatives, Conrad les détestait. Peut-être son imagination se révoltait-elle à l’idée d’être limitée à une composition de deux pages, intitulée ‘Que ferais-je si je gagnais 5 millions de naira’. C’était la torture pour ce garçon qui savait nous émerveiller pendant des heures avec ses histoires captivantes. Le prof en cinquième primaire serait content de savoir qu’il écrivait un roman. À chaque fois que Conrad inventait des excuses parce qu’il avait remis ses devoirs en retard, le prof lui disait d’un ton grave que « c’est un crime de gaspiller son intelligence ». Que Conrad aurait pu devenir un auteur fantastique avec une imagination pareille. « Je ne veux pas être écrivain », était toujours sa réponse décidée.

Conrad n’ajoutait jamais une adresse d’expéditeur de sorte que je ne pouvais pas répondre à ses cartes. J’aurais pu le demander à sa mère, qui habitait toujours dans la même maison à Uwani, mais je pensais que s’il avait voulu une réponse, il n’aurait pas omis son adresse. Il ne faisait rien accidentellement. Même dans ses histoires, il mesurait ses mots, comme un boucher pèse la viande. Il ne donnait jamais plus qu’il ne voulait. Son déménagement à Turnhout, ce lieu dont personne n’avait jamais entendu parler, était sans doute un choix délibéré, et non pas une décision due au hasard.

Ses histoires me fascinaient. Au début, je cherchais les noms des lieux sur Google, curieux de ce qu’il semblait cacher, espérant trouver des indices pour expliquer sa décision de s’installer dans cette ville. Or, chaque fois que Google me livrait la vérité à propos de Turnhout, ses immeubles, ses statues sur les cartes postales, elle me déprimait. La vérité était précise. Sèche. Détaillée. Elle ne laissait aucune place à l’émerveillement, elle ne m’amusait pas, alors j’ai arrêté mes recherches et je me suis limité à la version de Conrad.

Une fois, il m’a envoyé une carte avec des gens traînant dans ce qui était manifestement une rue commerçante. Ils portaient tous des sacs en papier et quelques-uns avaient des enfants à la main ou des chiens en laisse. Conrad avait écrit qu’ils flânaient tous dans la voie d’accès de sa maison, après la fête d’anniversaire de sa femme. Je voyais que les sacs en papier étaient remplis de cotillons. Une autre fois, j’ai reçu une carte d’un endroit qui s’appelait ‘Begijnhof’. Sur la photo, il y avait une église et une rue pavée étroite. Selon lui, Begijnhof était le nom de famille de sa femme et son arrière-grand-père avait posé chaque pierre de cette route de ses propres mains. Par reconnaissance, la ville avait donné son nom à cet endroit-là. Ses histoires n’étaient jamais identiques, mais toutes finissaient par l’assurance qu’il menait un grand train de vie. Toujours.

Grâce aux cartes postales, j’avais l’impression de connaître Turnhout, cette ville que je n’avais jamais vue, dans un pays que je n’avais jamais visité. Je pourrais vous raconter qu’il y avait un restaurant appelé ‘Hof Ter Duinen’ (propriété de la famille de la femme de Conrad), une grande cathédrale (Saint-Pierre, où Conrad et son amazone s’étaient mariés), la ‘Herentalsstraat’(avec la boulangerie où il achetait son pain, Guylicx, d’après le nom de sa femme). Au printemps, les fleurs s’y épanouissaient comme dans les films d’Hollywood que nous regardions ensemble. Les vieux y vivaient dans des maisons de repos, même s’ils avaient des enfants qui auraient pu s’occuper d’eux. Les gens y mettaient leur chien dans une poussette comme des bébés et dans une rue appelée ‘Gildenstraat’ habitait une femme qui savait comment communiquer avec les fées et les elfes. Conrad me disait qu’il avait commencé à écrire. Parfois les cartes ne disaient rien. Parfois les histoires étaient incohérentes comme s’il n’arrivait pas à décider quoi m’écrire. Or, j’étais ravi de les recevoir toutes.

Je m’étais si bien habité aux cartes que lorsque soudain, elles ne me sont plus parvenues, elles m’ont manqué. Au début j’inspectais la boîte aux lettres dès que je rentrais du travail et quand il n’y avait pas de carte de Conrad, je me sentais vide, comme si j’avais faim. Après un mois, je ne contrôlais plus la boîte aux lettres que deux fois par semaine. Encore un mois plus tard, je ne l’ouvrais plus avec la même tension anticipée et je ne sentais plus ce creux dans mon estomac car l’espoir avait disparu. Je pensais que, le temps venu, il reprendrait contact.

Dans la correspondance que Conrad m’a adressée tout au long de cette année, il ne m’a jamais envoyé de photo ni de lui, ni de son amazone. Ni des enfants qu’il prétendait avoir (des jumeaux : un garçon et une fille au cils de girafe). J’étais certain qu’ils n’existaient que dans son imagination. Néanmoins, en relisant les cartes, j’imaginais sa vie dans un château avec une femme aux melons énormes et avec des jumeaux qui l’appelaient papa et suçaient leur pouce de façon identique.

Assez vite, j’ai oublié Conrad et il m’a fallu deux ans avant de repenser à lui. J’étais marié et j’avais un fils. Tenant mon fils dans les bras, je pensais avec mélancolie à mon meilleur ami, qui rêvait d’avoir des fils. Dans les six mois suivant la naissance de mon fils, j’avais été deux fois en Europe. Une fois en Angleterre et une fois aux Pays-Bas. A chaque fois, on m’avait dit que je pouvais facilement rejoindre la Belgique en train. « Pays minuscule, comme un mouchoir. Je suis sûr qu’en très peu de temps tu trouverais ton ami, » plaisantait l’un de mes collègues hollandais quand je lui racontais que Conrad vivait en Belgique. J’aurais voulu avoir son adresse, pour aller lui rendre visite. Être si proche l’un de l’autre et en même temps si loin…

Souvent je regardais ses cartes et je les examinais dans l’espoir de trouver un indice de son lieu de résidence. Peut-être avait-il quitté Turnhout, ou même la Belgique, et vivait-il ailleurs. Deux ans, c’est long. Peut-être était-il rentré au Nigeria comme il l’avait prédit il y a tant d’années. De temps en temps, je tapais son nom dans Google, mais sans résultat. S’il avait publié son roman, il n’y en avait aucune trace. Je me contentais de penser qu’il y travaillait encore. Qu’il utilisait son esprit créatif brillant pour une bonne cause. Finalement, il a disparu de nouveau dans l’ombre de mes pensées. Je ne pensais plus à lui, marchant dans les rues pavées de Turnhout, ou admirant les melons d’Eve et celles de l’amazone dans l’eau. La vie s’imposait et puis j’ai eu mon premier fils, puis le second. Quand j’ai eu mon troisième fils, je m’imaginais que je vivais le rêve de Conrad : j’avais une maison pleine de fils pour perpétuer le nom du père. Cette pensée m’a surpris une nuit, deux jours après la naissance de mon fils, quand je le tenais dans mes bras en m’émerveillant de sa nouveauté. Cette pensée m’a hanté toute la semaine, comme une mouche irritante. Après deux semaines, je me suis rendu à la maison de la mère de Conrad. Même si j’espérais qu’elle y vive toujours, j’étais bien étonné de l’y trouver.

Comme je l’avais espéré, elle m’a parlé de Conrad le Retardataire. Elle murmurait son histoire comme une prière. S’arrêtant occasionnellement de parler, comme pour reprendre sa respiration, elle n’a pas bougé de sa chaise avant d’avoir fini de parler.

L’entreprise risquée que Conrad avait voulu commencer à Lagos s’était rapidement cassé la figure. Sa lenteur maladive et ses histoires inventées lui avaient coûté ses clients. Il était si convaincu que son destin était en Europe qu’il avait investi tout son argent dans le voyage. La Belgique avait été le choix de l’homme à Badagary qui était en mesure de fournir des passeports à ses clients. Turnhout, par contre, était un choix délibéré. Il avait entendu dire qu’il y avait beaucoup d’Africains. C’était un bon endroit pour recommencer.

D’abord, Conrad avait envoyé chez lui beaucoup de lettres optimistes, faisant l’éloge de la ville, de ses lumières, de ses Africains, des fontaines sur la Grand-Place. Il travaillerait dur, gagnerait de l’argent pour rentrer à la maison et recommencerait. « Mais, disait sa mère, très vite il a commencé à se plaindre de la solitude. De l’impossibilité de partir avant qu’il ait gagné un peu d’argent. Il avait toujours détesté sa pauvreté. Quand il s’était marié, il avait écrit une longue lettre à la maison. Il semblait se sentir mieux et disait que tout était plus facile avec sa femme belge. Le fait qu’ils étaient à peine en mesure de se comprendre n’était pas important. » Sa femme ne parlait presque pas l’anglais et Conrad ne comprenait pas le flamand de sorte que toute conversation se déroulait largement par gesticulations. Au début, cela n’avait pas d’importance, mais bientôt, l’exotisme n’a plus suffi pour maintenir cette union. Alors le mariage s’est éteint. Ses lettres devenaient de longues lamentations sur la vie et la solitude. Il prétendait posséder des châteaux et des îles. « Il avait le cœur obscur, disait sa mère, la solitude le rongeait. Là-bas, il était appelé Musa Ibrahim, son nom ‘d’asile’. Selon son passeport, il était un musulman de Sierra Leone. Son dossier disait qu’il avait fui une guerre. »

Malgré son talent incroyable à raconter des histoires, Conrad n’était pas arrivé à accepter l’histoire créée pour lui-même. Ce que nous avions admiré en lui comme l’art de construire des contes ingénieux, c’était en fait la manifestation de troubles délirants, aggravés par la solitude particulière qu’il ressentait en Europe. Une fois que l’obscurité l’avait englouti, plus personne n’était en mesure de l’aider.

Sa mère m’a pressé une photo dans la main avant mon départ. Elle me l’a présentée de dos, comme si elle ne voulait pas me surprendre en montrant le côté face. Je l’ai retournée et immédiatement ma gorge s’est serrée. Deux bambins, le front haut comme celui de Conrad, me regardaient, suçant leur pouce de façon identique.

 


Traduit par Tinneke Everaert


Download the ePub Print

Heart of Darkness


The day I met Conrad, he rescued a snake about to be eaten by a tiger. That was why his school uniform was dirty. Our class teacher let him off. He did not get five lashes of the cane which was the regular punishment for untidiness. Maybe it was because he was a new student. Later that day he told me his wealthy father died in a car accident on his way back from work. Two weeks later he told me his father died in a fire that razed their humongous house and all the money in it. That was why his mother had to move them to a new city and a small house. By then we had become best friends. Even after many years, not even I, privy to his secret crushes and his desire to travel the world knew where Conrad lived before or how he lost his father. His story changed with each telling.

Conrad was always turning up late. If he told you he would be at your place at 1 pm, it was safe for you to assume that he would not turn up before 3. Very often he did not offer any apology. When he did it was always something bold, and delivered with a deadpan voice and a straight face as if he was reading out a shopping list. ‘Aliens abducted me and forced me to peel a huge pile of yams before they would let me go.’ ‘I bumped into the ghost of my great-grandfather and he begged me to keep him company.’ ‘I helped a pregnant woman deliver her quadruplets.’ Once when he held a group of us up for an inter-school football match, he told us the taxi he came in had been involved in accident. ‘I had to be cut free from the car. Better to be late than be the late.’ We could have called him Pino- Pino- Pinocchio like we did liars but we never did. Instead we nicknamed him Conrad the Late, and asked him to elaborate, to put some flesh on the skeleton of the stories he fed us. Sometimes he obliged us. Conrad had a hold on us. He was tall. The tallest boy in our class, not only taller than our headmaster whom we called Shortmandevil but as tall as many of the female teachers by the time we were in primary 4. By primary 5, he had a sprinkling of fine hair over his upper lip. That commanded respect. Perhaps the truth is that although we never acknowledged it, we admired his ability to spin these tales, perhaps even enjoyed them. Their daringness immunised them against our ridicule. The manner of delivery inspired deference. So, we always forgave Conrad his tales and his lateness. Not everyone did.

Once, Conrad came very late to school. Even by his own standards, he was late. We were in the middle of our second lesson for the day when he came in, his uniform crisp and clean, his school bag hanging from his back. Shortmandevil spied him from his office and followed him into our classroom. When he asked him why he was ‘sauntering in’ at that time, Conrad said, ‘Sir, on my way to school I saw a lion at the end of the street. I ran for dear life and did not dare come out again until I saw the lion run past in the opposite direction.’ The same story he had spun us. In the same manner he had delivered it to us. Face as bland as a bucket of water. Shortmandevil was not impressed and was not as forgiving as we were and gave Conrad a thorough beating with the leather belt reserved for disciplining unruly pupils. Two days later, it was announced on the 9 o’clock news that a lion had escaped from the zoo. Conrad told us that what he had seen was a vision. He started charging classmates 30 kobo to tell their future. The shinier the coin, he said, the better he could see. For the girls, they could make their coins ‘spiritually shinier’ by kissing the back of his hand.

I did not believe him but I never told him. We were best friends. The obligations of friendship mandated my complicity in his game. There was also the way in which Conrad frowned while reading palms that made you think that he believed he had the gift. His thin neck, bent over the palms lent him an air of fragility that I believed that any aspersions cast on his ability to see the future – in jest or otherwise – would snap off that neck of his.

On his part, his predictions for me were never bad. He always told me the same thing: ‘You will move overseas and marry a woman with red lipstick and generous melons like Miss Priscilla.’

Miss Priscilla, our class teacher, was the most glamourous woman we had ever seen. She made primary 6 heaven for all 12 year old boys on the verge of puberty. She wore tight tops which stretched across her chest and showed off her huge breasts which we nicknamed melons. Even now, when I think of Miss Priscilla, I get a hard on.

I asked Conrad once what he saw in his own future. He said he could not read his own palm but he knew that his future was so bright it was blinding. He would go abroad. He would make money. He would have many girlfriends. Then after he had sown his wild oats, he would settle down, marry a beautiful woman and have sons to carry on his Obiohia name. As the only son, it fell on him to make sure the father’s name did not vanish. Whenever we joked about not having children until we were very old, at least thirty, he would say ‘My sisters will marry and take on other men’s names. The responsibility of keeping the Obiohia name alive depends on me. I’ll have to start as soon as possible.’ The weight of this responsibility made him seem much more grown up than the rest of us. He insisted on being called Mr. Conrad Obiohia at an age when we still wore shorts to school and reserved ‘mister’ for adults. ‘Name is identity’ he said once when I asked him to stop going on about marriage and sons, and concentrate on the Jackie Chan film we were watching. ‘Name is identity.’ I had no idea what he meant. He was always saying things like that. ‘Love is power.’ ‘ To be or not to be. Therein lies the dilemma.’ ‘The road less travelled is where treasure lies.’ Aphorisms that he must have collected from his mother, an English lecturer at the polytechnic.

After we left secondary school, Conrad moved to Lagos. He was done with school, he said. It was time for him to give his future a chance to unravel. The last time I saw him, he told me, ‘Ejike, my future begins now. I am off to build my business empire.’

Conrad’ s first postcard to me came 4 years after I saw him last. It was a picture of a castle in water, coloured lights bouncing off the water. It looked like a scene from a film. At the back, Conrad scrawled:

 

Ejike nwoke m,

Turnhout by night. This is where I live. It’s a city shaped like a dog standing on

its hind legs. The statue in the water is an exact replica of my Amazon of a

woman. Check out the melons on her! I wish you were here, my friend. Here

too enjoying life in this beautiful city. Remember, ‘Experience is not what

happens to a man. It is what a man does with what happens to

him.’ Aldous Huxley

 

Conrad Obiohia


I did not even know that he had left the country. I turned the card over to see the statue that I had missed, stunned as I was by the mesmerizing vision of the house on water. It was a huge woman, generously endowed, lying on her side. All her features seemed exaggerated, designed to draw attention to her voluptuousness. I had never heard of Turnhout and scanned the stamp closely for clues of which country it had come from. Belgium. What was Ejike doing in Belgium? Trading in cars?

No one I knew went to Belgium. Abroad was London and America. And these days, South Africa and even Ghana. Or if you got a Catholic scholarship, Cuba or Ukraine. Belgium did not exist for us except as a synonym for the second hand cars flooding the Tokunbo market. My trusted car was a Japanese-made Belgium. It still bore the sticker of De Rode Duivels it had when I bought it. I knew the Rode Duivels even if the only international matches I watched were the ones players at the Old Trafford.

Two weeks later, another card came from him. This time the photograph was of a modern building with the statue of a small man Conrad referred to as ‘the Prof.’ in front of it. ‘De Warande’ was printed in block letters across the house. At the back of the card, Conrad wrote:

 

Ejike nwoke m,

 

This is my vacation house. People here have vacation houses the same way we

have second homes in the village. The ‘Prof’ is my wife’s great-great-great-

grandfather. He was the 1st man to perform open heart surgery in this

country. Luckily he had the good sense to marry a woman far taller than he was.

He is said to have come up only to his wife’s waist. She too had amazing

melons. It is to her that I owe my wife’s size. I am having a brilliant time here.

Enjoying life.

 

Never forget: ‘True heroism consists in being superior to the ills of life, in

whatevershape they may challenge us to combat.’ Bonaparte

 

Conrad Obiohia


The next card arrived less than two weeks later. Across the photograph of a sculpture was inscribed, 'Adam and Eva'. The sculpture was of a couple entwined so tightly that it was difficult to tell where one ended and the other began. It was as if they flowed into each other. Hands, legs, buttocks. It looked like a massive trunk.

 

Ejike my friend,

 

This is a very famous artwork. People from all over Belgium come to Turnhout

to admire this. It was made by my Amazon’s mother. Talent and genius run in

their family. You reckon Eve had such impressive melons?

 

The sculpture is a temple to naturists. They come and worship at its feet. Also

women who have difficulty getting pregnant come here on pilgrimage. All they

have to do is rub their palms over Adam’s tight buttocks 10 times, go home,

sleep with their men and bingo!

 

I am having the time of my life here nwoke m. I am happy. Surrounded by

people. Remember: ‘It’s better to have loved and lost than never to have

loved at all.’ Alfred Lord Tennyson.

 

Conrad O.


Every few weeks another postcard would come. He had stopped signing the cards with his last name and after a few weeks, the O. disappeared too and he signed off simply as Con. For as long as I had known him, he had never abbreviated his name. It was also around this time that he told me that he was writing a novel. ‘An epic that will revolutionize the way critics and readers think of the Novel. The mother of all novels. It’ll be about my life here, about immigration, about migrants, about my discovery.’

I always thought that Conrad missed his calling. He should have been a writer. But in primary school, when we all enjoyed writing creative writing compositions, Conrad found them a chore. Perhaps, his imagination rebelled at being defined so that an essay to write two pages on What I would Do if I Won 5 million naira was an exercise in torture for this boy who held us spellbound for hours telling the most thrilling stories. Our Primary 5 English composition teacher would have been pleased to know that he was writing a novel. Each time Conrad came up with an excuse of why his homework was late, this teacher would tell him gravely that ‘a mind was a terrible thing to waste.’ That with such imagination as he had he would make a fantastic author. ‘I do not want to be a writer’ was Conrad’s confident default response.

Conrad never included a return address so I could not write back to him. I could have asked his mother who still lived in the same house in Uwani but I figured that if he wanted me to respond, he would not have omitted this. Conrad was deliberate like that. Even with his stories. He measured what he said, carefully like a meat seller weighing meat. He never gave more than he intended to. His moving to Turnhout, this place nobody else had ever heard of, was also most likely a calculated choice, not a random decision picked by fate.

His stories fascinated me. At the beginning, I looked up the names of the places he mentioned on Google Search, looking for what he might be hiding, clues to why he had chosen to settle in that city. But every time Google spat out the truth about Turnhout, about the buildings, about the sculptures on the postcard, it depressed me with its truthfulness. The truth was precise. Dry. Detailed. It left no room for wonderment, did not keep me amused, so I stopped seeking it out but stuck instead to Conrad’s version.

Once he sent a card with people walking through what was obviously a shopping street. They all had paper bags and some clutched children or carried dogs. Conrad wrote that they were all walking through his private drive way after a birthday party for his wife. And the paper bags I could see were filled with party favours. Another time, he sent me a card of a place called Begijnhof. On the card, a church and a narrow, cobbled road were visible. He said that Begijnhof was the last name of his wife and her great-grandfather had placed every stone on that road by hand. To show their gratitude, the city named the area after him. His stories were never the same but they always ended with him saying what a great life he was living. Always.

From his postcards, I could sketch Turnhout, this city I had never seen, in a country I had never been to. I could tell you it had a restaurant called Hof Ter Duine (Conrad’s wife’s family owned it); it had a big Cathedral (St. Peter’s in which he and his Amazon got married); De Herentalstraat (where the bakery he always got bread from was: Guylicx. Named after his wife). In the spring flowers bloomed like in the Hollywood films we watched; the old lived in care homes even if they had children who could care for them, people pushed their dogs in prams like babies and on a street called Gildenstraat, a woman lived who spoke to elves and fairies. Conrad said he had started writing.

Sometimes the cards said nothing. At other times the stories were disjointed as if Conrad could not decide what to write to me about. But I delighted in receiving them all.

I got so used to the postcards that when they suddenly stopped coming I missed them. At first, I would check my mail box as soon as I got in from work and get the same hollow feeling in my stomach as if I were hungry if there was no card from Conrad. After a month, I started checking my mail box twice a week. After three months, I no longer opened it with eager anticipation and I no longer felt the emptiness like a hunger in my stomach when my hopes were dashed. In his own good time, he would get back in touch, I thought.

In the year that he wrote to me, Conrad never sent me a photograph. Not of him. Not of his Amazon. Or of the children he said he had (twins: a boy and a girl with eyelashes like a giraffe’s). I was certain, they were nothing more than figments of his imagination. Yet I read the cards, I imagined his life in a castle with a woman with enormous melons and the twins who called him Papa and sucked their thumbs identically.

I soon forgot about Conrad and it was two years before I thought of him again. I was married and had a son of my own. Holding my son, I felt a longing for my oldest friend, the one who always dreamed of sons. I had been twice to Europe in the six months since he was born. Once to England and once to Holland. Both times I was told Belgium was just a train ride away. ‘Small country. Like a handkerchief. I’m sure it wouldn’t take you time to find your friend,’ one of my Dutch colleagues joked when I told him about Conrad living in Belgium. I wished I had an address so that I could have gone over to see him. To be so close yet so far.

Often I would bring out his cards and scan them for clues of where he lived. Maybe he had left Turnhout. Perhaps even left Belgium. Maybe he lived somewhere else. Two years was a long time. Who was to say that he hadn’t even returned to Nigeria like he predicted for himself all those many years ago. Occasionally I googled him but I never got any match. If he had published his novel, there was no trace of it. But it delighted me to think that he might be hard at work on it. Putting that brilliant creative mind of his to good use. Then slowly he receded again into the back of my mind to join other clutter: books read but no longer thought of. I no longer thought of him walking the cobbled streets of Turnhout. I no longer imagined him admiring the melons on Eve and the Amazon in the water. Life took over. I had my first one son, then another. When I had a third son, I imagined I was living the dream Conrad had all those years ago; to have a house full of sons to perpetuate his father’s name. This thought came up one night, the second day of my son’s birth while I held him and smelt the newness of him. The thought stayed with me all through the week, buzzing in my ears like an annoying fly. When I could not shake it after two weeks, I walked to Conrad’ mother’s house. Even though I had hoped she would still be there, I was shocked to find that she was.

She could as I had hoped fill me in on Conrad the Late. She spoke in a whisper, as if saying a prayer. Pausing occasionally as if to draw breath, she did not stir from her chair until she was done talking.

Conrad’s business venture in Lagos had failed monumentally. His time keeping disability and his tales cost him customers. He was so sure, so certain his future lay in Europe that he invested what money he had into buying his passage. Belgium was a wild card choice from a man in Badagary who could get his clients passports but Turnhout was a deliberate choice. It had many Africans. A good place to begin again.

At first, Conrad had sent many optimistic letters home, praising the city, its lights, its Africans, its fountains in the city square. He would work hard, make some money and return home to start all over again. ‘But soon,’ his mother said, ‘ He began to complain of the loneliness. Of being unable to leave before he’d made some money. He hated that he was so poor growing up. When he married he sent home a long letter. He sounded very well. He said a Belgian wife eased things. It did not matter that they did not understand each other.’ His wife hardly spoke any English. Conrad spoke no Flemish so what conversation they had was made up mostly of gesticulations. At first, it had not mattered. The exoticism wore off and it began to grate. Then his marriage crumbled. His letters became long ramblings on the nature of life and loneliness. He started talking of owning castles and islands. ‘ There was a great darkness in his heart,‘his mother said. ‘It ate him up. Over there they called him Musa Ibrahim. His “asylum” name. His passport said he was a moslem from Sierra Leone. His file said he was escaping a war.’

Conrad with his incredible flair for story-telling could not wholly swallow the story that was created for him. What we admired as ingenious story telling was the manifestation of a delusional disorder exacerbated by the peculiar loneliness he felt in Europe. Once the darkness engulfed him in Turnhout, no one could help him.

His mother pressed a photograph in my hand before I left. She gave it to me face down as if she did not want to startle me by disclosing who was in it. I turned it over. A lump rose in my throat. Staring at me were two toddlers with Conrad’s high forehead sucking their thumbs in the same identical way.