Éclipse

Eclips

Niña Weijers

Niña Weijers

Niña Weijers (Nijmegen, 1987) studied literary science in Amsterdam and Dublin. She has written short stories and essays for a range of periodicals, and in 2010 she won the writing competition Write Now!. For De Groene Amsterdammer she writes reviews and an online column, and she is an editor for the literary magazine De Gids. Together with Simone van Saarloos, she makes the talk show Weijers & Van Saarloos. Her debut novel De consequenties (Atlas Contact publishers) appeared in 2014 to immediate critical acclaim. The book was nominated for the Bronzen Uil and won the 2014 Anton Wachter prize. It has been longlisted for the Libris Literature prize and shortlisted for the 2015 Gouden Boekenuil. French and German translations of the novel are currently in progress.

Close

Ghent All citybooks

Download the ePub Print

Eclips

das magazin Niña WeijersHet citybook dat Niña Weijers over Gent schreef werd voorgepubliceerd in het literaire tijdschrift Das Magazin.

 

 

 


16 maart 2015

Het residentieappartement dat ze me hebben gegeven lijkt te bestaan voor cocktailparty’s en seks. Kunst en witte banken. In plaats daarvan ben ik sinds mijn aankomst drie dagen geleden gedeprimeerd en alleen. Ik slaap in de kinderkamer, in een smal éénpersoonsbed. Het kind is allang opgegroeid, er zit geen meer leven in de spulletjes, de ruimte is een opslagplaats. Naast mijn bed staat een instrument dat nog het meeste lijkt op een reusachtige panfluit. De eerste ochtend schaafde ik er mijn enkel aan, ik fantaseer erover het ding kapot te trappen met mijn blote voeten.

De eigenaresse gebruikt het appartement als een pied-à-terre, ze woont het grootste deel van de tijd in Antwerpen. Op de eerste dag kwam ze langs om wat spullen op te halen, een wervelwind van doelgerichte energie en Chanel No. 5.
Vóór mij hebben hier ook schrijvers gezeten, onlangs nog een Oostenrijker met zijn Roemeense echtgenote. Ik herinner me eens een boek van hem te hebben gelezen, een weinig opbeurende monoloog van een gek, zeer belangrijke literatuur. De echtgenote, zo werd mij verteld, sprak uitsluitend Roemeens en was de hele dag in de weer met potten en pannen.

Ik zit achter in de woonkamer met mijn rug naar de straat – de enige plek waar het internet werkt. Ik staar door de glazen deuren naar de betonnen tegels van het dakterras, een tint donkerder dan de lucht, poreus, regenwater dat door minuscule gaatjes naar binnen sijpelt. De eigenaresse wil niet dat ik de witte gordijnen aan de straatkant open. De mensen kunnen naar binnen kijken, zei ze.

Het appartement bevindt zich in het oude centrum van Gent. Iedere dag passeer ik het Gravensteen, een belachelijk bouwsel dat een kinderlijke nabootsing van een middeleeuwse burcht lijkt maar dat (nog idioter) echt is.
Schuin tegenover mijn appartement staat een klooster dat wordt bewoond door een gemeenschap van negen karmelieten. Ze hebben een website waarop staat te lezen dat zij, de Gentse karmelieten, tot de ongeschoeide soort behoren. Dat betekent niet dat ze ook werkelijk ongeschoeid door het leven gaan. Ze dragen sandalen, en soms zelfs dichte schoenen.

 

17 maart 2015

Het hele onderste vak van mijn rugzak had ik volgestopt met boeken. Ik stelde me voor dat ik lange wandelingen zou maken, iedere dag een boek zou lezen, in de avonden zou schrijven. Rust en tijd om na te denken. In plaats daarvan slaap en tril ik voortdurend. Toen ik vanmorgen opstond, zwabberden mijn benen alle kanten op. Ik sprong hoog in de lucht om ze een lesje te leren, maar toen ik neerkwam klapten mijn knieën dubbel en vond ik mezelf zittend op de grond, waar ik een tijdje bleef en de vloer onder het bed inspecteerde. Niets te vinden, nog geen stofwolkje.

Wanneer de zon soms plotseling door de regenwolken breekt, open ik stiekem de gordijnen aan de straatkant. Ik ga op een van de witte banken liggen en ik speel een spelletje op mijn telefoon. Ik moet blokjes met getallen in elkaar schuiven, zodat de getallen op de blokjes steeds groter worden. Na een tijdje vallen mijn ogen dicht, en twee uur later word ik wakker. Het is weer gaan regenen, het is kil geworden in de woonkamer, ik moet plassen, ik moet opstaan, iets doen. Maar ik blijf waar ik ben en staar naar het porseleinen beeld in de vensterbank. Een misvormd mannetje met om zijn hoofd een krans van zonnestralen.
Als je het mijne zou openbreken, zou je er alleen nog een reptielenbrein aantreffen, niet groter dan een amandel. De rest is bloed en watten.

 

18 maart 2015

Gisteravond, plotseling bevangen door grote fysieke en mentale onrust, maakte ik een wandeling door de stad. In noordwestelijke richting liep ik het oude centrum uit, de lange, smalle Phoenixstraat in die onderdeel uitmaakt van de Brugse Poort.
Het was er lelijk en chaotisch, huizen leken er dwars door elkaar heen gebouwd, afval puilde uit vuilniszakken, uit cafés klonk dreunende hiphop. Alles heette er phoenix of feniks: de snackbar, het pizzarestaurant, de kapper, de twee kroegen, een groentewinkel. Ondanks de muziek hing er een vreemde stilte in de straat. Er leunden vrouwen in deuropeningen, sigaretten rokend, wachtend op iets, een gebeurtenis misschien, een wending in hun levens. Een moeder met een kind op haar heup, twee dikke vrouwen met identieke T-shirts waarop in grote paarse letters ORIGINAL GANGSTER stond te lezen. Ze keken me na, die vrouwen, en de mannen ook, in groepjes voor de gevels van cafetaria’s. Steeds voelde ik hun ogen in mijn rug, maar als ik me omdraaide keken ze weg. Hoe vlug ik ook omkeek, altijd waren ze me sneller af. Hoe deden ze dat?
Ineens wist ik zeker dat er iets stond te gebeuren en dat het niet goed zou zijn. Ik verlangde intens naar de zacht verlichte toren van de Sint-Baafskathedraal, de roerloze wilgen aan de Lievekaai, hun weemoedige takken die het water raakten, maar ik liep verder, en het was alsof ik ergens dwars doorheen stapte, een onzichtbare grens over.
Er gebeurde niets. Misschien had ik mezelf onaanraakbaar gemaakt, wie zal het zeggen. Op de terugweg passeerde ik het karmelietenklooster. Aan de deur was een flyer bevestigd. Iedere mens heeft een kant die hij van zichzelf niet kent: zijn schaduw. Wat belet ons om helemaal onszelf te zijn? Hoe maken wij onze schaduw tot bondgenoot?

 

20 maart 2015

Voor het eerst in tijden zou vandaag vanaf het noordelijk halfrond een zonsverduistering waar te nemen zijn. De eclipsbrillen waren overal uitverkocht. Dit is blijkbaar iets waar mensen zich mee bezig houden: een zon met een hapje eruit, een glimp van kosmische toevalligheid. De hele dag was het bewolkt.

 

21 maart 2015

Vandaag kwam er een filmploeg naar mijn appartement. Ze maken een item voor de Belgische televisie over mijn boek, dat is genomineerd voor een Belgische literatuurprijs. Ik heb me netjes aangekleed en opgemaakt voor de gelegenheid. Het is vijf dagen geleden sinds ik met iemand had gesproken, afgezien van een paar uitwisselingen met de caissière van de Carrefour Express, waarbij zij noch ik als een groot spreker uit de bus kwam.

De interviewster, een cameraman (knap) en een geluidsman kijken bewonderend om zich heen. Zo’n appartement, midden in het centrum, ik zie hoe ze berekeningen maken. Wist je dat hier ook een prominente Vlaamse politicus woont? zegt de geluidsman. Hij heeft zijn naam op een van de brievenbussen zien staan. Een omstreden figuur, vroeger socialistisch journalist, nu Kamervoorzitter namens de Nieuw-Vlaamse Alliantie.

De interviewster vindt mijn boek maar niks, ik hoor het aan haar manier van vragen stellen. Of misschien is het iets Vlaams, terughoudendheid die ik ten onrechte voor afkeuring aanzie. Na het interview moet ik rondlopen en een boek uit de kast pakken. Ik kies een groot koffietafelboek over Beuys, ga ermee aan tafel zitten en doe alsof ik de tekst aandachtig lees. If you want to express yourself you must present something tangible. Steeds opnieuw lees ik dezelfde zin, alleen de woorden, hun vorm. Tang-i-ble, tan-ger, tan-ge-rine.

Nu staat de ploeg op het dakterras. Ik zit voor het raam, op de plek waar internet is. De schrijver aan het werk, gefilmd van achter een beslagen venster. Jij leeft niet, typ ik, jij laat je afleiden. Ik google mijn buurman de politicus. Hij lijkt op een walrus, snor in de vorm van slagtanden. Daarna google ik op ‘tekenbeet’, omdat ik sinds gisteravond bang ben de ziekte van Lyme te hebben opgelopen. De symptomen: krachtverlies, voorbijgaande verlammingsverschijnselen, dubbelzien, vermoeidheid.
De opkomst van de teek maakt buiten zijn een stuk minder onbezorgd, lees ik op www.stopdeteek.nl. Een teek is erg sterk en kan lang overleven. Om veilig buiten te kunnen recreëren, is grof geschut nodig.

Na een eeuwigheid komt de ploeg weer binnen. Vreemd genoeg was ik al bijna weer vergeten dat ze er waren. De cameraman wil nog even mijn typende vingers filmen. Typende vingers, typ ik, typende vingers typende vingers typende vingers zin om te neuken? Dan zijn ze weg, nu echt, en het zou goed kunnen dat ze er nooit zijn geweest.

 

22 maart 2015

Frappant. Ik lig op een van de witte banken, staar naar het plafond en zie daar ineens een perfect rond gat met een omtrek van minstens vijftig centimeter. Waarom heb ik dat niet eerder gezien? Ik pak een stoel om op te staan, maar die is niet hoog genoeg. Naast de wasmachine vind ik een ladder. Ik plaats de ladder onder het gat, klim erop, voel met mijn vingers langs de randen van het gat. Het is misschien tien centimeter diep. Ik leg mijn vlakke hand nu in de holte. Vraag me af hoeveel groter dit huis van binnen is dan van buiten.
Je gelooft het niet, maar precies als ik daar als een malloot aan dat gat sta te voelen, hoor ik iemand met een sleutel morrelen aan de voordeur. Een paar seconden later staat er een vrouw in de woonkamer.
Cleaning, zegt ze. Only need. Ze maakt een poetsgebaar met haar hand.
Ik doe net alsof ik op de ladder sta met een reden, door mijn handen af te kloppen aan mijn broek.
Yes, zeg ik, sure.
De vrouw glipt de keuken in, om weer tevoorschijn te komen met een strijkijzer in haar hand. Ze houdt het omhoog.
Adíos, zegt ze.
Ciao! zeg ik, te hard en te opgewekt, alsof ik tegen een patiënt praat. Ik hoor hoe ze buiten de stalen trap af trippelt, en zie door het raam aan de terraskant hoe ze op de tegenoverliggende galerij van het appartementencomplex weer tevoorschijn komt, dan weer een deur binnen gaat.

 

23 maart 2015

De ontdekking van het gat in het plafond heeft me hernieuwde energie gegeven. Mijn zintuigen beginnen weer te functioneren. Voor het eerst sinds ik hier ben voel ik me een waardige resident, een schrijver die de stad op zijn particuliere, schrijversachtige manier ontdekt. Het werd ook wel eens tijd, want het is de bedoeling dat ik met een zinnig stuk op de proppen kom. In de opdrachtbeschrijving staat dat de lezer kennis moet kunnen maken met de stad, en moet kunnen reizen zonder zich te verplaatsen. Dan kun je niet komen aanzetten met geneuzel over een mogelijke ziekte van Lyme en een onzichtbare zonsverduistering.

Vanmiddag liep ik langs een huis vol briefjes op de ramen. Boeddha ja, Allah nee. En: Stop moslimterreur tegen schapen. Daaronder een foto van een geit. Binnen zag ik niemand, wel een hoop kaarsen en planten. Ik wandelde verder door de straatjes van het Patershol. Opvallend: de Plotersgracht ruikt naar verbrande kaas, de Vrouwebroersstraat naar oud frituurvet. Ventilatieroosters van restaurants, achterkanten. Ineens had ik de moed om verder te lopen zonder te weten waarheen. Het hielp dat het niet regende.

Walter Benjamin schrijft: ‘In een stad de weg niet kunnen vinden zegt niet veel. Maar in een stad verdwalen, zoals je in een bos verdwaalt – daar heb je scholing voor nodig. Dan moeten straatnamen tegen de verdwaalde spreken als het kraken van dorre twijgen, en moeten kleine straten in het binnenste van de stad het uur van de dag voor hem even duidelijk weerspiegelen als een dal in de bergen.’

Aan de Ajuinlei ontdekte ik een naamloos antiquariaat. Ik zag meteen dat men hier niet de eerste de beste vergeelde pockets verkocht. Veel Franstalig, Duits. Filosofie, geschiedenis, architectuur. Achterin de winkel een tafel met slordige stapels boeken, een computerscherm, een winkelier: zandkleurig, achterovergekamd haar, pafferig gelaat, ironische blik. Zijn leeftijd liet zich moeilijk te raden – alles tussen de veertig en zestig leek me geloofwaardig. Hij groette me bij binnenkomst, maar ging verder volledig op in waar hij ook mee bezig was. Wel zo prettig; ik zocht niets en wilde ook niet hoeven doen alsof. Überhaupt ben ik niet happig op contact met verkopers. Ik vind de rol van klant onprettig, waar dan ook. Je koopt iets of je koopt niets, in beide gevallen is het een beschamende aangelegenheid.

Ik moet wel erg eenzaam zijn geweest, want na een tijdje liep ik, in mijn handen een paar prachtige oude Suhrkamp-edities, op de tafel af. De winkelier keek niet overdreven vriendelijk op van zijn werkzaamheden, maar toch ook niet regelrecht vijandig. Twee uur later en drie glazen wijn verder moest ik concluderen dat zijn hautaine voorkomen onderdeel uitmaakte van een zorgvuldig opgebouwd imago, dat me eerst excentriek en later vooral aandoenlijk voorkwam. Hij vertelde dat hij Andreas heette, uit een aristocratische familie kwam en een mislukte academische carrière had ingeruild voor deze boekenwinkel. Hij was ooit gepromoveerd, Oudgrieks en filosofie, en had jarenlang lesgegeven aan de Brusselse universiteit. Tot hoogleraar had hij het nooit geschopt; daarvoor moest je bij de vrijmetselaars, en dat vond hij een stelletje kleuters. Met zijn studenten kon hij het vinden, met zijn collega’s niet. Na een conflict werd hij op non-actief gesteld. Gelukkigerwijs overleed net in die periode zijn moeder, die hem genoeg geld naliet om de universiteit voorgoed vaarwel te zeggen.
Van de erfenis kocht hij boekvoorraden op bij antiquariaten door heel Europa. Toen hij genoeg boeken had om te beginnen, kocht hij dit pand. Zelf woont hij boven de winkel, de overige twee verdiepingen verhuurt hij. Hij opent de winkel wanneer hij daar zin in heeft, maar nooit voor één uur ’s middags. Vaak blijft hij open tot laat in de avond.

De wijn maakte Andreas niet alleen spraakzaam, maar ook zeer expressief. Zijn pafferige gezicht nam een hele reeks uitdrukkingen aan die een verhaallijn op zich vormden. Ik probeerde de boodschap van dat andere verhaal te ontcijferen door een lange tijd zeer geconcentreerd naar het gezicht te kijken alsof het een zelfstandige entiteit was. Het veranderde voor mijn ogen in een Francis Baconschilderij, maar verder ontsloot het toch niet al te veel.
Toen ik weer buiten stond had de schemer al ingezet. Het regende zachtjes. Ik liep langs een bedelaar die geknield op de stoep zat, en even leek hij een man zonder benen.

 

24 maart 2015

Theresia van Ávila was de eerste ongeschoeide karmeliet, of eigenlijk: karmelietes. In 1556 was Christus aan haar verschenen, om zich mystiek met haar te verloven. Maar de bruidegom liet zich niet makkelijk kennen, ze moest het doen met zijn spookachtige aanwezigheid en haar rotsvaste geloof. ‘Het is heel erg pijnlijk maar genotvol en zacht,’ schrijft ze erover in De innerlijke burcht.
In 1562 richtte ze haar eigen, hervormde karmelietenklooster op, met een harde lijn van armoede, gebed en afzondering. Zo had ze het in visioenen voor zich gezien: schoenen uit, bidden, bedelen. Toen ze twintig jaar later stierf sneed een biechtvader een aantal lichaamsdelen van haar lijk, om die te distribueren onder haar machtige bewonderaars. Zo’n vier eeuwen later, in 1937, bemachtigde Franco een reliekschrijn met daarin haar rechter hand, minus de wijsvinger. Tot aan zijn dood in 1975 stond de schrijn op zijn nachtkastje. Men zegt dat de generalísimo stierf met het ding in zijn trillende parkinsonhanden.

 

25 maart 2015

Voor het eerst mijn buurman gezien, tegen half tien ’s ochtends liep hij over de galerij achter mijn dakterras. Een paar minuten later verscheen de schoonmaakster. Ze hebben iets met elkaar, die twee, het was te zien aan de manier waarop de schoonmaakster even met haar hand de knot op haar achterhoofd bevoelde.
Het gat in het plafond blijkt bij nader inzien niet perfect rond.

 

26 maart 2015

Gisteravond vreselijk dronken geraakt met Andreas. Tegen het einde van de middag was ik naar het antiquariaat gelopen. Onderweg had ik bij een delicatessenwinkel een fles rode wijn gekocht, verschillende kazen, kletzenbrood, droge worst, artisjokharten in olie, rillettes, sardines, wildpaté met uienconfituur en, in een opwelling, een bak tiramisu.

Ik trof Andreas met een donkerpaarse vlek onder zijn linker ooglid. Hij was zijn wekelijkse baantjes gaan trekken in het Van Eyckzwembad, dat door zijn art-decoinrichting de lichaamsbeweging enigszins draaglijk maakte. Een zwemmer in de baan naast hem was te veel uitgeweken en had hem met zijn hiel in het gezicht getrapt.
Het verleent je wel een bepaald soort cachet, zei ik, wetend dat die opmerking hem uiterst tevreden zou stemmen.
We aten en dronken in de winkel. Af en toe kwamen er klanten binnen, niemand kocht iets. Andreas vertelde over het plan dat hij had opgevat om een sitcom te schrijven die zich afspeelt in een antiquariaat. Een soort kruising tussen Seinfeld en Frasier, met een sterk op Andreas gebaseerd hoofdpersonage. Een goudmijn, zei ik, en ik meende het ook. Ik vroeg hem wat hij tot nu toe al op papier had.
Dialogen, antwoordde hij.

De wijn raakte op, Andreas ging een nieuwe fles van boven halen, vertelde over zijn vader (dictator), zijn moeder (alcoholist), zijn schijnheilige broer die in het vastgoed zat en de hele familie er op de een of andere onnavolgbare manier bij had genaaid. Hij raakte steeds geagiteerder en barstte toen uit in een onbedaarlijk snikken, wat hem er niet van weerhield door te gaan grote brokken tiramisu in zijn mond te stoppen.
Ik bracht hem naar boven, maar hij wilde niet alleen zijn. Samen hebben we op zijn faux-Versacebank naar twee afleveringen van Brideshead revisited gekeken. Andreas leefde weer helemaal op, en ineens zag ik de onvermijdelijke gelijkenis tussen deze man naast me op de bank en de charmante maar betreurenswaardige Sebastian Flyte op het televisiescherm. Ik liet ze voor wat ze waren en wankelde naar huis door de poppenstad bij nacht. Kasseien en kastelen, het lijkt hier verdomme wel een hoofse roman.

 

27 maart 2015

Ruim tien jaar voordat Theresia van Ávila haar kloosterorde van ongeschoeide karmelieten stichtte, was ze om onverklaarbare redenen doodziek geworden en, uiteindelijk, in een toestand van schijndood geraakt. Die toestand hield drie jaar aan, daarna ontwaakte ze. Misschien had ze het guillain-barrésyndroom, een zeldzame neuromusculaire aandoening waardoor de patiënt dagen of zelfs jaren verlamd kan raken, maar daarna weer volledig geneest.

 

28 maart 2015

Vandaag moest ik naar Brussel voor een radio-interview. Met een taxi dwars door de stad, alles stond vast, ik was maar net op tijd. Van het interview herinner ik me niets, behalve de gast naast me aan tafel, een kunstenaar die een zoölogisch classificatiesysteem voor dieren had gemaakt. Hij had een perfect gekapte baard, misschien was het ook een kunstproject. De terugweg was beter.

Wanneer ik weer thuiskom zie ik dat mijn voordeur op een kier staat. Ik schrik. Er staan werken van Roger Raveel in dit huis, Pierre Alechinsky, Michaël Borremans. Dat malle porseleinen mannetje met zijn stralenkrans zal ook wel het nodige waard zijn.
Hallo? roep ik door de kier.
Geen antwoord. Fuck. Ik stap het huis binnen, zie lege plekken voor me waar eerst schilderijen hingen. Ik zie de eigenaresse voor me, razend. Bedenk dat het misschien door de geopende gordijnen aan de straatkant komt.

In de woonkamer tref ik een onwaarschijnlijk tableau-vivant. De trap staat precies waar ik hem vorige week had neergezet, recht onder het gat. Op de bovenste trede de schoonmaakster, op haar tenen, blote voeten, beide handen in het gat, armen als engelenvleugels. Het gat is, zie ik, een fractie minder rond dan gisteren.
De overbuurman houdt de ladder op zijn plaats, zijn hoofd geheven richting de voeten van de schoonmaakster. Ze staan met hun rug naar me toe, lijken me niet te hebben gehoord. De schoonmaakster prevelt iets in haar eigen taal. De overbuurman kust haar hielen, één voor één, en dan nog eens.
Heel zachtjes loop ik de woonkamer uit, de voordeur uit, de metalen trap af, terug de straat op. If you want to express yourself, zeg ik tegen de kasseien, you must present something tangible.

 

30 maart 2015

Gisteravond heb ik Andreas uitgenodigd in het appartement. We dronken gin-tonics op de witte banken, Tanqueray No. 10 met komkommer. De paarse vlek rond Andreas’ oog was nu geel uitgeslagen aan de randen, een zon met een maan ervoor. Hij praatte aan één stuk door over zijn sitcom. Eigenlijk gaat het over Gent, zei hij, over de ziel van Gent, begrijp je? Daarna zei hij een aantal dingen over hoe de ziel van een stad niet op straat lag maar in de huizen van haar bewoners, de binnenplaatsen, de winkels, de scholen, de zwembaden, de tuinen, de cafés, de kantoren, de kerken, de kloosters.
Ik was van plan hem te vertellen over de schoonmaakster en de overbuurman, ik wilde van hem weten wat hij dacht dat zoiets betekende, maar zag er bij nader inzien vanaf. Hij zou erom moeten lachen, het beeld zou als een luchtbel uit elkaar spatten. We omhelsden elkaar op de stoep. Andreas’ haren roken naar chloor.

Deze ochtend is het voor het eerst in twee weken stralend weer. Met mijn rugzak vol ongelezen boeken sta ik op het perron. Naast me staat een groep jongens en meisjes. De jongens dragen witte hemden met korte mouwen, de meisjes bonte jurken tot net over de knie. Ze hebben naambordjes van zwart plastic op hun borst gespeld. Boven de namen van de meisjes staat ‘zuster’, boven die van de jongens ‘broeder’. Steeds meer jongens en meisjes voegen zich bij de groep. Ze praten met elkaar, de jongens met de jongens en de meisjes met de meisjes, ingetogen maar vrolijk. Ik kijk niet naar beneden, maar ik durf te zweren dat ze geen schoenen dragen.

 

Download the ePub Print

Éclipse


16 mars 2015

L’appartement qui m’a été attribué comme résidence semble fait pour les cocktails et le sexe. Œuvres d’art et canapés blancs. Au lieu de cela, depuis mon arrivée il y a trois jours, je suis seule et déprimée. Je dors dans la chambre d’enfant, dans un lit étroit. Il y a longtemps que l’enfant a grandi, il n’y a plus de vie dans ses affaires, la pièce est un débarras. A côté de mon lit se trouve un instrument qui ressemble à une énorme flûte de pan. Le premier matin, je m’y suis écorché la cheville, je rêve de détruire l’objet à coups de pieds nus.

L’appartement sert de pied-à-terre à sa propriétaire, qui passe le plus clair de son temps à Anvers. Le premier jour, elle est passée prendre quelques affaires, un tourbillon d’énergie déterminée et de Chanel No 5.
Avant moi, d’autres écrivains ont résidé ici, dernièrement c’était un Autrichien avec son épouse roumaine. Je me rappelle avoir lu un livre de lui autrefois, le monologue peu réjouissant d’un fou, de la grande littérature pourtant. Sa femme, me dit-on, ne parlait que roumain et s’affairait toute la journée derrière ses casseroles.

Je suis assise dans le fond du salon, le dos tourné à la fenêtre – c’est le seul endroit où la connexion internet marche. A travers les portes vitrées, je fixe les dalles en béton du toit terrasse, d’une nuance plus foncée que le ciel, poreuses, l’eau de pluie s’infiltrant par de minuscules petits trous. La propriétaire ne veut pas que j’ouvre les rideaux blancs côté rue. Les gens peuvent voir à l’intérieur, dit-elle.

L’appartement est situé dans le centre historique de Gand. Tous les jours, je passe devant le château des comtes de Flandre, une bâtisse ridicule qui ressemble à une imitation enfantine d’un château-fort médiéval mais qui est (et c’est encore plus idiot) authentique.
Plus ou moins en face de mon appartement se dresse un couvent habité par une communauté de neuf carmélites. Ils ont un site web qui indique que les carmélites de Gand appartiennent à l’ordre déchaux. Cela ne signifie pas qu’ils traversent réellement l’existence nu-pieds. Ils portent des sandales, parfois même des chaussures fermées.

 

17 mars 2015

J’avais rempli tout le compartiment inférieur de mon sac à dos de livres. Je m’étais dit que je ferais de longues promenades, que je lirais un livre par jour et écrirais pendant les soirées. Du calme et du temps pour réfléchir. Au lieu de cela, je ne cesse de dormir et de trembler. Ce matin en me levant, j’avais les jambes qui flageolaient dans tous les sens. Je fis un bond en l’air pour leur apprendre à bien se tenir, mais en atterrissant, mes genoux ont fléchi et je me suis retrouvée assise par terre, où je suis restée quelque temps à inspecter le plancher sous le lit. Rien à voir, pas même le moindre nuagede poussière.

Lorsque parfois le soleil perce soudain les nuages de pluie, j’ouvre en catimini les rideaux côté rue. Je m’allonge sur un des canapés blancs et je joue à un jeu sur mon téléphone. Je dois faire fusionner de petites cases avec des nombres, de façon à obtenir des cases avec des nombres toujours plus importants. Au bout d’un moment, mes yeux se ferment, et je me réveille deux heures plus tard. Il s’est remis à pleuvoir, il fait froid dans le salon à présent, j’ai envie de faire pipi, je dois me lever, faire quelque chose. Mais je reste où je suis, et je regarde la figurine en porcelaine sur le rebord de la fenêtre. Un bonhomme difforme, la tête entourée d’un halo de rayons de soleil.
Si on ouvrait la mienne, on n’y trouverait plus qu’un cerveau reptilien, pas plus grand qu’une amande. Le reste n’est que sang et coton.

 

18 mars 2015

Hier soir, soudain prise d’une grande agitation physique et mentale, je me suis promenée à travers la ville. J’ai quitté le centre historique en direction du nord-ouest, empruntant la longue et étroite rue Phoenixstraat qui fait partie de la Porte de Bruges.
L’endroit était laid et chaotique, les maisons paraissaient construites les unes sur les autres, les sacs poubelles débordaient de déchets, du hiphop grondait dans les cafés. Tout s’y appelait phoenix ou feniks : le snack, la pizzéria, le salon de coiffure, deux cafés, un marchand de légumes. Malgré la musique, il régnait un curieux silence dans la rue. Des femmes s’appuyaient sur le pas des portes, fumant des cigarettes, attendant quelque chose, un événement peut-être, un retournement dans leurs existences. Une mère portant un enfant sur la hanche, deux grosses femmes vêtues de t-shirts identiques sur lesquels on lisait en grosses lettres violettes ORIGINAL GANGSTER. Elles me suivaient du regard, ces femmes, et les hommes aussi, attroupés devant les façades des cafétérias. Je sentais sans cesse leurs yeux dans mon dos, mais quand je me retournais, ils regardaient ailleurs. J’avais beau tourner brusquement ma tête, ils étaient toujours plus rapides. Mais comment faisaient-ils ?
Tout à coup, j’étais certaine que quelque chose était sur le point d’arriver, et que ce ne serait rien de bon. Je désirais ardemment revoir la tour doucement éclairée de la cathédrale Saint-Bavon, les saules immobiles sur le quai Lievekaai, leurs branches mélancoliques qui effleuraient l’eau, mais je continuais mon chemin, et c’était comme si je passais à travers quelque chose, franchissant une barrière invisible.
Il n’arriva rien. Peut-être m’étais-je rendue intouchable, qui peut le dire. Au retour, je passais devant le couvent des carmélites. Un flyer avait été fixé sur la porte. Tout homme a en lui un côté qu’il ignore : son ombre. Qu’est-ce qui nous empêche d’être tout à fait nous-mêmes ? Comment faire de notre ombre un allié ?

 

20 mars 2015

Aujourd’hui, une éclipse solaire devait être visible depuis l’hémisphère nord, la première depuis longtemps. Partout, les stocks de lunettes à éclipse étaient épuisés. C’est apparemment quelque chose qui intéresse les gens : un soleil auquel il manque un petit bout, un entraperçu du hasard cosmique. Le ciel a été couvert de nuages toute la journée.

 

21 mars 2015

Aujourd’hui, une équipe de tournage est venue dans mon appartement. Ils font un reportage pour la télévision belge sur mon livre, qui a été nominé pour un prix littéraire. Je me suis habillée et maquillée avec soin pour l’occasion. Cela faisait cinq jours que je n’avais parlé à personne, hormis quelques échanges avec la caissière du Carrefour Express, lors desquels ni elle, ni moi ne nous sommes révélées de grandes oratrices.

L’intervieweuse, un caméraman (séduisant) et un perchiste jettent des regards admiratifs autour d’eux. Un appartement comme ça, et en plein centre ville, je les vois calculer. Tu savais qu’il habite un politicien flamand de premier plan dans l’immeuble ? dit le perchiste. Il a vu son nom sur une des boîtes aux lettres. Un personnage controversé, autrefois journaliste socialiste, devenu aujourd’hui président de la Chambre des représentants pour la N-VA.

L’intervieweuse ne pense pas beaucoup de bien de mon livre, je l’entends à sa façon de poser les questions. Ou peut-être est-ce un truc de Flamands, une retenue que je prends à tort pour de la réprobation. Après l’entretien, je dois faire le tour de la pièce et prendre un livre dans la bibliothèque. Je choisis un grand livre de salon sur Beuys, je m’installe à table et je fais semblant d’être plongée dans ma lecture. If you want to express yourself you must present something tangible. Si vous voulez vous exprimer, vous devez présenter quelque chose de tangible. Je lis et relis toujours la même phrase, juste les mots, leur forme. Tang-i-ble, tan-ger, tan-ge-rine.

L’équipe de la télévision est montée sur la terrasse de toit. Je suis assise derrière la fenêtre, à l’endroit où internet marche. L’auteure au travail, filmée à travers une vitre embuée. Je tape : Tu ne vis pas, tu te laisses déconcentrer. Je googlise mon voisin le politicien. Il a l’air d’un morse, avec sa moustache en forme de défenses. Puis je googlise « morsure de tique », car depuis hier soir j’ai peur d’avoir contracté la maladie de Lyme. Les symptômes : perte de force musculaire, paralysie temporaire, vision double, fatigue.
Les tiques se mettent à l’affût de manière à flairer le passage d’un homme ou d’un animal à sang chaud, lis-je sur www.francelyme.fr. Elles sont présentes là où il y a des bois et une végétation basse. Il est donc possible d’être mordu par une tique en se promenant ou en jouant dans des forêts, des prairies, des espaces verts urbains…

Après ce qui semble une éternité, l’équipe finit par rentrer à l’intérieur. Bizarrement, j’avais presque oublié qu’ils étaient là. Le caméraman veut encore faire une courte prise de mes doigts en train de taper. Doigts qui tapent, je tape, doigts qui tapent doigts qui tapent doigts qui tapent envie de baiser ? Puis les voilà partis, pour de bon cette fois-ci, et il se pourrait bien qu’ils n’aient jamais vraiment été là.

 

22 mars 2015

Curieux. Je suis allongée sur un des canapés blancs, je fixe le plafond et j’y aperçois soudain un trou parfaitement rond d’au moins cinquante centimètres de circonférence. Comment se fait-il que je ne l’ai pas vu avant ? Je prends une chaise pour y grimper, mais elle n’est pas assez haute. Je trouve une échelle à côté de la machine à laver. Je pose l’échelle sous le trou, je monte, et passe mes doigts sur les bords. Le trou fait peut-être dix centimètres de profondeur. Puis je pose ma main à plat dans le creux. Je me demande de combien l’intérieur de cette maison est plus grand que l’extérieur.
C’est à ne pas y croire, mais juste au moment où je suis là, comme une idiote, à tâter ce trou, j’entends quelqu’un tourner une clef dans la serrure de la porte d’entrée. Quelques secondes après, une femme surgit dans le salon.
Cleaning, dit-elle. Only need. De la main, elle fait le geste de frotter.
Je fais semblant d’avoir une raison d’être sur l’échelle, en m’essuyant les mains sur mon pantalon.
Yes, dis-je, sure.
La femme se glisse dans la cuisine, pour réapparaître un fer à repasser à la main. Elle me le montre.
Adíos, dit-elle.
Je réponds : Ciao ! d’une voix trop forte et trop enjouée, comme si je parlais à un malade. J’entends dehors ses pas légers descendre l’escalier en acier, et par la fenêtre côté terrasse, je la vois réapparaître sur la galerie opposée du complexe immobilier, puis rentrer par une autre porte.

 

23 mars 2015

La découverte du trou dans le plafond a renouvelé mon énergie. Mes sens se remettent à fonctionner. Pour la première fois depuis mon arrivée ici, j’ai le sentiment d’être un digne écrivain résident, une auteure qui découvre la ville d’une façon particulière, sa façon d’auteur. Il était temps d’ailleurs, car je suis supposée remettre un texte sensé. Le descriptif de la commande indique que le lecteur doit pouvoir faire connaissance avec la ville et voyager sans se déplacer. Alors on ne peut pas s’amener avec des bavardages sur une hypothétique maladie de Lyme et une éclipse solaire invisible.

Cet après-midi, je passais devant une maison dont les fenêtres étaient couvertes de petits mots. Bouddha oui, Allah non. Et : Stop à la terreur musulmane à l’égard des moutons. Dessous, une photo d’une chèvre. A l’intérieur, je ne vis personne, juste un tas de bougies et de plantes. Je continuai ma promenade par les ruelles du quartier Patershol. Etonnant : le Plotersgracht sent le fromage brûlé, la Vrouwebroersgracht l’huile de friture rancie. Grilles d’aération de restaurants, façades arrière des maisons. Tout à coup, j’eus le courage de continuer à marcher sans savoir où j’allais. Le fait qu’il ne pleuvait pas y était pour quelque chose.

Walter Benjamin écrit : « Ne pas trouver son chemin dans une ville ne signifie pas grand-chose. Mais se perdre dans une ville, comme on se perd en forêt, cela demande un apprentissage. Il faut pour cela que les noms de rues parlent à l’égaré comme le craquement des brindilles sèches, et les petites rues au cœur de la ville doivent refléter l’heure de la journée aussi clairement qu’une vallée dans la montagne. »

Sur la Ajuinlei, je découvris une librairie d’occasion anonyme. Je vis d’emblée qu’on n’y vendait pas n’importe quels livres de poche jaunis. Beaucoup de livres en français, en allemand. Philosophie, histoire, architecture. Au fond du magasin, une table avec des piles de livres entassés pêle-mêle, un écran d’ordinateur, un bouquiniste : les cheveux couleur sable peignés en arrière, le visage empâté, le regard ironique. Difficile de deviner son âge – tout entre quarante et soixante ans me paraissait plausible. Il me salua lorsque j’entrai, mais resta totalement concentré sur ce qu’il était en train de faire. Tant mieux ; je ne cherchais rien de particulier et je n’avais pas envie de faire semblant. De manière générale, je n’affectionne pas les rapports avec les vendeurs. Je trouve le rôle du client désagréable, où que ce soit. On achète ou on n’achète pas, mais dans les deux cas, c’est une situation honteuse.

Je devais me sentir bien seule, car au bout d’un moment je me suis approchée de la table, quelques très belles vieilles éditions de chez Suhrkamp à la main. Le bouquiniste leva la tête de son travail, sans amabilité exagérée, mais pas franchement hostile non plus. Deux heures et trois verres de vin plus tard, force me fut de conclure que son apparence hautaine faisait partie d’une image soigneusement construite, qui me sembla d’abord excentrique, et par la suite surtout touchante. Il me raconta qu’il s’appelait Andreas, qu’il était issu d’une famille d’aristocrates et qu’il avait échangé une carrière universitaire ratée contre cette librairie. Autrefois, à l’issue d’un doctorat en grec ancien et philosophie, il avait enseigné pendant des années à l’université de Bruxelles. Il n’était jamais passé professeur ; il fallait pour cela rejoindre les francs-maçons, qui n’étaient à ses yeux qu’une bande de gamins. Il s’entendait bien avec ses étudiants, avec ses collègues, non. Suite à un conflit, il fut mis en disponibilité. Heureusement, à cette même époque, sa mère mourut, en lui laissant suffisamment d’argent pour qu’il puisse faire ses adieux définitifs à l’université.
Avec l’héritage, il acheta des stocks de livres à des bouquinistes à travers toute l’Europe. Lorsqu’il eut assez de livres pour se lancer, il acheta cet immeuble. Lui-même habite au-dessus du magasin, les deux autres étages sont loués. Il ouvre la librairie quand il a envie, mais jamais avant une heure de l’après-midi. Souvent, il reste ouvert jusque tard le soir.

Le vin rendit Andreas non seulement bavard, mais aussi très expressif. Sur sa figure bouffie se succéda toute une série d’expressions qui constituait en elle-même une narration à part. J’essayais de déchiffrer le message de cette autre histoire en observant longuement et avec une grande concentration ce visage, comme si c’était une entité tout à fait autonome. Sous mon regard, il se transforma en un tableau de Francis Bacon, mais sans me dévoiler grand-chose par ailleurs.
Quand je me retrouvai dans la rue, le crépuscule était déjà tombé. Il pleuvait doucement. Je passai devant un mendiant agenouillé sur le trottoir, et un instant, il eut l’air d’un cul-de-jatte.

 

24 mars 2015

Thérèse d’Avila fut la première carmélite déchaussée. Le Christ lui était apparu en 1556, pour des fiançailles mystiques. Mais il ne lui fut pas facile d’apprendre à connaître son futur époux, elle dut se contenter de sa présence fantomatique et de sa foi inébranlable. « C’est très douloureux, mais plein de douceur et de jouissance, » écrit-elle à ce sujet dans Le château intérieur.
En 1562, elle fondit son propre couvent de carmélites, réformé suivant une ligne dure que caractérisent la pauvreté, la prière et le retrait du monde. C’est ce que ses visions lui avaient dicté : se déchausser, prier, mendier. A sa mort, vingt ans plus tard, un confesseur coupa certaines parties de son corps pour les distribuer parmi ses puissants admirateurs. Quelque quatre siècles après, en 1937, Franco mit la main sur une châsse reliquaire contenant sa main droite, moins l’index. Jusqu’à sa mort en 1975, il garda la châsse sur sa table de nuit. On dit que le Generalísimo mourut en tenant la chose entre ses mains tremblantes de parkinsonien.

 

25 mars 2015

Aperçu pour la première fois mon voisin, vers neuf heures trente, il traversa la galerie derrière ma terrasse de toit. Quelques minutes plus tard, ce fut la femme de ménage qui apparut. Il y a un truc entre eux, ça se voyait à la façon dont elle vérifiait son chignon d’un geste rapide.
A y regarder de plus près, le trou dans le plafond n’est pas parfaitement rond.

 

26 mars 2015

Hier soir, je me suis terriblement enivrée avec Andreas. Je m’étais rendue à la librairie en fin d’après-midi. En chemin, dans une épicerie fine, j’avais acheté une bouteille de vin rouge, plusieurs fromages, du kletzenbrot, du saucisson, des cœurs d’artichaut à l’huile, des rillettes, des sardines, une terrine de gibier au confit d’oignons et, sur un coup de tête, une boîte de tiramisu.

Je trouvai Andreas avec une marque pourpre sous l’œil gauche. Il était allé, comme toutes les semaines, faire ses longueurs à la piscine Van Eyck, où l’exercice physique était rendu à peu près supportable par l’architecture art déco. Un nageur dans le couloir voisin s’était trop écarté de sa trajectoire et lui avait donné un coup de talon au visage.
Ça te donne un certain style, dis-je, sachant que cette remarque lui ferait extrêmement plaisir.
Nous mangeâmes et bûmes dans la boutique. Parfois, des clients entraient, personne n’achetait rien. Andreas parla du projet qu’il avait formé d’écrire un feuilleton télévisé qui se déroulerait dans une librairie d’occasion. Une sorte de croisement entre les séries Seinfeld et Frasier, avec un protagoniste fortement inspiré d’Andréas. Une mine d’or, dis-je, et je le pensai vraiment. Je lui demandai ce qu’il avait déjà écrit.
Des dialogues, répondit-il.

Il n’y avait presque plus de vin. Andreas monta chercher une nouvelle bouteille, parla de son père (dictateur), de sa mère (alcoolique), de son hypocrite de frère qui travaillait dans l’immobilier et qui avait baisé toute la famille d’une façon inimitable. Il devint de plus en plus agité et finit par éclater en sanglots, inconsolable, ce qui ne l’empêchait pas de continuer à fourrer de grosses cuillerées de tiramisu dans sa bouche.
Je l’aidai à monter, mais il ne voulait pas rester seul. Nous avons regardé deux épisodes de Retour au château ensemble, assis sur son canapé imitation Versace. Andreas finit par reprendre complètement ses esprits, et soudain je vis l’inévitable ressemblance entre l’homme à côté de moi sur le canapé, et le charmant mais misérable Sebastian Flyte sur l’écran de la télé. Je les abandonnai à leur sort et rentrai chez moi en titubant à travers la ville de poupées nocturne. Des pavés, des châteaux, on se croirait dans un putain de roman courtois ici.

 

27 mars 2015

Une dizaine d’années avant la fondation de son ordre monastique de carmélites déchaussées, Thérèse d’Avila était tombée très malade pour des raisons inexpliquées, et avait fini par tomber dans un état de mort apparente. Cet état dura trois ans, puis elle se réveilla. Peut-être souffrait-elle du syndrome de Guillain-Barré, une affection neuromusculaire rare, où le malade peut rester paralysé pendant des jours, voire des années, avant de se rétablir totalement.

 

28 mars 2015

Aujourd’hui, je devais me rendre à Bruxelles pour un entretien à la radio. Traversée de la ville en taxi, tout était embouteillé, je suis arrivée tout juste à l’heure. De l’entretien, je ne me rappelle rien, si ce n’est l’invité assis à mes côtés, un artiste qui avait créé un système de classification zoologique des animaux. Sa barbe était parfaitement taillée, peut-être s’agissait-il d’un autre projet artistique. Le chemin du retour se déroula mieux.

En rentrant, je m’aperçois que la porte d’entrée est entrebâillée. J’ai peur. Il y a des œuvres de Roger Raveel dans cette maison, de Pierre Alechinsky, de Michaël Borremans. Même ce drôle de petit bonhomme en porcelaine avec son halo doit avoir une certaine valeur.
Je lance un : Y a quelqu’un ? par l’ouverture.
Pas de réponse. Merde. J’entre dans la maison, j’imagine les emplacements vides là où étaient accrochés les tableaux. J’imagine la propriétaire, hors d’elle. Me dis que c’est peut-être à cause des rideaux ouverts côté rue.

Dans le salon, je tombe sur un tableau vivant improbable. L’escabeau se trouve exactement à l’endroit où je l’avais mis la semaine dernière, juste sous le trou. Sur la dernière marche se tient la femme de ménage, hissée sur la pointe des pieds, déchaussée, les deux mains dans le trou, les bras comme les ailes d’un ange. Le trou, je vois, est un tantinet moins rond qu’hier.
Le voisin d’en face tient l’escabeau, la tête levée vers les pieds de la femme de ménage. Ils me tournent le dos, ne paraissent pas m’avoir entendue. La femme de ménage marmonne quelque chose dans sa propre langue. Le voisin d’en face embrasse ses talons, l’un après l’autre, puis une seconde fois.
Très doucement, je quitte le salon, repasse par la porte, descends l’escalier métallique, et me retrouve dans la rue. If you want to express yourself, dis-je aux pavés, you must present something tangible.

 

30 mars 2015

Hier soir, j’ai invité Andreas à l’appartement. Nous avons bu des gin-tonic, assis sur les canapés blancs, du Tanqueray N° 10 avec du concombre. La marque pourpre autour de l’œil d’Andréas avait viré au jaune sur les bords, un soleil éclipsé par une lune.
Il n’a pas cessé de parler de son feuilleton. En fait, ça parle de Gand, dit-il, de l’âme de Gand, tu comprends ? Puis il dit des choses sur comment l’âme d’une ville ne se trouve pas dans la rue mais dans les maisons de ses habitants, les cours intérieures, les magasins, les écoles, les piscines, les jardins, les cafés, les bureaux, les églises, les couvents.
J’avais l’intention de lui parler de la femme de ménage et du voisin d’en face, je voulais savoir ce qu’il pensait que cela signifiait, mais à la réflexion, je m’abstins. Cela le ferait rire, et l’image éclaterait comme une bulle de savon.
Nous nous dîmes au revoir sur le trottoir. Les cheveux d’Andreas sentaient le chlore.

Ce matin, pour la première fois en quinze jours, il fait un temps éclatant. J’attends sur le quai de la gare, mon sac à dos rempli de livres que je n’ai pas lus. Près de moi, il y a un groupe de jeunes gens. Les garçons portent des chemisettes blanches à manches courtes, les filles des robes de toutes les couleurs qui arrivent juste en-dessous du genou. Ils ont des badges en plastique noir épinglés sur la poitrine. Au-dessus du nom des filles, il est écrit « sœur », au-dessus de celui des garçons « frère ». De plus en plus de jeunes se joignent au groupe. Ils discutent, les garçons avec les garçons et les filles avec les filles, avec retenue, mais joyeux. Je ne regarde pas le sol, mais je jurerais qu’ils ne portent pas de chaussures.

 

 

Traduit du néerlandais par Kim Andringa


Kim Andringa (Middelburg, 1977) a grandi en France et aux Pays-Bas. Elle a étudié la langue et la littérature françaises à la KUN à Nimègue. En 2007, elle a été promue en littérature comparée à la Sorbonne à Paris. Actuellement, elle travaille comme enseignante-chercheuse au sein de l’Unité d’enseignement et de recherche de la langue néerlandaise à la Sorbonne. En outre, depuis une dizaine d’années, elle est traductrice littéraire; elle traduit principalement de la poésie. Elle traduit du français vers le néerlandais et plus souvent du néerlandais et du frison vers le français.

 

Download the ePub Print

Eclipse

The English translation of Niña Weijers' citybook on Ghent, translated by Michele Hutchison, was published in a special English edition of Das Magazin in 2016.

 

 

16th March 2015

The apartment they’ve given me for my stay as writer-in-residence seems to have been designed with cocktail parties and sex in mind. Art and white sofas. Instead, I’ve been depressed and lonely for the past three days, since my arrival. I’m sleeping in the children’s room, in a narrow single bed. The child grew up long ago. There’s no life left in their possessions. The space has become a storage room. Next to my bed, there’s an instrument that most resembles a set of panpipes. I grazed my ankle on it the first morning. I fantasize about stamping it to pieces with my bare feet.

The apartment’s female owner uses it as a pied-a-terre; she lives in Antwerp most of the time. She came by to pick up some of her belongings on the first day, a whirlwind of focused energy and Chanel No. 5. There have been other writers here before me, most recently an Austrian with his Romanian wife. I remember reading one of his books once: the monologue of a madman, not exactly uplifting, but major literature all the same.

I sit at the back of the living room with my back to the street – the only place the internet works. I stare through the glass doors at the concrete pavings on the roof terrace, a shade darker than the air, porous, rainwater seeping through minuscule holes. The owner doesn’t want me to open the white curtains on the street side. People could see in, she said.

The apartment is in Ghent’s historic centre. Each day I go past the Gravensteen, a ridiculous construction that looks like a child’s impression of a medieval fortress, but which, even more idiotically, turns out to be real.
Diagonally across the road from my apartment is a monastery inhabited by a community of nine Carmelites. They have a website that tells you that they, the Ghent Carmelites, are of the barefoot variety. This doesn’t actually mean that they go through life without shoes. They wear sandals, and sometimes even closed shoes.

 

17th March 2015

I’d filled the entire bottom section of my rucksack with books. I imagined taking long walks, reading a book each day and writing in the evenings. Peace and quiet and time to reflect. Instead, I sleep and shake constantly. When I got up this morning, my legs wobbled all over the place. I jumped up in the air to teach them a lesson, but when I landed, my knees gave way and I found myself sitting on the floor. I stayed there for a while inspecting the space under the bed. Couldn’t find a thing, not even a dust bunny.

When the sun suddenly breaks through the rainclouds, I surreptitiously open the curtains on the street side. I lie down on one of the white sofas and play a game on my telephone. I have to fit numbered blocks together, so that the numbers on the blocks increase in size. After a while, my eyes close and two hours later, I wake up. It has rained again, become chilly in the sitting room, I need to pee, I have to get up, do something. But I stay where I am and stare at the porcelain figurine on the windowsill. A misshapen little man with wreath of sunbeams around his head.
If you cracked mine open, all you’d find was a reptilian brain, no bigger than an almond. The rest is blood and padding.

 

18th March 2015

Yesterday evening, suddenly overcome by severe physical and mental disquiet, I went for a walk through the city. I walked in a northwesterly direction, out of the historic centre, on to the long narrow Phoenixstraat, which is part of the Brugse Poort.
It was ugly and chaotic there, the houses seemed to have been built right through each other; rubbish was overflowing from bin bags, booming hip-hop came from cafes. Everything was called either phoenix or feniks: the snack bar, the pizza place, the hairdresser’s, two pubs, a greengrocer’s. Despite the music, it was strangely quiet in the street. Women leaned in doorways, smoking cigarettes, waiting for something, waiting for something to happen, a turning point in their lives. A mother with a child on her hip, two fat women wearing identical t-shirts with ORIGINAL GANGSTER written on them in big, purple letters. They looked at me, those women, and the men too, clustered outside the cafes. I kept feeling their eyes in my neck, but when I turned, they’d look away. It didn’t matter how fast I looked around, they were always quicker than me. How did they do it?
All of a sudden, I became sure that something was about to happen and that it wouldn’t be good. I longed intensely for softly illuminated tower of Saint Baafs cathedral, the motionless willows on the Lieverkaai, their melancholy branches touching the water, but I walked on, and it was as though I stepped right through something and crossed an invisible border.
Nothing happened. Perhaps I’d made myself untouchable, who could say. On the way back, I passed the Carmelite monastery. There was a flyer on the door. Each person has a side he doesn’t know himself: his shadow. What stops us from completely being ourselves? How do we make our shadows our allies?

 

20th March 2015

For the first time in ages, there was going to be a visible eclipse in the Northern hemisphere today. The eclipse sunglasses were sold out everywhere. This is apparently something people are interested in: a sun with a bite taken out of it, a glimpse of cosmic coincidence. It remained cloudy all day.

 

21st March 2015

Today a film crew came to my apartment. They were recording an item for Belgian television about my book, which has been nominated for a Belgian literary prize. I’d dressed smartly and put on some make up for the occasion. It was five days since I’d last spoke to anybody, aside from a few exchanges with the cashier in the Carrefour Express, during which neither she nor I triumphed as conversationalists.

The interviewer, a camera man (handsome) and a sound man looked around in wonder. An apartment like this, right in the centre, I could see them doing the maths. Did I know that a prominent Flemish politician lives here too? the sound man asked. He’d spotted his name on one of the post boxes. A controversial figure, used to be a socialist journalist, Speaker for the New Flemish Alliance these days.

The interviewer didn’t like my book, I could tell from the way she asked her questions. Or maybe it was something Flemish, a reserve I mistook for disapproval. After the interview, I had to walk around and take a book out of the bookcase. I picked a large coffee table book about Beuys, sat down at the table with it and pretended to be poring over it. If you want to express yourself you must present something tangible. Again and again, I read the same sentence, just the words, their shape. Tang-i-blie, tan-ger, tan-ger-ine.

The crew went out on the roof terrace. I sat at the window where you can get an internet connection. The writer at work, filmed from behind a steamed-up window. You don’t live, I typed, you let yourself be distracted. I googled my neighbour, the politician. He looked like a walrus, moustache like two tusks. After that, I googled ‘tick bite’ because I’ve been worried about having contracted Lyme’s since yesterday. Symptoms: weakness, temporary paralysis, double vision, tiredness. The rise of the tick makes being outdoors a little less carefree, I read on www.stopdeteek.nl. A tick is strong and can live for a long time. Safe recreation requires heavy artillery.

After an eternity, the crew came back in. Strangely enough, I’d almost forgotten that they were there. The camera man wanted to film my typing fingers for a moment. Typing fingers, I typed, typing fingers typing fingers typing fingers fancy a fuck? Then they were gone, for real this time, and it was almost like they were never here.

 

22nd March 2015

Remarkable. I’m lying on one of the white sofas, staring at the ceiling and all of a sudden I spot a perfectly round hole with a circumference of at least fifty centimetres. Why didn’t I notice it before? I fetch a chair to stand on but it’s not high enough. I find a stepladder next to the washing machine. I put the ladder under the hole, climb, and feel around the edges of the hole. It’s maybe ten centimetres deep. I place my flat hand in the cavity. Wonder how much bigger this house is from the inside than from the outside.
You won’t believe it but just as I’m feeling around like an idiot, I hear someone fiddling with a key at the front door. A few seconds later there’s a woman in the living room.
Cleaning, she says. Only need. She makes a polishing gesture.
I act as though there’s a reason for me to be up the ladder and pat my hands off on my trousers.
Yes, I say, sure.
The woman slips into the kitchen and then returns clutching an iron. She holds it up.
Adíos, she says.
Ciao, I say, too loud and cheerful, as though I were talking to a patient. I hear her clip-clapping down the metal steps. Through a window on the terrace side, I see her emerge onto the walkway opposite me in the apartment complex, before going through a door.

 

23rd March 2015

The discovery of the hole in the ceiling has given me renewed energy. My senses are starting to function again. For the first time since I arrived, I feel like a worthy resident, a writer discovering the city in her own writerly manner. It’s about time too, since the idea was for me to come up with something meaningful. The description of what I’m to do here says that the reader should get to know the city and be able to travel without leaving his or her home. You can’t come up with nonsense about possibly having caught Lyme’s, and an invisible eclipse.

This afternoon I walked past a house whose window was filled with notes. Buddha yes, Allah no. And Stop Muslim Terrorism Against Sheep. Under it a picture of a goat. I couldn’t see anyone inside, though there were a lot of candles and plants. I wandered on further through the streets of the Patershol. Noteworthy: the Plotersgracht smelled of burnt cheese, the Vrouwbroersstraat of stale cooking oil. Restaurant ventilation grids, backs of buildings. Suddenly I found the courage to carry on walking without knowing where I was going. It didn’t help that it was raining.

Walter Benjamin wrote, ‘Not to find one's way around a city does not mean much. But to lose one's way in a city, as one loses one's way in a forest, requires some schooling. Street names must speak to the urban wanderer like the snapping of dry twigs, and little streets in the heart of the city must reflect the times of day, for him, as clearly as a mountain valley. This art I acquired rather late in life; it fulfilled a dream, of which the first traces were labyrinths on the blotting papers in my school notebooks.’

On the Ajuinlei, I discovered an antiquarian bookshop without a name. I saw right away that it wasn’t just selling any old yellowing paperbacks. A lot of French, German. Philosophy, history, architecture. At the back of the shop there was a table with messy piles of books, a computer screen, a shopkeeper: sandy, combed-back hair, puffy face, ironic glint in his eye. Hard to guess his age – anything between forty and sixty seemed credible. He greeted me as I went in, but then returned his full focus to whatever he was doing. Pleasant, I wasn’t looking for anything and didn’t want to have to pretend that I was. I never like talking to shop assistants anyway. I don’t like being a customer, wherever I am. You buy something or you don’t, in both cases it’s an embarrassing business.

I must have been very lonely because after a while, I walked up to the table carrying a couple of beautiful old Suhrkamp editions. The shopkeeper looked up from his work, not with exaggerated friendliness but not totally hostile either. Two hours and three glasses of wine later, I had to conclude that his haughty bearing was part of his carefully-constructed image, which at first seemed eccentric and then quite appealing to me. He told me his name was Andreas, he was from an aristocratic family and had swapped a failing career as an academic for this bookshop. He had a doctorate in Ancient Greek and Philosophy and had taught at Brussels University for years. He’d never made it to professor; you had to join the freemasons for that and he found them incredibly infantile. He got on with his students but not with his colleagues. After a conflict, he was suspended. Fortunately, his mother died during that period, leaving him enough money to say farewell to the university for good.
He used his inheritance to buy stocks of books from second-hand bookshops across Europe. When he had enough books to start, he’d bought this building. He lived above the shop and rented out the other two floors. He opened the shop whenever he felt like it, but never before one in the afternoon. He often stayed open until late in the evening.

The wine didn’t just make Andreas talkative, but very expressive. His puffy face took on a whole range of expressions, forming their own independent storyline. I tried to decipher the message of that other story by staring in great concentration at his face for long stretches, as though it was a completely separate entity. It changed into a Francis Bacon painting in front of my eyes, but apart from that, it didn’t give much away.
When I stepped back outside, dusk had already set in. It was drizzling. I walked past a beggar kneeling on the pavement, for a moment he looked like a man without legs.

 

24th March 2015

Theresia van Ávila was the first Barefoot Carmelite. In 1556, Christ appeared to her and joined her in mystical union. But the bridegroom wasn’t easy to get to know, she had to make do with his ghostly presence and her rock-solid belief. ‘It is very painful but pleasurable and soft,’ she wrote in El Castillo Interior.
In 1562, she founded her own reformed Carmelite monastery, with a hard regime of poverty, prayer and seclusion. It had appeared before her during her visions: shoes off, pray, beg. When she died twenty years later, a father confessor cut off several of her body parts to distribute amongst her powerful admirers. Around four centuries later, in 1937, Franco seized a reliquary which contained her right hand, minus its index finger. The shrine stood on his bedside table until his death in 1975. People say that the Generalísimo died holding it in his shaking Parkinsonian hands.

 

25th March 2015

Saw my neighbour for the first time. He walked along the walkway behind my roof terrace at about nine thirty in the morning. A few minutes later the cleaner appeared. There’s something going on between them, those two, you can see it from the way the cleaner felt the bun at the back of her head.
On further inspection, the hole in the ceiling isn’t perfectly round.

 

26th March 2015

Got terribly drunk with Andreas last night. I’d walked to the bookshop at the end of the afternoon. I’d bought a bottle of red wine at a delicatessen on the way, various cheeses, kletzenbrood, dry sausage, artichoke hearts in oil, rillettes, sardines, game pate with onion preserve, and, on a whim, a tray containing tiramisu.

I found Andreas with a dark purple bruise under his left eyelid. He’d been doing his weekly lengths in the Van Eyck swimming pool, whose art deco design made the exercise somewhat bearable. A swimmer in the next lane had strayed too far off course and kicked him in the face.
It does give you a certain cachet, I said, knowing that the comment would really please him.
We ate and drank in the shop. From time to time, a customer would come in but no one bought anything. Andreas told me about his plan to write a sitcom set in an antiquarian bookshop. A kind of cross between Seinfeld and Frasier, with a lead character strongly based on Andreas.
A goldmine, I said, and I meant it too. I asked him what he’d written so far.
Dialogues, he replied.

The wine ran out, Andreas went upstairs to fetch another bottle, told me about his father (dictator), his mother (alcoholic), his hypocritical brother who was an estate agent and had screwed all of them in various inimitable ways. He became more and more agitated and then burst out in uncontrollable sobs, which didn’t stop him from stuffing himself with huge mouthfuls of tiramisu.
I took him upstairs but he didn’t want to be alone. We watched two episodes of Brideshead Revisited on his faux Versace sofa. Andreas perked up, and suddenly I saw the inevitable resemblance between the man next to me on the sofa and the charming but unfortunate Sebastian Flyte on the TV screen. I let it lie and swayed home through the dolls’ city. Cobblestones and castles, it is like a courtly romance.

 

27th March 2015

More than ten years before Theresia van Ávila foundered her convent for Barefoot Carmelites, she fell critically ill, inexplicably, and ended up in a state of suspended animation. This lasted for three years and then she woke up. She may have had Guillain Barré syndrome, a rare neuromuscular disease which leaves its sufferers paralyzed for days or even years, but from which they fully recover.

 

28th March 2015

Today I had to go to Brussels for a radio interview. Took a taxi right through the centre, the traffic was at a standstill, arrived just in time. I don’t remember anything about the interview, except for the guest next to me at the table, an artist who had made a zoological classification system for animals. He had a perfectly coiffed beard, perhaps that was an art project too. The way back was better.

When I get home, I find my front door open a chink. I’m terrified. There are works by Roger Raveel in the flat, Pierre Alechinsky, Michaël Borremans. The crazy porcelain figurine with his nimbus is probably worth something too.
Hello? I shout through the chink.
No answer. Fuck. I go inside, picture empty spots where there used to be paintings. I picture the owner, furious. Think it might be because of the open curtains on the street side.

I come across an improbably tableau vivant in the living room. The stepladder is exactly where I’d put it last week, right under the hole. The cleaner is standing on the top step, on tiptoes, barefoot, both hands in the hole, arms like angel’s wings. The hole is, I notice, fractionally less round than yesterday.
The neighbour is holding the ladder in place, his head lifted towards the cleaner’s feet. She has her back to me and doesn’t seem to have heard me. The cleaner mutters something in her own language. The neighbour kisses her heels, one by one, and then again.
Very quietly, I leave the living room, back out through the front door, down the metal stairs, back onto the street. If you want to express yourself, I say to the cobblestones, you must present something tangible.

 

30th March 2015

Yesterday I invited Andreas round to the flat. We drank gin and tonic on the white sofas, Tanqueray No. 10 with cucumber. The purple bruise around Andreas’s eye had turned yellow around the edges, a sun with a moon in front of it. He talked nonstop about his sitcom. It’s actually about Ghent, he said, about the soul of Ghent, do you see? After that he said a few things about the way the soul of a city can’t be found on the streets but in its inhabitants’ houses, in courtyards, shops, schools, swimming pools, gardens, cafes, offices, churches, convents.
I was planning to tell him about the cleaner and my neighbour, I wanted to know what he thought a thing like that meant, but decided against it. He’d just laugh and the image would burst like a bubble. We hugged on the doorstop. Andreas’s hair smelled of chlorine.

This morning was the first time in two weeks that the weather has been fine. I stood on the platform with a rucksack full of unread books. There was a group of girls and boys next to me. The boys were wearing white short-sleeved shirts, the girls colourful dresses to just below the knee. They had name cards made of black plastic pinned to their chests. Above the girl’s names was the word ‘sister’, above the boys’, ‘brother’. More and more boys and girls joined the group. They talked to each other, the boys to the boys, the girls to the girls, modest but cheerful. I didn’t look down but I could swear they weren’t wearing shoes.

 

Translated by Michele Hutchison


Michele Hutchison (UK, 1972) studied at UEA, Cambridge and Lyon and has lived in Amsterdam since 2004. She works as an editor at a Dutch publishing house and as a freelance translator of novels, non-fiction and poetry. Recent translations include Hello Everybody! by Joris Luyendijk (Profile Books) and The Making Of by Brecht Evens (together with Laura Watkinson, forthcoming from Drawn and Quarterly).