Down and Dirty in Sheffield

Uitgeteld en plat in Sheffield

Abdelkader Benali

Abdelkader Benali

Abdelkader Benali (Morocco, 1975) moved to the Netherlands with his parents at the age of four. At the age of twenty-one he published his first novel, Bruiloft aan zee (1996), for which he received the Geertjan Lubberhuizen Prize.  In the years that followed Benali made his mark as a literary critic, short story writer, playwright and poet. He received the E. Du Perron Prize in 2009 for his novel De stem van mijn moeder (2009).

Close

Sheffield All citybooks

Download the ePub Print

Uitgeteld en plat in Sheffield

De Engelse vertaling van het  citybook Uitgeteld en plat in Sheffield van Abdelkader Benali wordt in april 2013 gepubliceerd in The Low Countries.

Ontdek ook Benali's citybook Beeld van een gewapende strijder op een paard, over de Macedonische hoofdstad Skopje.

 


1
Wat Sheffield, die eens zo roemruchtige staalstad, mist aan monumentaliteit of authentieke kanaaltjes of charmante pubs of heuvels waar deze of gene lord of ridder het loodje heeft gelegd in de zoveelste slag om een graafschap, maakt het meer dan goed met zijn couleur locale, en dat zijn de bewoners zelf die zodra de eerste werkdag voorbij is zich alweer opmaken voor het grote bacchanaal van uitgaan, zuipen en verbaal klaarkomen dat tot het einde van de week mag duren en maat noch regel kent. In het uitgaansleven bevrijdt de Engelsman zich van zijn klasse, sociale conventies en overgeërfde nuchterheid.

De belangrijkste hoofdstraat is ingericht op het zoveel mogelijk ontvangen van zoveel mogelijk uitgaanspubliek dat deze urbane zone, waar op een druilerige namiddag weinig tot niets gebeurt, als jachtgebied in bezit neemt voor het bevredigen van alle mogelijke lage aandriften zoals daar zijn schelden, tieren, brullen, spugen, uitdagen, het tandvlees laten zien, zich een café zien binnen te werken, zich uitkleden, vechten, laveloos rondhangen of de maaginhoud eruit kotsen. Kortom, alles wat een Engelsman niet zou doen. Ik durf te zeggen dat ik meer heb opgestoken over de Engelsen door een paar avonden zij aan zij te staan met ze in de pubs dan door het lezen van tig boeken over de Engelse cultuur en haar natuur. Sterker nog, alle referentieboeken die ik daarna las, confirmeerden het beeld dat ik had alleen maar. Wat de Engelsman doordeweeks aan ironie en zelfbeheersing met zijn linkerpink opbrengt, verliest hij compleet zodra het licht van de vrijdagmiddag wijkt voor de avond.

Voordat Osama Ben Laden definitief radicaliseerde in de richting van zijn afkeer van het Westen, zo stel ik me voor, bezocht hij op een zaterdagavond dit alcoholische inferno. Door het raam kijkend van een overvolle pub moet het laatste tikje richting Tora Bora gegeven zijn. Hier is het Westen op z’n lamlendigst. Alles geurt naar verderf. En werd in het verleden dat geflirt en overgave aan de onmatigheid diep gewantrouwd, afgekeurd en buiten de deur te houden door iedereen in het korset van de sociale verplichtingen te stoppen; de Engelsen zijn nu er klaar mee. In het weekeinde wordt wat alle antropologische onderzoeken bevestigen, namelijk dat de Engelsen wat stijfheid en formaliteit betreft alleen door de Japanners worden overtroffen, de grond ingeboord. Sheffield op zaterdagavond is een grote op hol geslagen mangastrip!

Decadentie – ooit voorbehouden aan de elite om kopje onder in te gaan als het laatste stadium van een beschaving waarin alles wat is bereikt met een simpel handgebaar wordt verspeeld – is nu binnen het bereik gekomen van iedereen. Een armoedzaaier kan zich een avond lang een consul wanen die met zijn paard is getrouwd om de volgende dag te ontdekken dat hij nog steeds een armoedzaaier is en zijn vrouw nog steeds een paard.

 


2
Ik weet dit allemaal omdat mijn appartement uitkijkt op de parkeergarage waar de lokale jeugd hun Japanse bakkies plaatst om daarna – de meisjes waggelend met hun kippenkontjes op hoge hakken zo hoog als kappersscheermessen, irritant trekkend met hun worstenvingers aan hun veel te korte minirokjes waaronder de zonnebankbruine benen als frikandellen voortmarcheren en de jongens allemaal een slap aftreksel van Britse voetballers uit de tweede divisie – richting de etablissementen te snellen waar de drinkgelagen kunnen beginnen. De associatie met een groep hofdames die hun ridders begeleiden naar het steekspel, ligt op de loer, alleen is er 1.500 jaar emancipatie overheen gegaan waardoor juist de vrouwen de broek aanhebben en de mannen er een beetje achteraan waggelen, als een soort van bijvangst.

Voor mij zijn de Engelsen het meest beleefde volk ter wereld omdat ze de indirecte rede tot norm hebben verheven; niets gaat in één keer en de Hollandse botheid die de Hollandse aanmatigendheid altijd en overal gelijk in te hebben een krasheid geeft die me soms doet duizelen van afschuw, zou hier tot sociale zelfmoord leiden. Als ik naar de Engelsen kijk, is het alsof ik naar een aflevering van Planet Earth kijk waar de dierenstam wordt geportretteerd die met elkaar communiceren en interactie plegen tot een kunstvorm op zich heeft verheven; ik slaak kreetjes van genot wanneer ik een rij zie vormen, ik kan genieten van de stiltes die hangen in de underground, stiltes die het resultaat zijn innerlijke beschaving, conventie en vermijdingsgedrag en hoe een conversatie met onbekenden er altijd op uitdraait zo min mogelijk van elkaar te weten te komen. Aan het einde van de documentaire bekijk ik ‘m het liefst zo snel mogelijk opnieuw.

In het weekeinde wordt er een heel andere documentaire afgespeeld, de ongecensureerde, de rauwe versie die liever niet vertoond zou moeten worden, ware het niet dat de deelnemers aan die vrolijke, wanstaltige maskerade uitblinken in het juist etaleren van alle ongerijmdheden en gevloek en gegil. Wat ik opvallend vond was de onbeschaamdheid waarmee al het gedrag, waar we ons als we goed bij zinnen zijn, eigenlijk voor zouden schamen, wordt geëtaleerd. De Engelsman kan slecht met geheimen omgaan, het is een taboe om iets achter te houden. Privacy, yes; secrets, no. En wat is er mooier dan in het gezelschap van vrienden – zij die dichtbij mogen komen om in je zone van privacy te verkeren – geen geheimen te hebben: ‘kijk eens naar mijn borsten, luitjes!’

Sheffield op een zaterdagavond is als carnaval in Maastricht: iedereen is verkleed voor een erotische danse macabre en het doet er niet toe wat je zegt of wie je bent, het enige wat er toedoet is welke plek je inneemt in de polonaise van plezier en jolijt.

Drank is de motor die deze energieverslindende onderneming die aangename mengeling van onbezonnenheid en moed geeft, die Engelsen het noodzakelijke tikje van buitenaf geeft waardoor het bewustzijn een ommetje moet maken. In mijn ogen houdt men dan op Engelsman te zijn, welbewust het risico nemend dat ik hierom uitgelachen zal worden. De man en vrouw die ik in het uitgaansleven zag heeft wat mij betreft niets te maken met de vrouw en man die op maandagochtend de trappen opklimt naar zijn kantoor, het zijn twee wezens, twee verschillende entiteiten die elkaar uitsluiten. Twee eilanden eigenlijk.

 


3
Publeven in Sheffield is iets bijzonders; in Nederland voel ik me bij het binnentreden van een café alsof ik een ruimte binnenkom waar ik de bestaande orde wellicht zou kunnen aantasten. Noem het inbeelding maar deze inbeelding is gevoed door jarenlang cafés binnen te stappen. In een Nederlands café moet men zijn plaats bevechten, niets is vanzelfsprekend, vooral in de hippe cafés die een hiërarchie en sociale code kennen die die van menig fraterniteit naar de kroon steekt. Gelukkig ligt in de bruine cafés de drempel een stuk lager, maar ook daar gelden regels.

In een Engelse pub voelt de binnenkomst alsof jij de laatste persoon bent die nodig was om het feest te complementeren; er is een instant gemoedelijkheid, zeg maar: gezelligheid, die over de gezichten van de bezoekers en tappers hangt. Als ik sterf, laat het dan in een Engelse pub zijn, er zal op mij gedronken worden en is er een Ier toevallig in de buurt, dan komt het met het gezang ook wel goed.

In het weekeinde veranderen de pubs helaas in een getto van razernij en vuur. De absurd vroege sluitingstijden dwingen de jongeren om in korte tijd veel te veel te drinken, een routine die men heeft gecultiveerd zoals de Engelsen alles waar ze goed in zijn met een aangename vorm van ironie cultiveren. Aan de bar staan is hier niet zozeer een vlucht uit de harde, dagelijkse realiteit, het is een sociaal evenement waarin het klassenverschil er niet toe doet en een vreemdeling, mits hij respect toont voor de mores aan de tap, net zo liefdevol wordt opgenomen als de oudste klant. Wat meteen opviel toen ik langs een aantal van die cafés toog – enig ander vertier heeft deze stad niet – is de innige saamhorigheid waarmee jonge en ouderen zij aan zij bivakkeren, er lijkt, zodra men over de drempel van de zaak is gestapt, niet meer zoiets te bestaan als een generatiekloof of een verschil in seksen. Bier vervult hier de egalitaire functie die bij ons het voetbal of seks vervult.

Ik zou liegen als ik niet zou zeggen dat die uitgaanstaferelen me schokten. Het drukt me nogmaals met de neus op de preutse achtergrond waartegen ik ben opgegroeid en waarin elke vorm van naaktheid, aanwezigheid van wellustigheid of liederlijkheid ten strengste werd afgekeurd. Hoewel ik mijn portie van naaktheid, wellustigheid en liederlijkheid wel heb gehad, kan ik het maar moeilijk velen het in anderen te zien. Het voelt alsof ik een middeleeuwse uitvergroting te zien krijg van alle smerigheid die ik de afgelopen jaren heb uitgehaald. Er zullen genoeg mensen zijn die dit niet smerigheid noemen, maar gewoon leven.

Als mijn collega-auteur Herman Brusselmans hier zou bivakkeren dan zou hij wel raad weten met zoveel jeugdige oeverloosheid, hij zou snel een personage eruit pikken om ‘m om te vormen tot een Elckerlyck van de hedendaagse wegwerpmaatschappij, een wereld waarin het individu denkt dat het geboren is om als in een realityshow zoveel mogelijk achterlijke kreten te slaken, waarin drugs als medicijn wordt gezien en als commodity wordt genuttigd en seks geen andere rol vervult dan om de twee luchtzakken van verveling door te komen.

Hij zou dit alles larderen met een ragfijne intrige van een bezoekende, uitgerangeerde schrijver – alle dagen zat, met een stinkende adem en niet eens in staat om zijn eigen riem ordentelijk door alle gaatjes van de broek te krijgen – die een relatie begint met een piepjonge serveerster. In Sheffield zou hij erachter komen dat er nog enkele plaatsen op de wereld zijn waar hij sex appeal heeft. Natuurlijk zou hij haar zwanger maken om er dan achter te komen dat de dame in kwestie de vrucht gewoon wil houden en hem vanaf die dag als niet meer ziet dan en passant. Ze trekt zich terug in een van de buitenwijken waar in het weekeinde alle auto’s netjes in de straat zijn geparkeerd, terwijl achter de voordeur de meest onwaarschijnlijke vunzigheden worden gedebiteerd. De auteur zou zijn vermetelheid om verhaal te gaan halen daar bekopen met een kloppartij waaraan hij op z’n minst een gebroken tand of twee overhoudt. Het meisje zou op hem aflopen, nadat hij afgerost door haar broers in een hoekje ligt bij te komen, en hem de vreeswekkende woorden toedienen dat hij niet moet denken ergens recht op te kunnen hebben. Gelukkig voor hem probeert ze nog een beetje Engels te praten zodat hij het onthoudt. En Brusselmans zou dit alles wat de lezer nu een tikkeltje onwaarschijnlijk voorkomt de juiste dosis realiteitszin en komedie meegeven die zo’n verhaal nodig heeft. Ik maak dat alles niet klaar. Ik probeer mijn observaties als opmaat tot een vlijmscherp essay te zien waarin ik op lucide doch zeer inzichtelijke wijze een inkijkje geef in de algehele verloedering van deze welvaartsmaatschappijen.

De gedachte dat de ouders hun hoofden machteloos afwenden van zoveel ongereidheid, blijkt op een verkeerd verwachtingspatroon gebaseerd te zijn. Ze doen er druk aan mee! De ene lellebel van zestien is nog niet gepasseerd of daar loopt er al een iets oudere, iets dikker in de plamuur gezette en vaak nog net iets meer aangeschoten maar met wel meer kennis van zaken om die uitgelatenheid te maskeren met een quasihouding van ‘aan mijn polonaise geen lijf’: de moeders. Zij zijn net zo sluw als hun dochters, ervarener en dus slimmer en nog wanhopiger op zoek naar een lekker hapje. Dat hoeft niet perse een man te zijn. Een vers koud bier mag ook.

De vrouwen kleden zich, naar Nederlandse maatstaven, extreem uitdagend. Hoerig zouden we zeggen. De gemiddelde hoeveelheid textiel op een deerne in Sheffield is net genoeg om een washandje van te maken. De lichamen zijn zongebruind, hier en daar een ringetje of een sterretje of een piercing. Hakken, hoge hakken. ‘Men vindt die uitdossing hier helemaal niet aanstootgevend of ordinair. Het is algemeen aanvaard.’ Ik betwijfel dat, ‘algemeen aanvaard’ is wanneer de nieuwslezers de kleding ook aanheeft bij de beroepsuitoefening. Ik zie nieuwslezeressen dit niet doen. Toch klopt het dat die parade van vlees tamelijk onschuldig overkomt; de paar keer dat ik de hoofdstraat op en neer liep, zag ik geen agressie of onheuse bejegening van vrouwen.

 


4
Ik weet dat de aanstellerij weer is begonnen als ik midden in de nacht wakkerschiet omdat iemand op de parkeerplaats aan het gillen is geslagen. Het gaat altijd op dezelfde manier. Meestal een vrouw die hard en boven alles en iedereen uitgilt, geen oproep om hulp. Een oproep tot navolging. Een fractie van een seconde later klinkt de tweede gil op, meestal ook een vrouwelijke. De fuga van hysterie is ingezet. Er heeft zich een groepje vrouwen gevormd waar tegenover dan een tegengroep komt te staan van mannelijke gillers die veel uitgelatener zijn en harder gillen maar het wel korter volhouden. Het koor heeft het thema overgenomen. De gil van een vrouw heeft sowieso een hogere frequentie waardoor de snerp veel dieper het gehoor binnendringt. Is er gegild dan moet er ook achter elkaar aan gerend worden. In het begin meende ik dat er iets serieus aan de hand was. Roof. Verkrachting. Moord. In die volgorde. De oorzaak was iets anders. Drank. Lol. Hitsigheid. Zoveel energie die geen kant opkan. Of men het hier ook echt met elkaar doet, weet ik niet. ‘Een avondje is pas echt geslaagd voor de Engelsman als hij de volgende ochtend tot zijn schaamte eigenlijk niet meer kan zeggen wat hij de avond ervoor heeft gedaan.’ Hij kan dus alles of niks hebben gedaan. Het leven, een zwart gat waarin alles verdwijnt. Bier drinken als equivalent van veilig vrijen.

Een avond die gemoedelijk begon in een lokale pub waar rond een uur of tien al de gebruikelijke golden oldies waren ingezet, waar een heel gewone, recht-toe-recht-aan-clientèle kwam en de plaatselijke maagden bij de aanwezigheid van vreemd, dus vers, manvolk meteen de bustepartijen begonnen op te schikken, de ogen lieten draaien en hun blik strategisch verlegden richting het tafeltje waar die man zich had genesteld. Dat was het aangename gedeelte van de avond.

Rond een uur of twee is de aftakeling van alle burgermansfatsoen onder de jonge lui – van wie ik hoop dat ze op een dag tot bezinning zullen komen, al twijfel ik daar niet aan omdat de mens naast zijn vermogen tot laveloosheid ook over het talent beschikt om zichzelf te corrigeren – al in volle gang gezet. Meisjes liepen wanhopig met rood aangelopen ogen door de straten op zoek naar een taxi, een fles wodka, een man. Ik zag een dikke jongen vertwijfeld naar zijn vriendinnetje kijken die niet eens zo heel erg uit het zicht een dikke vinger in de keel laat verdwijnen waarna een kolkende hete stroom kots als lava uit de Etna naar boven gespoten kwam. Ze stond daar te kotsen met een professionele ongedwongenheid die me schokte. Hij kijkt naar haar alsof hij keek naar een langgekoesterde illusie die ineens op niets anders dan zelfbedrog gebaseerd leek te zijn. Wat ik zag in die ogen herkende ik welzeker, de angst om afgewezen te worden door een meisje dat eenmaal uitgekotst en behoorlijk ontnuchterd tot bezinning is gekomen en alsnog besluit niet met hem mee te gaan en dat daarmee alle tijd en emotionele ellende die hij in haar had gestopt voor niets geweest. De uitgaansavonden worden door een zeer efficiënte en meedogenloze logica beheerst. Ik wilde naast hem gaan zitten en hem troosten en hem ook kalmeren, maar zie dat hij helemaal niet zit te wachten op mooie woorden van vreemdelingen. Liefst wil hij dat zijn vriendin weer beter is, de scheur in haar panty, die ziet hij toch niet. Wat hij stilletjes hoopte was dat ze een beetje opgeknapt toch weer besluit om bij hem te blijven om nog wat door te drinken. Niets mooiers dan wakker worden naast iemand die hetzelfde dode musje in de mond heeft liggen als jij.

Ik liep verbaasd, vertwijfeld rond. Ik verbaasde me over alles wat ik zag, het ging zo snel en er was zo veel dat ik soms in mijn wang moest knijpen om tot inkeer te komen. Langs me heen liep een groep meisjes die elkaar op dit tijdstip van de avond behoorlijk op de zenuwen zijn gaan werken, aan hun lichaamstaal te zien. Ze zijn met z’n drieën, twee erg mooi en wulps, de derde flets en onbetekenend. De laatste legt een kinderlijke aanhankelijkheid aan de dag waar die twee andere, wat meer doortrapte meisjes, een broertje dood aan hebben. En het onvermijdelijke, waar het ene meisje zo bang voor was, moet dan toch gebeuren en gebeurt. Ze wordt verlaten. De andere twee lopen van haar weg in de richting van een taxi, als twee demarrerende wielrenners in een grote slotronde die wegrijden van het rennertje dat er al die tijd bij gehangen heeft en wiens rol definitief is uitgespeeld. Uitgeput, met de armen weerloos langs het lichaam blijft het bakvisje staan en tuurt, als een geliefde die naar een verre herinnering kijkt, naar de vriendinnen die ze zo graag had gewild maar die maken dat ze wegkomen in de taxi. Vast en zeker om na een paar honderd meter uit te stappen op een plek waar ze, bevrijd van de last, hun avond op geheel eigen wijze kunnen voortzetten. De wereld zit wat dat betreft kwaad in elkaar, vooral op zaterdagavond.

Ik zie een groepje donkere meisjes, de meeste van hen op hakken zo hoog als de piramide van Austerlitz, andere op blote voeten, met de peperdure schoentjes losjes om de breivingers, om en om een magnumfles wodka naar binnen klokken. Het lijkt wel een tafereel te zijn uit een natuurdocumentaire waar een groep vogels zich tegoed doet aan een kelk vol nectar. Ze drinken met een discipline die eerder zou passen bij de dragonders uit Tolstojs Oorlog en vrede dan bij deze wild aantrekkelijke meiden.

Voordat ik thuiskom moet ik nog een tweetal straten door. Ik sla de hoek om en voordat ik het in de gaten heb, explodeert er naast mijn oor een glazen voorwerp. Een fles. Ik kijk verschrikt om me heen, tegelijkertijd zeer op mijn hoede voor een mogelijk volgend projectiel dat zijn weg naar mij vindt. Er werd iets naar me gegooid met geen ander doel dan me te raken. En zo werd ik het nachtleven uitgejaagd en ben er niet meer teruggekeerd.

 

Download the ePub Print

K.-O. sans appel à Sheffield


1
Si Sheffield, cette cité métallurgique jadis si fameuse, ne possède ni monuments ni petits canaux authentiques, ni pubs attrayants, ni collines où quelque lord ou chevalier aurait un jour passé l’arme à gauche dans la énième bataille avec pour enjeu un comté, elle le compense largement par sa couleur locale, c'est-à-dire par les habitants mêmes qui se remettent, dès la fin de la première journée de travail, à préparer la grande bacchanale de sorties nocturnes, beuveries et orgasmes verbaux, qui peut se prolonger jusqu’à la fin de la semaine et ne connaît ni règle ni mesure. Quand il sort, l’Anglais se libère de sa classe, des conventions sociales et de son flegme atavique.

La rue principale est aménagée de façon à accueillir le maximum de fêtards qui prennent possession de cette zone urbaine où il ne se passe rien ou presque par un après-midi maussade, et en font un terrain de chasse pour satisfaire alors toutes les pulsions triviales possibles telles que jurer, hurler, gueuler, cracher, provoquer, montrer les dents, se forcer un passage à l’entrée d’un café, se dévêtir, en venir aux coups, glander en se bourrant comme un cochon ou vomir tripes et boyaux. Bref, tout ce qu’un Anglais ne ferait pas. J’ose dire que j’en ai appris davantage sur les Anglais en les côtoyant pendant quelques soirées dans les pubs qu’en lisant trente-six bouquins sur la culture et le tempérament anglais. Mieux encore, tous les livres de référence que j’ai lus par la suite ont confirmé l’image que je m’étais faite. L’ironie et le self-control que l’Anglais produit sans le moindre effort durant la semaine, il les perd complètement dès que la lumière du vendredi après-midi cède la place à la nuit tombante.

Avant qu’Oussama Ben Laden ne se radicalise définitivement dans son rejet de l’Occident, il a dû, j’imagine, fréquenter un samedi soir cet enfer de l’alcool. Un regard à travers la vitre d’un pub archicomble lui a sans doute donné l’ultime chiquenaude en direction de Tora Bora. Voici l’Occident dans ce qu’il a de plus avachi. Tout respire la dépravation. Et si on a jadis traité avec la plus grande méfiance, si on a réprouvé et banni le moindre penchant pour ou l’abandon à l’excès en sanglant tout un chacun dans le corset des conventions sociales, l’Anglais s’en est désormais bel et bien débarrassé. Pendant le week-end, le constat – confirmé par toutes les études anthropologiques - que seuls les Japonais surpassent les Anglais en matière de raideur et de formalisme, est systématiquement torpillé. Sheffield, le samedi soir, est un vaste manga débridé !

La décadence – jadis réservée à l’élite qui pouvait s’y plonger comme le stade ultime d’une civilisation dans laquelle tout ce qui a été acquis est reperdu d’un simple geste – est maintenant à la portée de n’importe qui. Un crève-la-faim peut s’imaginer une soirée entière être un consul marié à son cheval pour découvrir le lendemain qu’il est toujours un crève-la-faim et que sa femme est restée un cheval.

 


2
Je sais tout cela parce que mon appartement a vue sur le parking où la jeunesse locale range ses bagnoles japonaises pour se hâter ensuite – les filles se trémoussant du popotin sur leurs talons aiguilles aussi hauts que des rasoirs de coiffeurs, leurs doigts boudinés tirant avec agacement sur leur mini-jupe bien trop courte sous laquelle évolue une paire de jambes bronzées au solarium qui ont l’air de fricandelles, et les garçons, tous sans exception des reproductions anémiques de footballeurs britanniques de deuxième division - vers les établissements où les beuveries peuvent commencer. La comparaison avec un groupe de dames d’honneur accompagnant leurs chevaliers au tournoi nous guette, mais 1500 ans d’émancipation sont passés par là : ce sont désormais les femmes qui portent la culotte et les hommes qui suivent en titubant un peu, comme une sorte de butin accessoire.

À mes yeux, les Anglais sont le peuple le plus policé de la terre parce qu’ils ont érigé en norme le discours indirect ; rien ne se fait en une fois et la rudesse hollandaise qui donne à la prétention hollandaise d’avoir toujours et partout raison une verdeur qui m’horrifie parfois et me donne le vertige, conduirait ici à un suicide social. Quand je regarde les Anglais, c’est comme si je regardais un épisode de Planet Earth où est présentée la tribu animale qui a érigé la communication et l’interaction en expression artistique ; je pousse de petits cris de plaisir quand je vois se former une queue ; je trouve jouissifs les silences dans le métro, silences résultant d’un savoir-vivre intériorisé, de conventions et d’un comportement d’évitement, ainsi que la manière dont une conversation avec des inconnus a toujours pour objet d’en apprendre le moins possible les uns sur les autres. Quand le documentaire est terminé, je le remets volontiers aussi vite que possible.

Pendant le week-end, c’est un tout autre documentaire qui est diffusé, la version non censurée, crue, qu’il vaudrait mieux ne pas montrer, seulement voilà, les participants à cette mascarade aussi joyeuse que monstrueuse excellent à faire étalage de toute la panoplie d’inepties, de jurons et de hurlements imaginables. Ce que je trouvais frappant, c’est l’impudence avec laquelle s’affiche un comportement dont, en réalité, nous aurions honte si nous avions tout notre bon sens. L’Anglais n’est pas à l’aise avec les secrets, dissimuler quoi que ce soit est tabou. Intimité, yes ; secrets, no. Et qu’y a-t-il de plus beau que de n’avoir aucun secret quand on est en compagnie de ses amis, de ceux qui ont le droit d’approcher la sphère intime : « Hé, les copains, visez un peu mes nichons ! »

Sheffield le samedi soir, c’est comme le carnaval à Maastricht : tout le monde est déguisé pour une danse macabre érotique et peu importe ce qu’on dit et qui on est : la seule chose qui compte est la place qu’on s’attribue dans la polonaise du plaisir et de l’exubérance.

La boisson est le moteur qui nourrit cette entreprise épuisante d’un mélange plaisant d’étourderie et de courage donnant aux Anglais l’indispensable impulsion extérieure qui pousse la conscience à aller faire un petit tour. À mes yeux, on cesse d’être anglais à partir de cet instant, et j’assume sciemment le risque qu’on se moque de moi pour cette idée. L’homme et la femme que j’ai vus sortir le soir n’ont rien à voir, à mon avis, avec la femme et l’homme qui grimpent l’escalier le lundi matin en direction de leur bureau, ce sont deux êtres, deux entités différentes qui s’excluent. Deux îles, en fait.

 


3
La vie des pubs à Sheffield a quelque chose de particulier ; quand j’entre dans un bar aux Pays-Bas, j’ai l’impression de pénétrer dans un lieu où il se pourrait que je dérange l’ordre établi. C’est une illusion, si on veut, mais cette illusion est nourrie par l’expérience de toutes les années où je suis entré dans des cafés. Dans un bar néerlandais, on doit se disputer sa place, rien ne va de soi, surtout dans les établissements branchés qui connaissent une hiérarchie et un code social rivalisant avec ceux de plus d’une confrérie. Heureusement, dans les bistrots, il est plus facile de franchir le seuil mais là aussi, il y a des règles.

En pénétrant dans un pub anglais, on a le sentiment d’être la dernière personne attendue pour que la fête soit complète ; pendant un instant, il règne une cordialité, disons une convivialité, qui se reflète sur les visages des clients et des bistrotiers. Si je meurs, que ce soit dans un pub anglais, on boira à ma santé, et s’il y a par hasard un Irlandais dans les parages, les chants non plus ne feront pas défaut.

Le temps du week-end, les pubs se transforment malheureusement en un ghetto de folie furieuse. L’heure de fermeture, absurdement précoce, oblige les jeunes à boire beaucoup trop en un laps de temps trop court, une routine cultivée de la même façon que les Anglais cultivent tous leurs points forts avec une forme aimable d’ironie. S’accoter au zinc, ce n’est pas seulement une fuite hors de la dure réalité quotidienne, c’est un événement social au cours duquel les différences de classes ne comptent plus et qui fait qu’un étranger, à condition de faire preuve de respect pour les usages du comptoir, est accueilli avec autant de chaleur que le plus ancien des habitués. Ce qui m’a tout de suite frappé quand je suis passé dans un certain nombre de ces cafés – il n’y a pas d’autre source de distraction dans cette ville – c’est l’intense solidarité avec laquelle jeunes et vieux bivouaquent côte à côte ; une fois franchi le seuil de l’établissement, il semble qu’il n’existe plus de fossé entre les générations ou de différence entre les sexes. La bière remplit ici la fonction égalitaire que remplissent chez nous le football et le sexe.

Je mentirais si j’omettais de dire que ces scènes de la vie nocturne me choquaient. Elles me collaient une fois de plus le nez la pruderie du contexte qui m’a vu grandir, où toute forme de nudité, toute manifestation de sensualité ou de luxure étaient réprouvées avec la plus grande sévérité. Bien qu’ayant eu ma part de nudité, de sensualité et de luxure, je supporte difficilement de les voir chez autrui. J’ai l’impression qu’on me présente un agrandissement moyenâgeux de toutes les saloperies que j’ai commises ces dernières années. Il se trouvera assez de gens pour dire qu’il ne s’agit pas de saloperies, mais de la vie, tout simplement.

Si mon collègue, l’auteur Herman Brusselmans, venait bivouaquer par ici, il saurait comment s’y prendre face à tant de licence juvénile, il sortirait un personnage du lot pour le transformer en Tout-un-chacun (1) de la société contemporaine du jetable, un monde où l’individu pense qu’il est né pour pousser le plus possible de cris débiles comme dans un reality show, où la drogue est considérée comme un médicament et consommée comme un produit de base et où le sexe ne joue pas d’autre rôle que de faire passer les deux trous d’air de l’ennui.

Il trufferait l’ensemble d’une intrigue subtile avec la visite d’un écrivain sur le retour, – quotidiennement bourré, à l’haleine fétide, et même pas en état de passer correctement sa ceinture dans toutes les pattes de son pantalon – qui entamerait une liaison avec une toute jeune serveuse. À Sheffield, il découvrirait qu’il y a encore quelques endroits dans le monde où il lui reste du sex-appeal. Naturellement, il engrosserait la serveuse pour constater que la demoiselle en question voudrait garder le fruit de leur relation et qu’à partir de ce jour elle ne le verrait plus qu’en passant. Elle se retirerait dans un de ces faubourgs où, durant le week-end, toutes les voitures sont correctement garées dans la rue dans un bel alignement tandis que derrière les portes des maisons sont débitées cochonneries les plus improbables. L’auteur paierait sa témérité d’être venu chercher des explications d’une bagarre dans laquelle il laisserait pour le moins une ou deux dents. Une fois rossé par les deux frères de la donzelle, alors qu’il reprendrait ses esprits dans un coin, la fille marcherait droit sur lui pour lui asséner ces paroles terrifiantes : qu’il ne s’imagine surtout pas avoir le moindre droit ! Heureusement pour lui, elle s’efforcerait de parler un peu anglais pour qu’il retienne bien le message. Et Brusselmans donnerait à cet ensemble paraissant maintenant un tantinet invraisemblable au lecteur, la dose exacte de réalisme et de comique dont a besoin une histoire de ce genre. Tout ça n’est pas mon truc. J’essaie de considérer mes observations comme l’ébauche d’un essai incisif dans lequel je porte, de façon lucide mais très accessible, un regard sur la dégradation générale de ces sociétés d’abondance.

La pensée que les parents impuissants détourneraient la tête devant tant d’impudicité semble basée sur une estimation erronée. Les parents ne sont pas en reste, tant s’en faut ! Une pétasse de seize ans vient à peine de passer qu’il en arrive une autre, un peu plus âgée, avec une couche de maquillage plus épaisse comme appliquée à la truelle, et souvent juste un peu plus éméchée encore mais avec davantage de savoir-faire pour masquer ce débordement par une attitude qui semble quasiment signifier « Touche pas à ma cotte! » : la mère. Les mères sont aussi malignes que leurs filles, plus expérimentées et donc plus rusées et plus acharnées encore à trouver un bon morceau. Pas forcément un homme. Une bière bien fraîche peut très bien faire l’affaire aussi.

Les femmes s’habillent par rapport aux normes hollandaises d’une manière extrêmement provocante. On pourrait dire : comme des putes. La surface moyenne de tissu sur une greluche de Sheffield suffit juste à confectionner un gant de toilette. Les corps sont bronzés, par ci par là un anneau, une petite étoile, un piercing. Des talons, des talons hauts. « Ici, personne ne trouve cet accoutrement choquant ou vulgaire. Il est communément accepté. » Je me permets d’en douter. « Communément accepté » signifie que les présentateurs du journal télévisé s’habillent ainsi dans l’exercice de leur profession. Je ne vois pas les speakerines faire ça. Pourtant il est exact que cette étalage de chair paraît plutôt innocent : les quelques fois que j’ai arpenté de long en large la rue principale, je n’ai perçu aucune agressivité ni comportement désagréable envers les femmes.

 


4
Je sais que le cirque a repris quand je me réveille en sursaut en pleine nuit parce que quelqu’un s’est mis à hurler sur le parking. Cela se passe toujours de la même façon. La plupart du temps, une femme qui hurle à tue-tête, hurlement qui couvre tout et tout le monde et qui n’est pas un appel au secours. C’est un appel à l’imitation. Une fraction de seconde après retentit le deuxième cri, provenant également d’un gosier féminin. L’hystérie entame sa grande fugue. Il s’est formé un groupe de femmes en face duquel se tient un groupe d’hommes hurlant plus fort et avec beaucoup plus d’exubérance mais nettement moins d’endurance. Le chœur a repris le thème. Le cri d’une femme possède une fréquence plus haute et de ce fait il vrille davantage le tympan. Une fois qu’on a bien crié, il faut se courir après. Au début, je croyais qu’il se passait quelque chose de grave. Un vol. Un viol. Un meurtre. Dans cet ordre. La cause était tout autre. L’alcool. Le plaisir. La lubricité. Tant d’énergie qui ne trouve pas d’exutoire. Je ne suis pas en mesure de dire s’il y a réellement passage à l’acte. « Pour un Anglais, une soirée n’est véritablement réussie que si, à sa grande honte, il n’arrive pas à dire le lendemain matin ce qu’il a fait la veille au soir. » Il est donc possible qu’il ait tout fait ou, au contraire, rien du tout. La vie est un trou noir dans lequel tout disparaît. Boire de la bière comme équivalant du rapport sexuel protégé.

Une soirée qui commença de manière bon enfant dans un pub de quartier où, vers les dix heures, on passait déjà les vieilles rengaines habituelles, que fréquentait une clientèle ordinaire, sans façons, et où les vierges locales, en présence d’un homme inconnu, donc tout frais, se mettaient à ajuster leur soutien-gorge, à jouer de la prunelle et à diriger stratégiquement leur regard en direction de la petite table où s’était installé cet homme. Ce fut la partie agréable de la soirée.

Aux environs de deux heures, la déchéance des bonnes manières bourgeoises bat déjà son plein parmi ces jeunes dont j’espère qu’ils redeviendront raisonnables un jour, même si je n’ai pas de doute à ce sujet, car outre son aptitude à se bourrer, l’homme dispose aussi du talent de se corriger. Des filles aux yeux rougis déambulaient comme des âmes en peine dans les rues à la recherche d’un taxi, d’une bouteille de vodka, d’un mec. Je vis un gros garçon regarder d’un air dubitatif sa copine qui, sans se mettre vraiment à l’écart, s’enfonça un doigt épais dans la gorge pour en faire jaillir soudain un jet brûlant de vomi comme un flot de lave de l’Etna. Elle était là, en train de dégobiller avec une aisance professionnelle qui me choqua. Il la regardait comme s’il regardait une illusion longuement caressée qui ne semblait soudain plus reposer que sur du vent. Ce que je vis dans ses yeux, je le reconnus sans hésitation, c’était l’angoisse d’être rejetée par une fille qui, après s’être vidé l’estomac, passablement dégrisée, a retrouvé ses esprits et décide de ne pas l’accompagner, de sorte que tout le temps et toutes ces misérables émotions investis en elle l’ont été en pure perte. Les sorties nocturnes sont régies par une logique très efficace et impitoyable. Je voulais m’asseoir à côté de lui, le consoler, et le calmer aussi, mais je compris qu’il n’en avait rien à cirer des belles paroles d’un inconnu. Il préférait voir sa copine aller mieux ; quant à l’échelle qui déparait son collant, il ne la voyait pas de toute façon. Il espérait en silence que quand elle serait un peu remise, elle déciderait quand même de rester avec lui pour continuer à boire. Rien de plus beau que de s’éveiller à côté de quelqu’un qui a, comme vous, une belle gueule de bois. Surpris et perplexe, je marchais en rond. Je m’étonnais de tout ce que je voyais, tout allait si vite et il y avait tant à voir que je devais parfois me pincer la joue pour me ressaisir. Un groupe de filles me dépassa : à ce stade de la soirée, elles commençaient à se taper mutuellement sur les nerfs, à en juger par le langage des corps. Elles sont trois, deux d’entre elles très jolies et lascives, la troisième, terne et insignifiante. Cette dernière affiche une dépendance puérile qui horripile les deux autres, plus rouées. Et l’inévitable que redoute tant la troisième fille, ne manque pas de se produire. Elle est larguée par les deux autres qui partent en direction d’un taxi comme deux coureurs cyclistes qui piquent un sprint dans le dernier tour et lâchent le petit coureur collé tout ce temps à leurs roues et dont le rôle est définitivement terminé. Épuisée, les bras pendant le long du corps, la gamine reste plantée sur place et, à la manière d’un être aimé qui contemple un lointain souvenir, elle fixe les deux amies qu’elle aurait tant voulu avoir, mais qui déguerpissent dans un taxi. À coup sûr pour en descendre quelques centaines de mètres plus loin, dans un endroit où, délivrées de ce poids mort, elles peuvent poursuivre leur soirée à leur guise. Sur ce point, le monde est bien mal foutu, surtout le samedi soir.

Je vois un groupe de filles de couleur, la plupart sur des talons aussi hauts que la pyramide d’Austerlitz, d’autres pieds nus, faisant tournoyer avec désinvolture leurs escarpins hors de prix autour de leur index, qui, se passant la bouteille, descendent avec application un magnum de vodka. On pense à une scène de documentaire sur la nature où un groupe d’oiseaux se délecte d’un calice rempli de nectar. Elles boivent avec une discipline qui conviendrait davantage aux dragons de Tolstoï dans Guerre et Paix qu’à ces attrayantes sauvageonnes. Pour arriver chez moi je dois encore emprunter une rue ou deux. Je tourne le coin et avant que je m’en aperçoive, un objet en verre explose près de mon oreille. Une bouteille. Je regarde avec effroi autour de moi, tout en me tenant sur mes gardes en prévision du projectile suivant qui pourrait m’atteindre. Quelque chose a été lancé dans ma direction sans autre but que de me toucher. C’est ainsi que je me suis vu rejeté de la vie nocturne et que je n’y suis plus retourné.

 

(1) Dans le texte, Elckerlyck (Everyman, dans sa version anglaise) : titre d’une moralité flamande du XVe siècle.


Traduit du néerlandais par Annie Kroon

 

Annie Kroon (1944) est traductrice littéraire néerlandais-français. Elle a, entre autres, traduit une dizaine de livres de Hella S. Haasse et des romans d’Anna Enquist, Lucette ter Borg, Tomas Lieske, Joseph Pearce et Henk van Woerden. En 2008, elle a reçu le Prix des Phares du Nord, un prix biennal pour la traduction de littérature néerlandaise en français, remis par la ‘Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds’ [Fondation pour la production et la traduction de la littérature néerlandaise] et le ‘Vlaams Fonds voor de Letteren’ [Fonds flamand des lettres]. Kroon a reçu le prix essentiellement pour sa traduction de ‘De groten der aarde of Bentinck tegen Bentinck’, en français: Madame Bentinck, l'indiscrète. Ce livre est paru auprès des Editions du Seuil.


 

Download the ePub Print

Down and Dirty in Sheffield

The citybook by Abdelkader Benali about Sheffield has been published in The Low Countries in april 2013. Abdelkader Benali wrote a citybook about Skopje too: Warrior on a Horse.


1
What Sheffield, the once so illustrious city of steel, is lacking in monumentality or authentic little canals or charming pubs or hills where lord or sir somebody or other kicked the bucket in the umpteenth battle over one or other shire, it more than makes up for with its local colour: the residents themselves, who, as soon as the first working day is over, are already getting dressed up again for the great debauchery of Sheffield nightlife; the boozing and verbal ejaculation that can last until the end of the week and knows no bounds. When the Englishman goes on a night out he liberates himself from his class, social conventions and inherited sobriety.

The main high street is designed to accommodate the greatest number of revellers to the greatest extent. On a typical evening, the body of merrymakers takes control of this urban zone – where, on a drizzly afternoon, next to nothing happens – for the satisfaction of every base instinct imaginable; swearing, screaming, ranting, spitting, provocation, bearing their teeth, cramming themselves into pubs, undressing, fighting, drunkenly loitering or throwing up their stomach contents. In short, everything an Englishman should not do. I dare say that I learned more about the English by standing side by side with them for a few evenings in the pubs than by reading endless books about the nature of English culture. Moreover, every reference book I read after that only confirmed my impressions. Whatever irony and self-control the Englishman accumulates in his little finger during the week he loses entirely as the light of Friday afternoon fades into evening.

Before Osama Bin Laden became definitively radicalized in his revulsion for the West, I imagine that he visited this alcoholic inferno on a Saturday evening. Looking through the window of an overflowing pub must have provided the ultimate nudge towards Tora Bora. Here is the West at its most vile. Everything stinks of depravity. And even if in the past this flirtation with and surrender to excess was deeply mistrusted, frowned upon, to be kept out by all those trussed up in the corset of social responsibility, the English are finished with all that now. At the weekend, the confirmation of all anthropological research, which is that only the Japanese outdo the English as far as rigidity and formality is concerned, is smashed to smithereens. Sheffield on a Saturday night is one great big crazed Manga strip!

Decadence – once a privilege of the elite to drown in the plentiful final throes of a civilization in which all that has been gained is squandered with a mere wave of the hand – is now within grasp of us all. A pauper who is married to his horse can dream fancifully all night long, only to discover the following day that he is still a pauper and his wife is still a horse.

 


2
I know all this because my apartment looks out onto the car park where the local youth leave their Japanese hatchbacks - the girls wiggling their little chicken-bottoms atop high heels as high as a hairdressers’ scissors, pulling irritatingly with their sausage fingers at their far-too-short mini skirts under which the sun bed-brown legs march onwards like frankfurters, and the boys all poor excuses for British second-division footballers – to then hasten in the direction of the establishments where the drinking-bout can begin. While the situational similarities to a group of ladies-in-waiting accompanying their knights to a jousting tournament may be observed, the fact that the passing of 1,500 years of emancipation means that it is actually the women who wear the trousers now and the men who just tag along behind like a kind of also-ran.

For me, the English are the politest people in the world because they have set the standard for indirect speech. The Dutch bluntness that lends their presumption of always being right about everything a crassness that sometimes leaves me reeling in disgust, would result in social suicide here. When I look at the English, I feel like I am looking at an episode of Planet Earth where the herd of animals being portrayed has raised the act communication and interaction with each other to an art form; I can hardly contain my delight when I see a queue forming, I take pleasure in the silences that hang in the underground, silences that are the result of inner courteousness, convention and avoidance behaviour, and how in a conversation strangers always end up finding out as little as possible about each other. At the end of the documentary I always want to watch it again as soon as possible.

At the weekend, a very different documentary is played back: the uncensored, raw version that would be better off not being shown, were it not for the fact that the participants in this joyful, hideous masquerade excel at the precise exhibition of all manner of absurdities and swearing and yelling. What struck me was the brazenness with which all this behaviour is displayed and of which, anyone in his or her sobriety, would actually be ashamed. The English are not good at keeping secrets, holding things back is taboo. Privacy, yes; secrets, no. And what could be finer than, in the company of friends – those who are allowed to get close and frequent your private space – to have no secrets: ‘Hey everyone, look at my tits!’

Sheffield on a Saturday night is like carnival in Maastricht: everyone is dressed for an erotic danse macabre and it doesn’t matter what you say or who you are, the only thing that matters is where your place is in the polonaise of pleasure and jollity.

Drink is the driving force that gives this energy-devouring enterprise that pleasant mixture of recklessness and courage, and gives the English that necessary impulse whereby the consciousness is compelled to make a detour. In my eyes, this is where one ceases to be an Englishman, though I’m well aware that I run the risk of being laughed at for this. As far as I am concerned, the men and women I saw out at night have nothing to do with the men and women who climb the stairs to their office on a Monday morning; they are two beings, two different entities which are mutually exclusive. Islands apart, in fact.

 


3
Pub life in Sheffield is something special; when I walk into a cafe in the Netherlands I feel as if I am entering a space where I could possibly disturb the established order of things. Maybe it’s my imagination but this imagination is fuelled by years of walking into cafes. In a Dutch cafe you have to fight for your place, nothing is taken for granted, especially in the trendy cafes that recognize a hierarchy and a social code that usurp many a fraternity member. Fortunately the threshold in the brown cafes is a bit lower, but rules apply even there.

Coming into an English pub you feel like you were the final person that was needed to complete the party; there is an instant feeling of joviality: a convivial atmosphere that is perceptible in the faces of the customers and bartenders. When I die, let it be in an English pub. They will drink to me and if there happens to be an Irishman nearby, then there will even be singing.

Alas, at the weekend the pubs change into a frenzied blazing ghetto. The absurdly early closing times force young people to drink far too much in a short space of time, a routine that has been cultivated just as the English cultivate everything they are good at, with a pleasant form of irony. Here, standing at the bar is not so much an escape from the hard daily reality of life, as it is a social event in which class differences do not matter and, provided he shows respect for the moral code at the bar, a stranger is welcomed just as warmly as the oldest client. What was immediately evident when I made my way past a number of these pubs – there is no other form of amusement in this city – was the intimate solidarity with which young and old hitch up together side by side and, as soon as you cross the threshold, there seems to be no such thing as a generation gap or a difference between the sexes. Here it is beer that fulfils the equalizing function fulfilled in our country by football and sex.

I would be lying if I didn’t say that the scenes of Sheffield nightlife shocked me. It brings home to me again the prudish background I grew up in and in which every form of nudity, the presence of sensuality or licentiousness were severely disapproved of. Although I have certainly had my fair share of nudity, sensuality and licentiousness, I can hardly abide seeing it in others. It feels like I am being shown a magnified image from the Middle Ages of all my sordid antics from years gone by. But then there will be enough people who wouldn’t call this sordid, just living life.

If my colleague, the author Herman Brusselmans, were in town, he would know how to handle all this youthful abandon, he would quickly pick out a character and then transform them into the Everyman of the modern day throw-away society, a world where the individual thinks they are born to utter as many idiotic statements as possible as if they were in a reality show, where drugs are seen as medicine and are consumed as a commodity and sex fulfils no other role than to get the two airbags through the boredom.

He would sprinkle all of this with the delicate intrigue of a visiting sidelined writer – drunk every day, with stinking breath, not even capable of getting his own belt through all the loops in his trousers properly – who begins a relationship with a very young waitress. In Sheffield he would discover that there are still a few places in the world where he has sex appeal. He would of course get her pregnant only to discover that the lady in question just wants to keep the foetus and from that day onwards sees him as no more than incidental. She retreats to one of the suburbs where at the weekend all the cars are parked nicely in the street, while behind closed doors the most unbelievably sleazy goings-on play out. The author would pay for his audacity in going there to gain satisfaction with a scuffle leaving him with at least a couple of broken teeth. As he is lying in a corner coming round from the battering by her brothers, the girl would bend over him and deliver the alarming words that he needn’t go thinking he has the right to anything. Luckily for him, she then tries to speak a bit of English so that he will remember it. And Brusselmans would provide all this – which now appears to the reader a tad unlikely – with the necessary injection of reality and comedy that a story like this needs. I myself don’t manage that. I try to see my observations as paving the way for a razor-sharp essay in which I give a lucid yet extremely insightful glimpse into the general deterioration of the welfare state.

The notion that the parents impotently turn their faces away from so much reckless abandon is be based on a wrong set of expectations. They’re all getting on with it too! Before one trollop of sixteen has passed by, she is already closely followed by another slightly older one, with a slightly thicker layer of slap and often just that bit more inebriated; but also more worldly, enough to mask that exuberance with a kind of “in your dreams” attitude: the mothers. They are just as shrewd as their daughters, but more experienced, and thus smarter, and even more desperately in search of a bit of alright. This does not necessarily have to be a man. A nice cold beer will do.

The women dress, by Dutch standards, extremely provocatively. We would say sluttishly. The average amount of material on a Sheffield wench is just enough to make a face flannel. Their bodies are sun-tanned, here and there a little ring or star or a piercing. Heels, high heels. ‘People don’t think the attire here is offensive or common at all. It’s generally accepted.’ I doubt this: it would be ‘generally accepted’ if newsreaders were also to wear these clothes in their professional capacity. I don’t see female newsreaders doing this. Even so, it is true that this parade of flesh comes across as relatively innocent; the few times I walked up and down the main street I did not see any aggression or harassment of women.

 


4
I know it is showtime again when I wake up suddenly in the middle of the night because someone has started yelling in the car park. It’s always the same. Usually a woman screaming loudly and above everything and everyone else, but not a call for help. A call to follow. A fraction of a moment later the second call sounds, usually also female. The fugue of hysteria has begun. By now, a small group of women has formed, opposite which a comparable group of male yellers assemble; significantly more enthusiastic and with louder yells, but keep it up for a shorter time. The choir has taken over the theme. The yell of a woman has a higher frequency in any case whereby the squeal penetrates the ear much further. Once there has been some yelling then everyone has to run after each other. At the beginning I thought there was something serious going on. A mugging. Rape. Murder. In that order. The cause was something else. Drink. Hijinks. Horniness. All that energy and no where to go with it. Whether people actually do it with each other here, I don’t know. ‘For the Englishman, the evening is only really a success if, to his shame, he can’t actually remember the next morning what he did the night before.’ So he could have done everything or nothing. Life, a black hole into which everything disappears. Drinking beer as the equivalent of safe sex.

An evening that started out nice and friendly in a local pub where at about ten o’clock all the usual golden oldies started up, where a very ordinary, straightforward type of clientele came and, in the presence of unfamiliar, let’s say fresh, menfolk, the local virgins immediately started to crank up the cleavage competition, turned their gaze and let their eyes wander strategically in the direction of the table where some man had settled himself. That was the pleasant part of the evening.

At about two o’clock the decline of any common decency among young people – from which I hope they will one day come to their senses – which I don’t doubt because, as well as the capacity for complete drunkenness, people also possess a talent for self-correction – was already in full swing. Girls walked desperately through the streets with reddened eyes in search of a taxi, a bottle of vodka, a man. I saw a fat youth looking despairingly towards his girlfriend as, not that far out of view, her fat finger disappeared down her throat after which a churning, hot stream of vomit erupted like lava out of Mount Etna. She stood there vomiting with a professional nonchalance that shocked me. He was looking at her as if he were looking at a long-treasured illusion that suddenly seemed to be based on nothing other than self-delusion. What I saw in those eyes I recognized very clearly, the fear of being rejected by a girl who, once she had finished vomiting and had sobered up considerably, would come to her senses and then decide not to go with him after all so that all the time and emotional suffering that he had invested in her would have been for nothing. Nightlife conduct is governed by a very efficient and ruthless logic. I wanted to go and sit next to him and comfort him, soothe him even, but I see that he can really do without the platitudes of a stranger. What he really wants is for his girlfriend to feel better again; he doesn’t even see the rip in her tights. What he was secretly hoping was that, having recovered a bit, she would decide to stay with him after all and carry on drinking for a while. Nothing is as lovely as waking up next to someone with the same dead parrot in their mouth as you.

I walked around astounded, confounded. I was astounded by everything I saw, there was so much happening and so quickly that at times I had to pinch myself to come to my senses. A group of girls walked past me who, judging by their body language, had reached that point in the evening when they were seriously getting on each other’s nerves. There are three of them, two really attractive and voluptuous, the third sallow and unremarkable. The latter is showing signs of a childlike dependency which the other two shrewder girls absolutely cannot stand. And the inevitable, what the other girl was so afraid of, just has to happen and does. She is abandoned. The other two run away from her in the direction of a taxi like two cyclists in the big final stage of a tour, sprinting away from another who has been tailing them up to that point and whose role is now completely played out. Exhausted, her arms hanging helplessly by her sides, the poor young girl stands there and stares, like a lover gazing at some long-lost memory, at the friends that she so desperately wanted but are now making their getaway in a taxi. Sure enough, only to get out a few hundred metres further up where they can continue their evening as they see fit, liberated from their burden. This is where the world can be very cruel, especially on a Saturday night.

I see a group of black girls, most of them with heels as high as Cleopatra’s Needle, others have bare feet, their very expensive shoes hanging loosely from their forefingers, taking turns to glug on a magnum bottle of vodka. It looks rather like a scene from a nature documentary where a group of birds are taking their fill from a flower’s chalice of nectar. They are drinking with a discipline that would be more appropriate to the dragoons from Tolstoy’s War and Peace than these savage beauties.

There are still a couple of streets before I get home. I turn the corner and, before I have chance to realize, a glass object explodes next to my ear. A bottle. I look around alarmed, at the same time extremely wary of a possible second missile that may find its way to me. Something was thrown at me with no other intention than to hit me. And so I was driven from the Sheffield nightlife and have never returned.

 

 

Translated from Dutch by Suzie Holdsworth

Suzie Holdsworth completed her undergraduate studies in Modern Languages in the UK. She then spent ten years living and working in the Netherlands, gaining experience translating a variety of text genres, including the literary, from Dutch into English.  Since then she has been awarded an MA in Translation Studies (2009) by the University of Sheffield and is currently studying for a PhD, also at the University of Sheffield.